Full Text / Transcription of UNIVERSITEITLEIDEN-DIG-KOLONIAAL-VERSLAG-1871 (2024)

HHMMMHHHMMHHBHMi
BIBLIOTHEEK KITLV
0154 2875
ma
7<; 4
*
Z I T T I N G 1871 — 1872. — 8. Exh. 21 September 1871 , n9, 60.
Koloniaal verslag van 1871.
GELEIDENDE BRIEF.
N°. 1.
's GRAVENHAGE, den Uiden, September 1871.
Ik heb de eer U Hoogedel Gestr. aan te bieden liet bij art. GO der Grondwet voorgeschreven jaarlijksch Verslag van het beheer der Overzeesche koloniën on bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.
Overeenkomstig den laatstelijk aangenomen regel bevat het Verslag, voor elke der hooldgroepen : Nederlandsen Indie, Suriname, Curaçao, Kust van Guinea, de statistiek over J 8 7 0 , met mededeelingen, die zich aan het vorig Verslag aansluiten tot den datum der jongste tijdi,:
Ten gerieve bij do bewerking, is in de inrigfing der mododeelingen slechts deze verandering gekomen , dat berieten later dan 1 Augustus jl. ontvangen, even zeer als bestuursdaden hier te lande na dien datum, bij noot zijn opgenomen.
Hij het Verslag betreffende Suriname wordt overgelegd het, ingevolge art. 39 van de wet van 8 Augustus 18G2, {Staatsblad n°. 164), door den Gouverneur dier kolonie opgemaakte verslag over 1870 omtrent de werking der maatregelen aangaande de opheffing der slavernij aldaar ; voor zooveel noodig bij het Departement van Kolonien var aanteekoningen bij noot voorzien.
De Minister van Koloniën,
VAN BOSSE.
Aan den Heer Voorzitter vati de Tweede Kamer der Staten-G ener aal.
INHOUD
VAN HET
VERSLAG BETREFFENDE NEDERL. (OOST-) I1VDIE
(VAN 1871.)
B.
C.
».
E.
Bladz.
Grondgebied en bevolking 1
§ 1. Grondgebied 1
§ 2. Bevolking 1
Opperbeheer 1
Mededeelingen van staatkundigen en algemeenën aard 2
§ 1. Betrekkingen met het buitenland. . 2
§ 2. Java en Madura 3
§ 3. Buitenbezittingen en naburige inland
sche staten g
Landmagt 15
§ 1. Kommandement 15 § 2. Zamenstelling, aanvulling, ziekte-en
sterftecijfers 15
§ 3. Inrigtingen, bijzonderheden . . . . 23
§ 4. Krijgsverrigtingen 30 § 5. Gewapende corpsen niet regtstreeks tot het leger behoorende. . . . . 31 § 6. Koloniaal Militair Invalidenhnis nabij
Arnhem. 32
Zeemagt 32
§ 1. Kommandement 32
§ 2. Oorlogsmarine . ; 32
§ 3. Gouvernementsmarine 34
§ 4. Inrigtingen , b i j z o n d e r h e d e n . . . . 35
§ 5. Verrigtingen der zeemagt . . . . 40 Regtswezen en Departement van justitie . 41
Algemeen 41
§ 1. Wetgeving in het algemeen. . . . 41
§ 2. Burgerlijk regt, handelsregt en burgerlijke regts vordering 43
§ 3. Strafregt, strafvordering en gevangeniswezen 46
§ 4. Gewestelijke en plaatselijke verordeningen . 4 9
§ 5. Kegterlijke magt en regtsbedeeling . 49
§ 6. Militaire regtspraak 51
§ 7. Tnsschenkomst van den GouverneurGeneraal in zaken van justitie . . 51
§ 8. Bijzondere regten ., 52
§ 9. Personen en inrigtingen met het regtswezen in verband 54
Bladz.
Cr. Algemeene Eekenkamer en Comptabiliteit. 57
§ 1. Algemeene Rekenkamer . . . . . 57
§ 2. Comptabiliteit 57
H. Algemeen burgerlijk beheer 58
J . Departement van binnenlandsch bestuur . 60
I. Gewestelijk algemeen bestuur en politie . 60
§ 1. Gewestelijk algemeen bestuur . . . 60
§ 2. Bijzondere onderwerpen van politie. 64
II. Persoonlijke diensten 64
§ 1. Java en Madura 64
§ 2. Buitenbezittingen . . . . . . . 65
III. Landelijke inkomsten ; bedrijfsbelasting. 67
§ 1. Landelijke inkomsten 67
§ 2. Bedrijfsbelasting 71
IV. Afstand van grond 71
V. Agrarische, statistische en topographische opnemingen . . . . . . . . 73
§ 1. Agrarische opnemingen 73
§ 2. Statistische opneming van Java . . 73
§ 3. Civile topographische opneming van
Zuid-Celebes 76
VI. Postwezen 76
§ 1. Brieven- en paardenpostenj. . . . 76
§ 2. Pakketvaart en andere stoomvaartdiensten 80 K. Departement van onderwijs, eeredienst en
nijverheid 82
I. Onderwijs 82
§ 1. Voor Europeanen en met dezen ge
lijkgestelden 82
§ 2. Voor inlanders 88
II. Kunsten en wetenschappen 95
§ 1. Taaistudie - . 95
§ 2. Oudheidkunde gg
§ 3. Natuurwetenschappen 96
§ 4. Wetenschappelijke genootschappen . 98
§ 5. Tijdschriften en nieuwsbladen . . . 98
§ 6. Landsdrukkerij 98
III. Eeredienst. . . . . . . . . . 99
§ 1. Christelijke 99
a. Protestantsche 99
b. Roomsch-katholijke 101
§ 2. Mohammedaansche 102
IV. Instellingen van liefdadigheid . . . . 104 V. Burgerlijke geneeskundige en veeartsenijdienst log
§ 1. Burgerlijke geneeskundige dienst. . 106
§ 2. Veeartsenijdienst . 112
Bladz.
IJ. Departement der burgerlijke openbare
werken 112
I. Openbare werken in 't algemeen . . . 112
II. Bijzonderheden omtrent sommige werken 115 III. Spoorwegen en andere verbeterde middelen van vervoer te land 119
Algemeen 119
§ 1. Stoomspoor wegen 119
§ 2. Paardenspoorwegen (tramway's) . . 122
§ 3. Andere verbeterde middelen van vervoer te land 123
IV. Stoomwezen 123
V. Télégraphie . 123
BI. Departement van finautien . . . . . . 125
I. Finantien 125
§ 1. Begrooting 125
§ 2. Landskassen 131
§ 3. Consignatiestelsel 134
§ 4. Andere bronnen van inkomst . . . 135
a. Verpachte middelen 135
b. Onverpachte middelen en inkomsten. 140
II. Muntstelsel; geldsomloop 148
§ 1. Muntwezen . 148
§ 2. Javasche Bank . 149
K. Personele verordeningen omtrent lands
dienaren 149
§ 1. Burgerlijke landsdienaren 149
§ 2. Militaire landsdienaren 152
O. Nijverheid. 153
I. Landbouw, boschwezen en veeteelt . . 153
§ 1. Java en Madura 153
a. Landbouw 153
1°. Op gronden gebleven ter beschikking
van de bevolking 153
Rijstcultuur en tweede gewassen. . 153
Klappercultuur 159
Tabakscultuur 159
Katoencultuur 161
Indigocultuur 161 2°. Cultures ingevoerd op hoog gezag of ten gevolge van overeenkomsten door het Gouvernement met particuliere ondernemers aangegaan 161
Koffijcultuur 161
Suikercultuur 167
Kinacultuur 175
Bladz.
3". Landbouw op woeste gronden door het Gouvernement verhuurd. . . . 178
4°. Landbouw op landen aan particulieren in eigendom afgestaan 183
5°. Landbouw op verhuurde landen in
Soerakarta en Djokjokarta . . . . 186
b. Boschwezen 188
c. Veeteelt 190 § 2. Buitenbezittingen 191
1°. Gouvernement van Sumatra's Westkust 19!
2°. Benkoelen 193
3°. Lampongsche districten 193
4°. Palembang. 195
5°. Banka . 195
6°. Billiton 196
7°. Riouw en onderhoorigheden. . . . 196
8°. Westerafdeeling van Borneo. . . . 197
9". Zuider-en Ooster-afdeeling van Borneo 198
10°. Gouvernement van Celebes en onderhoorigheden 198
11°. Menado 199
12°. Amboina 201
13°. Ternate 203
14°. Timor . 203
II. Mijnbouw 204
§ 1. Tin 204
1°. Banka 204
2°. Billiton 207
3°. Riouw 208
§ 2. Steenkolen. 208
a. Gouvernementsmijnen 208
b. Particuliere ontginningen en concessieaanvragen 208
§ 3. Aardolien 208
§ 4. Putboringen 209
§ 5. Onderzoekingen van onderscheiden aard. Personeel 209
III. Zout 211
IV. Koopvaart en scheepsbouw 213
§ 1. Koopvaart 213
§ 2. Nederlandsch-Indische koopvaardijvloot 229
§ 3. Scheepsbouw 231
V. Andere onderwerpen 231
Z I T T I N G 1871 — 1872. — 8.
Koloniaal Verslag van 1871.
NEDERLANDSCH (OOST-) INDÎE.
VERBETERINGEN.
N\ 48.
In het Verslag.
Bladz. 1 , kolom 1, regel 8, staat: »hoofdstuk D , § 3 en 7 " , lees: »hoofdstukken D , § 3 en J " ;
» 1, » 2, n 17, v.o. » »erkende", lees: »rekende";
» 2, » 1, " 3 1 , » »Julij", lees: »Junij";
.» 2, » 2, » 2 1 , » »1 Junij", lees: »11 Junij";
» 5, .( 1, » 28, v. o. » »November", lees: »November en December":
» 5 , » 2 , » 8 , v. o. » »tonnen drie gouds", lees: »drie tonnen gouds";
» 7, » 2 , » 1 3 , » »aanplant", lees: »aanvang";
» 7 , » 2 (in de noot, regel 2), staat : » soeroe's " , lees : » goeroe's " ;
» 8, » 2 , regel 4 en 3 v. o., staat: » Taba, Penandjong", lees: » Taba-Penandjong " ;
» 45, » 2 , » 17, staat: »art. 13, alin. 1 5 " , lees: »art. 13, alin. 1, en art. 15";
» 46, » 2, » 36 en 35 v. o., staat: »zoowel van het reglement op de regterlijke organisatie enz. als van dat op de strafvordering", lees: » van het reglement op de strafvordering"; » 112, » 1, " 1 7 en 16 v. o., staat: » verrigtte van October", lees: »verrigtte, geholpen door den in" landschen schoolmeester en vier radja's moeda (laudbeeren), van Octolar";
« 163, » 1, » 20 v. o., staat »ruim 3 millioen", lees: »circa 3millioen";
» 170, » 1, » 14, 13 en 12 v. o., behooren, ten gevolge van nader ontvangen verbeterde opgaven, weg te vallen de woorden: »waarop alleen h6t gi-ooter aantal aan den fabrikant van Redjosari (Madioen) verstrekte arbeiders eenige uitzondering maakt";
» 208, » 1, " 2 9 en 30, staat: » bladz. 193) de goedkeuring", lees: »blad«. 198) voorwaardelijk de
goedkeuring".
In de Bijlagen.
Bijlage A., bladz. 2, kolom 5, regel 5 , staat: »557" lees: '>527";
3, » 1, » 4, » » 1023 842", lees: » 1033812";
» ' » 10, » 3, » 10, » » Zuiderafdeeling", lees: » Zuider- en Oosterafdeeling" ;
» » » 12, n 2, » 11, v. o., » » Ooloe Manna", lees: » Oeloe Manna",
» » » 12, " 2 , " 10 v. o., » "Kaueren", lees: » Kauer en";
» » » 12, » 2, » 7 v. o., » » Tolok Betong", lees: » Telok Betong";
;' » » 13, » 3 , » 1, » »734", lees: »704";
» » 13, " 9, .. 4, » >i 1 611334", lees: »1 611344";
" " » 14, » 2, » 6 v. o., » » Doesoem ", lees : » Doesoen " ;
>' " » 16, » 5, » 6, » » 2 3 " , lees: » 3 3 " ;
» » » 17, » 9, » 8, » »334 1 0 1 " , lees: »344101";
» " 17, ,, 8, » 16, » »6224", lees: »5479";
» " " 2 0 . regel 4, staat : » Europeanen met dezen gelijkgostelden {Indisch Staatsblad n°. 40) ", lees :
»Europeanen en met dezen gelijkgestelden (Indisch Staatsblad 1861, na. 40)";
» B> " #1 kolom 1, regel 3, staat: »Kommandant", lees: » Kommandement";
» " " 3, laatste kolom, regel 12, staat: »op de formatie", lees: »op de bij de formatie";
» » " 4 en 5 ; per transport behoorden hier geplaatst te zijn de eindcijfers voorkomende aan den voet der bladz. 3 en 4;
2
Bijlage B , bladz. 6 en 7, kolommen 2—13. De cijfers voorkomende in regel 2 en 3 hebben betrekking tot
ii Artillerie < Tyratp .•„ i"i terwijl <iie voorkomende in regel 5 en 6 de aanduiding
r, . ( Mineurs en sapeurs" , , ~ »Genie < ^ . ,.,, . r , , . . , ,. ,, betreffen; \ Gerne, lith. etabl. en phot, atelier
» ' » » 6, kolom 2, regel 4, staat: »383", lees: »583";
» » » 7 , laatste kolom, regel 21, staat: »50048", lees: »15048";
» » » 7, » » » 33, » »228", » »288";
» n n 7, » » » 2 v. o., staat: »996", lees: »896";
» C, » 3, kolom 4, regel 7 v. o., staat : » 4 : 4 " , lees : » 1 : 4 " ;
» D , » 2 , » 6, » 5 v. o , » »789", » »798";
» » » 5, laatste kolom, regel 4, staat: »10 941", lees: »1094,1";
» E , » 1, kolom 3, regel 2 v. o., staat: »59", lees: »39";
» » » 1, » 7, laatste regel, » » 504 ", lees : » 404 " ;
» » » 2, » 2 , regel 6, staat: »1862", lees: »1852";
» n » 2, voorlaatste kolom, regel 3 v.o., staat: »1843", lees; »1858";
» » » 4, laatste kolom, regel 27, staat: »van 1869", lees: »van November 1869";
» » » 4, noot, staat: »1870", lees; »1871";
» F , » 1, kolom 1, regel 3, staat: » Toelang Laoeng", lees: » ïandjong Laoeng";
» " » li » 1, » 8 v. o., staat: » Reede-eilanden Serangbaai, van Kapaauw " , lees: » Reede eiland Serang, baai van Kapaauw";
v Cr, » 3, kolommen 7 en 8, regel 4, staat: »749", lees: »479";
» » » 3 , in het opschrift der kolommen 13 en 14, staat: »Tuchthuis en kruiwagen", lees: »Aanwezig op 1°. January 1870";
» » » 3, in het opschrift der kolommen 15 en 16, staat: »Gevangenis en detentie", lees: »Aanwezig op 31 December 1870";
» i' » 3, kolommen 13—16; de totalen »338" en » 3 " behooren weg te vallen;
» » » 6, kolom 5, regel 2, staat: »4375", lees: »4357";
» » » 7 , laatste kolom, regel 2 v. o., staat : » 2 ", lees : » 3 " ;
» » » 9, kolom 3, regel 2 v. o., het cijfer » 1 5 " behoort weg te vallen;
» » » 11, » 2, » 5, behoort gelezen te worden het cijfer » 1";
» II, » 6, in het eerste staatje, kolom 2, regel 1, moet wegvallen het cijfer » 1 " ;
» » » 6, kolom 2, reg. 32, staat: »in laatstgenoemd, van 5 op 100 in eerstgenoemd", lees: »in eerst
genoemd, van 6 op 100 in laatstgenoemd";
» » » 7, kolom 1, regel 2 v. o., staat: »1837", lees: »1867";
r> » » 1 0 , in het eerste staatje, kolom 4, laatste regel, staat: »170", lees: »173";
» » » 10, kolom 2, regel 17 v. o., staat: » 51 in 1869", lees: »51 in 1867";
» » » 1 1 , » 12, laatste regel, staat: » 4 1 " , lees: »48";
» » » 16, in het eerste staatje, kolom 2, regel 6 v. o., staat : »Samanap", lees: » Sumanap"
» » » 16, » » » » » 4, » 10 » » » »Sempang", » »Sampan»"
» » » lfi, » » » » » 4, » 6 » » » » Agrowo ", » » Ngrowo"
» » » 16, » » tweede » » 3 , » 3 » » » »Agrowa", » » N<TOWO "
» » » 21, kolom 2, regel 15 v. o., staat: »1958", lees: »1858"; '
» » » 27, » 2, » 17, » »Probolinggo", lees: » Poerbolinggo" ;
» » » 29, » 2, » 42, » »in de behandeling", lees: »in dein behandeling";
» » » 32 , in het staatje, kolom 2, regel 3, staat : » 80 ", lees : » 30 " ;
» » » 33, kolom 2, regel 8 en 7 v. o., staat: »alleen op de stukken in appèl, moest oordeelen ", lees:
»alleen op de stukken, in appèl moest oordeelen";
» » » 34, kolom 1, regel 24 en 25, staat: »in de behandeling", lees: »in de in behandeling";
» » » 34, » 1, laatste regel, staat: »1868", lees: »1869";
» » » 36, » 1, regel 12 v. o., staat: »1369", lees: »1869";
» » » 36, » 2, » 15, » »verklaard", lees: »verklarend";
» » » 36, » 2, » 28, » »de eischen", lees: »den eischer"; » » » 36, » 2, » 29, » »zaken", lees: »zaak";
Bijlage » , bladz. 37, in liet tweede staatje, voorlaatste kolom, regel 1, staat: »148", lees: »178";
„ „ » 37, „ » n » » » laatste regel, staat: »336", lees: »366";
„ » » 40, in het hoofd der vier laatste kolommen van het staatje, staat: »omschrijvingen", lees: »in
schrijvingen " ;
» » » 41, kolom 1, regel 19, staat: »in Patti ", lees: »te Patli";
» » „ 46, » 1, » 7 v. o., staat: »1857", lees: »1867";
» ., „ 47, in het tweede staatje behoort het opschrift der kolommen 2—6 gelezen te worden als volgt; » Padang. Macassar. Amboina. Banda. Ternate." ; » » » 49, in het hoofd der voorlaatste kolom van het staatje staat: »ontslagen" lees: » voort vlugtig" ;
» ,, » 50, kolom 1, regel 10, staat: » In naam", lees: »II. In naam";
» „ » 50, » 2, » 7 v.o., » »en de Noorder-" lees: »en in de Noorder-" ;
» „ » 53, » 2, » 7, staat: »1865", lees: »1868";
» „ » 53, » 2, » 15, » »in", lees: »bij";
„ 54, » 2, » 2, » »1869", lees: »1867";
„ „ „ 54, in het hoofd der tweede kolom van het staatje staat: »1889", lees: »1869";
» „ » 55, kolom 1, regel 15 v. o , staat: »Padang", lees: »Palembang";
„ „ ,-, 55, » 1, » 7 en 6 » » »Timor, Koepang", lees: » Timor-Koepang " ;
„ „ „ 55, » 2, » 16, staat: »1866", lees: »1868";
» „ » 57, in het tweede staatje, kolom 1, regel 3, staat: » P a n " , lees: »Pau";
„ „ „ 62, kolom 1, regel 5 v.o., staat: »waarvoor", lees: »waarvan";
»1866", lees: »1868";
»en 1868",. lees: »en 1866";
»1172", lees: »11,72";
» ., 69, in het tweede staatje, laatste kolom, regel 2, staat: »10548", lees: »10581";
„ 73, „ „ „ » kolom 3, regel 1, staat: »329", lees: »392";
» » 77, kolom 1, onder het eerste staatje, regel 6, staat: »84,81", lees: »48,81";
„ » 77, in het tweede staatje, kolom 2, regel 2, staat: » 14417", lees: » 15417";
„ „ 78, kolom 2, regel 7, staat: »1666", lees: »1866";
„ „ 78, in het derde staatje behooren de cijfers in kolom 7 gelezen te worden onder kolom 8, en om
gekeerd de nihil-opgaven van kolom 8 onder kolom 7 ;
» » 81, kolom 1, regel 10, staat: »1867 en 1869, minder", lees: »1867, in 1869 minder";
.f, » 3, laatste kolom, regel 8, staat: i; 9 te Joana", lees: » 1 te Joana";
,, „ 3 , » n » 13, » »5 te Grissee", lees: w 6 te Grissee";
K, ., 2, in het opschrift der laatste kolom behoort gelezen te worden de verwijzing: »(«)";•
3 , kolom 6, regel 5 v.o., staat: »3812", lees: »3012";
»152 257", lees: » 152 237";
»35 8 8 1 " , lees: »35 281";
»96 448", » »99 448";
»50 298", » »30 298";
»187 372", lees: »187272":
»57 165 905", lees: »57 165 205";
2, in het hoofd van kolom 5, staat: »Bekende" lees: »Berekende";
1, kolom 9, regel 4 v.o., staat: »22 218,60", lees: »22 118,60";
63,
68,
68,
» 2,
i 1 ,
» 2,
n
n
»
21 »
28 »
41 »
i) n
n n 4,
4,
4,
»
n
»
2,
2,
3,
»
n
»
3
2
1 ,
4 , laatste kolom, regel 8 ,
5, kolom 6, regel 2 v.o.,
5, » 7, » 5,
> - •
M,
W,
1, „ 9, „ 2 » » »18 842,25". lees: »18 042,25";
2, „ 5, » 13, staat: »2924", lees: »2024";
2, „ 5, » 16, » »521", » »591";
2, » 6, » 2 , » »0,95", » »0,05";
2, » 6, » 4, » »9,79", » »0,79"; .
4, » 5, laatste regel, staat: » 1478", lees: »494";
5, » 2, » » » »874", » »—292";
6, » 5, regel 1, staat: »1478", leos: » 49'4";
7, » 2, » 1, v » 874", » » —292";
4'
T ,
V,
Bijlage K, blad*. 9, kolom 5, regel 4, staat: » —178 472" lees: ..178 472";
., Q „ 2, » 1, » 6, » " tiropa", lees : n Airopa";
„ ft, „ 2, « 5, » 2, » » 1:2,38", » ..1238";
g M 2, » 2, » 20, » »idem van zware", lees: .. zware'';
2, laatste kolom, reg. 9, staat: » 8505,83", lees: ..9505,83";
2 i „ » . . 1 2 , » ..2173,53", ,, ..9173,53";
3, voorlaatste kolom, reg. 1, staat: »11,955", lees: »11,655";
1 laatste « » 1, » ., derhalver", lees : » derzelver";
Y , » 1, kolom 1, reg. 11 v.o., staat: »63,ll 5", lees: ,.63,815";
„ i, „ 2, .. 8 » staat: ..5 326 527,72", lees:. .5 326 527,73";
., „ 4, „ 2, onder reg. 1 is, ten onregte, weggevallen de post: .. Burgerlijke pensioenen";
. o i „ ,, „ ,, het bij voormelden post belioorende cijfer " " . ' " ' van: » f 195 781,90";
» 4, laatste kolom, reg. 4, staat: .,117 424,32", lees: .,117 424,82";
„ 1 0 , voorlaatste kolom , reg. 7, staat : » 589 808,00", lees :,. 589 808,11";
W , » 3, kolom 4, reg. 1, staat: .. f 5,193/01", lees: » f 5,193/10";.
„ 3, » 5, laatste regel, staat: .. 82,969/10",löes: »82,96V10";
x ( „ 2 , ., 7 , regel 20, staat : » 98%0", lees : 983V8(, "i
» 3 , laatste kolom, regel 23 v.o., staat: .,31020", lees; 30120";
SE, ,, 5, kolom 4, regel 8, staat: »78 020", lees: „73 020";
,, » 5, voorlaatste kolom, reg 10 v.o., staat: » 83 504", lees : » 33 504' ;
B B , .. 2, kolom 4, reg. 7 v.o., staat: ..1011", lees: ..1611";
„ 3 , » 3 , ,» 10 » » ..35 081", lees: ..35 091";
» 3, » 3 , » 2 » » „12 609", ., „12 906";
4, „ 5, » 4 , » » 4724", lees : ., 4274";
4 „ 7, „ 1, „ ., 33 903", lees : » 23 903";
„ 8 i „ 2, » 4 ., » „32 727 557",lees: ,.32 127 557";
„ „ 8 , voorlaatste kolom, reg. 12, staat: ..92 939", lees: .,92 639";
„ „ 9 , laatste kolom, regel 10, staat: ,, kamats", lees: ». hamats";
„ ,. 10, kolom 2 , reg. 3 v. o., staat: .. 3,68", lees: » 3,685";
„ 1 1 , „ 2, .. 7, « „256 494", lees: ..256 495";
c c „ 3 , „ 3 , „ 10, » ,.1031900", lees: ..3 031900";
D D ' „ g, ., 7, » 4 » » ,,9 632 620", ,, ,,8 632 620";
E E , » 2 . voorlaatste kolom, regel 3 v. o., staat: .,82 328 823", lees: .,82 328 873";
2 , laatste kolom , regel 9 v. o., staat: ,, 15 729 161 ", lees: ., 15 739 161 " ;
( f 23,34 „ 4, kolom 2 , regel 6 v. o., staat : »f 11,67", lees : » 1 1 6 7 " s
„ 4 , „ 3 , » 15, » „350401,56", lees: »530401,56";
„ „ 4 , „ 3 , „ 1 8 , » »572 495,50", .. »572 495,30";
„ 4 , voorlaatste kolom, regel 4 v. o., staat: »f 101 061,295", lees: ., f 101 961,295" ;
„ „ 5 , kolom 2, regel 15, staat: „ 14 960,12", lees: »14 960,02";
J J , » 2 , voorlaatste kolom, regel 4 v. o., staat: »7624", lees: »3875";
LX., » 2 , kolom 6 , regel 2 v. o., staat : » 570 ", lees : >. 560 " ;
„ » 2 , » 7 , » 18, » „ 1 6 " , » ..36";
n „ 2 » 7 , in de drie laatste regels moet als » totaal der afzonderlijke soorten " gelezen 3
worden : { 11 ;
38
„ 2 , » 9, regel 18, staat: »29 315", lees: ..27 3 1 5 " ;
» 2 , laatste kolom , regel 2 v. o,, staat : » 483 ", lees : » 403 " ;
1, » « 3 7 " , » . . 1 7 " ; !) ), O ,
5
Bijlage I;!;, blatte. 8, laatste kolom, regel 20 en 21 , staat: »197 098", lees: „207 163"; '
..207 163", ..249 8 6 3 " ;
» BTW, » 2 , kolom 4, regel 9 v. o , staat: .. Tegal- Zjikembang ", lees: .. Tegal-Tjikembang " ;
" " " 3> " 1» » 8 v. o., ,. » 9 Aug.", lees : ,.19 Aug.";
" 4> " 5 , >, 8, staat: .. Mr. B. A. baron Baud", lees: »Mr. W. A. baron Baud
" " " 5 , >, 1, ,, 4 , ,, »oogst 1881", lees: »31 Dec. 1881";
" " » 5, >. 1, » 12, ., » 1869", lees: » 1859";
» » » 5 , .. 1, laatste regel, staat : ., 1860 ", lees : ., 1858 " ;
» " 6 ' laatste kolom, regel 9 v. o., staat: ,.509", lees; ..500";
" » » 7 . kolom 2 , laatste regel, staat : .. f 32,40 ", lees : ., f' 32,50 " ;
• » » 7 , laatste kolom, in het opschrift staat: »ondernemers", lees: »onderneming";
» © O , » 4, kolom 3 , regel 2 , staat: »179 0 3 4", lees: .. •1793034 ",
» K R , » 1, » 2 , » 2 v. o., staat: »opruiming", lees: » opneming"" ;
" " " 2 , » 2 , » 18 , staat : » petan ", lees : >. ketan " ;
" 2 , » 2, ». 32 en 31 v. o., staat: »was, en moest", lees: »was moeten";
» S S , » 2, kolommen 2—6, regel 1 en 7 , behoort overal het guldensteeken weg te vallen;
» T T , .. 9 , kolom 5 , regel 5 , staat : » 2942 ", lees : » 2943 " ;
» " » 10, » 11, ., 7, » »362", » » 2 6 2 " ;
» UU, ., 4 en G , kolom 1, in het opschrift staat : » gevestigd ", lees: »ingevoerd";
" » » 5, kolom 2 , regel 10, staat: »84 879", lees: »24 8 7 9 " ;
" " » 5, » 4 , » 8, » » 177 742 ", lees : » 177 702 " ;
" " " 6, laatste kolom, regel 7, staat: »5179", lees: » 5 7 9 1 " ;
" " » 7 , » » » 4 , staat: »f 4 438 614", lees: »f 4 348614";
" " » 9, » » » 5, » » 75 077 ", lees : » 75 097 " ;
" ' » » 10, » » ,, 1 v. o., staat: »f839 381", leçs: »f 839 3 9 1 " ;
'» » » 13 , kolom 2 , regel 15 , staat : » 744 029 ", lees : » 744 929 ' ;
" " » 16, » 1, » 1, is ten onregte weggevallen de verwijzing: »(a)";
» » » 16, » 2, staat als totaal: »1193", lees: » 1 3 9 3 " ;
» » » 16, laatste kolom, regel 3 v. o., staat: „1164", lees: »1664";
» » » 16, in de noot, regel 4 , staat: »118", lees: » 108";
" " " 18> » » » laatste regel, staat: » 10 275 V 2", lees: » 202751/2":
" » » 19, kolom 8, regel 8 , staat : » 2534!/2 ", lees : » 35341/2 " ;
" " » 20, » 6, » 19, staat: ..36", lees: » 3 9 " .
]
i feci v o, Wo n kin phi E , blij in< ( »pu hoc ! Nee peei
GrO]
am üei 1 ne« À oo ;ab< >er< eer ren
>Pg< iet •ref >n tat ukl leb' J>ea; nas
e > >"an ïe-w C ives (ver \ ?eri met gen en °Pg FVOf ing, ?roi
Z I T T I N a 1871 —1872.
Koloniaal Verslag van 1871.
XEDERLANDSGH (OOST-) IiVDJE.
N'. 2.
A. Grondgebied en bevolking.
§ 1. Grondgebied.
Het grondgebied van Nederlandsen Indie onderging sedert " et tijdstip der jongste mededeelingen geene verandering. De opnemingen tot vermeordering der kennis van de Maaide en de oppervlakte van het grondgebied werden voortgezet. De topographische en statistische opnemingen borden besproken in hoofdstuk » , § 3 en 7, afdeeling V , jn welke laatste afdeeling ook over agrarische onderzoekingen wordt gehandeld ; de geographische en hydrographische werkzaamheden vinden hare vermelding in hoofdstuk P";_ § 4, terwijl berigten omtrent de onderzoekingen der mijningenieurs worden aangetroffen in hoofdstuk ©, afdeemg II. Over eene voorgenomen zending naar Nieuw-Guinea, ter opneming van de algemeene gesteldheid aldaar, zie men Hoofdstuk C, § 3, onder « Temate'. De vraag of de zeestraten Sunda, Bali en Banka als iNederlandsch-Indisch territoir dan wel als internationaal zeegebied zijn aan te merken , werd door den Gouverneurgeneraal in laatstgemelden zin beslist.
§ 2. Bevolking.
De jongste opgaven omtrent het zielental van Nederpndsch Indie, afgesloten onder ultimo December 1870, zijn Merachter verzameld in de bijlagen lit. A, n°. 1 tot en met 14. De bevolking der buitenbezittingen is thans bijna algeHeen afdeelingsgewijze vermeld. Aan de eigenlijke bevolkingstaten zijn weder toegevoegd, oor zooveel Java en Madura betreft, de gebruikelijke abellen, aantoonende: den ouderdom der Europeanen, de groepen van dezen en der overige niet-inlanders, het aantal eerlmgen op de Mohammedaanscue priesterscholen, benerens het aantal inlandsche Christenen. Deze beide laatste »Pgaven gelden ook voor de buitenbezittingen. Dit is mede iet geval met de ten slotte bijgevoegde aantooningen be'i'e.fende de in 1870 ter inwoning toegelaten Nederlanders n \V estersche en Oostersche vreemdelingen, en met de 'tatistiek betreffende de in dat jaar bekend geworden ongeukken , welke verlies van menschenlevens ten eevol"-e lebben gehad. r
^ De aantooning betreffende het getal inlandsche hoofden, feambton on geestelijken op Java en Madura wordt ditnaal niet overgelegd , wegens te groote onzekerheid nopens ie juistheid en gelijkvormigheid der van de residenten ontangen opgaven, waartegen in den vervolge zal worden 'ewaakt. Omtrent den aanwas der bevolking in een zevental gePesten van Java, waar kadastraal-statistieke bureaux in werking zijn, worden gegevens aangetroffen in bijlage lit. N. Volgens eene beslissing van January 1871 zal door het tersoneel der statistieke opneming op Java, gelijktijdig 'et de opneming der inheemsche bevolking, ook eene al=emeene telling worden bewerkstelligd onder de Chinezen ' andere Oostersche vreemdelingen zoowel in de reeds g n o m e n als in de nog op te nemen gewesten. De tegeninol g e c iJ f e r s n o P e n s h e t C e n t a l van deze klassen van t r n n e t e n e n b e r u s t e n °P opgaven van de hooiden der bekken natiën in Nederland<ch Indie.
B. Opperbeheer.
Bij Koninklijk besluit van 21 April 1871, n \ 1 {Indisch Staatsblad n°. 79), werd aan den heer mr. P. MIJER, op zijn verzoek, eervol ontslag verleend als GouverneurGeneraal van Nederlandsch Indie, en zulks onder dankbetuiging voor de door hem aan den lande bewezen diensten. Het voormelde eervol ontslag zal echter, volgens art. 2 van hetzolfde besluit, eerst ingaan met den dag waarop de heer MIJER de function van Gouverneur-Generaal '(door hem den 28sten December 1866 aanvaard) aan zijnen opvolger zal hebben overgegeven, na die gedurende vijf jaren te hebben vervuld. ^Als zoodanig is bij 's Konings besluit van 4 Mei 1871 n°. 12, benoemd de heer mr. J. LOUDON, Commissaris des Konings in de provincie Zuidholland. De benoemde Gouverneur-Generaal zal als zoodanig optreden op den dag waarop de tegenwoordige Landvoogd zijne function aan hem te Batavia zal overgeven. Het beginsel van decentralisatie vond van de zijde van het Opperbestuur toepassing door de in Januarij 1871 op den Gouverneur-Generaal verstrekte magtiging om deformatie van het personeel beneden den rang van referendaris zoowel bij de departementen van algemeen bestuur als bij de algemeene secretarie voortaan, behoudens inachtneming van zekere voorwaarden , te regelen buiten het Opperbestuur ; en van de zijde van den Gouverneur-Generaal zelven, door uitbreiding van de onderwerpen die wegens hun ondergeschikt belang eens vooral ter regeling kunnen worden overgelaten aan de betrokken departements-chefs (vergl. nader over een en ander hoofdstuk H hierachter). Voor de eerste maal na de in-werking-treding van het Eegeringsreglement heeft de Gouverneur-Generaal gebruik gemaakt van de hem bij art. 30 van dat reglement verleende bevoegdheid om, zonder de uitspraak des Konings af' te wachten, op eigen gezag en verantwoordelijkheid maatregelen te n^men, waaromtrent de vereischte overeenstemming met den Raad van Indie niet kon worden verkregen.
Het gold een verzoek van het comité der NederlandschIndische Spoorwegmaatschappij om geldelijken bijstand, tot welks inwilliging de meerderheid van den Raad, — m e t het oog op de uitdrukkelijke bepaling van een der door de wet bekrachtigde concessie-artikelen : dat de Staat tot geene grootere bijdrage zou kunnen geroepen worden dan de vastgestelde maximum-rentewaarborg, — den GouverneurGeneraal, ondanks art. 21 van het Regeringsreglement, niet bevoegd erkende. Vermits de Gouverneur-Generaal zich met 's Raads beschouwingen niet kon vereenigen en het nader schrifteliik overleg het gewenschte gevolg niet had, werd onder 's Làndvoogds praesidium eene raadsvergadering gehouden , waarin de zaak nogmaals werd overwogen. Toen echter de meerderheid van den Raad bij hare zienswijze bleef volharden, besloot de Gouverneur-Generaal — met het oog op de zeer gewigtigo gevolgen die eene weigering van hulp zou na zich slepen — als moetende leiden tot eene vervallen verklaring der concessie, terwijl eene beslissing omtrent het lot der Spoorwegmaatschappij in Nederland hangende was — op eigen gezag en verantwoordelijkheid aan de Maatschappij (in den vorm van een renteloos voorschot) tijdelijk geldelijke hulp te verkenen. De ordonnantie van 21 Mei 1870 (Indisch Staatsblad n°. 51) was daarvan het gevolg.
Het personeel van den Raad van Nederlandsen Indie, blijkens het vorig verslag (bladz. 2), bestaande uit de heeren F' N. NIEUWENHUYZTÏN', vice-president, O. VAN R E E S , mr. F. M. C. PELS RYCKEN, J. F. R. S. V\N DEN BOSSCHE en den generaal-majoor E. C. F. HAPPK , leden , onderging in den aanvang van 1871 de volgende wijziging. Twee leden ,'de heeren VAN DEN BOSSCHE en FELS RYCKEN, legden beiden in Maart hun ambt neder, de eerste wegens het hem op verzoek verleend eervol ontslag uit 's lands dienst, met toekenning van pensioen (Koninklijk besluit 12 Januarij 1871, n°. 13), de laatste als zijnde op verzoek, wegens ziekte, door den Gouverneur-Generaal eervol van zijne betrekking ontheven , onder toekenning van wachtgeld (besluit van 25 Maart 1871, n° 2). Met het oog op deze twee vacatures en in verband met de hervatting der aan het raadslid, den heer O. VAN REES , opgedragen commissie tot reorganisatie van het bestuur in°de residentie Preanger regentschappen (zie lager hoofdstuk J , afdeeling 1, § 1), eischte 's lands belang dringend, dat in eene der opengevallen plaatsen onverwijld wierd voorzien. .. , Gebruik makende van de bevoegdheid, hem oi| het Regeringsreo-lement geschonken, droeg de GouverneurGeneraal bij eou besluit van 11 April jl. de waarneming van het lidmaatschap in den Raad, op den voet van art. 1" Re^eringsreglement, van af den 17den der genoemde maand tijdelijk°op aan den tot raadslid voorgedragen hoofdambtunaar mr. W. RAPPARD , president van bet Hooggeregtshof van Nederlandsen Indie, sedert bij 's Konings besluit van 4 Mei 1871, n°. 11, definitief lot de bewuste betrekking rveroepen en daarin den 19den Julij jl. geïnstalleerd. = Inmiddels werd ook in de tweede vacature voorzien dooide benoeming tot lid in den Raad van Indie (Koninklijk besluit van 25 Mei 1871, n°. 14) van den hier te lande aanwezigen, kort te voren gepensioneerden hoofdambtenaar H. M. ANDRÉE WILTENS, laatstelijk resident van Soerabaija en vroeger onder anderen gouverneur der Molukken en waarnemend gouverneur van Sumatra's Westkust, die met de mail van de eerste helft van Julij jl. zijne bestemming beeft opgevolgd.
C. Mededeeïiiigen v a n s t a a t k u n d i g e n e n a l g e m e e n e n a a r d .
§ 1. Betrekkingen met het buitenland.
Met betrekking tot de handhaving van Nederlands onzijdigheid in den jongsten oorlog in Europa werden voor Nederlandsch Indie (Indisch Staatsblad 1870, n . 10/, Jmasche Courant van 31 Augustus), behoudens de strikt noodige wijzigingen, dezelfde waarschuwingen gegeven en dezelfde bepalingen bekend gemaakt als voor Nederland waren opgenomen in de Staats-courant van 21 Julij 1870. De eenige wijziging van belang was de weglating der Nederlandscbe bepaling, waarbij de verstrekking van steenkolen voor de schepen der oorlogvoerende partijen was beperkt. Deze wijziging berustte op het groot verschil in afstanden der naast bij Nederlandsch Indie gelegen havens van het land waartoe de schepen zouden behooren, waardoor eene in alle opzigten gelijke behandeling onmogelijk zou zijn. Bij de Indischo bepalingen werd mitsdien aan de schepen der oorlogvoerende partijen volkomen vrijheid geweven om zich van levensmiddelen en steenkolen te voorzien. (1) Tevens werden bij Indisch besluit van 30 Augustus 1870, nc. 2, de hoofden van aan zee gelegen gewesten omtrent hetgeen zij met opzigt tot de schepen der oorlogvoerende Mogendheden zouden hebben in acht te nemen, van de noodige voorschriften voorzien, en zoowel aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur als aan de gewestelijke bestuurders in 't algemeen , ook ter mededeeling aan de" hun ondergeschikte landsdienaren, de nadrukkelijke
(1) In Au'nistus jt. is met opzigt tot dit laatste punt als de zienswijze der Redering- niel' t e l a n d e airi" den Graverneur-G-eneraal nog te kennen gegeven, dat .c. q. aan een oorlogsschip eener oorlogvoerende Mogendheid, dat eens steenkolen, in eene Kednrlandseh-Indische haven heeft infc-enomen, zulks niet eerder op nieuw behoort te worden toegestaan — tenzij met bijzondere vergunning- — dan r.a verloop van drie maanden.
begeerte der Regering kenbaar gemaakt, dat op geenerlei wijze ergens in Nederlandsch Indie eenig blijk gegeven wierd van voor- of tegeningenomenheid ten aanzien van de oorlogvoerende Mogendheden , de betrokken Vorsten , nationaliteiten of' staatsdienaren (1). De reeds in 't vorig verslag (bladz. 90) bedoelde overeenkomst met Groot- Britannie tot regeling voor zooveel noodig der wederzijdsche overbrenging van telegrammen van of naar Nederlandsch Indie (waarover nader in hoofdstuk IJ, afdeeling V hierachter) werd den 21 sten October 1870 te Londen geteekend, en is sedert zoo bier te lande als in Indie afgekondigd (Nederlandsch Staatsblad nc. 193 , Indisch staatsblad 1871, n°. 7). • Van ile verklaring, op 23 Maart 1871 te 's liage uitgewisseld tusschen de Nederlandscbe Regering on die van het Duitsche Keizerrijk nopens de toetreding der vrije en Hanseatische steden Bremen on Hamburg tot liet handelsen scheepvaartverdrag van Nederland met Pillissen en hen Tolverbond van 31 December 1851 (Indisch Staatsblad 1852, n". 75), werd in Indie afkondiging gedaan bij besluit van den Gouverneur-Generaal dd. 1 Junij 1871 [Indisch Staatsblad n''. 84) Als van veel gewigt, inzonderheid voor de behartiging der belangen van de" Nederlandsch-Indische bedevaartgangers, mag aangemerkt worden, de te verwachten optreding van een vertegenwoordiger der Nederlandscbe Reoering in Arabie, door de voorgenomen vestiging van een consulaat te Djeddah. Naar aanleiding van een door tusschenkomst van Zr. Ms. minister-resident te Washington ontvangen verzoek, van het departement van landbouw in de Vereenigde Staten , om eene verzameling zaden van planten en gewassen , welke tot de cultures van Nederland en zijne koloniën behooren, ten einde daarmede in Amerika proeven te nemen, wordt volgens een berigt van Junij jl. onder andere in Neder lansch Indie het noodige verrigt voor het doen bijeenbrengen en doelmatig verpakken eener door den dlrecteui van 's lands plantentuin to Batavia aangegeven en botaniscH omschreven verzameling van gewone soorten van planten, benevens van eenige heesters. Met magtiging uit Nederland, werd een der oorlogsschepen van het auxiliair eskader in Indie door den Gouverneur' Generaal aangewezen tot het bezoeken der havens en ne' devzettingen op de Noordkust van Australie, even als zulk? in 1863 ten opzigte der Zuid-Australische havens waS geschied. De Nederlandsche consul-generaal voor Australie. Nieuw-Zeeland en Tasmania, van wien tijdens zijn aanwezen op Java het voorstel tot zoodanige zending wa= uitgegaan , zal den togt medemaken. Het stoomschip Curaçao] voor de zending aangewezen, is daartoe den Sisten Mei j l naar Melbourne vertrokken tot afhaling van den consulgeneraal. Door het Gouvernement der kolonie Victoria quarantaine bevolen zijnde voor schepen , die uit Nederlandsch Indu komen, werden in den aanvang van 1871, op grond da' de gezondheidstoestand binnen het Nederlandsch-Indisd gebied voor zoodanigen maatregel geen grond opleverde door den Gouverneur-Generaal langs consulairen weg pogingen in het werk gesteld om die quarantaine te doet opheffen. Blijkens aankondiging in de Javasche Couranvan 13 Junij 1871, hebben deze pogingen het gewenscht« gevolg gehad. In den aavang van 1871 werd van het Siamesche ^ou vernement het berigt ontvangen, dat de Eerste Koning van dat Rijk het voornemen had opgevat Batavia te be' zoeken Met goedkeuring' van het Opperbestuur werdetaan dien Souverein bij zijne aankomst, die den 27ste» Maart plaats had, de aan een gekroond hoofd verschuf digde eerbewijzen betoond. Z. M. nam zijn intrek in he gouvernementshôtel te Rijswijk. ° Gedurende zijn vijfdaagsch verblijf te Batavia bezociv de vorst de plaatselijke inrigtingen en wetenschappelijk genootschappen en werden eenige feesten te zijner eel sen-even. Behalve Batavia werd ook Samarang door Z. N bezocht, speciaal met het doel om de spoorweswerkd aldaar in oogenschouw te nemen. Na een verblijf vaj
(1) Zie over eene u:tnoodiging aan de dagbladpers hoofdstuk * afdeeling II, § 5.
3
twee dagen te Samarang keerde de Siami sehe Vorst, hoogst voldaan over de Hoogstdenzelven bereide ontvangst, met zijne ilotille naar Bangkok terug. Eene officiële dankbetuiging van het Siamesche Gouvernement werd later ook hier te lande ontvangen. Over de door bedoelden Vorst, ook tot blijvende herinnering aan Hoogstdeszelfs bezoek op Java, gedane giften tot nuttigeen liefdadige doeleinden, zie men in hoofdstuk K. het aangeteekende onder v Gymnasium Willem III" in af'dèelingl, zoomede den aanhef van afdeeling IV aldaar.
§ 2. Jam en Madura. (1)
ü e volgende mededeelingen zijn ontleend aan de berigten der hoofden van gewestelijk bestuur omtrent den toestand hunner gewesten in 1870 en de vier eerste maanden van 1871. Waar berigten van jongere dagteekening zijn opgenomen is dit afzonderlijk aangeduid.
Bantam. De rust en goede orde werden op geeneflei wijze gestoord. Onder de bevolking en ook bij de hoofden en ambtenaren heerschte tevredenheid; alleen de dorpshoofden vervulden hier meestal hunne betrekking tegen hun z:n , en moeten daaiom de titularissen vaak onder lieden van minder gehalte gezocht worden. De opgezotenen der beide particuliere landen Tjikandi Oedik en Tjikandi Ilir, vooral van het eerste, verheeren echter nog altijd in een minder gunstigen toestand, even als de productie, waarvan één tak, de suikercultuur, reeds nagenoeg verdwenen is. Doch overigens werd de algemeene tevredenheid bevorderd doordat de oogst der padi, zoowel als die der tweede gewassen, in het grootste gedeelte der residentie gunstig, en in het andere voldoende was. De padi-oogst van 1871 is over het algemeen tamelyk bevredigend uitgevallen. In groote hoeveelheid en veelbelovend stonden in Mei jl. tweede gewassen te veld. Als een blijk van welvaart wordt er op gewezen dat in meerdere af'deelingen het aantal steenen huizen in de dessa's toeneemt. De binnenlandsche handel neemt steeds in levendigheid toe, doch de uitvoerhandel niet. De oorzaak hiervan ligt voor een gedeelte in het door toenemend petroleum-verbruik verminderde debiet van klapperolie, waarvan de bereiding en de verkoop vroeger veel winst verschaften. De geestelijken hebben nog altijd tamelijk veel invloed op bevolking en hoofden, en mengen zich gaarne in de aangelegenheden van het dessabestuur ; nogtans worden van hun invloed geen schadelijke gevolgen ondervonden. De gezondheidstoestand was over 't algemeen bevredigend
Batavia. Behalve de poging tot rtistverstoring in de afdeeling Bekassi, waarvan reeds in het vorig verslag (bladz. 2) werd gewag gemaakt, en de beweging onder de opgezetenen van het land ïjilingsi, in de afdeeling Buitenzorg , insgelijks daar ter plaatse vermeld, viel er niets van dien aard voor en w-erd de orde overal bewaard. Aan 8 der in den Tamboenschen opstand betrokken personen werd het doodvonnis ten uitvoer gelegd, terwijl 35 schuldigen werden verbannen. De toestand des handels moet nog altijd onbevredigend genoemd worden, waartoe de talrijke Chinesche faillissem*nten zeer veel bijbragten (vergelijk bijlage J). De goede stemming van de productenmarkt, die in het begin van 1870 vooral voor suiker hooge prijzen deed besteden, hield niet aan. Stoffelijk en zedelijk is de inlandsche bevolking op denzelfden niet zeer hoogen trap van ontwikkeling gebleven. De rijstoogst, ook die van 1871, was gunstig en de prijzen van dat hoofdvoedsel waren doorgaans laag. In sommige streken was de jongste padi-oogst zelfs buitengewoon goed geslaagd. Teelt van tweede gewassen vindt weinig plaats. De algemeene gezondheidstoestand was bijzonder bevredigend.
Krawang. De ontwikkeling en dienstijver der inlandsche hoofden liet nog veel te wenschen over. De regent bleek meermalen niet dat ontzag aan de districtshoofden (waar
(1) Zie voor beschikkingen enz. rakende het binnenlindseb bestuur, Sn o. a. ook de werking der politie, hoofdstuk J. afdeeling- I.
van de meesten min of meer aan hem zijn verwant) in te boezemen als tot verzekering van een goeden gang van zaken word vereischt De welvaart der bevolking is vooruitgaande. De oogst van voedingsmiddelen slaagde goed, hetgeen zich ook, te oordeelen naar hetgeen reeds verkregen was, van den aanplant voor 1871 liet voorspellen. De koffijoogst van het loopende jaar wordt echter geschat hoogstens slechts de helft te zullen bedragen van hetgeen in 1870 was verkregen. Do pokken-epidemie die, hoewel niet kwaadaardig, bij liet einde van 1870 nog heerschende was, is sedert geheel geweken.
Precïnger regentschappen. Over de voorbereiding en invoering der reeds in 't vorig verslag, bladz. 44, aangekondigde hervorming van het zoogenaamd Preanger stelsel, wordt hoofdzakelijk gehandeld in hoofdstuk J , afd. I , § 1. Ofschoon do aanvankelijke schorsing der voorbereiding, althans voor do mindere hoofden en de bevolking, eene bepaalde teleurstelling was, had dit nergens tot ongeregeldheden aanleiding gegeven. De invoering der nieuwe orde van zaken heeft op het aangewezen tijdstip (1 Junij 1871) plaats gehad zonder dat daarbij bezwaren zijn ontmoet. (1) Een welgeslaagde oogst van rijst en tweede gewassen deed allerwege overvloed van levensmiddelen heerschen. De in gang zijnde oogst van 1871 schijnt over 't geheel niet meer dan middelmatig te zullen uitvallen, hoewel er streken . zijn , die eene overvloedige productie hebben opgeleverd. Vele der onder ultimo Mei jl. reeds geoogste velden worden echter op nieuw beplant om vóór het einde van 187 L een tweeden padi-oogst te leveren. De gewoonte om driemalen in twee jaren te planten, is hier vrij algemeen. Het minder gunstige vooruitzigt omtrent de koffijlevering van 1871, wordt voor de bevolking vergoed dooide thans, als gevolg van de nieuwe bestuursrëgeTTng, genoten wordende hoogere betaling. De ontwikkeling van den handel vindt belemmering in de bezwaren op vele plaatsen aan het vervoer verbonden. In de laatste jaren zijn door het bestuur, zelfs met aanbod om woningen en ploegvee te verstrekken , pogingen aangewend om nieuwe dessa's te doen ontstaan in de nog woeste en onbevoïktë streken van de zuidelijke districten. Het is echter niet mogen gelukken een enkele daartoe over te halen. De vrees voor wild gedierte, de ongezondheid dier streken, doch vooral de afkeer van den Soendanees om zich met der woon te verplaatsen , waren onoverkomelijke beletsolen. jt De volksgezondheid was in 1870 over het algemeen I gunstiger dan in 186!); alleen bleven bij den aanvang van '1871 in de afdeelingen Soekapoera en Tjiandjoer koortsen en pokken heerschen. Van lieverlede zijn deze ziekten echter afgenomen, zoodat in Mei j I. de gezondheidstoestand in al de afdeelingen zeer bevredigend kon worden genoemd.
Clieribon. Over het algemeen heerschte tevredenheid, waartoe ook alle reden bestaat. De suikercultuur leverde ruime, bij sommige fabrieken zells zeer ruime winsten op, terwijl de oogst van rijst, tweede gewassen en koffij over het algemeen goed slaagde. Omtrent de vooruitzigten van het landbouwbedrijf in het loopende jaar wordt gemeld dat de voor de koffij- en suikercultuur zoo schadelijke buitengewoon zware regens, over het geheel voordeelig waren voor het padigewas. De binnenlandsche hanüel was bloeijend. In tegenstelling met de Chinezen, bestaat onder de Arabieren eene groote zucht om het bestuur te weerstreven, vooral in Indramaijoe, waar zij in de laatste jaren weigerachtig zijn_ hunne zeer matige bed rijfsbelasting te betalen, waartoe zij nu langs den weg van regten gedwongen moeten worden. De welvaart onder de inlandsche hoofden is over het algemeen gering, ondanks hunne hoogere bezoldiging en voor sommige zeer ruime cultuurpercenten. Gebrek aan orde, koop- en spilzucht zijn hiervan veelal de oorzaken;
(1) In 't laatst van Junij jl. is de regent van Limbangan overleden. Krachtens een gauvernementsbesluit van 10 Julij d. v. is hem zijn oudsta zoon opgevolgd, tot dus ver ondercollecteur in 't zelfde regentschap.
2
Het personeel van den Raad van Nederlandsen Indie, blijkens het vorig verslag (bladz. 2), bestaande uit de heeren Fl N. NiEUWENHUYZHtf, vice-president, O. VAN REES, mr. F. M. C. PELS RYCKEN, J. F. R. S. vAN »EN BOSSCHE en den generaal-majoor E. C. F. HAPPÉ , leden, onderging in den aanvang van 1871 de volgende wijziging. Twee leden , de heeren VAN DEN BOSSCHE en PELS RYCKEN, leo-iien beiden in Maart hun ambt neder, de eerste wegens het hem op verzoek verleend eervol ontslag uit 's lands dienst, met toekenning van pensioen (Koninklijk besluit 12 Januarij 1871, n°. 13), de laatste als zijnde op verzoek, wegens ziekte, door den Gouverneur-Generaal eervol van zijne betrekking ontheven , onder toekenning van wachtgeld (besluit van 25 Maart 1871, n° 2). Met het oog op dezo twee vacatures en in verband met de hervatting der aan het raadslid, den heer O. VAN REES , opgedragen commissie tot reorganisatie van het bestuur in de residentie Preanger regentschappen (zio lager hoofdstuk J , afdeeling I, § 1), oischte 's lands belang dringend, dat in eene der opengevallen plaatsen onverwijld wierd voorzien. Gebruik makende van de bevoegdheid, hem bij' hot Regeringsreglement geschonken, droeg de GouverneurGeneraal bij eeu besluit van 11 April jl. de waarnemingvan het lidmaatschap in den Raad., op den voet van art. ld Ueo-eringsroglement, van af'den 17den der genoemde maand tijdelijk op aan den tot raadslid voorgedragen hoofdambtonaar mr. W. RAPPAED , president van het Hooggeregtshof' van Nederlandsch Icdie, sedert bij 'sKonings besluit van 4 Mei 1871, n°. 11, definitief tot de bewuste betrekking geroepen en daarin den 19den Julij jl. geïnstalleerd. Inmiddels werd ook in de tweede vacature voorzien door de benoeming tot lid in den Raad van Indie (Koninklijk besluit van 25 Mei 1871, n°. 14) van den hier te lande aanwezigen , kort te voren gepensioneerden hoofdambtenaar H. M. ANDRÉE WILTEXS, laatstelijk resident van Soerabaija en vroeger onder anderen gouverneur der Molukken en waarnemend gouverneur van Sumatra's Westkust, die met de mail van de eerste helft van Julij jl. zijne bestemming beeft opgevolgd.
C. Mededeeïingen van staatkundigen en algemeenen aard.
§ 1. Betrekkingen met het buitenland.
Met betrekking tot de handhaving van Nederlands onzijdigheid in den jongsten oorlog in Europa werden voor Nederlandsch Indie {Indisch Staatsblad 1870, n°. 107, Jjxvasche Courant van 31 Augustus), behoudens de strikt noodige wijzigingen, dezelfde waarschuwingen gegeven en dezelfde bepalingen bekend gemaakt als voor Nederland waren opgenomen in de Staats-courant van 21 Julij 1870. De eenige wijziging van belang was de weglating der Nederlandsche bepaling, waarbij de verstrekking van steenkolen voor de schepen der oorlogvoerende partijen was beperkt. Deze wijziging berustte op het groot verschil in afstanden der naast bij Nederlandsch Indie gelegen havens van het land waartoe de schepen zouden behooren, waardoor eene in alle opzigten gelijke behandeling onmogelijk zou zijn. Bij de Indische bepalingen werd mitsdien aan de schepen der oorlogvoerende partijen volkomen vrijheid gegeven om zich van levensmiddelen en steenkolen te voorzien. (1) Tevens werden bij Indisch besluit van 30 Augustus 1870, nc. 2, de hoofden van aan zee gelegen gewesten omtrent hetgeen zij met opzigt tot de schepen der oorlogvoerende Mogendheden zouden hebben in acht te nemen, van de noodige voorschriften voorzien, en zoowel aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur als aan de gewestelijke bestuurders in 't algemeen , ook ter mededeeling aan de hun ondergeschikte landsdienaren, de nadrukkelijke
(1) In Augustus jl. is met opzigt tot dit laatste punt als de zienswijze der Regering" Hier te lande ain den G- juverneur-G-eneraal nog te kennen gegeven, dat .c. q. aan een oorlogsschip eener oorlogvoerende Mogendheid, dat eens steenkolen ia eene Nederlandsch-Indische haven heeft ingenomen, zulks niet eerder op nieuw behoort te worden toegestaan — tenzij met bijzondere vergunning' — dan r.a verloop van drie maanden.
begeerte der Regering kenbaar gemaakt, dat op geenerïei wijze ergens in Nederlandsch Indie eenig blijk gegeven: wierd van voor- of tegeningenomenheid ten aanzien va" de oorlogvoerende Mogendheden, de betrokken Vorsten. nationaliteiten of' staatsdienaren (1). De reeds in 't vorig verslag (bladz. 90) bedoelde overeenkomst met Groot-Hritannie tot regeling voor zooveel noodig der wederzijdsche overbrenging van telegrammen van of naar Nederlandsch Indie (waarover nader in hoofdstuk IL, afdeeling V hierachter) werd den 21 sten October 1870 te Londen geteekend, en is sedert zoo hier te landu als in Indie afgekondigd (Nederlandsch Staatsblad nc. 193, Indisch staatsblad 1871, n°. 7). Van de verklaring, op 23 Maart 1871 te 's liage 'uitgewisseld tusschen de Nederlandsche Regering on dio van het Duitsche Keizerrijk nopens de toetreding der vrije en Hanseatische steden Bremen on Hamburg tot het handelsen scheepvaartverdrag van Nederland met Pruissen en he' Tolverbond van 31 December 1851 (Indisch Staatsblad 18-r>2, n°. 75), werd in Indie afkondiging gedaan bij besluit van den Gouverneur-Generaal dd. 1 Junij 1871 (Indisch Staatsblad n''. 84) Als van veel gewigt, inzonderheid voor de behartiging der belangen van de Nederlandsch-Indisehe bedevaartgangers , mag aangemerkt worden, de te verwachten optreding van een vertegenwoordiger der Nederlandsche Regering in Arabie, door de voorgenomen vestiging van een consulaat te Djeddah. Naar aanleiding van een door tusschenkomst van Zr. Ms. minister-resident te Washington ontvangen verzoek, van het departement van landbouw in de Vereenigdo Staten . om eene verzameling zaden van planten en gewassen , welk'' tot de cultures van Nederland en zijne koloniën behooren • ten einde daarmede in Amerika proeven te nemen, wordt volgens een berigt van Junij jl. onder andere in Nederlansch Indie het noodige verrigt voor het doen bijeenbrengen en doelmatig verpakken eener door den directeur' van 's lands plantentuin to Batavia aangegeven en botanisch omschreven verzameling van gewone soorten van planten, benevens van eenige heesters. Met magtiging uit Nederland, werd een der oorlogsschepen van het auxiliair eskader in Indie door den GouverneurGeneraal aangewezen tot het bezoeken der havens en nederzettingen op de Noordkust van Australie, even als zulks in 1863 ten opzigte der Zuid-Australische havens was geschied. De Nederlandsche consul-generaal voor Australie. Nieuw-Zeeland en Tasmania, van wien tijdens zijn aanwezen op Java het voorstel tot zoodanige zending wa= uitgegaan , zal den t.ogt medemaken. Het stoomschip CuraqaO* voor de zending aangewezen, is daartoe den 31stenMeijlnaar Melbourne vertrokken tot afhaling van den consulgeneraal. Door het Gouvernement der kolonie Victoria quarantain« bevolen zijnde voor schepen , die uit Nederlandsch Indie komen, werden in den aanvang van 1871, op grond da* de gezondheidstoestand binnen het Nederlandsch-Indiscl' gebied voor zoodanigen maatregel geen grond opleverde, door den Gouverneur-Generaal langs consulairen weg pogingen in het werk gesteld om die quarantaine te doen opheffen. Blijkens aankondiging in de Javasche Courant van 13 Junij 1871, hebben deze pogingen het gewenscht« gevolg gehad, In den aavang van 1871 werd van het Siamesche Gouvernement het berigt ontvangen, dat de Eerste Koning van dat Rijk het voornemen had opgevat Batavia te bezoeken Met goedkeuring van het Opperbestuur werden aan dien Souverein bij zijne aankomst, die den 27sten Maart plaats had, de aan een gekroond hoofd verschuldigde eerbewijzen betoond. Z. M. nam zijn intrek in he' gouvernementshôtol te Rijswijk. Gedurende zijn vijfdaagsch verblijf te Batavia bezoch' de vorst de plaatselijke inrigtingen en wetenschappelijke genootschappen en werden eenige feesten te zijner eore gegeven. Behalve Batavia werd ook Samarang door Z. M. bezocht, speciaal met het doel om de spoorwenwerkeu aldaar in oogenschouw te nemen. Na een verblijf van
fl) Zie over eene u:tnoodiging aan de dagbladpers hoofdstuk K. afdeeling II, g 5.
3
twee lianen te Samarang keerde de Siami sehe Vorst, hoogst voldaan over de Hoogstdenzelven bereide ontvangst, met zijne ilotille naar Bangkok terug. Eene officiële dankbetuiging van het Siamesche Gouvernement werd later ook hier te lande ontvangen. Over de door bedoelden Vorst, ook tot blijvende herinnering aan Hoogstdeszelfs bezoek op Java, gedane giften tot nuttigeen liefdadige doeleinden, zie men in hoofdstuk M het aangeteekende onder v Gymnasium Willem III" in af'deelingl, zoomede den aanhef van atdeeling IV aldaar.
§ 2. Jaxtt ca Madura. (1)
De volgende mededeelingen zijn ontleend aan de berigten der hoofden van gewestelijk bestuur omtrent den toestand hunner gewesten in 1870 en de vier eerste maanden van 1871. Waar berigten van jongere dagteekening zijn opgenomen is dit afzonderlijk aangeduid.
Bantam. De rust en goede orde werden op geenerlei wijze gestoord. Onder de bevolking en ook bij de hoofden en ambtenaren heerschte tevredenheid; alleen de dorpshoofden vervulden hier meestal hunne betrekking tegen hun zin , en moeten daatom de titularissen vaak onder lieden van minder gehalte gezocht worden. Uo opgezetenen der beide particuliere landen Tjikandi Oedik en Tjikandi Ilir, vooral van het eerste, verheeren echter nog altijd in een minder gunstigen toestand, even als de productie, waarvan één tak, do suikercultuur, reeds nagenoeg verdwenen is. Doch overigens werd de algemeene tevredenheid bevorderd doordat de oogst der padi, zoowel als die der tweede gewassen, in het grootste gedeelte der residentie gunstig, en in het andere voldoende was. De padi-oogst van 1871 is over het algemeen tamelyk bevredigend uitgevallen. In groote hoeveelheid en veelbelovend stonden in Mei jl. tweede gewassen te veld. Als een blijk van welvaart wordt er op gewezen dat in meerdere afdeelingen het aantal steenen huizen in de dessa's toeneemt. De binnenlandsche handel neemt steeds in levendigheid toe, doch de uitvoerhandel niet. De oorzaak hiervan ligt voor een gedeelte in het door toenemend petroleum-verbruik verminderde debiet van klapperolie, waarvan de bereiding en de verkoop vroeger veel winst verschaften. De geestelijken hebben nog altijd tamelijk veel invloed op bevolking en hoofden, en mengen zich gaarne in de aangelegenheden van het dessabestuur ; nogtans worden van hun invloed geen schadelijke gevolgen ondervonden. De gezondheidstoestand was over 't algemeen bevredigend
Batavia. Behalve de poging tot rnstverstoring in de afdeeling Bekassi, waarvan reeds in het vorig verslag (bladz. 2) werd gewag gemaakt, en de beweging onder de opgezetenen van het land Tjilingsi, inde afdeeling Buitenzoig , insgelijks daar ter plaatse vermeld, viel er niets van dien aard voor en werd de orde overal bewaard. Aan 8 der in den Tamboenschen opstand betrokken personen werd het doodvonnis ten uitvoer gelegd, terwijl 35 schuldigen werden verbannen. De toestand des handels moet nog altijd onbevredigend genoemd worden, waartoe de talrijke Chinesche faillissem*nten zeer veel bijbragten (vergelijk bijlage J). De goede stemming van de productenmarkt, die in het begin van 1870 vooral voor suiker hooge prijzen deed besteden, hield niet aan. Stoffelijk en zedelijk is do inlandsche bevolking op denzelfden niet zeer hoogen trap van ontwikkeling gebleven. Da rijstoogst, ook die van 1871, was gunstig en de prijzen van dat hoofdvoedsel waren doorgaans laag. In sommige streken was de jongste padi-oogst zelfs buitengewoon goed geslaagd. Teelt van tweede gewassen vindt weinig plaats. De algemeene gezondheidstoestand was bijzonder bevredigend.
Krawang. De ontwikkeling en dienstijver der inlandsche hoofden liet nog veel te wen sehen over. De regent bleek meermalen niet dat ontzag aan de districtshoofden (waar
;t) Zie voor beschikkingen enz. rakende het binnenhndseh bestuur, en o. a. ook de werking' der politie, hoofdstuk J , atdeeling- I.
van de meesten min of meer aan hem zijn verwant) in te boezemen als tot verzekering van een goeden gang van zaken werd vereischt De welvaart der bevolking is vooruitgaande. De oogst van voedingsmiddelen slaagde goed, hetgeen zich ook, te oordeelen naar hetgeen reeds verkregen was, van den aanplant voor 1871 liet voorspellen. De koffijoogst van » hot loopende jaar wordt echter geschat hoogstens slechts de helft te zullen bedragen van hetgeen in 1870 was verkregen. De pokken-epidemie die, hoewel niet kwaadaardig, bij liet einde van 1870 nog heerschende was, is sedert geheel geweken.
Preünger regentschappen. Over de voorbereiding en invoering der reeds in 't vorig verslag, bladz. 44, aangekondigde hervorming van het zoogenaamd Preanger stelsel, wordt hoofdzakelijk gehandeld in hoofdstuk J , afd. I , § 1. Ofschoon do aanvankelijke schorsing der voorbereiding, althans voor do mindere hoofden en de bevolking, eene bepaalde teleurstelling was, had dit nergens tot ongeregeldheden aanleiding gegeven. De invoering der nieuwe orde van zaken heeft op het aangewezen tijdstip (1 Junij 1871) plaats gehad zonder dat daarbij bezwaren zijn ontmoet. (1) Een welgeslaagde oogst van rijst en tweede gewassen deed allerwege overvloed van levensmiddelen heerschen. De in gang zijnde oogst van 1871 schijnt over 't geheel niet meer dan middelmatig te zullen uitvallen, hoewel erstreken . zijn, die eene overvloedige productie hebben opgeleverd. Vele der onder ultimo Mei jl. reeds geoogste velden worden echter op nieuw beplant om vóór het einde van 187 L een tweeden padi-oogst te leveren. De gewoonte om driemalen in twee jaren te planten, is hier vrij algemeen. Het minder gunstige vooruitzigt omtrent de koffijlevering van 1871, wordt voor de bevolking vergoed door de thans, als gevolg van de nieuwe bestuursrégeling, genoten wordende hoogere betaling. De ontwikkeling van den handel vindt belemmering in de bezwaren op vele plaatsen aan het vervoer verbonden. In de laatste jaren zijn door het bestuur, zelfs met aanbod om woningen en ploegvee te verstrekken , pogingen aangewend om nieuwe dessa's te doen ontstaan in de nog woeste en onbevolkte streken van de zuidelijke districten. Het is echter niet mogen gelukken een enkele daartoe over te halen. De vrees voor wild gedierte, de ongezondheid dier streken, doch vooral de afkeer van den Soendanees om zich met der woon te verplaatsen , waren onoverkomelijke beletsolen. n De volksgezondheid was in 1870 over het algemeen gunstiger dan in 1869; alleen bleven bij den aanvang van 1871 in de afdeelingen Soekapoera en Tjiandjoer koortsen en pokken heerschen. Van lieverlede zijn deze ziekten echter afgenomen, zoodat in Mei jl. de gezondheidstoestand in al de afdeelingen zeer bevredigend kon worden genoemd.
Cheribon. Over het algemeen heerschte tevredenheid. waartoe ook alle reden bestaat. De suikercultuur leverde r-uime, bij sommige fabrieken zelfs zeer ruime winsten op, terwijl de oogst van rijst, tweede gewassen en koffij over het algemeen goed slaagde. Omtrent de vooruitzigten van het landbouwbedrijf in het loopende jaar wordt gemeld dat de voor de koffij- en suikercultuur zoo schadelijke buitengewoon zware regens, over het geheel voordeelig waren voor het padigewas. De binnenlandsche handel was bloeijend. In tegenstelling met de Chinezen, bestaat onder de Arabieren eene groote zucht om het bestuur te weerstreven, vooral in Indramaijoe, waar zij in de laatste jaren weigerachtig zijn hunne zeer matige bedrijfsbelasting te betalen , waartoe zij nu langs den weg van regten gedwongen moeten worden. De welvaart onder de inlandsche hoofden is over het algemeen gering, ondanks hunne hoogere bezoldiging en voor sommige zeer ruime cultuurpercenten. Gebrek aan orde, koop- en spilzucht zijn hiervan veelal de oorzaken;
(1) In 't laatst van Junij jl. is de regent van limbangan overleden. Krachtens een gouyemementsbesluit van 10 Julij d. v. is hem zijn oudsts zoon opgevolgd, tot dus ver ondereollecteur in 't zelfde regentschap.
4
dikwerf ook de neiging om hunne huishouding te veel op Europeschen voet in te rigten. Een verblijdend verschijnsel is het daarentegen dat onder hen een streven naar meerdere geestontwikkeling valt op te merken. De gezondheidstoestand was niet zeer bevredigend. Wel waren in het begin van 1870 de epidemische koortsen bijna geheel geweken , maar met het begin van den westmoesson begonnen ze weder, althans in een paar afdeelingen, te heerschen. In de afdeelingen Indramaijoe, Cheribon en Koeningan hebben pokken geheerscht. Volgens berigten van Mei 1871 was de gezondheidstoestand echter veel verbeterd. De koortsen verminderden weder en pokken kwamen slechts zeldzaam en sporadisch voor.
Tagal. De bevolking wordt gezegd in de laatste jaren veel in welvaart te zijn vooruitgegaan, als gevolg van de toenemend voordeelige uitkomsten der verschillende cultures. Rijst is hier altijd tegen billijken prijs te verkrijgen, ofschoon in sommige streken , met name in de adsistentresidentie Pamalaug, het padigewas sedert eene reeks van jaren aanhoudend te lijden heeft of van ziekten en plagen of van te veel water. Wijders bragt de koffljcultuur veel geld onder den inlander, gelijk in de districten waar de suikercultuur gedreven wordt , nagenoeg alle inwoners ruime verdiensten genieten, zoo van de cultuur zelve als door het fabriekwerk. Het beste bewijs hiervoor is het dagelijks verrijzen van steenen huizon met pannen daken in de dessa's en kampongs. Zijn de vooruitzigten omtrent de koffijproductie van 1871 minder gunstig, met de suiker is dit niet het geval , terwijl de jongste padi-oogst zoo ruim uitviel, dat belangrijke hoeveelheden voor den uitvoer beschikbaar zijn. Hoofden en bevolking beyverden zich op loffelijke wijze hunne verpligtingen na te komen. Alleen het gehalte der dessahoofden liet nog veel te wenschen over. Eenige sporadische gevallen van pokken deden zich voor, doch was de verhouding tusschen aangetasten en herstelden bijzonder gunstig. Opzettelijk werd aan alle hoofden de behartiging van de vaccine aanbevolen. De jongste berigten (van Mei jl ) noemen den gezondheidstoestand zeer bevredigend. Op Mohammedaansch godsdienstig gebied viel in de laatste maanden een meer dan gewone ijver waar te nemen door het houden -^an bijeenkomsten ter bevordering van het geloof, aan welke bijeenkomsten echter geenerlei verontrustende strekking wordt toegeschreven. Van de zijde der geestelijkheid schenen heimelijk zekere profetien verspreid te worden , welker verwezenlijking met de belangen van alle Moharamedaansehe priesters strookt. De door het bestuur aan den dag gelegde waakzaamheid wordt gezegd een krachtig middel te zijn om eene mogelijk nadeelige uitwerking dier geestdrijverij te voorkomen. Eenige inlanders die zich voordeden als met bovennatuurlijke vermogens begaafd om daardoor des te gemakkelijker opligterijen te kunnen plegen, werden door de bemoeijenis der politie onschadelijk gemaakt. Op do veiligheid in Tagal valt, volgens den resident, niets aan te merken. Misdaden van ernstigen aard vonden zelden plaats.
Pekalongan. De rust in deze residentie werd in do laatste dagen van Maart jl. onverwachts verstoord. Een Javaan van geringe afkomst, dessaschrijver van beroep, wierp zich in hei district Bandar Sedaijoe (afdeeling Batang) op als pangeran goesti, zich noemende (naar een afstammeling van MOHAMMED) SECH DJOEMADIL KOBRO. Hij rigtte oproepingen tot den wedhono om zich op zekeren passar bij hem, pangeran, to vervoegen, waar hij voornemens zou zijn amok te maken met den wensch om te sterven , liet zich door enkele volgelingen en ook door inlanders hulde brengen en doodde bij eene dezer vertooningen onder andere zijne vrouw, na haar eerst tot poetri (prinses) te hebben verheven. Met de bijgeloovigheid den Javanen eigen schenen eenige personen, waaronder ook dessahoofden en de wedhono van Bandar Sedaijoe, de verschijning van KOBRO in verband te brengen met zekere aloude Javaansche profetien, volgens welke het eiland Java in 1871 met allerlei onheilen zou bedreigd worden. De krachtige optreding van den adsisient-resident, dadelijk nadat de zaak ruchtbaarheid kreeg, maakte aan de
waanzinnige handelingen van KOBRO e n — i n weerwil van den gegeven last om den amokmaker levend te vermeesteren— ook aan diens leven een einde, daar de wedhono, die tot dusver niets tegen den pseudo-pangeran had durven uitrigten, hem neerschoot. Aanvankelijk werd de zaak beschouwd als eene op zich zelf staande daad van een ijlhoofdige, doch uit verschillende verhooren meende de resident te moeten afleiden, dat KOBRO het werktuig was geweest van personen behoorende tot de Pekalongansche regentenfamilie, wier eigenlijk doel gerigt was tegen het Batangsche regenten geslacht, en dat reeds sedert de optreding in November 1870 van een nieuwen regent van Batang, als hoedanig de oudste zoon des overledenen titularis benoemd was, meerdere inlandsche hoofden in de plannen waren ingewijd. De straks bedoelde profetien zouden slechts geëxploiteerd zijn geworden om de gemoederen der massa in gisting te brengen, en daardoor te beter het doel te bereiken. Volgens den resident scheen het er voor te moeten worden gehouden dat door het waanzinnig worden van KOBRO de beweging, naar het plan der aanleggers, te vroeg was uitgebroken. Als medepligtig aan de zaak zijn een 50tal personen gevat, waaronder later ook de wedhono van Bandar Sedaijoe, die tijdens hij zich, wegens schorsing in zijne function , te Batang moest ophouden , van zijn wrevel deed blijken door een verraderlijken moordaanslag op het districtshoofd aldaar. Intusschen was de rust en de orde in Pekalongan verder ongestoord gebleven, ofschoon nog eenige zich schuilhoudende dweepzuchtigen de aanvankelijke spanning trachten gaande te houden. Als maatregel van voorzorg en om de gemoederen gerust te stellen bevindt zich nog ter hoofdplaats Pekalongan en te Batang eenige militaire magt, in de tweede helft van April van Batavia derwaarts overgekomen. Wat den stoffelijken toestand der residentie betreft, wordt berigt, dat de bevolking eene vrij ruime mate van welvaart geniet, waartoe de gunstige oogsten (die ten aanzien van het padi-gewas ook voor 1871 voorspeld worden) veel hebben bijgebragt. Ook legt de bevolking zich meer toe op den binnenlandschen handel. Insgelijks neemt het visschersbedrijf eenigzins toe. De gezondheidstoestand was in 1870 niet gunstig: koortsen en pokken heerschten het geheele jaar door en ook enkele choleragevallen deden zich voor. Latere berigten ten deze (van Mei jl.) luiden hoogst bevredigend.
Samarang. In den toestand van rust en tevredenheid kwam sedert het vorig verslag in algemeenen zin geene verandering. In do afdeeling Demak intusschen gaf eon minder omzigtig bevel van een der Europesche ambtenaren tot omkapping van bamboesstruiken en vruchtboomen, staande op en langs de dijken, en waardoor de behoorlijke afloop van het bandjarwater belemmerd werd, aanleiding tot eenige ontevredenheid van de zijde der belanghebbenden, ofschoon van onrust niets werd bespeurd. Evenmin, volgens een opzettelijk ingesteld naauwkeurig onderzoek, in de afdeeling Grobogan, waar luidens geruchten in de dagbladen zekere spanning zou hebben bestaan. Men mögt zich in. 1870 in een rijken padi-oogst verheugen. Ook de koffijproductie was zeer gunstig. Daarentegen was tengevolge van het ontijdig invallen van den westmoesson een goed deel der tweede gewassen mislukt, maar nergens ondervond men gebrek aan levensmiddelen. Het padi-gewas van 1871 stond allerwege goed, behalve onder Demak, waar de velden herhaaldelijk overstroomd waren geworden. De vooruitzigten omtrent de koffijproductie van 1871 waren daarentegen algemeen ongunstig. De bevolking geniet over het algemeen welvaart, waartoe veel bijbrengen de talrijke gelegenheden tot het verkrijgen tegen goed loon van werk, zoowel ten dienste van het Gouvernement als bij particulieren en bij den spoorweg. Een zware brand had in April jl. gewoed in vier belangrijke visschersdorpen aan het zeestrand onder Demak, waardoor ruim 700 huizen in de asch gelegd en 116 gezinnen van have en goed beroofd waren geworden. De commissie voor het watersnoodfonds (zie hoofdstuk H , afdeeling IV) verleende aan de noodlijdenden een onderstand van f 10 000.
Tegen twee hoofden, den wedono van Selokaton en den jaksa van Grobogan, werden klagten wegens knevelarij ngediend ; de eerste werd uit zijne betrekking ontslagen, terwijl de zaak des laatsten in onderzoek was. Ook maakten enkele dessahoofden zich aan kwade praktijken schuldig, die echter niet van dien aard bleken te zijn om hen ge•'egtelijk te vervolgen. Twaalt dessahoofden werden ter zake van hout.diefstal, overtreding van het opiumspachtreglement, opligterij en één van moord, voor de bevoegde fegtbank te regt gesteld. De veiligheid wordt gezegd, ondanks de geringe midelen waarover het bestuur te beschikken heeft, zeer te •VJn toegenomen. Het aantal diefstallen nam van lieverlede af. Op de toenemende welvaart der bevolking maakt de ïfdeeling Grobogan nog steeds eene uitzondering. Men Qag echter hopen dat daarin spoedig verandering zal komen »oor de verbinding van de hoofdplaats Poerwodadi met 'et spoorwegstation Goendih. Het drukke vervoer lanj>s 'en nieuwen weg die daartoe is aangelegd (van laatstgenoemde plaats naar- Passar Krikil, aan den bestaanden jweg naar Poerwodadi) en waardoor niet alleen Poerwoadi maar ook de residentie Japara in gemakkelijker gemeenschap met Samarang en de Vorstenlanden is gokomen , oonde reeds in den korten tijd sedert de openstelling November 1870) welke voordeelen Demak en Grobogan, 'e jaarlijks ongeveer 600 000 pikols padi aan de markt mengen, hiervan te wachten hebben. De gezondheidstoestand was, ook in de vijf eerste maanden van 1871, bevredigend. Wel deden zich hier en daar, voornamelijk ter hoofdplaats, nog gevallen van koorts en Pokken voor,.maar zij waren niet van ernstigen aard.
Japara. Onder de bevolking heerschte welvaart; hare -zindheid en die der hoofden jegens het bestuur was goed. en districtshoofd werd wegens tegen hem ingebragte be•buldigingen van knevelarij in zijne bediening geschorst. Nog altijd bleef inzonderheid de afdeeling Japara door ?idemische koortsen bezocht, die dan eens minder dan "eder toenemend waren, gelijk dit laatste weer het geval ras in April en Mei jl. Ook pokziekte werd nog overal 'aargenomen, zonder nogtans een epidemisch karakter te ebben. De oogst in 1870 van rijst en tweede gewassen was gunstig; die van koffij middelmatig, en die van suiker binder dan in het voorafgegane jaar. De vooruitzigten voor 1871 zoo met betrekking tot de gouvernements-cultures als tot de eigen cultures der bevolking waren over het algemeen Van bevredigenden aard. Voor de in verval verkeerende, maar vroeger zoo bloeiande meubelmakerijen, alsmede voor den scheeps- en |raauwenbouw verwacht men eene betere toekomst sedert a November 1870 met gunstig gevolg twee boschperceelen 'tbesteed zijn, en daardoor het djatihout weer onder het 'ereik van den inlandschen industrieel zal komen.
Rembang. De uitslag van den padi-oogst van 1870 -was )evredigend; die van 1871 overtrof vorige jaren ; minder Sonstig was in 1870 door de veelvuldige regens in den '°stmoesson de oogst der tweede gewassen. Met den aan''ant daarvan voor 1871 was men in Mei jl. druk bezig. De welvaart der bevolking neemt niet toe De staking * den zoutaanmaak, do achteruitgang van de tabak 'Huur, en de vermindering van werk aan de scheepsNmerwerf te Dassoon zijn zoovele oorzaken, waardoor 't verschijnsel wordt te weeg gebragt. De vischvangst eVert nog altijd aanzienlijke voordeeion ; maar deze tak a n nijverheid zou nog zeer in bloei kunnen toenemen ^nneer er beter gelegenheid bestond djatihout to bekomen °t aanbouw en herstel van vaartuigen. Bij het thans in ewerking zijnde nieuwe boschreglement zal aan deze be°efte worden te gemoet gekomen. . *^en districtshoofd moest wegens ongeoorloofde hande'ugen uit 's lands dienst ontslagen worden. Voor het overige as de geest der hoofden jegens het bestuur uitmuntend. , ^ene nieuwe Mohammedaanscho godsdienstleer, door ^eren inlander in Madioen gepredikt, naar het scheen .st baatzuchtige oogmerken , vond ook in dit gewest een et onaanzienlijken aanhang. "e openbare vielisiheid was zoo goed als zij , met do aan • ezige middelen tot hare handhaving, zijn kon.
ft0. 8. 2.
Soerabaija. Dit laatste wordt ook ten aanzien van Soerabaija gezegd. De welvaart onder de bevolking neemt toe; minder onder de hoofden en ambtenaren ; wat de geringeren onder deze laatsten aangaat, schijnt het dat hun toestand door de toegekende vermeerdering van bezoldiging van lieverlede verbetert. De prijzen der eerste levensbehoeften waren zeer matig ; die der padi en rijst, gedurende het grootste gedeelte van 1870, in het geheele gewest bepaald laag; terwijl ook eene groote hoeveelheid tweede gewassen aan de markt gebragt werd, zoodat de bevolking goedkoop en ruim in hare levensbehoeften kon voorzien. De vooruitzigten van de rijst- en suikerriet-aanplantingen voor 1871 , evenzeer als van de te veld staande tweede gewassen, waren gunstig. De gezondheidstoestand liet, ook in de laatste maanden , weinig te wenschen over.
Madura. De openbare veiligheid werd in de afdeeling Pamakassan, en in het regentschap Madura allerwege naar behooren gehandhaafd. Misdrijven worden minder talrijk begaan en de gepleegden meer ontdekt. Voor een deel mag deze verblijdende uitkomst worden toegeschreven aan den overvloed van voedingsmiddelen en het ruimer vloeijen, vooral in de afdeeling Pamakassan, van vele bronnen van vertier, waardoor welvaart en tevredenheid onder den inlander toenamen. Op dit alles echter maakt de afdeeling Sumanap in vele opzigten eene treurige uitzondering, ofschoon in den laatsten tijd een scherper toezigt op de betrokken inlandsche hoofden en ambtenaren zigtbare verbetering in het politiewezen had te weeg gebragt. Van nadeeligen invloed op de ontdekking van misdrijven is echter de omstandigheid, dat de districtshoofden niet altijd op het regte tijdstip op de plaats, waar eenig misdrijf gepleegd is, aanwezig zijn, doordien zij hun verblijf niet in de districten, maar ter hoofdplaats Sumanap houden, welk voorbeeld door de onderdistrictshoofden wordt gevolgd. De geheele opsporing enz. van misdrijven kwam daardoor veelal neder op de dessahoofden , hier over 't algemeen een zeer verdorven slag van lieden. De in het begin van 1870 veelvuldig gepleegde strandroof werd beteugeld door het gouvernements-stoomschip Barito, dat straat Madura eenigen tijd bekruiste. De panembahans (regenten) van Madura en Sumanap gaven vele bewijzen van medewerking. Vooral de eerste, vroeger zeer onhandelbaar, toonde zich bijzonder volgzaam en gewillig bij het ten uitvoer leggen van nuttige maatregelen. Meer en meer komt de bevolking dier niet onder's Gouvernements regtstreeksch gezag staande regentschappen met hare klagten bij het Europeesch bestuur, waardoor het bestuur van zijnen kant gelegenheid krijgt misbruiken tegen te gaan, waaronder in de 6erste plaats knevelarijen bij het innen van aan de landsvorsten verschuldigde belastingen. Omtrent den dienstijver en de gezindheid van den regent in de gouvernements-afdeeling Pamakassan, wordt mede een gunstig getuigenis afgelegd. Behalve in Sumanap waren de oogsten van 1870 overal gunstig te noemen. Minder voordeelig waren over 't algemeen de vooruitzigten voor het loopende jaar zoowel wat de padi als de tweede gewassen betrof. Vele djagong- en andere aanplantingen stonden zoo slecht dat de velden op nieuw waren bewerkt en beplant moeten worden. Wanneer ook de daarvan te verwachten oogst mögt mislukken, dan zou in het Sumanapsche (in de andere streken had de bevolking nog voorraad) schaarschte aan eigen voedingsmiddelen kunnen ontstaan. Die tegenspoed zou echter volgens den resident geen bezorgdheid behoeven te wekken in verband met. de ruimere verdiensten die aan de bevolking van Sumanap in 1871 zullen te goed komen door de hervatting van den zoutaanmaak aldaar, die bij een eenigzins günstigen oogst een kapitaal van ruim tonnen drie gouds onder haar in wandeling brengt. De pokken, die in het jaar 1869 even als op Java ook in deze residentie min of meer epidemisch geheerscht hadden, bleven zich ook nog gedurende een groot gedeelte van 1870, meer bijzonder in Sumanap, vertoonen. De jongste berigten omtrent den gezondheidstoestand op Madura luiden zeer voldoende.
6
Pasoeroean. Een vruchtbare bodem en een uiterst bloeijende toestand van den landbouw, zoowel wat voedingsmiddelen als wat voortbrengselen voor de Europescbe markt betreft, maken dit gewest tot een der welvarendste van Java. De oogst in 1870 van padi, tweede gewassen, koffij en suiker, was overvloedig. Voor zoover reeds bekend is, is ook de rijstproductie van 1871 naar wensch uitgevallen, terwijl de suikerrietaanplantingen een nog beteren oogst dan in 1870, de koffijplantsoenen daarentegen eenbelangrijk mindere opbrengst voorspellen. Onder hoofden en bevolking heerscht een uitmuntende geest. Op weinige uitzonderingen na vervulden de eersten hunne taak met ijver en toewijding. Eenigen hunner hebben bewijzen van tevredenheid van wege de Regering erlangd, voornamelijk wegens hunne bemoeijenissen met de koffijcultuur. Die onderscheiding werkte ook zeer gunstig op den dienstijver der overige hoofden. Andermaal werd een districtshoofd wegens knevelarij ontslagen. Aan dit misdrijf maken zich vooral de dorpshoofden nog dikwijls schuldig. De oorzaak hiervan ligt in het luttele geldelijke voordeel verbonden aan eeDe betrekking, die hen vaak tot meer uitgaven noopt dan de inkomsten bedragen die zij er van trekken. De gezondheidstoestand der bevolking kon zoowel in 1870 als later gunstig genoemd worden.
Probolinggo. De welvaart der bevolking neemt voortdurend toe. Haar rijke veestapel, hare betrekkelijk kostbare kleederdragt en goede woningen wijzen op klimmenden voorspoed. Over 't algemeen waren de uitkomsten van den landbouw in 1870 naar wensch, en ook voor 1871 waren, met uitzondering van de koffijcultuur, de verwachtingen gunstig. Mindere hoofden maken zich nog wel eens schuldig aan knevelarij ; een dorpshoofd werd deswege tot dwangarbeid veroordeeld. De voornamere hoofden, waaronder zeer welgestelde, gedragen zich ijverig en goed. Verscheidene gevallen van pokken kwamen voor, en ook heerschten koortsen, waaraan velen onder de bevolking bezweken. Toch kon in algemeenen zin de staat der volksgezondheid bevredigend genoemd worden. Hetzelfde was tot dusver in 1871 het geval. Bezoeki. De rijstoogst van 1870 viel vrij gunstig uit, en ook de aanplant voor 1871 is over 't algemeen goed geslaagd. Het meerendeel der inlandsche ambtenaren is tamelijk ijverig en voldoet aan zijne verpligtingen ; maar in ontwikkeling en beschaving staan zij beneden hunne ambtgenooten in Midden-Java. Om hierin te gemoet te komen is men begonnen met aan hen die zich voor eenige betrekking aanmelden zeker examen af te nemen, welke maatregel nu reeds op het onderwijs der kinderen van inlandsche hoofden — vroeger zeer verwaarloosd — een gunstigen invloed heeft. Het gehalte der dessahoofden is over het algemeen min. Bijna dagelijks valt er te klagen over hunne slechte pligtsvervulling op het stuk van politiewezen en cultures. Overigens heerscht hier veel welvaart onder de inlandsche bevolking, waartoe de vruchtbaarheid van den bodem en de gemakkelijkheid om met handenarbeid geld te verdienen, veel bdragen. In de laatste jaren heeft vooral de bevolking in de atdeeling Bondowosso, met name in de meer noordelijke districten Bondowosso, Wonosari, Penangoengan en Soekokerto een vrij hoogen trap van welvaart bereikt ; zoo zelfs dat er slechts weinigen zijn die niet een of meer paarden bezitten om hunne producten naar de lagere streken te transporteren. De veiligheid die vroeger, vooral onder Bondowosso, veel te wenschen overliet, neemt allengs toe. D J meerdere ijver in het opsporen der schuldigen aan misdrijf en de spoedige afdoening der landraadzaken dragen daartoe veel bij. Koortsen, doch geen kwaadaardige, heerschten in 1870 het geheele jaar door; evenzoo pokken, doch slechts in betrekkelijk geringen graad. Sedert kwamen , in tegenstelling met vorige jaren, minder koortsgevalien voor, terwijl de pokziekte nagenoeg als geweken kon worden beschouwd.
Bavjonvangi. De greote uitgestrektheid der zeer vruchtbare
gronden en de schoone veestapel maken , dat de landbouw zelfs onder ongunstige omstandigheden, ruim voorziet it al de behoeften van den inlander. Onder de bevolkinj heerscht dan ook welvaart in eene zoo algemeene matl als elders weinig wordt aangetroffen. Armoede word' nergens gevonden. Onder de inlandsche hoofden heerscht een goede gees' en ook, wegens eenvoudigheid in leefwijze, veel welge steldheid. Twee hunner — een onderdistrictshoofd en eeJ kliwon — maakten zich schuldig aan ongeoorloofde be schikking over heerendienstpligtigen en verboden aanka van hout. Zij werden ter zake strafregtelijk vervolgd. J De bevolking, die zich algemeen met het landbouwbedri onledig houdt, vindt voor hare producten een voldoen débouché aan Chinezen en andere vreemde Oosterlinger Overigens geeft zij zich met geen handel af, noch wijc zich aan eenige andere industrie. (1) De gezondheidstoestand was zoowel in 1870 als late bevredigend te noemen; alleen in de streken nabij 6 moerassen gelegen, heerschten veel koortsen.
Banjoemas. Naar den goeden staat van kleeding d woning te oordeelen, heerscht onder de bevolking vrij vré welvaart. Over hare goede gezindheid valt niet te klagen De gezondheidstoestand was in 1870 en in het eerst' semester 1871 over het algemeen gunstig; alleen in d' eerste vijf maanden van 1870 kwamen vele gevallen va' koorts en pokken voor. Omtrent handel en nijverheid wordt gezegd dat dez» slechts wachten op verbetering en aanleg van wegen oï> eene groote vlugt te nemen. (2) In April jl. werd in deze residentie opgevat zeker' MOHAMAD NGISA , een handlanger van den zich noemende! pangaran KOBRO , over wien onder » Pekalongan " hiervoreï NGISA maakte er zijn werk van, zoogenaamde djimats 4 herkenningsteekenen te verspreiden, die den bezitters vooj ziekten en ongelukken zouden behoeden en om n slamattans te doen houden ter eere van een denkbeeldig vorst, ondtl wiens bevelen zoowel hij NGISA als zijn lastgever KoBrt zouden geplaatst zijn. Ook hier had het bijgeloof in een bovennatuurlijke kracht van KOBRO wortel geschoten, nie alleen bij dessabewoners in de districten Batoor en Karang' kobar (afdeeling Bandjarnegara) maar ook bij somruig' mindere hoofden en beambten, die ter zake dezer bijge' loovigheid door den resident gestraft werden. In het district Poerworedjo (afdeeling Banjoemas) werden een paar doekoen s in hechtenis genomen, die met bedria' gelijke oogmerken verdichtselen verspreid hadden omtrent de aanstaande verrijzenis van een afgestorven vorst, enz Voorts werd in het district Bandjar (afdeeling Bandjat negara) ontdekt, dat goeroes wapenen lieten vervaardige)' door hunne volgelingen, en dat dezen geheimen vergaderingen hielden. Vermits bij een en ander in het spel kon zijl het geloof aan de hooger bedoelde aloude voorspellingen welke in 1871 tot verwezenlijking zouden moeten komen werd het niet onraadzaam geacht, ook in verband met d< bewegingen in het Pekalongansche, tijdelijk eenig magtsvertoon te doen plaats hebben. Dien ten gevolge werd if Mei jl. eene genoegzame militaire magt van Willem ontboden. Na gedurende eenigen tijd in het Bandjarnegarasche te hebben vertoefd, zijn de troepen nog in dezelfd' maand naar hun garni/oen teruggekeerd.
Bagelen. Onder de inlandsche bevolking zoowel als onde( hare hoofden wordt weinig welgesteldheid, maar daareo' tegen ook geene bepaalde armoede aangetroffen. De veiligheid van personen en goederen blijkt weinig ie, wenschen over te laten, daar geene kapitale misdrijvei" voorvielen en de misdaden zich grootendeels slechts be' paalden tot diefstallen met weinig verzwarende omstandig' lieden. De inlandsche hoofden muntten voor het grootste gedeett8
uit door voorbeeldig gedrag en naauwgezette pligtsbetracb' ting, ten bewijze waarvan wordt aangevoerd, dat op ee'
(1) Over de aanstaande invoering- der landrente in dit gewest tegà verhooging der koffij betaling zie men hoofdstuk J , afd. III, hierachter.
(2) Zie omtrent het denkbeeld eener wegsverbinding met de Preang81 regentschappen, hoofdstuk V, afd. I I , onder » Wegen."
7
personeel van meer dan 200 ambtenaren, in hat jongst verloopen jaar slechts een paar gevallen zich hebben voorgedaan dat bestraffing moest worden toegepast. De regent vanKoetoardjo bekwam, wegens ligchamelijke ongeschiktheid, eervol ontslag en pensioen. De uitkomsten van den rijstoogst van 1870 en de vooruitzigten van dien voor 1871 gaven reden tot tevredenheid. Ook van de overige te veld staande gewassen had men volgens de jongste berigten goede verwachtingen. De koffijcultuur zal, even als elders, in 1871 beduidend minder opbrengen dan in 1870. Aan de in 1870 in vrij sterke mate geheerscht hebbende pokken-epidemie is eerst in de eerste maanden van 1871 een einde gekomen. Laatstelijk was de algemeene gezondheidstoestand allezins bevredigend te noemen. Ook in dit gewest kan aan handel en nijverheid alleen eene goede toekomst verzekerd worden, wanneer door uitbreiding en aansluiting der middelen van verkeer de toestand van afzondering, waarin Bagelen door zijne ligging verkeert, een einde neemt (1). De verwachtingen omtrent den gunstigen invloed dien de opening (sedert Mei 1870) eener geregelde stoompakketvaart tusschen Batavia en Tjilatjap (Banjoemas) onder andere op den binnenlandschen handel van Bagelen zou uitoefenen, hadden zich, wegens het hooge vrachttarief, tot dus ver niet verwezenlijkt. Voor Bagelen voerden de pakketbooten weinig anders aan dan kleine collies van schoen- en kleermakerswerk of van mode-artikelen voor de Europesche ingezetenen. Aanvoeren van handelsgoederen, zoo als lijnwaden, metalen, enz , geschiedden bij voortduring als vroeger over Samarang, omdat zulks voordeeliger is.
Kadoe. Behalve een paar roofpartijen, die echter op zich zelf staande feiten zonder eenige staatkundige beteekenis waren, werd de rust in dit gewest niet gestoord. De daders daarvan werden gevangen genomen. Onder de bevolking heerscht over het algemeen welvaart ; de prijzen der voedingsmiddelen waren matig. De rijstoogst van 1871 moet volgens de reeds ontvangen berigten buitengewoon gunstig zijn uitgevallen. De koffijplantsoenen geven daarentegen een ongunstig uitzigt. Slecht volk uit het Djokjosche overloopende, verschaft der politie veel werk en maakt een streng toezigt noodig. De gezondheidstoestand in 1870 en later stak gunstig af bij dien van 1869. Slechts zeer enkele gevallen van pokken kwamen nog voor.
Djokjakarta. De algemeene toostand van rust en tevredenheid liet niets te wenschen over. De oogsten van alle plantsoenen waren bevredigend , zoowel van gewassen voor eigen gebruik , als van die voor de Europesche markt ; Werk voor de ambachtslieden , voor de leveranciers van materialen en voor de koelies was steeds volop voorhanden tegen goede betaling. Omtrent de vermoedelijke uitkomsten van den landbouw voor 1871 kan reeds gezegd worden dat de oogst der volkscultures (rijst en tweede gewassen) weinig te wenschen zal overlaten en dat de suiker- en indigo-oogsten op de verhuurde landen zich vrij goed laten aanzien. De sultan blijft steeds door zijne vele goede hoedanigheden zoowel bij zijne eigene onderdanen als bij de Europesche bevolking zeer gezien. De onafhankelijke prins PAKOE ALAM kon, nadat zijne gezondheid verbeterd is, zich weder met meer ijver aan de zaken wijden. Op het gedrag en de handelingen der rijksgrooten vielen geene bemerkingen te maken. Ook als belooning voor de uitnemende diensten van den rijksbestierder, werd diens oudste zoon , tot dusver regent van Bantool, tot hoofdregent der hoofdplaats benoemd. Dewijl dadelijk Europesch toezigt op de politie ontbreekt, is het alleen door aanhoudende aansporing van de inlandsche hoofden, dat men tot uitkomsten geraakt, zoo als die verkregen zijn , en die, de beschikbare middelen in aanmerking genomen , volgens het getuigenis van den resident , bevredigend kunnen genoemd worden. Eene regeling was onlangs tot stand gekomen die vooral ten opzigte van de politie nuttige gevolgen belooft. In April jl. heeft
(I) Zie het aangeteekende onder de hiervoren bedoelde rubriek . Wegen".
namelijk de sultan den hem door het Europeesch bestuur aanbevolen maatregel om het overtollig groote getal districtshoofden met geringe inkomsten langzamerhand bij ontslag en sterfgeval in te krimpen en aan de overblijvenden ruimere inkomsten toe te kennen , waardoor minder aanleiding tot verkeerdheden zoude bestaan, ten nitvoer gelegd over de drie groote en belangrijke regentschappen waarin de landverhuur bestaat, met het voornemen om later de regeling ook toe te passen in de bergdistricten aan den westkant van de Progo-rivier. De op last van den sultan uit die rivier gegraven wordende leiding in het belang van den landbouw , was bij den aanplant van 1871 nog onderhanden. In February, Maart en Augustus 1870 heerschten de pokken in sommige streken zeer hevig. In het overige gedeelte van dat jaar was de gezondheidstoestand gunstiger, hoezeer zich hier en daar nog gevallen van pokziekte voordeden. Volgens berigten van Mei lb71 liet de staat der volksgezondheid niets te wenschen over.
Soerakarta. Ofschoon geen sporen van ontevredenheid worden waargenomen, laat echter de openbare veiligheid te wenschen over, vooral voor de inlandsche bevolking. Zulks wordt toegeschreven aan de beperktheid van het Europeesch toezigt, aan mindere ontwikkeling der inlandsche hoofden en aan het gedeeltelijk zelfbestuur der inlandsche vorsten. Gedurende 1870 werd van 7 zoogenaamde ketjoe-partijen (rooftogten van gewapende benden) vernomen tegen 11 gevallen in 1869. De veroordeeling van 41 personen door de inlandsche regtbanken oefende hierop een goeden invloed uit, schoon er voor het plegen van deze misdrijven oorzaken moeten bestaan, die moeijelijk te ontdekken en niet af te leiden zijn uit den algemeenen toestand van voor- of tegenspoed onder de bevolking. Het overlijden van den verdienstelijken hoofdregent van politie in April 1871, die steeds belangrijk bijgedragen had tot de onderdrukking van dergelijke rooverijen , scheen den booswichten nieuwen moed te hebben gegeven, want sedert werden weder drie zoodanige misdrijven aangegeven , hoedanige er anders in lö71 nog niet hadden plaats gehad. Een deel der schuldigen was reeds gevat. Nu en dan doen zich voorbeelden op van geestdrijvers die zich een aanhang onder de bevolking trachten te verwerven en tot het slagen hunner plannen de godsdienst te baat nemen (1). In het gebied van den , van den soesoehoenan onafhankelijken prins MANGKOE NEGORO werden eenige oorzaken tot misnoegen weggenomen, ontstaan door eene te groote uitbreiding, plotseling aan de koffijteelt gegeven. Nadat de zaak zelve alsmede de betaling beter «eregeld was , hield de minder goede stemming op. De goede verstandhouding tusschen het Europeesch gezag en het inlandsen bestuur, werd in geenen deele verstoord , terwijl van de zijde der vorsten do meeste medewerking ondervonden werd. De bevolking wendt zich meer dan vroeger regtstreeks tot het Europesche bestuur met hare klagten tegen eigene hoofden en de landhuurders. Ten opzigte van de werking van het stelsel van landverhuur , wordt het vroegere 'oordeel (zie het vorig verslag, bladz. 6/7) herhaald. Door gunstige oogsten bleven de prijzen der eerstelevensbehoeften gedurende 1870 binnen ieders bereik, terwijl de weldadige invloed ondervonden werd van de versnelde en gemakkelijker gemeenschap met Samarang, Grobogan en andere streken. De padi-aanplant voor 1871 was in de geheele residentie uitmuntend geslaagd. Daarentegen zal de oogst van andere gewassen minder voordeelig uitvallen. Ten opzigte van handel en nijverheid zijn, de gedrukte tijdsomstandigheden in aanmerking genomen , de berigten verblijdend ; de kleinhandel veroorzaakt veel levendigheid en de industrie van het batikken neemt weder hand over hand toe. Ofschoon zich de pokken gedurende het geheele jaar 1870 vertoonden, heerschte die ziekte niet in zoodanige mate, dat daardoor merkbaren invloed uitgeoefend werd op den
(1) Nog in Julij jl. werden eenige verdachte personen, die zich als soeroe's (priesters) hadden uitgegeven, in het district Sragen en te Boijolali gevat.
8
normalen aanwas der bevolking. Volgens de jongste berigten is de gezondheidstoestand zeer voldoende , ofschoon zich nog in enkele streken gevallen van pokziekte voordeden.
Madioen. De -welvaart nam in 1870 toe , hetgeen zich aan eenige uiterlijke kenteekenen liet opmerken , als : goede kleeding, weelde bij feesten en wat dies meer zij. De ruime rijstoogst — en hierin mögt men zich ook in 1871 verheugen — droeg daartoe veel bij. De kleinhandel was bijzonder levendig. De gezondheidstoestand gedurende 1870 gaf geen aanleiding tot opmerkingen. Ook sedert is hij gunstig gebleven. Door zekeren inlander in het district Djogorogo (regentschap Ngawi) werd in de laatste maanden eene leer verbreid, eenigermate afwijkende van den Koran. Keeds was zijn aanhang niet onaanzienlijk. Vele lieden , waaronder zelfs dessahoofden uit Bodjonegoro, Toeban en Blora (Rembang) , sloten zich bij hem aan. Aan staatkundige oogmerken schijnt deze secte geheel vreemd.
Kediri. Een goede oogst van voedingsmiddelen droeg in 1870 bij tot vermeerdering der algemeene tevredenheid. Het bovenmatig gebruik van amfioen , waaraan de bevolking hier verslaafd is , blijft de voornaamste hinderpaal tegen vooruitgang en ontwikkeling. Over de geheele residentie deden zich gevallen van pokken voor, en in twee afdeelingen ook koortsen, inzonderheid op de plaatsen nabij de kust gelegen. De regent van Kediri haalde zich het ongenoegen der Regering op den hals wegens de door hem op groote schaal gepleegde overtreding van het verbod op het houden van hanenvechterijen.
§ 3. Buitenbezittingen en naburige inlandsche staten.
Omtrent den tijdkring waarover de ondervolgende berigten loopen , geldt dezelfde aanteekening als in den aanhef van § 2 hiervoren. (1)
Onafhankelijk noordelijk gedeelte van Sumatra. Met het rijk van Atjeh kwam het Gouvernement in 1870 niet in regtstreeksche aanraking. Naar vernomen is, moet in den loop van dat jaar de sultan zijn overleden en opgevolgd door een 12jarigen achterneef, in wiens naam de rijksraad het bewind voerde. Sommige Atjehnesche onderhoorigheden worden gezegd meer en meer tegenover hunnen souverein eene onafhankelijke houding aan te nemen en zelfs reeds te weigeren hem eenige schatting op te brengen. Eene dergelijke weigering werd ook als oorzaak beschouwd van vijandelijkheden die in den loop van 1870 tusschen eigenlijk Atjeh en de rijkjes Pasangan en Talasami op de noord-oostkust van Sumatra moeten hebben plaats gehad. Laatstelijk waren bij de Indische Regering overwegingen aanhangig betreffende het voornemen om , tot verlevendiging onzer betrekkingen met Atjeh, een van Zr. Ms. oorlogsschepen met eene zending derwaarts te belasten (vergelijk het vorig verslag bladz. 7). (2)
'Svmatra's Westkust. De toestand van dit gouvernement kon over het algemeen gunstig genoemd worden. De bevolking was rustig en tevreden en begon langzamerhand te herstellen van de schade door de veeziekte aangerigt.
(1) Over beschikkingen rakende het hinnenlandsch bestuur zie men hoofdstuk J , afd. I, § 1.
(2) Bij een besluit van Iß Julij jl. is voor bedoelde zending, hoedanige sedert 18G3 niet had plaats gehad, aangewezen Zr. Ms. stoomschip Djainli. Om den togt, die zich tot al de kustplaatsen van Atjeh c. a. zal uitstrekken, mede te maken, is aangewezen een door den gouverneur van Sumatra's Westkust aanbevolen controleur benevens een aan dezen toe te voegen met de Atjehnesche taal goed bekend Europeesch beambte. . Tevens zijn maatregelen genomen tot eene meer veelvuldige bekrmsing der noord-oostkust van Sumatra, door het marine-station te Biouw voortaan uit twee oorlogsbodpms te doen bestaan. Een dezer zou al dadelijk een kruistog-t ondernemen in straat Malakka, zoowel lot wering van zeeroof als tot het vertoonen der vlag op verschillende puuten van genoemde kust, met inbegrip van de wateren van Atjeh.
De maandelijksche stoomvaart tusschen Padang en de noordelijke havens van Sumatra's Westkust wordt gezegd veel bij te dragen tot verlevendiging van den handel dier anders zoo afgelegen plaatsen. De koffijen rijstoogst waren goed. Ook voor 1871 beloofden die cultures verblijdende uitkomsten. De koffijproductie liet zich zelfs bijzonder gunstig aanzien. De rijstprijzen waren evenwel, ten gevolge van de veeziekte, nog niet tot hunne vroegere laagte gedaald. Op verscheidene plaatsen heerschten in 1870 pokkenepidemien ; in de laatste maanden scheen de gezondheidstoestand veel verbeterd. Het aantal Mekkagangers neemt aanmerkelijk toe. Do invloed van hadji's en geestelijken is evenwel onbeduidend , en bepaalt zich uitsluitend tot zaken van zuiver godsdienstigen aard. In de Bataklanden was de maatschappelijke toestand nog weinig verbeterd ; ongeregeldheden, twisten en oorlogen waren er nog aan de orde van den dag. Intusschen scheen het Christendom er eenigzins veld te winnen. De pogingen die blijkens het vorig verslag plaatselijk door het bestuur zouden worden aangewend om een paar oorlogvoerende stammen op Zuid-Nias, die van Orahili en Tadoro, tot vrede te brengen, stuitten tot nog toe af op de onwilligheid van Orahili. In den laatsten tijd echter begon van die zijde meer geneigdheid te komen om de geschillen door eene vergadering van Niassche hooflen onder voorzitting van een Europeesch ambtenaar te doen beslechten. Door een der te Padang in station zijnde stoomschepen werd gedurende een gedeelte van December en Januarij_ 11. langs de Noord- en Westkust van Nias gekruist ter wering zoo noodig van slavenuitvoer of zee- en strandroof. _ Van een en ander werd niets vernomen. Ook bij het inwinnen van berigten op Nias zelf werd de strandbevolking overal rustig bevonden en toonde zij zich veilig te achten.
Benkoelen. In de maanden November en December 1870 openbaarde zich in de districten Padang Goetji en Kedoerang (afdeeling Manna) eenige weerspannigheid onder de bevolking, waarvan opruijing door eenige kwaadwilligen de voornaamste oorzaak schijnt geweest'te zijn. Tijdig genomen maatregelen hebben echter de rust spoedig hersteld. Kort daarop (January 1871) vertoonden zich andermaal eenige kwaadwilligen in Padang Goetji. Hun plan om de passeerbaan in brand te steken werd echter verijdeld. De schuldigen werden door de bevolking zelvo uitgeleverd. Dit geval scheen slechts de herhaling van vroegere opruijingen te zijn. Eene bepaalde aanleiding, ook van de eerste ongeregeldheden, is niet ontdekt kunnen worden. De bevolking blijft armoedig; hare geringe behoeften doen weinig hoop koesteren dat hierin spoedig eene gunstige verandering zal komen. De gezondheidstoestand was in 1870 niot gunstig. Koortsen en pokken heerschten overal, met uitzondering van de zu:delijke afdeelingen Kauer en Kroë, welke van de pokziekte bevrijd bloven. In den aanvang van 1871 had de bevolking, vooral die dor kustplaatsen , nog al van koortsen te lijden, welke echter van geen ernstigen aard waren. Ook deden zich nog steeds gevallen van pokziekte voor in de afdeelingen Mokko Mokko en Manna. Kroë werd omstreeks de helft van 1870 in de stoomgemeenschap tusschen Batavia, Benkoelen eii Padang opgenomen , waardoor handel en vertier eenigzins zijn toegenomen. Omtrent het eiland Engano , dat, blijkens het vorig verslag bladz. 59 , voortaan eens om de twee maanden door de pakketbooten zou worden aangedaan, zijn geene andere berigten ontvangen, dan dat in Augustus 1870, door de bemiddeling van een derwaarts afgezonden ambtenaar en van het hem vergezellend inlandsen hoofd , de tusschen de verschillende negorijen ontstane en bereids vrij hoog gerezen geschillen alle werden bijgelegd. De toestand der wegen in Benkoelen wordt over het algemeen vrij voldoende genoemd. In Januarij 1870 werd eene som van f 14 418 toegestaan om, in heerendienst met tegemoetkoming, het gedeelte bergweg tusschen Taba, Penandjong (Benkoelen) en Pening Dj awang (grens Palembang) naar Kepahiang in goeden staat te brengen. Deze weg kon bij het eind van 1870 bijna als voltooid worden
9
6schouwd en is voor de communicatie over het Barissanebergte eene groote verbetering. \*h rijstoogst was niet bijzonder ruim; door particulieren (nvoer van Batavia en Padang waren de prijzen evenwel et te hoog. Het gewas van 1871 liet zich over het algeteen goed aanzien.
Lampougsche districten. De gezondheidstoestand der beding was (ook na 1870) gunstig; epidemien althans deden ' ^ niet voor. In weerwil van den gedrukten toestand des handels in 5t algemeen en der moeijelijkheden die de bevolking, ten iyolge van de ongunstige weersgesteldheid en de geheerscht Abende veeziekte (alleen in de afdeeling Semangka eischte aze ziekte nog vele offers), gedurende 1870, in de becking harer rijstvelden ondervond, wordt haar toestand Ver het algemeen bevredigend genoemd, "fas in genoemd jaar de rijstoogst minder gunstig, de ?Peroogst was daarentegen bijzonder voordeelig, hetgeen le' zonder invloed was op de levendigheid van den binnenltl<lschen handel. De bevolking legt zich meer en meer op 6 pepercultuur toe. ï e oordeeien naar de latero berigten *ei jl.) lieten zich voor 1871 van den landbouw over aïgemeen goede resultaten verwachten. Ten opzigte van ?n padi-oogst maakten echter sommige afdeelingen eene Uzondering. Niettegenstaande de daling van den prijs der dammar en 'ödere boschproducten, was de algemeene toestand van den landel gedurende 1870 bevredigend; de waarde van den Î1" en uitvoer bereikte althans een eenigzins hooger cijfer ,an in 1869. De rust bleef ongestoord. Van de in het vorig verslag verfde moeijelijkheden in de afdeeling Semangka of van den krustigen geest der bevolking aldaar hebben zich in 1870 een sporen voorgedaan. In de maand April jl. vertoonden zich op de Oostkust ®zer residentie eenige kleine rooverspraauwen, die in de elapanbaai en aan de mondingen van een drietal rivieren tei'schiilende handelsvaartuigen afliepen en beroofden. Daari n werd per telegram kennis gegeven aan den resident Pan Palembang, terwijl met de beschikbare middelen (het N'ps gewapende politiedienaren was sedert 1 January jl. folgens de nieuwe formatie compleet geworden) al dadelijk tat noodige werd gedaan om de kust te bewaken en zoo a°gelijk de zeeroovers te vatten. Door het te Palembang 'anwezige oorlogsschip werd kort daarop een kruistogt 'Odernomen. Omstreeks medio Mei werd aan de Lam'°ngsche kust andermaal een handels vaartuig aangevallen, 'at echter wist te ontkomen. De hoofden voldeden over het algemeen vrij goed aan flntie verpligtingen ; dit kan te eerder gezegd worden, als aen in aanmerking neemt, dat zij onbezoldigd zijn en zelfs '*s leden van den proatinraad geene de minste tegemoetkoming ontvangen, terwijl zij toch dikwijls verscheidene 'agen van het jaar op verre afstanden van hunne kampongs Vei'kzaam moeten zijn. Zij zijn dan ook verpligt door handel '' landbouw in hun onderhoud te voorzien en zijn niet wele e n d te noemen , iets wat van den kleinen man wel gezegd ian worden.
Palembang. De toestand wordt over het algemeen beëdigend genoemd. A-ls een bewijs dat in de Leraatang-Oeloe en de Pasoe^ahlanden hoofden en bevolking naar bestendiging der rust klangen, wordt aangehaald dat, toen van de zijde der ^aadwilligen die zich in Benkoelen vertoond hadden, ^tracht werd ook in deze streken woelingen te verwekken, kunne pogingen daartoe geheel vruchteloos zijn gebleven, lxet alleen bij de bevolking, maar ook bij den vroegeren ^ofdopstandeling PIRAHOEN , die nog steeds, ofschoon in kernende mate , veel invloed op de bevolking heeft. De i n het begin van 1871 verspreide geruchten dat PiiA-HoEx voornemens zoude zijn een opstand in de Goemaïjanden vcor te bereiden, bleken bij onderzoek van grond 'athloot en zijn ten laatste geheel gelogenstraft door de °rttiele onderwerping, waartoe hij in April jl. te Lahat s overgegaan. In de Arupat-Lawang slaagde men er in de schuldigen sa-Q het bedrijven van een moord te arresteren, waardoor p 'Wraakzuchtige gezindheid der bevolking van Loeboe
N°. 8. 2.
Poeding, die voor een oogenblik tot rustverstoring dreigde aanleiding te geven , tijdig onderdrukt werd. Terwijl rust heerschte in de onderafdeelingen Redjang en Ampat-Lawang (afdeeling Tebing-Tinggi) blijft echter nog altijd weinig staat te maken op de goede gezindheid der bevolking van de Sindang-Moesi-Oeloe. Even als in de G-oemaijlanden en de Kikim (afdeeling Lahat) wordt ook daar voortdurend streng toezigt vereischt. Hoewel ook in het Dj ambische rust heerschte, laat evenwel de veiligheid aldaar veel te wenschen over, tengevolge van het zwakke inlandsche bestuur en de gebrekkige politie in dat rijk, waar alle misdrijven met boete of pandelingschap worden gestraft. In de beneden-afdeelingen der residentie hield het verhuizen, zoo in als buiten de afdeelingen, aan, voornamelijk met het doel om zich te onttrekken aan de betaling van belasting of het praesteren van heerendiensten ; in de afdeelingen Iliran en Banjoeassin daarentegen waren de verhuizingen minder talrijk. Wordt van verscheidene hoofden een loffelijk getuigenis afgelegd, van anderen wordt beweerd dat zij zich schuldig maken aan ongeoorloofde praktijken, een gevolg van hunne geringe inkomsten, bestaande uit landrente-percenten en een aandeel in de boeten wegens overtredingen. Aan het hoofd der Arabieren werd wegens langdurige, trouwe dienst, in February 1870 van regeringswege een gouden medaille vereerd. De katoen- en rijstoogst waren niet ongunstig, hetgeen bijdroeg tot de algemeene tevredenheid. Ook reeds de aangevangen padi-oogst van 1871 liet zich, volgens berigten van Mei jl., over 't algemeen gunstig aanzien. De wegen kunnen, bij de toenemende ontwikkeling, over het algemeen niet voldoende geacht worden. Door den resident zijn voorstellen tot verbetering aangekondigd. Gedurende het geheele jaar 1870 heerschten in min of meer hevige mate de pokken. Ook in 1871 was de ziekte Doo- niet geheel geweken, maar nam volgens de jongste berigten toch langzamerhand af. Over 't algemeen was echter de gezondheidstoestand bevredigend te noemen.
Banka, De algemeene toestand wordt gunstig genoemd. De rust bleef ongestoord, sedert den oploop in het Muntoksche waarvan reeds in 't vorig verslag, bladz. 9, gewag werd gemaakt. In de laatste maanden (April en Mei jl.) zijn 'gevallen van zeeroof voorgekomen, waarvan in 1870 in 't geheel niet was gehoord. Een vijftal praauwen, waarschijnlijk te Lingga te huis behoorende, maakten in straat Banka jagt op handelsvaartuigen die zich evenwel tijdig door de vlugt wisten te redden. Later schijnen diezelfde praauwen nabij Tandjong Tadah twee malen een aanslag op andere vaartuigen te hebben gewaagd en van één den djoeragan te hebben gedood. Onmiddellijk waren met behulp van alle beschikbare maritime middelen, ook met het opnemingsvaartuig Stavoren, pogingen in 't werk gesteld tot opsporing der zeeroovers, doch de nasporingen leidden tot geene ontdekking. Zij schenen echter dit gevolg te hebben gehad , dat de aanvallers zich verwijderd hadden. Althans was sedert van geen aanrandingen meer vernomen. De ruimere bezoldiging der inlandsche districtshoofdeü en de toekenning van landsbezoldiging aan de kamponghoofden sedert 1868, werkt gunstig op hun dienstijver en daardoor op de behartiging der volksbelangen, voornamelijk ten opzigte van den landbouw. Een der meest aanzienlijke inlandsche ambtenaren, de hoofddjaksa bij den landraad te Muntok, ontving in den loop van 1870 ter beloohing zijner veeljarige en trouwe pligtsbetrachting een blijk van 's Gouvernements bijzondere tevredenheid. De rijst- en vooral de gambier-cultuur ondergingen eenige uitbreiding. Eerstgemelde cultuur leverde echter geen voordeeligen oogst. Ook de vooruitzigten van den in 1871 te veld staanden oogst waren min gunstig. Voor gebrek aan voedingsmiddelen bestond echter geen vrees. Bovendien stonden de tweede gewassen veel belovend. De gezondheidstoestand wordt, ook in de reeds ontvangen berigten over 1871, gunstig genoemd, terwijl het handelsvertier stationair bleef.
Billiton. Ook in de wateren van Billiton vertoonden
10
zieh în do maanden April en Mei jl. eenige rooversvaartuigen, tot opsporing van welke door den adsistent-resident buitengewone voorzieningen werden genomen. Het mögt echter niet gelukken, ook niet aan de in straat Banka kruisende oorlogsvaartuigen, om eenig spoor van de verdachte vaartuigen te ontdekken. Op Billiton zelf liet de veiligheid niets te wenschen over. De gezondheidstoestand en de landbouw-uitkomsten gedurende 1870 waren minder bevredigend. Ook berigten van 1871 luiden omtrent een en ander niet gunstig. Bij Schaarschte aan voedingsmiddelen kan echter de bevolking een middel van bestaan vinden in het inzamelen van boschproductenofhet verrigten van koeliediensten hetzij in de mijnen of op andere wijze. Met goed gevolg werden de kampongshoofden aangespoord om, wegens de mislukking van den rijstoogst, de bevolking met raad en daad bij te staan nopens hetgeen tot voorziening in de behoefte kon strekken. Het handelsvertier was in 1870 niet veel minder dan gewoonlijk, terwijl de visscherij was vooruitgegaan; van tripang alleen werd in genoemd jaar eene waarde van ruim f 47 000 naar China uitgevoerd.
JRiouw en onderhooriglieden. De inheemsche bevolking van den Lingga-Riouw archipel, van landbouw afkeerig, houdt zich bijna uitsluitend met de vischvangst bezig; terwijl alle takken van handel en nijverheid in handen zijn deihaar meer en meer verdringende Chinezen. Behalve eenige handelaren ter hoofdplaats Tandjong Pinang en te Sengarang, wier bedrijf jaarlijks toeneemt, zijn de laatsten gambier- en peperplanters. Op bijna al de eilanden dezer residentie treft men dan ook gambier- en peperplantages aan. Ofschoon deze cultures den ondernemers belangrijke winsten afwerpen, levert de gambierteelt dit nadeel op, dat zij den grond uitmergelt, en door de verbazende hoeveelheid brandhout die jaarlijks wordt verbruikt tot koking van het product, eene steeds toenemende ontwouding te weeg brengt die ten laatste nadeelig op de gesteldheid van den bodem en op het klimaat moet terugwerken. De uitbreiding van het Europeesch en de betere inrigting van het Chineesch bestuurspersoneel in den LinggaRiouw archipel, sedert 1 Januarij 1870 (zie het vorig verslag bladz. 46) oefenden een zeer weldadigen invloed uit. De aanwezigheid der Europesche ambtenaren noopte den sultan en den onderkoning tot getrouwere naleving van het contract dan zij tot hiertoe gedaan hadden. Kneveïarijen , vroeger zoowel door de aanzienlijkste als door de geringere inlandscho hoofden gepleegd en waarvan de Chinezen hoofdzakelijk de slagtoffers waren, werden met zachtheid zooveel mogelijk te keer gegaan. De Chinezen vooral, thans geheel gescheiden van het inlandsch bestuur, ondervonden de weldaden van 's Gouvernemen tsbeheer, waardoor bij -de andere Oostersche vreemdelingen en bij de Maleijers de wensch is ontstaan om ook als onderdanen van het Gouvernement beschouwd te worden. Het hoofd van het rijkje Manda, een der onder regtstreeksch bestuur van den onderkoning staande landschappen, werd ter zake van de door hem aangenomen onafhankelijke houding, door den onderkoning ontslagen. De zaak gaf aanleiding tot eene door laatstgenoemde minder gewenschte bemoeijenis van de zijde des sultans. Het verblijf van den onderkoning te Lingga, waar de zaak met den sultan geregeld werd, heeft ten gevolge gehad, dat het tusschen de beide vorsten tot eene verklaring is gekomen, en wederzijdsche grieven in vredelievenden zin zijn opgelost. Even als reeds in de laatste jaren in de Siaksche onderhoorigheden beginnen zich ook in het rijk van LinggaRiouw Europeanen voor te doen tot het beproeven van landbouw-ondernemingen. Reeds heeft zich daartoe, met toestemming van het Gouvernement, een ondernemer gevestigd in de afdeeling Battam, terwijl door een drietal andere, waaronder één voor de afdeeling Lingga, ter zelfder zake aanzoek is gedaan. In Maart 1871 werd de afdeeling Poeloe Toedjoe, welke voorloopig nog niet door een Europeesch ambtenaar beheerd wordt, bezocht door den controleur van Noord-Bintang. Achtereenvolgens werden met Zr. Ms. stoomschip Borneo de eilanden Tambilan, Serasan, Brian, Sedanong en Siantan aangedaan. Van het tweede en derde der hier genoemde eilanden had in 1870 een volksverloop plaats gehad
naar Borneo's Wester-afdeeling. De nu ingestelde onj zoekingen deswege leerden, dat die lieden wel teruggefc« waren, en ook wel opgaven hunne woonplaatsen sl^ tijdelijk te hebben verlaten om elders ter vischvangs!
gaan, maar dat zij inderdaad zich hadden willen onttrek aan vexatoire handelingen des onderkonings. De indruk dien de algemeene toestand der afde« Poeloe Toedjoe maakte, was overigons vrij gunstig heerschte eenige welvaart en het inlandsch bestuur tamelijk goed geregeld. De gezondheidstoestand liet er et wel door de dikwijls heerschende koortsen te wenschen o Van zeeroof had men in de laatste zeven jaren inde noemde afdeeling geen last gehad. Dit laatste was wel het geval in sommige andere deelten van den Lingga-Riouw-archipel. Voornamelijt de afdeelingen Battam en Karimon vertoonden zich nu en' Chinesche zeeschuimers van Singapoer. Ter beteugel van hunne strooptogten werden van tijd tot tijd gewape* booten in de betrokken wateren gestationeerd, doch w het tot nu toe nog niet gelukken een der schuldigen handen te krijgen. (1) De gezondheidstoestand in de verschillende afdeelifl kon over 't algemeen bevredigend worden genoemd. De berigten omtrent het gebied der residentie Rioui de Oostkust van Sumatra luiden over 't algemeen gum In eigenlijk Siak werd de rust gedurende 1870 niet ernj gestoord. Alleen hadden aanhoudend oneenigheden plij tusschen den sultan en den rijksbestierder. De verhoud' tusschen hen was echter in den laatsten tijd eonigj verbeterd, roornamelijk door bemiddeling van den la» mana van Boekit. Assahan, sedert jaren het onrustigste gedeelte der aftf ling Siak en onderhoorigheden, was ook gedurende ! groot deel van 1870 weder het tooneel van vrij ernst verwikkelingen, die echter door het sneuvelen in Octo' 1870 van het woelzieke Battaksche hoofd PENETÉ uit'1
weg schenen te zijn geruimd. Sedert is van geene nie« rustverstoringen vernomen. Bij ontstentenis van een geschikten troonsopvolger b de leiding der zaken in Assahan nog toevertrouwd aa« in 't verslag van 1869 (bladz. 11), bedoelde commissie' bestuur. Volgens berigten van Maart jl. zou de nieuw getreden resident bij eene door hem te doene reis ü Sumatra's Oostkust o. a. Assahan bezoeken, ten ei' verschillende zaken en o. a. de quaestie der troonsvervul' te bespreken. Met de onafhankelijke hoofden der Tabalanden waS!
verhouding vriendschappelijk ; de bevolking van Semalo* gan, grenzende aan Assahan, maakte hierop eene uit«! dering; tijdens de verwikkelingen in het Assahans' mengde zij zich daarin op eene- aan het Nederlandsch [ zag vijandige wijze. Deli ontwikkelt zich met reuzenschreden, en gaat & schoone toekomst te gemoet. Het getal landbouwond nemers nam weder aanzienlijk toe, en als een onmiddel gevolg hiervan ook het aantal Chinezen. De uitkoms1
der bedoelde ondernemingen zijn aanmoedigend. Omtc eene beweerde onregtmatige bejegening der Chines koelies, met name in Deli, worden de van de Gouverne Generaal gevraagde inlichtingen nog te gemoet gezien, sultan heeft aan zijn voornemen om eene inlandsche scl>' op te rigten gevolg gegeven. Het goede voorbeeld met' zigt tot de bevordering der landbouwnijverhuid door Ij gegeven, heeft ook in Langkat en Serdang navolging t vonden, waar de vorsten insgelijks landbouwcontraC' met Europeanen hebben aangegaan. Deze onderneming waren echter in den aanvang van 1871 nog niet in w king. De rust en tevredenheid in beide rijkjes lieten ni' te wenschen over. De landschappen van Soengi-toean en Soengi-oelar, wa' over tusschen de vorsten van Serdang en Deli verschil! stond, werden bij onderlinge minnelijke schikking voorloop onder het bestuur des laatsten gebragt. In het landschap Kotta-Pinang ontstonden moeijelij; heden met de aangrenzende onafhankelijke districten v
(1) Omtrent de meerdere beschikbaarheid van maritime middelen Oostkust van Sumatra zie men de noot op bladz. 8 hiervoren.
11
Padang-Lawas (1). Deze dateerden reeds van 1869, toen door de bevolking van Padang-Lawas een inval gedaan werd in Kotta-Pinang, waarbij in de tot dat landschap behoorende kampong Soeroewan eenige menschen vermoord en de overigen geroofd werden. Vruchteloos was door den controleur te Labooan-Batoe beproefd, die geroofde menseben terug te krijgen. Van de zijde van den jang dipertpean van Kotta-Pinang ontbrak het in deze aan de vereischte medewerking. De gezondheidstoestand in de geheele afdeeling Siak en onderhoorigheden kon over het algemeen bevredigend worden genoemd. Wel heerschten hier en daar de pokken, doch deze waren van een goedaardig karakter, terwijl de nu en dan voorkomende koortsen in de onderafdeelingen Laboean-Batoe en Batoebara geene ernstige gevolgen schenen te hebben. Omtrent den maatschappelijken toestand der inlandsche bevolking in Siak en onderhoorigheden wordt gezegd, dat deze zich in sommige streken, zoo als in Assahan en Deli, op landbouw toelegt. Voornamelijk de rijst- en sago-cultures leveren haar een ruime bron van inkomsten. De Chinezen houden zich in de bedoelde afdeeling bijna uitsluitend met den kleinhandel bezig, terwijl in Deli een groot aantal als planters bij de Europesche ondernemers werkzaam zijn. Van Indragiri en Reteh zijn geen berigten van belaog ontvangen.
Wester-afdeeüng van Borneo. Over het algemeen kon worden gezegd dat de contracten mei de inlandsche vorsten goed werkten. Voor zoover die contracten door overlijden of door abdicatie van den vorst, vernieuwd moesten worden , zoo als in 1869 en 1870 met de vorsten van Sekadouw, Meliouw en Koeboe (over welk laatste landschap zie ook hoofdstuk J , afd. I , § 1), is daarbij dezelfde algemeene strekking als bij de vroegere in het oog gehouden, behoudens betere voorziening in sommige punten die bij de bestaande contracten niet of minder volledig geregeld waren. (2) Uit een politiek" oogpunt bleef de rust ongestoord. In de binnenlanden laat echter de veiligheid van personen veel te wenschen over, daar vele gevallen van moord en koppensnellen zich voordoen. Ook vonden menigwerf misdaden plaats in de Boeginesche nederzettingen aan het zeestrand. Tusschen de verschillende kleine vorsten in het Sintangsche bestaan nog steeds quaestien over grensscheiding, tot welker eindregeling de noodige voorstellen waren gedaan. Van uit do districten onzer Batang Loepar-Dajaks werd — vermoedelijk uit weerwraak (zie het vorig verslag bladz. 10)— in het Serawaksche »gesneld". De resident had zich, vergezeld van den militairen kommandant en een detachement militairen, naar Poeloe Madjang begeven, ten einde daar het mogelijke in 't werk te stellen om dergelijke ongeregeldheden te voorkomen en de hoofdaanleggers in handen te krijgen. Volgens den resident bestond er ten gevolge van deze reis gegronde hoop, dat de sneltogt zoo niet voorkomen, dan ten minste op geen groote schaal zou ondernomen worden. De geest der Chinezen jegens het bestuur was goed, de rust werd dan ook niet door hen gestoord met uitzondering van een paar kleine ongeregeldheden, welke te Pontianak plaats hadden. Bedoelde ingezetenen hielden zich minder uitsluitend, zoo als vroeger, met den mijn-arbeid bezig, maar begonnen zich meer op den landbouw toe te leggen. De meeste welvaart heerschte onder de Boeginezen, onder wie men scheepsreeders, groothandelaars en geldschieters aantreft. Het meest echter brengen de klappertuinen tot de welvaart toe. Het ontginnen van gronden voor de klappercultuur gaat steeds voort, waartoe het aanleggen van een weg tusschen Pontianak en het zuiderstrand het zijne heeft bijgedragen, terwijl ook langs de Pontianak-rivier geheele strooken gronds werden ontgonnen. Uit den kleinhandel wordt de Boeginees meer en meer verdrongen door den
(1) Over de verleende magtiging- om een daartoe geschikt ambtenaar eene reis naar de weinig bekende oostelijke Battaklanden te doen ondernemen tot het verkrijgen van meerdere kennis nopens land en volk, zie men hoofdstuk K, afd. II, § 3.
(2) De bedoelde drie contracten worden aan de Staten-Generaal medegedeeld bij brief van den Minister van Kolonion van 18 September '871. (Bedrukte stukken, zitting- 1871—1872, 9 ).
Chinees. Sommige goudmijnen in de afdeeling Montrado leverden ruime winsten op; andere daarentegen werkten met weinig of geen succes. De gezondheidstoestand kon over 't algemeen vrij bevredigend worden genoemd. Op ontvangen berigten nopens het heerschen der pokken onder de Katoengan Dajaks werd een vaccinateur derwaarts gezonden. De oogst van het voornaamste gewas, de rijst, liep in de verschillende afdeelingen zeer uiteen. s
Zuideren O oster af deeling van Borneo. Het jaar 1870 ging niet zoo rustig voorbij als in den aanvang voorzien werd. De onderwerping toch blijkens 't vorig verslag door het opstandelingshoofd WANGKANG aangeboden , bleek geheel andere bedoelingen te hebben dan men mögt verwachten. WANGKANG kwam in Mei 1870 uit de Boven Doesson te Bandjermasic Voor den resident verschenen , vroeg hij vergiffenis voor zijn gedurende de vroegere onlusten gehouden gedrag. Nadat hem een verhoor afgenomen en daarvan proces-verbaal opgemaakt was , werd hem te kennen gegeven , dat zijn verzoek zou worden ondersteund en dat hij, in afwachting eener beschikking , te Marabahan, eene groote op betrekkelijk geringen afstand van Bandjermasin gelegen kampong , verblijf kon houden, Hij keerde dan ook naar die plaats terug ; het duurde echter niet lang of er kwamen geruchten in omloop, dat zijne onderwerping slechts geveinsd geweest was en zijn verblijf te Marabahan door hem werd dienstbaar gemaakt aan zijn voornemen om zich onder de bevolking van die plaats en omstreken een sterken aanhang te verwerven , ten einde daarmede en met de hem verder door den hoofdopstandeling SOERAPATTI en diens medestanders ta verschaffen strijdkrachten , zoodra hij daartoe de kans schoon zou achten , een verraderlijken aanval op de hoofdplaats Bandjermasin en op de versterkin» te Marabahan te wagen. Toen die geruchten zich al meer en meer bevestigden door berigten van meer dan ée'ne geloofwaardige zijde bij het bestuur ingekomen , werd WANGKANG door den resident naar de hoofdplaats opgeroepen , I ten einde zich op de hem ten laste gelegde bezwaren té verantwoorden en hem vooreerst, onder meer regtstreeksch toezigt van het bestuur, aldaar te doen verblijf houden.
WANGKANG kwam ingevolge die oproeping op 9 September te Bandjermasin aan , doch voerde een vrij aanzienlijk aantal gewapende volgelingen met zich , in stede van slechts door drie of vier der zijnen vergezeld te zijn , zoo als hem bevolen was ; en toen hem het doel zijner oproeping bekend werd, verzette hij zich tegen zijne aanhouding en nam, op zijn gewapend gevolg steunende, eene zoo weerspannige houding aan, dat de ten-uitvoer-legging van den te zijnen aanzien voorgenomen maatregel niet mogelijk was zonder tot geweld over te gaan, hetgeen — om der gevolgen wille — niet wenschelijk werd geacht. Ka voor deze weerspannige houding aan den resident schriftelijk vergiffenis gevraagd en verkregen te hebben , keerde WANGKANG met vergunning naar Marabahan tertio-. Bij een besluit van 11 November 1870 werd op d°e voorstellen van den resident betreffende de aan WANGKANG te yerleenen amnestie door den Gouverneur-G-eneraal beschikt. Hem werd genade geschonken onder de uitdrukkelijke voorwaarde nogtans, dat hij — vooraf naar de hoofdplaats afgekomen — aldaar in tegenwoordigheid van de civile en militaire autoriteiten op demoedige wijze vergiffenis zou hebben te vragen. De bij .hetzelfde besluit benoemde nieuwe resident nam den 22sten dier maand het bestuur over. Intusschen was men te Bandjermasin herhaaldelijk verontrust geworden door berigten, dat WANGKANG voornemens was naar 'de hoofdplaats af te komen, vergezeld van de beide zonen van SOERAPATTI, die hem met een groot aantal volgelingen zouden ter zijde staan. Ten einde zich van den toestand te overtuigen begaf de resident zich 's'anderen daags naar Marabahan. Ofschoon het bleek dat de invloed van WANGKANG op bedenkelijke wijze was toegenomen, meende de resident, met het oog op de verleende amnestie en daar de geamnestieerde sedert niet openlijk in verzet was gekomen, aan de reeds voorbereide maatregelen van repressie voorloopig geene uitvoering- te moeten geven, maar eerst te moeten afwachten of de verleende genade het bewuste hoofd tot betere gevoelens zou brengen. Alvorens aan de
12
betrekkelijke beschikking officieel uitvoering te doen geven (hetgeen de resident wenschelijker oordeelde eerst te doen plaats hebben na zijn vertrek van Marabahan) liet die hoofdambtenaar zonder verwijl langs particulieren weg aan WANGKANG mededeelen, dat hem genade was verleend en hij voor de toekomst gerust kon zijn. Toch verscheen WANGKAN G den "25sten November aan het hoofd eer.er aanzienlijke magt en vergezeld van verklaarde vijanden van ons gezag, ter hoofdplaats Bandjermasin, met de even onbeschaamde als logenachtigo bewering, dat hij wenschte te weten of hij al dan niet genade had. Toen de sommatie van den resident om met niet meer dan 2 à 3 volgelingen voor hem te verschijnen met een uittartend antwoord begroet werd, achtte de resident, in overleg met den gewestelijken militairen kommandant, die zich met de noodige militaire magt ter plaatse van WANGKAXG'S aankomst bevond, den tijd gekomen om offensief tegen dat opstandelingshoofd te werk te gaan. Over den loop der krijgsverrigtingen, die omstreeks January 1871 eindigden met het sneuvelen van WANGKAN G en het van lieverlede gevangen nemen van het grootste deel zijner volgelingen, wordt gehandeld in hoofstuk D , § 4 , en E , § 5. Bij een besluit van 27 December 1870 was inmiddels de verleende amnestie door den Gouverneur-Generaal ingetrokken. Sedert is den gezagvoerenden ambtenaren gelast geene pogingen meer aan te wenden om de zich in de Boven-Doesson bevindende opstandelingshoofden, die bij Indisch Staatsblad 1862, n". 119, van amnestie uitgesloten zijn, of daarvan geen gebruik hebben gemaakt, tot onderwerping over te halen, maar integendeel , wanneer zij het wagen af te komen, alle middelen aan te wenden om hen in handen te krijgen. De krachtige optreding tegen WANGKANG en de daardoor verkregen uitkomsten worden gezegd een indruk te hebben te weeg gebragt die niet spoedig zal worden uitgewischt en die menigen kwaadwillige van pogingen tot omverwerping van het gezag zal terughouden. Sedert was het dan ook rustig en werd ook niets van rivierroof vernomen. Uit een brief van SOERAPATTI aan den gezaghebber te Marabahan , zoowel als uit andere bij het bestuur ingekomen berigten, moet worden afgeleid, dat de raddraaijers in de Boven-Doessonstreken zich niet langer bestand achten om hun verzet tegen 's Gouvernements gezag te blijven volhouden. In de bovenlanden der Zuiderafdeeling bleven de Sintangsche opstandelingen TAGAB KOENDI en IDOEL met kleine benden rondzwerven; de nu en dan door hen ondernomen strooptogten hebben echter geene rustverstoring van eenig belang ten gevolge gehad. Volgens de laatste berigten waren zij naar Sambas geweken, waar zij door het inzamelen van boschproducten in hun onderhoud voorzagen. De zucht om zich ter bedevaart naar Mekka te begeven, is in deze residentie zeer sterk, en jaarlijks vertrekken honderden pelgrims. Van daar het groot aantalhadji's, inzonderheid in de afdeeling Amoenthaij. Naarmate de rust zich bestendigt, neemt de handel toe; vooral in den invoer was in de laatste maanden veel levendigheid te bespeuren; men begint zich ook meer en meer op nijverheid toe te leggen, terwijl van den landbouw, vooral wat betreft het aanleggen en beplanten van rijstvelden, op aansporing van het bestuur van lieverlede meer werk wordt gemaakt. Door de gedeeltelijke mislukking van den rijstoogst waren de prijzen van de rijst en der andere voedingsmiddelen eenigzins gerezen. Het padigewas van 1871 stond vrij gunstig.
Celebes en onderhoorigheden. Over het algemeen was de «tand van zaken in dit gewest zeer gunstig; verzet of politieke stoornis had niet plaats. De be volking zoowel in de gouvernements- als in de vorstenlanden mögt zich in een goeden oogst van rijst, djagongen koffij verheugen, eene omstandigheid die voorzeker niet weinig tot de algemeene tevredenheid bijdroeg. Voor 1871 zijn de vooruitzigten der koffijcultuur minder gunstig, terwijl van den nieuwen djagong-aanplant (de eerste was mislukt) nog weinig te zeggen viel. De stand van het rijstgewas was zeer verschillend. Met uitzondering van de pokziekte, die echter geen kwaadaardig karakter had en ook in 1871, tot zoover bekend, aanhield, liet de gezondheidstoestand der bevolking weinig te wenschen over.
In den laatsten tijd deden zich echter ter hoofdplaats menigvuldige gevallen voor van de bekende, maar vroeger op Celebes nooit geheerscht hebbende berri-berri. Op Saleijer vertoonden zich de gewone koortsen. Onder het vee heerschte hier en daar het miltvuur, waardoor een groot aantal karbouwen aangetast werd. De inlandsche hoofden geven, hunne meerendeels geringe ontwikkeling in aanmerking genomen, over het algemeen reden tot tevredenheid. De uitreiking aan eenige regenten van geschenken, ten blijke van 's Gouvernements tevredenheid over hun gehouden gedrag tijdens den opstand van den in vorige verslagen meermalen genoemden kraeng BOXTOBONTO, heeft ook den diens tij ver der overigen geprikkeld. Onder de ingezetenen der gouvernementslanden liet zich welvaart bespeuren, en, ofschoon de zedelijke vorming van het volk nog veel te wenschen overlaat, schijnt zich door de toenemende zucht naar weelde en de daaruit voortvloeijende opvoering van behoeften de neiging tot den arbeid meer en meer te ontwikkelen. Gevallen van zeeroof deden zich voor in de wateren van Boeton en langs de Oostkust van Borneo, in de passage naar Berouw. De politieke verhouding tusschen het Gouvernement en de leenvorstendommen was gunstig; ook die der vorsten onderling. In Boni, welks vorst volgens van den hadat bekomen kennisgeving in Maart jl. kwam te overlijden, en opgevolgd werd door zijne oudste dochter, begint de rijstbouw zich weder te ontwikkelen, maar gaat de koffijcultuur voortdurend achteruit. De vorst van Lamoeroe bestuurt zijn rijk slecht; geheel het tegendeel der vorstin van Tanette. In Pare-Pare was de toestand naar wensch. Hier hield zich in het begin van 1870 de opstandeling BONTO BONTO op, die later van daar naar Wadjo vertrok. In de bondgenootschappelijke landen kwamen de vorsten over het algemeen hunne verpligtingen jegens het Gouvernement in den geest der bestaande contracten vrij wel na. Tegen den vorst van Goa werd in den aanvang van 1871 door eenige onbeduidende personen in de afdeeling Macassar eene zamenspanning gesmeed, die echter intijds verijdeld werd en geene rustverstoring ten gevolge had. In Soppeng werd de verstandhouding tusschen den vorst, de rijksgrooten en de bevolking veel beter na de verwijdering van een heerschzuchtigen gunsteling. De nieuwe vorst van Balangnipa (zie 't vorig verslag bladz. 11) kwam in Augustus 1870 te Macassar, alwaar met hem een nieuw contract gesloten werd, waarbij hij en do hadat zich onder andere verbonden geene suprematie meer te zullen voeren over de zes andere rijkjes van Mandhar, die tot nog toe den vorst van Balangnipa als hoofdvorst erkend hadden, zouder dat dit rijk ooit zijne tusschenkomst in aangelegenheden der andere staatjes verleend had. (1) De nieuwe vorst intusschen heeft tot nog toe slechts gezag in naam ; feitely k berust het bij den maradia KAPÉ, zoon van den in 1850 overleden vorst van Balangnipa, tegen wien en wiens partij de tegenwoordige bestuurders niet opgewassen zijn. Door de zending van een gouvernements-ambtenaar zou evenwel getracht worden de verwikkelingen tot een goed einde te brengen. De vorst van Bima moest aan zijne verpligtingen herinnerd worden ten aanzien van het onderhoud van het fort in zijn rijk. In Dompo overleed de sultan en werd opgevolgd door zijnen zoon. Van de niet bondgenootschappelijke landen valt van Wadjo te vermelden, dat zich daar de meergenoemde BONTO BONTO ophoudt. Zijn verblijf aldaar brengt nogtans de rust in de gouvernementslanden niet in gevaar. Het aan den vorst van Wadjo toegeschreven voornemen om genoemden persoon te noodzaken te Macassar zijne onderwerping te komen aanbieden, was nog niet ki vervulling gekomen. Bij groote uitzondering heerschte in Wadjo ditmaal eene ongestoorde rust.
Menado. De algemeene toestand was voortdurend bevredigend.
(!) Sedert aan de S taten-Generaal medegedeeld, (zie Doot -2 op de vorige bladzijde).
13
• Ook in 1870 mögt de bevolking zich weer in een mimen rijstoogst verheugen, en was er steeds overvloed van levensmiddelen. Bovendien werden groote voordeelen afgeworpen door de notencultuur en zijn de landerijen, waar dit product geteeld wordt, in waarde gestegen. De koffijoogst daarentegen was ongunstig. Voor 1871 waren de vooruitzigten van de eigen cultures der bevolking zeer bevredigend, doch de koffijoogst dreigde andermaal gering te zullen zijn. De gezondheidstoestand was zoowel in 1870 als later naar wensch. In Maart 1870 overleed de door zijne beschaving en Europesche ontwikkeling bekende »majoor" (eerste districtshoofd) van Tonsea, die door zijn zoon vervangen werd. In de min gunstige toestanden der rijkjes langs de noordkust van Celebes en der Sangir- en Talaut-eilanden •Was geene verbetering merkbaar. Op het eiland Roeang (Sangir-eilanden) hadden in Augustus 1870 en Maart 1871 vulkanische uitbarstingen plaats, die groote verwoestingen op dat eiland zelf en laatstelijk °ok op het nahegelegene Tagoelandang hadden aangerigt. Bij de laatste ramp, die tevens met eene zeebeving gepaard Was gegaan , moeten niet minder dan 400 personen het leven hebben verloren. Door een met Zr. Ms. stoomschip Timor derwaarts afgezonden controleur werd plaatselijk den toestand opgenomen en werden voor zooveel noodig levensmiddelen verstrekt. Behalve het intrekken van het garnizoen te Gorontalo en het overlijden van den radja van Bone, hadden in de Crorontalosche landschappen gedurende 1870 geene bijzondere gebeurtenissen plaats. Maar in January 1871 werd de rust verstoord door ernstige oneenigheden tusschen twee Voorname geslachten in het rijk van Limbotto, welke het Vermoorden van een paar inlandsche hoofden en het in brand steken van de woning van een hunner ten gevolge badden. Hoezeer in deze zaak volgens de met Limbotto gesloten contracten de inlandsche politie optreden moest, *as de radja van Gorontalo niet bij magte de misdadigers, die zich inmiddels eenigen aanhang verworven hadden, te bedwingen. Daar zij ook, naar het gerucht wilde, naar de hoofdplaats Gorontalo zouden opkomen en deze in brand steken , trok de resident met 75 mobiel verklaarde Manschappen der Menadosche schutterij en een detachement Van Zr. Ms. stoomschip Timor naar Gorontalo, en slaagde sr in de schuldigen te doen overreden zich vrijwillig te onderwerpen. Sedert waren geene verdere ongeregeldheden voorgevallen.
Amboina. De in 1870 in werking gekomen milde bepalingen omtrent de heerendiensten en liet passen-stelsel (zie het vorig verslag bladz. 51 en 39) werkten niet terstond zoo gunstig op de ontwikkeling der volkswelvaart als had Mogen verwacht worden. De rust bleef ongestoord, behalve op de zuidkust van het eiland Boeroe, alwaar in January en February 1871 ongeregeldheden plaats hadden, door zwervend volk uit de pnderhoorigheden van den sultan van Ternate, bestaande lu het afloopen van een handelsvaartuig benevens roof en Plundering van strandbewoners. Met behulp der marine Mögt het gelukken de misdadigers in handen te krijgen en Wenige der door hen geroofde menschen te bevrijden. De gezondheidstoestand was, ook in de eerste vijf maanden Van 1871, in 'talgemeen gunstig. De sagocultuur, welks product op de Ambonsche eilanden onder de voedingsmiddelen eene eerste plaats inneemt, yordt door de bevolking met zorg gedreven. Daarentegen l s de kruidnagelcultuur sedert de opheffing van het monopolie zeer verwaarloosd geworden. Ook de cacaocultuur Verkeert in kwijnenden staat. In de ontwikkeling der ambachtsnijverheid ter hoofdplaats v^erd eenige vooruitgang opgemerkt door de mededinging die er bestond bij uitbesteding van werken en leveringen ten behoeve van 's lands dienst. Op de Banda-eilanden zijn, op een paar na, alle perkcniers toegetreden tot de voorwaardelijke opheffing en afschaffing van het specerij-monopolie, hoewel, door het Met bij tijds in orde zijn der stukken, slechts weinige der daartoe strekkende overeenkomsten konden gesloten worden, ße oogst was over het algemeen niet gunstig, schoon door de hooge prijzen der specerijen de perkeniers, die vrije
N°. 8. 2.
beschikking over hun product hadden , goede zaken maakten. De hoop op eene betere productie in 1871 was aanmerkelijk verminderd sedert de gure weersgesteldheid in April jl. aan de rijpende vruchten veel schade had toegebragt. Op de oostkust van Ceram en de Aroë-eilandon heerschte rust en werd de handel gezegd aanmerkelijk toe te nemen. Ook op de Zuidwester-eilanden was de toestand bevredigend.
Ternate. Onder de inlandsche bevolking der rijken van Ternate, Tidore en Batjan heerschte overal tevredenheid, terwijl de vorsten het Gouvernement welgezind en onderdanig zijn. Een zonder behoorlijke papieren van elders aangekomen Arabier, die op Batjan eene beweging op Mohammedaansch godsdienstig gebied trachtte uit te lokken en reeds eenigen invloed op den vorst begon te krijgen, werd in den aanvang van 1871 op last van het bestuur naar de hoofdplaats Ternate overgebragt, en vervolgens naar Macassar opgezonden , om van daar zijne reis naar buiten Nederlandsch Indie voort te zetten. De voorraad rijst van den inlandschen landbouw afkomstig, werd in 1870 door invoer voldoende aangevuld; de prijzen bleven op gelijke hoogte als vroeger. De voordeelige weersgesteldheid in l de eerste maanden van 1871 beloofde voor dit jaar een ruimen voorraad van voedingsmiddelen. De gezondheidstoestand was zoowel in 1870 als lateizeer bevredigend. Van zeeroof werd nu en dan van Batjan het een en ander vernomen. Behalve dit eiland zijn onderscheidene geïsoleerde punten het doel der zwerftogten van Galelarezen en Tabellorezen, onder anderen Loeok op de kust van Celebes en Legitoebi op het eiland Taliaboo. Gemeenlijk worden van daar uit de rooftogten naar andere deelen van den Bangaai-archipel ondernomen. Met den sultan van Ternate werd dan ook overeengekomen dat hij die kampongs zou doen bewaken. Ook bij den sultan van Tidore werd aangedrongen op de uitzending van gewapende vaartuigen, hetgeen plaats had. Over kruistogten der marine zie men hoofdstuk E , § 5. In het sluiten van een nieuw tractaat (1) met laatstgenoemden sultan mögt men niet slagen, daar do vorst bezwaren had tegen de voorgestelde bepalingen nopens de slavernij. In Junij 1870 werd door den resident, vergezeld onder anderen van den broeder des sultans van Tidore, Nieuw Guinea bezocht en wel meer bepaald die plaatsen aan de Groote Geelvinksbaai, waar zendelingen zijn gevestigd, als: Doreh (het noordwestelijkste punt der baai), het daar • tegenover liggend eiland Mansinan met een goed onderhouden kerkje (tijdelijk van een zendeling ontbloot wegens verleend verlof naar Europa), Anday (vier uren van Doreh op den vasten wal gelegen), het eiland Meoswar en eindelijk het dieper in de baai gelegen eiland Rhön (bij ontstentenis van personeel sedert eenigen tijd als zendingspost verlaten). De zendelingen, destijds vier in getal, arbeidden veilig, maar met niet veel vrucht (vergelijk hoofdstuk K , afdeeling I I I , § 1). De stammen die de zendelingen eenigermate aan zich hadden weten te verbinden, hadden nu en dan overlast van de onder hunne naburen, inzonderheid onder de Wandammers en Wandessiers, heerschende neiging tot menschenroof, welke het Tidoreesch bestuur niet bij magte was tegen te gaan. Een bezoek op het nabij gelegen eiland Salawatti werd door den resident benuttigd ter afdoening met de hoofden van eenige dien3taangelegenheden, terwijl hij op zijn terugkeer ook Batjan aandeed. Van de reizen op last van het Gouvernement met een wetenschappelijk doel op Nieuw Guinea ondernomen en in Junij 1870 volbragt, wordt melding gemaakt in hoofdstuk Bfc, afdeeling I I , § 3. Zeer onlangs (Junij jl.) zijn de noodige regelingen getroffen tot het doen plaats hebben eener zending naar Nieuw Guinea, die meer bepaaldelijk moet ten doel hebben bekendheid te verkrijgen van den toestand en de hulpbronnen van dit uitgestrekte eiland en onderzoek te doen naar — en
(1) Zie ook het aangeteekende in hoofdstuk J , afd. I I , nopens eene door het Gouvernement gewenschte afschaffing van een contractueel "beding betreffende de verpligte diensten en leveringen der sultansonderdanen.
4
14
vrouw. Van zeevaart weten de Arfakkers niets; zij bee zitten ook geen vaartuigen. d Op nog lager standpunt van maatschappelijke en verstandelijke ontwikkeling staan de Hattammers. Daar zij ir nimmer in aanraking komen met handelaars en alzoo zeer ^ weinig behoeften hebben leeren kennen , is hun toestand k armoedig te noemen. Patatas en pisang strekken tot h hoofdvoedsel en zijn met de tabaksplant de eenige gewassen , o> welke aangekweekt worden. Laatstgenoemde plant groeit hier g weelderig en levert een vrij goed product op, dat het voorg' naamste artikel uitmaakt van ruilhandel met de omwoners. e: v Timor en onderhoorigheden. De algemeene toestand deibevolking was goed, de prijs der voedingsmiddelen door v ruimen aanvoer laag. Waar zulks niet het geval is, zoekt b de bevolking eene uitkomst door verhuizing. tt Opmerking verdient, dat de kolonisten zich sterk aan U het Nederlandsen gezag hechten. In 't algemeen trouwens wordt 's Gouvernements gezag door de bevolking meer en N meer gewaardeerd , terwijl ook de radja's er ligter toe b overgaan de tusschenkomst des bestuurs in te roepen ter di beslechting hunner onderlinge geschillen. d Onder anderen werd op aanzoek der betrokken partijen fe door den resident eene commissie benoemd , bestaande uit den secretaris der residentie en een tweetal andere ambtenaren , aan welke opgedragen werd pogingen aan te wenden bi om de met elkander in oorlog zijnde zelfstandige vorsten st in het gebergte van Timor onderling te bevredigen. Hare bemoeijingen werden met bevredigenden uitslag bekroond, h. Hetzelfde was het geval met eene dergelijke commissie hi later naar Rotti afgevaardigd. Voor het overige blijven de radja's zich nog maar alte ^v veel schuldig maken aan knevelarij. Op laatstgenoemd si eiland werden een tweetal radja's wegens wangedrag uit hun bestuur ontzet. Vi Bij meer dan ééne gelegenheid werd in de streken aan Vi de Solorstraat in den loop van 1870 door oorlogsschepen de vlag vertoond, hetgeen op de betrokken radja's een gun- d< stigen indruk maakte. Door verscheidene hunner werd een bezoek aan boord der schepen gebragt. Op een dier 01 togten werden door den resident de eilanden Savoe, Soemba en Flores bezocht. Op »Savoe werd de bevolking nog zeer h verslagen gevonden onder den indruk der buitengemeen 'n groote sterfte, door de toen nagenoeg geweken pokken- be epidemie veroorzaakt. Als een bewijs van de toeneming van onzen invloed op en het doordringen onzer begrippen d< tot hoofden en bevolking op Savoe, wordt gewezen op het feit, dat, terwijl vroeger het afmaken van zoogenaamde swangi's (toovenaars of booze geesten) als een verdienstelijk werk beschouwd werd, onlangs door den radja van Seba 5 personen aan het Europeeseh bestuur werden uitgeleverd, | omdat zij zulk een swangi gedood hadden. Het klejne rijkje van Menia op Savoe vroeg om bij het grootere Jjeba ingelijfd te worden , hetgeen plaats vond. De ^ resident noemt dit een stap op den goeden weg, daar het ' onderhoud van die radja's evenveel kost of zij een groot of klein gebied hebben, en dus de bevolking meer gebaat . wordt naar mate er minder zijn. Dl
De radja's van Soemba deden aanzoek om meer Euro^ pesche ambtenaren in hun gebied te mogen hebben. (1) De kolonisatie van Savoenezen op Soemba breidde zich Pf
steeds uit, zoodat het zielental dier nederzettingen reeds 6t
tot 2000 geklommen was; onder hen worden een tweetal e t
hoofden aangesteld. Sc
Op de Solor-eilanden blijft het met het zelfbestuur nog ?c treurig gesteld. ^(
Evenzoo op Flores, waar de (christen-) radja van Laran^ toeka alleen door het tijdelijk aanwezen van den resident , weerhouden werd eene allerbarbaarschte doodstraf toe te J passen op twee personen, beschuldigd van verboden minnei( handel. v« Op de Zuidkust van Flores gaat het evenmin naar wensch. *' Daar bleven de onderlinge veeten tusschen de kolo^ nisten steeds voortduren, hetgeen vaak aanleiding gaf tot J* rooftogten van de zijde der woeste bergbewoners , die soms door eene der twistende partijen als huurlingen ten strijde gebezigd werden tegen hunne eigene landgenooten. Ten
zoo noodig te bevestigen — de feitelijke betrekkingen die tusschen de hoofden aldaar en den sultan van Tidore bestaan. Zoodanige zending is opgedragen aan een hoofdambtenaar op non-activiteit, laatstelijk resident van Amboina, die zich daarbij zal doen vergezellen door een of meer Tidoresche hofgrooten. Echter zal de missie zich niet bepalen tot dat deel van Nieuw Guinea dat tot het gebied van Tidore behoort, maar zich moeten uitstrekken over het geheele eiland en — voor zoover zulks bij het onderzoek noodig zal blijken — tot die eilanden, welke geacht kunnen worden tot Nieuw Guinea te behooren, onder andere »Salawatti, Batanta enz. Volgens het vastgestelde plan zal op plaatsen, die om hare natuurlijke gesteldheid, talrijke bevolking of om andere redenen meer belangrijk toeschijnen, indien liet veilig is te doen, het binnenland worden ingegaan , om de terreinsgesteldheid, zoomede de volkstoestanden op te nemen. In het belang der botanie zal de gewezen hortulanus van 's lands plantentuin den togt mede maken. Tot het doen der reis is het gouvernementsstoomschip Dassoon gesteld ter beschikking van den gouvernements-commissaris. Aan hetgeen door de Indische Regering gemeld is nopens bare tegenwoordige bekendheid met de gesteldheid van land en volk van Nieuw Guinea, valt het volgende te ontleenen. Van den Nieuw Guineaseben bodem zijn uitsluitend de kusten — en dan nog slechts oppervlakkig — bekend. De westelijke helft van het eiland (het gedeelte dat met de daar omheen gelegen kleinere eilanden eene onderhoorigheid uitmaakt van het rijk van Tidore) is zeer bergachtig en heeft bijna overal hooge en steile kusten. Alleen in het zuidwesten is een uitgebreid moerasland, waar de bergen van het binnenland ver in het verschiet worden gezien. Ook aan de monding van den Karoefa-stroom en langs een klein gedeelte van het noorderstrand (van 138° tot 139° 0.1.) zijn lage moerassige terreinen. Waar het terrein zich meer verheft, is de bodem veelal met zware bosschen bedekt, die — voor zoover dit van de kust zigtbaar is — zelfs op de hoogste kruinen der bergtoppen worden aangetroffen. Vele nuttige houtsoorten komen daarin voor, als: onder vele palmsoorten de sagoboom, vijgsoorten, kanari- en ijzerhoutboomen, en vooral de massooi-boom, wiens bast, nevens wilde muscaatnoten en tabak, de belangrijkste handelsartikelen op NieuwGuinea uitmaken. Het land is bewoond door eene vrij talrijke, onbeschaafde en meerendeels nomadische bevolking: negrito's of Papoea's. Er bestaat nog al eenig verschil tusschen de bewoners van het binnenland en die der kusten. De eersten zijn het meest onbeschaafd en bestaan uit stammen van woesten , strijdbaren aard , die een volstrekt nomadisch leven leiden en schier voortdurend onderling oorlog voeren. De kustbewoners, ofschoon verdacht van aan zeeroof niet onschuldig te zijn , vertoonen zich over het algemeen meer vreedzaam en meer tot blijvende vestiging geneigd. Iu den regel hebben de bewoners van Papoea geen eigen hoofden. Verschil van stand schijnt bij hen niet bekend te zijn. Er zijn evenmin algemeene opperhoofden als aanvoerders der afzonderlijke stammen, zelfs niet in den oorlog. Alleen hebben de oudsten der verschillende, soms vrij talrijke familien eene soort van patriarchaal gezag. De door den sultan van Tidore aangestelde radja's enz. worden niet als hoofden der bevolking beschouwd. Het zijn slechts Tidoresche agenten voor de inning der schatting , en zoo het schijnt vertoonen zij zich eerst in hunne functie als een oorlogsschip op de kust verschijnt. De plaatselijke kennis van Nieuw Guinea verkregen door de reizen van een wetenschappelijk ambtenaar (zie hooger) bepaalt zich voornamelijk tot de eilanden in de Geelvinksbaai, en wat de vaste kust aangaat, tot de landschappen Arfak, dat de noorder- en Hattam dat de zuider- en zuidwester-helling van het Arfaksgebergte beslaat. In eerstgenoemd landschap was voornamelijk het district Anday het terrein waar bedoelde ambtenaar zich bewoog. De Arfakkers in 't algemeen en de bewoners van Anday in 't bijzonder leggen zich uitsluitend toe op landbouw en jagt ; eerstgenoemd bedrijf staat echter op zeer oorspronkelijkentrap. De gewassen welke men aankweekt zijn maïs, katjang, gierst, boontjes, watermeloen, patatas, suikerriet , pisang an tabak. Al het huisselijk werk, zoomede een ruim aandeel inden veldarbeid, komt ten laste van de (I) Zie over de toevoeging- van een ambtenaar aan een der controleur» op Soemba, hoofdstuk J. afd. I, § 1.
15
einde bedoelde kolonisten onder toezigt en bedwang te houden , zou een radja over hen worden aangesteld. In verband met de intrekking der militaire bezettingen m de residentie Timor (zie het vorig verslag bladz. 14), ^aardoor ook de militaire post te Larantoeka (Flores) kwam te vervallen, was door de Regering bepaald, dat laatstgemelde plaats, zijnde een dor en onvruchtbaar oord, °ok niet langer zou dienen als standplaats van het civiel gezag. De gezaghebber der Solor-eilanden zal dien ten gevolge voortaan verblijf houden op het eiland Andonara en zulks voornamelijk wegens het aanwezen op dat eiland Van verschillende voor ontwikkeling vatbare elementen. De pokken-epidemie eischte gedurende een groot gedeelte van 1870 over de geheele residentie vele offers, doch was °ij het einde des jaars zoo goed als geweken. In de eerste baanden van 1871 liet de gezondheidstoestand weinig meer te wenschen over. De keizer en de fettors van Sonnebait verschenen in November 1870 ter hoofdplaats om in hunne waardigheid Bevestigd te worden. Tijdens hun aanwezen aldaar werd door een tweetal Europeanen, in tegenwoordigheid van den resident, eene overeenkomst met hen aangegaan betreffende de ontginning van goudmijnen in genoemd landschap.
Bali en Lombok. De hier te vermelden bijzonderheden betreffen alleen de op Bali onder gouvernements-bestuur staande afdeelingen Boeleleng en Djembrana. De rust werd in geen dier afdeelingen gestoord, terwijl hoofden e n bevolking steeds bewijzen gaven van tevredenheid met de bestaande orde van zaken. Tot de mildere bepalingen omtrent de gijzeling wegens aanbetaling in 1867 in Boeleleng aangenomen (zie het verlag van 1869 bladz. 16), trad in April jl. ook Djembrana toe. In het district Bandjar (Boeleleng) ging de bevolking T0ort met den opbouw en de herstelling der bij den opstand van 1868 verwoeste of beschadigde woningen. De staatkundige verhouding der beide landschappen tot de overige rijken van Bali bleef vriendschappelijk. De gezondheidstoestand te Boeleleng liet te wenschen °Ter, doch die te Djembrana was bevredigend. Eene nieuwe waterleiding door de bevolking in Djemprana gemaakt, had tot de uitbreiding van den landbouw l n die afdeeling veel bijgedragen. De prijzen der levensbehoeften waren billijk. Het handelsverkeer had weinig of niet geleden door den gedrukten toestand des handels op Java.
JU. L a n d m a g t .
§ 1. Kommandement.
Het bevel over het leger en het beheer over het departement van oorlog bleven door den luitenant-generaal **• E. KROESEN gevoerd. In de maanden Junij, Julij, November en December *°70 hield de legerkommandant eene inspectie over de garnizoenen, militaire inrigtingen en werken in de lste en 2de elitaire afdeeling op Java. Naar zijn bevinden heerschte zoowel onder de EuroPesche als onder de inlandsche militairen een goede geest 11 in het algemeen tevredenheid over hunne verzorging 611 behandeling. (Jok de verhouding tusschen de Europe'Che en inlandsche landaarden was goed en kameraad*cnappelijk. Tusschen de inlandsche militairen en de in"eemsche bevolking werd geen bijzondere gemeenzaamheid ^aar integendeel eene vrij scherpe afscheiding aangetroffen. Als maatregel van decentralisatie verdient vermelding j ' 6 bij Indisch besluit van 16 Mei jl., n°. 41, op den ioöimandant van het leger en chef van het departement aö oorlog verleende magtiging, om de hem bij Indisch Staatsblad 1855, n°. 15, toegekende bevoegdheid tot het erleenen en weigeren van kortingen voor schulden, over 6 dragen op de verschillende gewestelijke militaire korn^ndanten.
3 2. Zamenstelling, aanvulling, ziekte- en sterftecijfers.
Samenstelling. Blijkens het vorig verslag bestond onder ''mo December 1869 een incompleet van 39 officieren en
een overcompleet van 382 onderofficieren en manschappen, dit laatste het gevolg van een overcompleet van 616 Europeanen en een incompleet van 100 Afrikanen en 134 inlanders. Bij het eind van 1870 was, hoofdzakelijk ten gevolge van het in werking treden der in 't vorig verslag reeds besproken nieuwe formatie der genie, mineurs en sapeurs (voortaan eenvoudig te noemen »wapen der genie"), en der militaire administratie, het aantal vacante officiersplaatsen gestegen tot 69 en daarentegen het overcompleet aan Europesche onderofficieren en manschappen, in verband met geringere verliezen, inzonderheid door mindere sterfte, aangegroeid tot 695 man. Voorts was het incompleet aan Afrikanen en inlanders voor de eersten verminderd tot 24 man, terwijl het voor do laatsten, als gevolg eener vermindering in de formatie der inlanders, was veranderd in een overcompleet van 4 man. In 't geheel wees alzoo de aanwezige sterkte onder ultimo 1870 een incompleet aan van 69 officieren en een overcompleet van 675 onderofficieren en manschappen. De gebruikelijke aantooning omtrent de formatie en de sterkte der verschillende wapens en diensten, zoo aan Europeanen als aan inlanders en Afrikanen, wordt aangetroffen in bijl. B. Er blijkt tevens uit, dat en waardoor de formatie bij het eind van 1870, in vergelijking met die van ultimo 1869, eene vermeerdering aanwijst van 45 officieren, doch eene vermindering van 346 onderofficieren en manschappen. (1) Bij al het voora'fgegane is sprake van de feitelijke formatie , dat is die der bestaande corpsen , enz. De organieke formatie, waarin onder andere begrepen de niet-opgerigte corpsen pradjoerits, wees onder ultimo 1870 een cijfer aan van 1426 officieren en 28 327 onderofficieren en manschappen, waaronder respectivelijk 195 en 16 792 inlanders. De wensehelijkheid, ook in het belang der militaire waarde van het leger, eener intrekking van kleine militaire posten, inzonderheid in de buitenbezittingen , of eener meerdere concentratie der troepenmagt aldaar , wordt niet uit het oog verloren. (2) De mogelijkheid om een en ander tevens te doen strekken in mindering der vastgestelde logerformatie moet , krachtens eene beslissing van het Opperbestuur van November jl., in elk bijzonder geval tot een punt van onderzoek worden gemaakt. Op een drietal plaatsen, waar sedert korteren of längeren tijd, om bijzondere redenen, tijdelijke bezettingen aanwezig waren (ter hoofdplaats Tagal, te Tandjong-Balei in Assahan en te Tandjong in de Lampongsche districten) zijn de betrokken detachementen ingerukt en naar hunne corpsen teruggekeerd. Door de te Willem I en te Banjoebiroe volbragte herstellingen aan de gebouwen, die door de aardbeving van 1865 beschadigd en ongeschikt voor logies waren, en de stichting van eenige nieuwe gebouwen is het mogelijk geworden om de veldbataillons in de 2de militaire afdeeling op Java beter en doelmatiger te legeren, waardoor ook gelegenheid ontstond eene Europesche en inlandsche compagnie infanterie , die wegens gemis aan logies tijdelijk ontbonden waren, weder zamen te stellen. Als een uitvloeisel hiervan werd het nog tijdelijk bezette Boijolali weder ontruimd. De verschillende troepenbewegingen waren op 1 February jl. afgeloopen.
Aanvulling en verliezm. Gedurende het jaar 1870 werden bij het Indische leger in de sterkte gebragt als zijnde in Nederland benoemd 33 officieren (waarvan 13 van de infanterie), terwijl in Indie 51 onderofficieren tot officier werden bevorderd, waarvan 42 van de onderofficiersschool te Meester-Cornelis en 2 van de artillerieschool te Weltevreden, Overplaatsingen van het Nederlandsche bij het Indische leger of omgekeerd bepaalden zich tot zeer enkele bijzondere gevallen. Detacheringen over en weder vonden niet plaats in afwachting eener ophanden zijnde nadere regeling
(}) De standplaatsen der troepen worden opgegeven in den Regeringsalmanak van .Nederlandsen Indie voor 1871, bladz. 478—481.
(2) Onlangs zijn voorstellen ontvangen betreifende eene in dien zin ontworpen nieuwe troepenindeeling in Palembang en Benkoelen, tevens beoogende eene yereeniging van het militair gezag in beide gewesten. Die voorstellen zijn in behandeling.
16
dezer aangelegenheid. (1) Slechts werd 1 officier van gezondheid der 3de klasse van het leger hier te lande voor den tijd van vijf jaren naar Indie gedetacheerd. Overigens werden eenige in Jnlij 1870 voor de Indische dienst benoemde 2de luitenants der infanterie, voor zoo lang zij in afwachting van hun vertrek als medegeleiders van detachementen suppletie-troepen hier te lande zouden verblijven, tot hunne verdere oefening tijdelijk bij het leper hielte lande ingedeeld, een maatregel die ook op de in 1871 benoemden zal worden toegepast. Met de gebruikelijke éénjarige detachering bij de met hun wapen in verband staande militaire inrigtingen, enz. hier te lande van sommige voor de Indische dienst benoemde 2de luitenants der artillerie werd voortgegaan. Een officier der infanterie met verlof, werd overeenkomstig zijn verzoek gedurende eenigen tijd in de gelegenheid gesteld om werkzaam te zijn bij het topographisch bureau hier te lande, in het belang zijner verdere bekwaming voor eene door hem gewenschte plaatsing bij de topographische dienst in Indie. Tot het erlangen van de vereischte bekwaamheid om zoo noodig als adjunct bij laatstbedoelde dienst te kunnen optreden, is de belanghebbende sedert nog vijf maanden bij het genoemde bureau gedetacheerd geweest. Ten gevolge ven het aanzienlijk incompleet aan officieren bij het wapen der genie, in verband met de in 't vorig verslag bedoelde reorganisatie van dat corps, zijn 14 luitenants der infanterie tijdelijk bij die dienst gedetacheerd, Ten einde een goeden leiddraad te erlangen voor de dienst van het te vormen corps mineurs on voor de regeling der praktische oefeningen is, op voorstel van den legerkommandant, een hier te lande met verlof aanwezige majoor der Indische genie, gedurende den tijd van drie maanden gedetacheerd geweest bij het bataillon mineurs en sapeurs te Nijmegen, door wien ter zake de vereischte gegevens zijn verzameld. Van het door hem uitgebragt rapport is in Februari] jl. aan den Gouverneur-Generaal mededeeling gedaan. Sedert is bedoelde hoofdofficier in de gelegenheid gesteld om door bijwoning der praktische oefeningen van het corps gedurende het loopende zomersaizoen zich ook op de hoogte te stellen van de wijze waarop de voor het corps bestaande voorschriften worden in toepassing gebragt, enz. Ten einde het corps mineurs in Indie te spoediger aan zijne bestemming te doen beantwoorden- is besloten om de voor de Indische dienst aan te stellen 2de luitenants der genie, herkomstig van de Koninklijke Militaire Akademie, in den vervolge mede gedurende zekeren tijd de bovenbedoelde praktische oefeningen te doen bijwonen.
Het voorstel tot het in 't leven roepen eener speciale opleiding voor de intendance (zie het vorig verslag blz. 14) is, in verband met de niet voldoend geslaagde^ pogingen om in Indie zelf wetenschappelijk gevormde (infanterie)
(1) De bewuste regeling heeft plaats gehad hij Koninklijk besluit van 18 Augustus jl., n°. 10. Dien ten gevolge zullen jaarlijks hoogstens een achttal, daartoe genegen subalterne officieren (jonge kapiteins en luitenants van 6 à 1 jaren dienst in hunnen rang) van het leger hier te lande bij het Indische leger, en omgekeerd van dit leger bij het eerstbedoelde worden gedetacheerd. Het getal en de rang der jaarlijks te detacheren (bij voorkeur ongehuwde) officieren zal, voor ieder wapen afzonderlijk, bij beide legers gelijk zijn, doch in geen geval bij ieder van de beide legers jaarlijks meer bedragen dan 6 infanterie- en 2 artillerie-officieren. De duur der detachering is op vijfjaren bepaald, de heen- en terugreis daaronder begrepen. Behalve vrije overtogt is aan de detachering verbonden eene gratificatie voor eerste uitrusting ten bedrage van f 600 en genot van Indisch activiteits-tractement gedurende de heen- en terugreis. Gelijk tractement zullen genieten de officieren van het leger hier te lande gedurende hun verblijf in Indie; terwijl de Indische officieren gedurende hunne detachering zullen ontvangen het .tractement dat bij hun wapen hier te lande genoten wordt door officieren van hunnen rang van gelijke ancienneteit als zij of onmiddellijk boven hen rangschikkende, benevens eene maandelijksche toelage , voor een kapitein naar reden van f 600 'sjaars, en voor een luitenant naar reden van f 400 'sjaars. Verder behelst het besluit de noodige bepalingen omtrent berekening van diensttijd, bevordering, e'nz. In 't algemeen is gezorgd dat aan de vooruitzigten op bevordering der officieren van de beide legers, zoo min als aan die der naar den officiersrang dingende onderofficieren door den maatregel nadeel worde toegebragt.
officieren bij dat dienstvak te doen overgaan, door de Indische Regering gehandhaafd geworden. Dien ten gevolge zullen voortaan jaarlijks een viertal der aan de Koninklijke Militaire Akademie voor het wapen der infanterie in OostIndie opgeleide 2de luitenants, genegen om bij de intendance geplaatst te worden, te hunner bekwaming voor die bestemming een eenjarigen cursus aan de applicatieschool doorloopen In het door de nieuwe organisatie gevorderd grooter officiers-personeel bij de militaire administratie wordt intu3schen in Indie zooveel mogelijk voorzien door overplaatsing van officieren der infanterie. Ten einde de voor Indie te benoemen officieren van gezondheid, buiten hen die voor die bestemming hier te lande zijn opgeleid, zooveel mogelijk te doen bestaan uit personen die, even als deze, volgens de wet van 1 Junij 1865 [Nederlandsen Staatsblad n°. 59) de bevoegdheid bezitten tot uitoefening van de geneeskunst in haren geheelen omvang, is in Maart jl. de gebruikelijke gratificatie voor uitrusting, ten bedrage van f 1500, voor de zoodanigen verhoogd tot f 3000. Intusschen levert de aanvulling en voltallighouding van het corps — waartoe wegens het ontoereikend aantal kweekelingen, de toevlugt moet worden genomen tot burger geneesheeren — reeds bij aflegging van het examen op den tot dus ver gebruikelijken voet, groot bezwaar op, bij gemis aan personeel, genegen om zich op de bestaande voorwaarden aan de Indische militaire geneeskundige dienst te verbinden. Maatregelen zijn daarom beraamd, om te trachten op duurzame wijs in de behoefte te voorzien, in de eerste plaats door het niet meer aanstellen van officieren van gezondheid der 3de klasse en het dadelijk tot officier van gezondheid der 2de klasse benoemen zoowel van militaire geneeskundige studenten , na volbragte opleiding te Amsterdam, als van civile personen die het radicaal van arts bezitten, en in de tweede plaats door het niet meer vorderen van het examen tot hiertoe vereischt voor bevordering tot officier van gezondheid lste klasse, maar het enkel behouden in Indie van een praktisch genees- en heelkundig examen. Verder is tot verbetering van het vooruitzigt op bevordering de formatie der lste klasse met 12 officieren vermeerderd, tegen gelijke vermindering van het aantal dei' 2de klasse. En eindelijk bepaalt het betrekkelijk Koninklijk besluit van 1 Julij 1871, n°. 13 (Staatscourant van den 7den daaraanvolgende), dat de tegenwoordige officieren van gezondheid der 3de klasse onmiddellijk tot de 2de klasse worden bevorderd, wanneer zij voldoen aan het examen voor dien rang, terwijl vreemdelingen, die voor eene benoeming wenschen in aanmerking te komen, moeten overleggen een bewijs dat zij in hun vaderland aan het Staatsexamen hebben voldaan en bovendien afleggen het examen tot hiertoe gevorderd voor den rang van officier van gezondheid der 2de klasse. Ditzelfde examen zal voortaan ook gevorderd worden van geneeskundigen die het radicaal van arts niet bezitten voor zoo lang met dezer benoeming in 't belang der voltalligheid van het militair geneeskundig personeel nog zal moeten worden voortgegaan. Bij wijze van tijdelijke voorziening werd op twee plaatsen (Magelang en Kediri) de waarneming der militaire geneeskundige dienst in den loop van 1870 aan civile geneesheeren opgedragen. Aan de voorgenomen opleiding van kweekelingen, voof rekening van het Departement van Kolonien, bestemd voor paardenarts bij het leger in Indie (zie het vorig verslag blz. 141, zoomede Indisch Staatsblad 1871 n". 9) is in 't laatst van 1870 door de plaatsing van twee jongelingen aan 's Rijks veeartsenijschool te Utrecht een begin van uitvoering gegeven. Het voorschrift nopens de admissie voor die bestemming werd vastgesteld bij ministeriele resolutie van 14 October 1870.
Met betrekking tot de aanvulling van onderofficieren en manschappen kan de navolgende statistiek worde» medegedeeld.
17
fc
1866 . .
1867 . .
1868 . .
1869 . .
1870 . .
Suppletie uit Nederland of van de Kust van Guinea.
Europeanen.
3 3
!ZÎ.|
1166
1397
1651
1347
792
à s
(a) 165
282
505
C27
514
à a
<
»
»
»
50
(c)89
a a) s
œ H
1331
1679
2156
2024
1395
p © p a <& a , o u s
97
95
132
131
146
a © s
03
31
1
1
11
3
»
Werv
c N © .S 'S a <
V) 37 (4)
27
(5)
24 (2)
55
(5)
42
(1)
ing in Indie.
© P ç3
33
(b) 983 (51)
715 (41)
1774 (120)
1712 (58)
(d)807 (41)
d © ©
a
(b) 39 (2)
25 (4)
55
(8)
65 (4)
21
(2)
à © © a 'Só o o sq
{b) 38
(4)
20
(6)
92 (2)
111
90 (2)
à s N O
1195
883
2088
2077
1106
Terug- van adjudant-onderofficier j dienstdoend 2de luitenant. (Europeanen )
2
i
4
1
»
Terug van detentie, van »voor memorie", overgegaan van de lijfwachten dragonders, enz.
à ©
© p 3
57
41
21
31
38
à © P ."3
»
i
»
«
»
à © en c
o o
M
80
68
76
79
83
S g
©
137
110
97
110
121
TOTAAL.
2665
2673
4345
4212
2622
(a) Percontsgewijze berekend, telde men onder de uit Europa aar gebragte suppletietroepen achtereenvolgens 12,4, 16,8, 23,4, 31,7 en 39,3 percent vreemdelingen.
(i) De in deze rubrieken tusschen () geplaatste cijfers wijzen het aantal aan van hen, die reeds vroeger gediend hadden; dit aantal is begrepen onder het daarboven opgegeven cijfer.
(c) In Julij 1871 waren 32 Afrikaansehe negerrecruten ter Kuste van Guinea beschikbaar.
(d) Op Java en Madura alleen leverde de inlandsche werving 742 man op, van welke werden aangenomen in Soerakarta 159, Djokjokarta 160, Samarang 94 en Kediri 100, in de overige gewesten te zamen 229.
Het aantal reëngagementen kan blijken uit den volgenden staat:
JAREN.
1866. . . .
1867. . . .
1868. . . .
1869. . . .
1870. . . .
EUROPEANEN.
t> CD O
-*-s
351
245
• 217
217
(a)216
p ?
> M
CL>
53
76
61
66
(b) 63
p * 2
^ t/3 O»
674
568
530
482
651
AFRIKANEN.
à
r ©
H-»
1
1
»
n
»
? o 3
i
1
2
n
»
n
° C3
~ re O
8
3
2
1
18
INLANDERS.
e ©
338
454
357
314
266
p © o S r* f
250
339
160
141
120
p' t. © ° '3 £7
737
1012
1129
1120
951
TOTALEN.
P ©
3 w.
1078
889
808
765
930
p © ci -M P« -«!
10
5
4
1
18
m
T3 a e3
M
1325
1805
1646
1575
1337
Aanmerkingen.
a. Waarvan 47 zonder handgeld.
b. Waarvan 2 zonder handgeld.
É
N°. 8. 2.
18
Het verlies aan troepen was als volgt : va vo ge aa Ja ge
(O) Bc on
18G6.
1 3 6 7 .
1 8 6 8 .
1 8 6 9 .

1 8 7 0 .
GESNEU
d
w

t £ <
r3
M
niet afzonder
ven maar begrepen onder de rubriek »overleden. "
» n n
(al 16 n 1
17
1 4; »
4
»
OVERLEDEN.
fi
w M
608 17 1
1—1
340
965
i 528 22 259
809
826 15 454
1295 [b)
540 21 487
1048 (b)
358
C
5 321
84 (l )
GEPASPORTEEUD.
d
fi H
691
43 "^
3
IH
496
1190
420 4 476
900
432 4 331
767
304 6 292
602
468 2
799
329
GEGAGEERD.
^
u 3 H
363
•4
14
73
1—1
377
754
304 6 377
687
221 3 337
661
302 2 279
583
254 4
552
294
Tot
officier benoemd.
d
u 3 W
33
?!
•"Ö
h-1
»
33
29 Î)
29
25 ))
25
55 »
55
51
5
»
1
GEY0NNI9D.
d a
p . 0
3 W
22
S œ
• g ; -a
•'l 1 1-1
1 57
80
64 I 3 84
151
40 'Ï 70
110
27 » 59
86
29 2
96
65
Voor
memorie gebragt.
à a 03
0 .
W
43
<U fi M
)J
43
39 3
42
20 »
20
23 ))
23
23 2
25
Gedeserteerd of ap eenige andere wijze afgevoerd.
£
f-i W
48
M t £ <
1
CD H3
M
261
510
70 1 270
347
34 1 445
480
27 » 486
513
55 n
464
409
TOTAAL.
d
u 3 H
1808
d M
s
36
h-i
1531
3375
1454 36 1475
99KFi
1698 23 16371
3358
1294 29 1604
2927
1242 13
2675
1420
ist
18(
ISC
S8Ç m
186
186
186
(a) Ongerekend 2 gesneuvelde officieren. °6
(b) Tot verklaring van liet verschil dezer cijfers met de sterfte-opgaven volgens do staten der geneeskundige dienst "7 (over 1870, Bijlagen C en D hierachter) zij opgemerkt, dat in deze laatste alleen wordt opgenomen het getal overledenen onder de geneeskundig behandelden , niet dus zij die op posten stierven waar geen officier van gezondheid was; verder niet de op reis naar Indie overledenen, de verdronkenen en in het algemeen niet zij die alleen ter begraving in de hospitalen werden opgenomen. Waar in de bedoelde staten een hooger cijfer wordt opgegeven , zoo als bij voorbeeld in die over 1866 (Bijlagen C en D van het verslag van 1868) ten aanzien der Europeanen, en in die over 1868 (Bijlagen C en D van het verslag van 1869) ten aanzien der Afrikanen, moet zulks worden toegeschreven aan abusivelijke vermelding van reeds gepasporteerde of gegageerde militairen, die, ofschoon in de hospitalen overleden, niet hadden mogen gerekend worden tot de militairen der landmagt.
Zoo als uit de bovenstaande staten blijkt was in 1870, ten gevolge van eeno mindere uitzending van suppletietroepen en de mindere werving in Indie, de aanvulling van onderofficieren en manschappen aanzienlijk minder dan in de jaren 1868 en 1869, terwijl het verlies aan troepen, vooral door de mindere sterfte, niet zoo groot was als in die jaren. Inzonderheid onder de Europeanen en -Afrikanen was het sterftecijfer zeer gunstig. Een en ander heeft ten gevolge gehad, dat de uitzending van suppletietroepen in 1871, welke in 1870 op 1282 man geraamd was, tot 1000 man kan worden beporkt. In verband met het gunstig resultaat, dat de vrijwillige dienstneming van Nederlanders bij het koloniaal werfdepôt
(1) Deze afzonderlijke aanduiding der gesneuvelden strekt in voldoening aan de toezegging op blatlz. 16 van het vorig verslag. Yan de gesneuvelden in 1S09 vielen 2 Europeanen en 1 inlander bij do krijgsverrigtingeij in de Noorderdistricten van Celebes en 2 officieren en 1-1 Europeanen bij die op. Bali. Aan de gevolgen der bij deze laatste expeditie bekomen wonden , zijn bovendien overleden 2 Europeanen en 2 inlanders De 4 in 1870 gesneuvelden vielen bij eene vijandelijke ontmoeting in de Zuider- en üoster-afdeeling van Borneo. Aan da g e volgen van voor den vijand bekomen wonden zijn in genoemd jaar geeno militairen overleden.
te Harderwijk oplevert, doet zich, reeds sedert September 1870, de behoefte niet voor om vreemdelingen aan te nemen. Ook in andere opzigten wordt getracht de elementen van zamenstelling te verbeteren. Zoo is, ten einde het aantal der wegens ligchamelijke ongeschiktheid voor de dienst in Indie af te keuren militairen, ook in 's lands geldelijk belang, zoo veel mogelijk te verminderen, sedert 1 Januarij 1871 de maximum-leeftijd der voor het Indisch leger aan te nemen burger personen, onverschillig of zij vroeger al dan niet hebben gediend, teruggebragt van 44 op 40 jaren. De uitkomsten der inlandscho werving waren in 1870 over 't algemeen niet zoo gunstig als in 1869. Onder den invloed der in'Mei van laatstgenoemd jaar plaats gehad hebbende verhooging der miniraum-lengte voor Javanen, Soendanezen en Maleijers, welke lengtemaat dan ook in November 1870 eenige verlaging onderging, werden in 1870 in 't geheel slechts 960 inlanders aangenomen, tegen 1943 het jaar te voren. Toch was onder ultimo 1870 het bestaande incompleet onder het inlandsch element verdwenen, eensdeels doordien het totaal der verliezen (1420) aanmerkelijk kleiner was dan in 1869 (1604), anderdeels doordien een der acht compagnien Amboinezen werd ver
19
vangen door eeno (vijfde) compagnie Afrikanen, maarvooral ook door de nieuwe formatie van het wapen der genie, waarbij vele inlanders uitvielen. Het incompleet aan Madurezen en Boeginezen, waarin hoofdzakelijk door Javanen wordt voorzien, is ongeveer op dezelfde hoogte gebleven. Bij het eind van 1870 ontbraken aan de in de (organieke) formatie opgenomen 1308 Madurezen en 1319 Boegmezen, respectivelijk 711 en 747 man, welke cijfers onder ultimo 1869 waren 766 en 689. Aan militairen van
Javaanschen, Soendaneschen en Maleischen landaard telde men onder ultimo December 1870 12 655 man.
Ziehteen sterftecijfers. De ziekte- en sterftecijfers van het jaar 1870 zijn aangewezen in de uitvoerige nosologische en ethnographische jaaroverzigten, als naar gewoonte hierachter te vinden in bijlagen C en D. ^De volgende tabellen geven een overzigt over de laatste vijf jaren :
Algemeen overzigt der behandelden, herstelden en overledenen.
-TARE N. BEHANDELDEN.
1637
1604
1420 .
enst
1866
1867 .
1868 .
1869 .
1870
1866
1867 . '.
1868 . . . . . . . .
1869
1870
HERSTELDEN. OVERLEDENEN.
Java en Madura.
29 076
26 514
30 394
36 150
36 182
27 307
24 652
27 735
34 018
34 200
' 549
508
911
718
419
Buitenbezittingen.
28 941
25 293
23 75G
25 530
22 691
27 719
24 333
22 687
24 505
21 743
383
267
293
312
225
VERHOUDING DER OVERLEDENEN
tot de behandelden. tot de legersterkte.
1: 52,9 of 1,88 7,
1:52,1 » 1,91 »
1 : 33,36 » 3 »
1 : 50,34 n 1,98 »
1:86,35 » 1,15 »
1: 75,5 of 1,32 %
1: 94,7 » 1,05 ».
1: 81,07 » 1,23 n
1 : 81,82 » 1,22 »
1 : 100,84 « 0,99 ,i
1 :25,6 of 3,9 %
1:29,08 » 3,43 ..
1: 15,98 « 6,iô »
1:23,18 » 4,31 ..
1:39,58 » 2,52 »
1 : 33,6 of 2,97 °/0
1:39,7 ,. 2,51 »
1 :33,86 » 2,95 »
1 : 31,67 » 2,88 »
1 : 48,62 » 2,05 »
20
CU o
c3 b!)
r-(
SP
CD
O
ei
SP
4) bC
SH 03 c«
^
0 3
-S
T - !
0 3 v—1 ^ a 0 )
0 3 t> T l 1-5
P H O
60
P-5 O
<w S> o
=4-1 ?-4 CU • + H co
e j 1 3
CS >
- W fer N SH. CU t> o ^
CJ co
^~^
w r Ö
CS r—l m •" P
p ]
• r n P
C*H O
r/7 P
r ^
05 r = !
p
0 3 0 3
d
CD O
CO
05 <!
I—!
£ W ä ^ M
M «
pH «i
ia «1
P-I o
T J o
œ —
°É 13 PH §
r S
"S o es ^
ps-i d es
r/3 •-a 13 ? <B r H - 2 ,<0
.3 a PH S
, 0
O) K/
-t-3
es r d
PM fl c3
H 3 d g 03 i—t
PH S .s IS
-
CO
i» " * 0 ,3 es ' O
P-I CS eS cS
fc
PH
<-v* >—< -4
o
•8JJ-ia?S
• o ^ j a ^ s
• U 8 p 9 I J 8 A O
•ay.i9?S
' 9 } 5 [ . i a } g
•aapapaAO
•9?JJ9?S
• a ^ j a i S
•t!9pa^.i9.\o
• a y j a j g
• e } 5 [ j e } g
•nepap9AQ
•9ÎJJ9ÎS
•9j^.iaiS
•uape|.i9A0
• 9 Î J . T 9 } g
•a^-ia^g
•uapgjjaAO
i—»
t
— J
oo
V-i
1—t
-*
0 0 CO
r H
" 5 ( N
CO CO r H
CD
l >
-1
CO ><o CO
>o
CC
l O
r H
-* CO
CO
f s ;
CM
- 4
t CM
O
r H
r H
r—
CO
CC CN
C, "P
co
( M
r H >ra » O
1-H
-* r H
0 0
0 3 C 0
r H
>ra o »o
1 > CM r H
- H
r H
» O CO CM
»CO
CC -*
1-<
CO CM
m
CN
CM
r-*
o o co
(CM r H
r~t
O CM
r H
CO c
CC CO CM
i e > i i » 1 r
Ir-T co
• • r H
CO k " CO ( M
co CO
oo
OS
r H
1 ~ CM r H
0 0 o CM
^ H _* co .. r H
^ H r H CO
O
CO -*
r H
• * '-. < "
m
CO
T-i
r H
0 0
CO
oo r H CM
CO o C 3
r H
O
C 5 CO
t ^ C -3"
. , •
e; s « ! « H r
0 0
co" CD •• r H
C » O oo CO
oo -f<
o CM c n
r H
0 0 »o CO
CD CM CM
OO o CO >• y-t
CM CO
r H
^
r H
CO r H
CO
^1
CO
r H
CM CO - H
CM - H H
CO
•^r r H
r H
o
! M 0 0 CM
> S « « r
co O t
v~i
c o
CM
O CO
oo C »
CO oo
r H
r H
-CH
1>.
T^
- H r H i—t '• r H
CO -*
^H
oo
=
co
r H
CM
co
o r H
»* m
co
T-t
CC
ir.
r
l—
) C 1 t > C ( »
9
t o
•¥> i <D S 8% a \ä es g <s 2 f es 0
c JH V ° <D (! a a
eS o ^ ^
9! ^-1 rH
:r?A
S û r
C Cl 0 S O Ä rQ J
bSj'S O CS « a n-! ^,
o C*. -13 K M f ICC3
CD Cl r « 'T!
O r'
f= f
e (
CS i
H
> .2
.? g
2 1 -I O * cn
o'] SD: Cl 1
o/ O '
a cS
d a d o ri ? C
s
SO el s
21
a '
o
os
•8!)JJ9?S
•a^aojg
•agpe^aaAO
•e]j.ta?S
S5 «0 09 •8PIJ8JS
•aapapeAQ
•aiJ-^S
«9 to CO 8 ^ J 9 ? g
•TOpejaoAQ
•9}JJ9^g
1>
es •9*5[J9*S
• n 9 p g p 9 A O
•9jja9^S
to «0 03 • 8 ^ J 9 J g
•U9p9p9AQ
© c' CO 00 © CO © CD C i
© © .
oo
k o
UO
kc
Ci
CM © CO -C»
C i co
CO
CO CO
kra »ra
T H
CO
*o
CO © CO
T H
0 0
c o © CO
T H
k O
T H
CS
( M
O ( M T H
CO
CO CO T H
T H
SS T-l
T H
-CH
0 0 UO ©
T H
o
"-1 =
c
©
co
T—4
CO I M
©
k O
CS e =
R
=
i—t
en © i~4
( M ( M .
CS co
© k C ' H cT cT t> • * »-i co
C i • * © CS
© —" -* »H co
co
CO
CO .ra
00 CO © CO Ci T—I T—l C O - * CS i—t CM
CO - * I>. TT" ' H O
CM 0 0 CO CS C~ CO t * CO CM TH K E 00 ©
CO © K co T H
T—< CO C i CS -CH CM k O • H
T H SO C i T H
T—( K t ^ CS • * ( M k O R p •; CO
co" co_ cT WO
© k O l > _ CO es T-T co »C JO H CO o
0 0 o 0 0
CS
T—• ^ H 0 0
• * CO 1-1
CO CO CO" CO
CO © ©
CO
co t>
T—I CO H CO
—H CO kC5 k O co o © co CO — rt © © 1-1 k O CO O i CO
CO CO © »o
C i CS 3 0 C l CM - H
- ^ - H * H O -c« CO © CS ©
©
CD CO © © CM © »n W co
CM
CO co es co - ^ T—I l-H
o es C i CO CO
i D ^ * ( D
CO T H C i CO k O T H co" © © as © k O © es cn ©
5 ZS
©
o >ra CS
k O cs co kO *-H es i—t >a © © © •* k O T—I H ^cH H
© C i k O Ci es e s © - H T H C i kCD c o © T H
kO co © CO t » © k O CO CO • * CM W o (M © TH © (M CM rH
CO © CO ©
CO es
- * © k O —H kO kO TH es es CO
CO GO ^ T H CO © CO CO T H k O CM
© • * - * C » T H es es -CH es k O © ©
^ # • * O N C i » O © CO TH TH CM © © , ©
CO t © k O t * ( N k O T—( T H ©
CTJ k O
© CM © es •W © © CO © Ci es © es
CD CO es © © C i
© T H uO es k O es OT © ©
S
N°. S. 2.
S s 3D
«s >
a a u <B t» S O Ci5 P3
a 'o o TM a
a o
"S
o
b O a o & S a r-3
W) ,
^2 es -M a
'O o ,a .SP "C o o ^3
' O a o B
a o
o o a o
o o a o W a
t* bo a
a CD ' O CD
•SP "G o o .a t . s> ' O a o
cS O 'S ° o o S C5
o © <
' O a CS
OD a
W «
""> c SJ
^ o © a
a o a CP 8
a o
• o ' O CS a CD
fcO B CS U .
'~J •4
o P-. CD O O H CS <
es r « CD
a c« f* <rt h3
O H
a CD 4d O u -T^> CD 6B a • H a CD
.S -2 " S es
B CD •0 H
a CD ' O CD .a .SP "G o o -a u CD 'O a o a CD
a H
a CD &o a 05 > -T» a o a CD > cS SP
O H O a CD CD CD ao no 2 a
CD
© CD © 8
22
Sterfte onder het Europeesch gedeelte des legers.
JAREN.

1866 . . . .
1867 . . . .
1868 . . . .
1869 . . . .
1870 . . . .
JAVA. EN MADURA.
Overleden.
383
357
625
424
258
Sterkte.
7040
7705
7722
8541
9041
Sterfte.
1:18,3 of 5,44 per cent.
1:21,5 » 4,63 »
1:12,3 » 8,09 »
1:20,14 » 4,96 »
1:35,04 » 2,85 »
Overleden.
228
149
148
112
96
B U I T E N B E Z I T T I N G E N .
Sterkte.
4700
3751
3676
4051
4225
Sterfte.
1: 20,6 of 4,85 per
1:25,1 » 3,97
1:24,8 » 4,02
1:36,16 » 2,76
1:44,01 « 2,27
^
een*
»
» •
»
»
Percentsgewijze verhouding van eenige hoofdvormen van ziekten tot het totaal behandelden.
Z I E K T E N .
1886.
ft o
u <o ' O e c3
1867.
p
p 03 ft o t-t
S3 CD R 03 -M
ÏH <s ' O a 03
1868.
p CD P oS S ft O u 3
P 03 J4
o •O P 03
1869.
c a ft o
3
a 03 .M
• r*
«i
'O P 03 ' p M
1870.
p 03 CD ft p S w
B CD P 03 M 'O
Java en Madura.
Koortsen
Dysenterie
Cholera
Leverontsteking . . .
Longtering
Hartsgébreken . . . .
Syphilis
Overige ziektevormen .
23,8
3,5
1,2
1,9
0,39
1,02
17,1
50,7
4
0,96
0,32
0,32
0,64
0,16
22,5
70,9
35,07
0,5
0,77
0,15
0,41
0,02
11,8
51,1
19,2
, 2,69
1,7
2,09
0,59
1,5
18,6
53,3
14,6
1,3
1
0,6
1,3
0,3
23
57,6
28,6
0,5
0,8
0,18
0,55
0,26
12,3
56,7
25,2
2,83
3
2,4
0,56
1,29
13,26
51,34
25.6
1,79
3,18
1
0,2
0,59
11,75
55,77
38,4
0,45
1,09
0,13
0,60
0,12
7,98
51,16
31,07
2,4
0,7
1,8
0,6
1,1
12,09
49,9
24,5
0,8
0,3
0,2
0,1
»
11,5
62,4
42,4
0,6
0,2
0,1
0,3
0,08
6,4
49,7
27,15
2,09
0,10
1,10
0,58
0,86
16,92
50,70
24,45
0,48
»
0,36
0,36
n
15,08
59,24
41,1
0,9
o,o :
o J
o,*
o,o d
51J
li
T
t o I t: p i; U
si b Zi
n d
Z, o li o v. V;
Buitenbezittingen.
Koortsen
Dysenterie . . . .
Cholera
Leverontsteking . .
Longtering . . . .
Hartsgébreken. . .
Syphilis
Overige ziektevormen
34,3
4,01
0,37
1,5
0,29
0,45
7,01
51,09
30,03
8,1
»
0,7
»
»
4,2
56,8
45,3
0,7
0,09
0,11
0,28
0,04
4,2
49,1
34,3
2,5
0,04
1,4
0,34
0,51
6,8
53,8
29,1
5,3
»
0,53
0,26
0,26
5,5
58,8
48,2
0,51
0,04
0,06
0.26
0,06
4,02
46,8
36,47
1,96
0,45
1,24
0,41
0,66
7,48
51,29
16,12
2,41
4,03
0,8
»
»
7,25
69,35
45,93
0,28
0,35
0,13
0,19
1)
4,12
48,97
40,62
1,45
0,13
1,24
0,29
0,56
6,92
48,75
»
»
»
»
»
»
«
»
46,75
0,37
0,02
0,14
0,04
0,08
3,62
48,96
41,3
1,41
0,03
1,76
0,22
0,57
7,58
47,11
»
»
»
»
»
»
»
»
43,'
0,3
o,oc
0,1
0,1
0,0
3>
*t i
P h 6] h k li h
d n d
k in d ei b
23
De gezondheidstoestand van het leger wa' gedurende 1870 in het oog vallend gunstig. Zoowel op Java en Madura als in de buitenbezittingen was het sterftecijfer lager dan in een der laatste 20 jaren. Terwijl de sterfte van het Europeesch gedeelte afzonderlijk — om alleen van Java en Madura te spreken — over het jaar 1868 (na aftrek van de slagtoffers der cholera-epidemie) 5 à 6 pet en over het jaar 1869 4,96 pet. bedroeg, was die in 1870 slechts 2,85, eene verhouding éénig in de geschiedenis van het leger. Gunstig op den gezondheidstoestand hebben gewerkt en tot de geringe sterfte hebben bijgedragen, vooreerst het niet plaats hebben van belangrijke expeditïen en het niet, ontstaan van epidemien, en in de tweede plaats de verbeterde voeding, terwijl verder ook niet zonder invloed is gebleven bet verbeterd hygiënisch toezigt op den gezonden soldaat, vooral wat zijne huisvesting betreft, de strengere eischen voor de dienst in de ziekemnrigtingen , de meerdere zorg voor de verpleging van de nieuw uit Europa aankomende manschappen enz. Met dit laatste wordt meer bijzonder bedoeld de verplaatsing sedert November 1869 van het depot, bestemd tot eerste opneming van suppletie-troepen , van Weltevreden naar Meester-Cornelis. De meer gezonde ligging van laatstgenoemde plaats en de mindere gelegenheid aldaar tot uitspattingen zijn oorzaak , dat de bedoelde detachementen een beduidend kleiner contingent zieken leveren dan vroeger. Tot nog toe maakt het suppletie-depôt te Meester-Cornelis een op zich zelf staand onderdeel uit van het subsistentenKader te Weltevreden. De wenschelijkheid is echter geWeken om het depot als een zelfstan dig corps aan te merken en om het vaste kader eenigzins uit te breiden, waarmede een minder kostende formatie van het subsistenten-kader kan gepaard gaan. In 1872 zal dit voornemen ten uitvoer Worden gebragt. De verpleging van convalescente militairen in het particulier gezondheids-etablissem*nt te Kampong Macassar op den weg naar Buitenzorg , op slechts korten afstand van Batavia, levert bij voortduring goede resultaten. Het contract ter zake, hetwelk de opneming toelaat van 60 Europesche en 50 inlandsche onderofficieren en manschappen, *s laatstelijk met één jaar, en alzoo tot ultimo 1871 verlengd. Bij de meermalen en ook in 't laatst van 1870 bestaande overvulling van het hospitaal te Weltevreden, Week de maatregel der evacuering naar Kampong Macassar zelfs dringend noodzakelijk. Afzonderlijke aanteekening verdient nog dat door de militaire autoriteit alle binnen haar bereik liggende middelen worden aangewend om het kwaad der prostitutie zooveel mogelijk te keeren. Eene betere regeling van het onderwerp in zijn geheel, door meer algemeene toepasselijkverklaring van het desbetreffende reglement van 1852 {Eijblad op het Indisch Staatsblad n°. 1255), maakt een punt van overleg uit tusschen den directeur van justitie, dien van onderwijs, eeredienst en nijverheid en den chef over de militaire, tevens chefover de civile geneeskundige dienst.
§ 3. Inrigtingen, bijzonderheden.
Onder dit hoofd worden, buiten nog enkele verordeningen van personelen aard vermeld in hoofdstuk W, al die Punten opgenomen, welke in andere paragraphen van dit hoofdstuk minder op hunne plaats zouden zijn of wel die eigenaardiger hier dan in het aangehaalde hoofdstuk IV hunne vermelding schenen te vinden. Voor de rangschikking der onderwerpen is tot leiddraad genomen de indeeh-ng van het legerbeheer overeenkomstig de inrigting van het departement van oorlog.
Inspectien. Daar de ondervinding van jaren geleerd had dat veel gereisd en geïnspecteerd werd, zonder bijzondere noodzakelijkheid of zonder groot nut voor den lande, en dat met de inspectiereizen belangrijke sommen waren gemoeid, terwijl de bevolking der doorreisd wordende streden daarvan soms overlast had, werd door het legerbestuur in den loop van 1870 voorgeschreven, dat het inspecteren toor gewestelijke dienst-chefs, voor zooveel dit tot groote *>n kostbare reizen aanleiding geeft, tot een uiterst minimum geperkt, en daarover eene naauwlettende controle gehouden moet worden.
Goedverkoop en. Uitkeering van indemniteit voor klein-equipementstukken. Bij gouvernementsbesluit dd. 3 October 1870, n°. 1, werden de artt. 332 tot en met 335 van het Wetboek van Strafregt voor Nederlandsch Indie (Wetboek voor de Europeanen), waarbij met straffen worden bedreigd, zij die zaken behoorende tot de kleeding, uitrusting of wapening van militairen koopen, in pand of in bewaring nemen of' ontvangen onder welken titel ook, met eene geringe wijziging in de straffen, van toepassing verklaard op inlanders en met dezen gelijkgestelden. Bij gouvernementsbesluit dd. 29 September 1870, n°. 11, was reeds magtiging verleend om aan militairen beneden den graad van adjudant-onderofficier, die zulks verkiezen , de waarde volgens tarief uit te betalen, voor elk kleinequipementstuk dat hun volgens de bestaande voorschriften toekomt, doch waaraan zij volgens verklaring van hun compagnies- of detachements-kommandant geene behoefte hebben. Men hoopt door deze bepalingen het goedverkoopen — waaraan zich nog vele en vooral inlandsche militairen schuldig maken — te zien verminderen.
Rietslagen. Tegen den in 1865 beraamden maatregel (zie het verslag over 1863, bladz. 30, noot) tot beperking der disciplinaire straf van rietslagen bij het Indisch leger (1) , door haar te doen vervallen voor de in de 2de klasse van militaire discipline geplaatsten (d. i. bij de corpsen) en slechts te_ behouden bij het algemeen strafdetachement, zijn zoowel bij den vorigen als bij den tegenwoordigen legerkommandant bedenkingen gerezen, die in't laatst van 1870 den Gouverneur-Generaal geleid hebben tot het voorstel aan het Opperbestuur om op de ter zake verleende magtiging terug te komen. Vooral gold de vrees voor de bedenkelijke toeneming van het aantal militairen dat naar het sti afetablissem*nt zou moeten worden afgevoerd, tot. groot nadeel zoowel van de voltalligheid der corpsen en dus van de weerbaarheid des legers als van 's lands kas. Het was toch te verwachten — zoo werd betoogd dat de plaatsing in de 2de klasse van discipline, die thans in een groot aantal gevallen medebrengt, dat de man alléén door ^het bewustzijn van te hunnen worden geslagen tot ordelijker leven terugkeerde , niet langer dezelfde heilzame uitwerking zou hebben, wanneer de rotting uit die klasse werd weggenomen. De nadere gedachtenwisseling over het onderwerp hier te lande gevoerd, heeft echter tot de meening geleid, dat vele der tegen den afschaffingsmaatregel ingebragte bezwaren zouden kunnen worden ontgaan, wanneer de straf plaats maakte voor andere meer doeltreffende middelen van tucht. Omtrent de in dien zin bij eene eventuele uitvoering der magtiging van 1865 te nemen voorzieningen is inJunijjl., ook naar aanleiding van een door den Raad van State' nopens het onderwerp uitgebragt advies, het gevoelen van den Gouverneur-Generaal gevraagd. Eene definitive beslissing omtrent het voorstel tot bestendiging der straf is tot na de ontvangst van het antwoord der Indische Regering verschoven. Voor het misdrijf van raijons-overschrijding, hetwelk krachtens de algemeene order van 1842, n°. 3, behalve plaatsing in de 2de klasse van militaire discipline, gelijktijdige afstraffing met rietslagen ten gevolge had, wordt intusschen krachtens eene beschikking der Indische Regering van Augustus 1870, de rotting niet meer toegepast.
Verbeterde legering van de hoofdmagt der troepen. Een tweede afdoende maatregel, die na de onlangs plaats gehad hebbende voorziening in eene verbeterde voeding, aan de orde is gesteld om de gezondheid van den soldaat en daardoor de weerbaarheid van het leger te verbeteren, betreft het beginsel om de garnizoenen in de hoofdplaatsen van Java's noordkust tot een minimum te beperken en de overige daarvoor aangewezen troepen zooveel mogelijk te legeren in gezonder streken (meer binnen 's lands) op afstanden, dat ze die plaatsen in twee of drie dagen kunnen bereiken.
(1) Als criminele straf is zij voor militairen reeda in 1851 vervallen.
24
In Julij jl. is de Indische Regering, overeenkomstig haar voorstel gemagtigd tot aanneming van het bedoelde beginsel, door welks verwezenlijking het sterfte- en ziektecijfer belangrijk zal verminderen (1) en dat ook ten opzigte van de oefening der troepen voordeden belooft. Allereerst zal de maatregel worden toegepast ten aanzien der te Soerabaija gelegerde troepen , wier tegenwoordig logies meer en meer te wenschen overlaat. Onderzoekingen naar het tot kampement te bestemmen terrein hebben bereids plaats gehad.
Onder-officiersschool te Meester-Comelis enz. In 1870 werd door 30 élèves het examen voor den rang van 2den luitenant der infanterie en door 8 het examen voor officier bij de militaire administratie met goed gevolg afgelegd. Behalve de 22 (2) van het voorafgegane jaar overgeblevenen, werden in 1S70 12 geëxamineerden bij de infanterie of' in het geheel 34 aangesteld, terwijl de 8 geëxamineerden voor den rang van 2den luitenant-kwartiermeester allen tot officier werden bevorderd. Op ultimo December 1870 waren alzoo 18 geëxamineerden voor den rang van 2den luitenant der infanterie nog niet aangesteld. Van deze echter zijn in het begin van 1871 nog 16 tot officier bevorderd. Op bovenvermelden datum bedroeg het getal élèves 105, dus 11 minder dan het bepaalde maximum. Zeer onlangs zijn door den Gouverneur-Generaal voorstellen aanhangig gemaakt betreffende do verzwaring der examina voor den officiersrang bij de verschillende wapens en bij de militaire administratie, zoomede betreffende nieuwe voorschriften op de toelating van volontairs dingende naar dien rang. In verband met oen en ander is in Indie eene nieuwe regeling in behandeling ten opzigte van het onderwijs zoowel bij de onder-officiersschool te Meester-Cornelis als bij de corpsen. Daarbij is het denkbeeld in overweging genomen om genoemde school ook dienstbaar te maken aan de vorming van cavalerie-officieren.
Corps pupillen. De sterkte van het corps, buiten het kader, bedroeg in 1870 377, waaronder 257 soldatenkinderen. Van de overige pupillen waren er 82 kinderen van burgers, 15 kinderen uit de weeshuizen, 6 waarvan de vader onbekend was en 17 omtrent wier afkomst niets met zekerheid te zeggen viel. Sedert de oprigting van het corps in 1848 tot ultimo December 1870 werden daarbij opgenomen 113 betalende pupillen en 961 niet betalende pupillen en werden er 462 bij het leger ingedeeld. Van deze waren op het einde van 1870 nog aanwezig 6 officieren, 195 gegradueerden van minderen rang en 134 ongegradueerden. Het heeft de aandacht getrokken, dat verscheidene kinderen bij het corps worden toegelaten, die daartoe naar ligchaam en geest nog al te weinig ontwikkeld zijn en den vastgestelden minimum-leeftijd van 7 jaren nog niet schijnen te hebben bereikt. Voorschriften zijn gegeven om hieraan een einde te maken. De gezondheidstoestand der pupillen liet in 1870 te wenschen over; behalve mazelen vertoonde zich ook de schier jaarlijks terugkeerende oogziekte, waarvan men de oorzaak nog niet had kunnen opsporen. Er werden intusschen geene middelen onbenut gelaten om den gezondheidstoestand te verbeteren. De bijzondere aanleg van de pupillen voor teekenwerk en terreinopneming, en de omstandigheid dat het corps voor zoodanig werk reeds uitstekend personeel aan het leger geleverd had, hebben doen besluiten om bij het corps voortdurend een zoodanig aantal pupillen tot teekenaars en opnemers op te leiden , dat men in den vervolge daaruit in de behoefte aan personeel voor de militaire verkenningen geheel kunne voorzien.
(1) Zie o. a. de statistiek omtrent de sterfte aan de kust of binnen 's lands in § 2 van dit hoofdstuk.
(2) Het cijfer 25 in het vorige verslag vermeld is foutief; daaronder •waren 3 onderofficieren begrepen, niet van de onderofficiersschool te Meester-Cornelis. Ook is in het vorige verslag ten onregte vermeld, dat er op ult°. December 1869 nog 4 geëxamineerden voor den rang van officier van de militaire administratie niet aangesteld waren. AUe in 1869 voor dien rang geëxamineerden zijn in den loop van dat jaar tot officier benoemd.
Ook zal onder de pupillen stof gezocht worden voor de aanvulling van het corps stafmuzikanten. In de bepalingen omtrent de soldij en équipement der pupillen is onlangs eenige wijziging gebragt [Indisch Staatsblad 1871 , n°. 61 en 73).
Corpsscholen en inlandsen onderwijs. Bij de verschillende corpsen en detachementen infanterie, artillerie en sapeurs van het leger wordt onderrigt gegeven aan het kader en eenigo minderen zoowel van Europeschen als van anderen landaard. Het onderwijs bepaalt zich tot het lezen en schrijven in do Maleische, Javaansche en Nederlandsche taal. het rekenen en de aardrijkskunde. Het- onderwijs in het rekenen strekt zich hoofdzakelijk uit tot de leer der getallen , de vier hoofdregels der cijferkunst, de behandeling van gewone en tiendeelige breuken en het metrieke stelsel van maten en gewigten , voor zooverre een en ander noodig is tot het voeren eener menage en om de militairen te doen kennen, wat hun van gouvernementswege wordt verstrekt. Bij het onderwijs in de aardrijkskunde wordt de wiskundige aardrijksbeschrijving en algemeene aardrijkskunde behandeld. De aardrijkskunde van Nederland en van Nederlandsch Indie wordt meer iu bijzonderheden geleerd. Twee malen 'sjaars worden de scholieren bij het wapen der infanterie , die door ancienneteit, gedrag en dienstijvei' in de termen vallen om bevorderd te worden , tot een vergelijkend examen toegelaten. Bij de artillerie en sapeurs worden de examens gehouden al naar mate vacatures in de verschillende rangen zijn. Het onderwijs op de corpsscholen wordt gratis gegevenTot aanschaffing van materieel w«rdt ten dienste van de corpsscholen bij de infanterie en sapeurs f 0,25 'sjaars te goed gedaan voor iederen militair beneden den rang van officier, die het leger bij het opmaken der begrooting' werkelijk telt. Voor het onderwijs der inlandsche militairen van het wapen der artillerie wordt mede f 0,25's j aars per man besteed van de som, welke jaarlijks toegestaan wordt voor praktische oefeningen en onderwijs bij dat wapen. Het toezigt over de school en de leiding van het onderwijs wordt bij elk corps of' gedeelte daarvan zoo mogelijk aan een kapitein opgedragen, terwijl de corpskommandanten in algemeenen zin verantwoordelijk zijn voor het onderwijs van hunne corpsen en in verband daarmede ook voor het onderwijs op de corpsscholen. Het kader is verpligt de school te bezoeken, behoudens noodzakelijke uitzonderingen ter beoordeeling van de corpskommandanten. Mindere militairen kunnen naar verkiezing het onderwijs bijwonen. Het onderwijs op de corpsscholen wordt voldoende behartigd, maar de resultaten daarvan zijn in het algemeen niet groot, ten gevolge van de onvoldoende stof aan geschikte onderwijzers en de vele mutatien onder dezen, het te weinig stelselmatig onderwijs in de vakken van het läget onderwijs, den weinigen tijd, die er voor kan afgezonderd worden zonder stoornis te brengen in de andere dienstverrigtingen, die haren gewonen loop moeten hebben, en eindelijk ten gevolge van herhaald schoolverzuim wegenS wettige verhindering. Er wordt echter naar middelen omgezien om in de vorming van het kader waartoe deze corpsscholen moeten medewerken, doch waarin zij op den duur blijken te kort te schieten , verbetering te brengen. Het maakt daarom bij het legerbestuur een punt van overweging uit om kader' scholen voor de infanterie en vestingartillerie in het leven te roepen, welke ook aan de opleiding van inlandsch« kaders zouden worden dienstbaar gemaakt. Ten behoeve der veldartillerie is reeds te Willem I eene kaderschool gevestigd, die zeer bevredigende resultaten oplevert.
Kinderen van militairen. Aan de chefs der corpsen is opgedragen om een wakend oog te houden en door hunn^ ondergeschikte officieren en onderofficieren te doen houden op het gedrag en de opvoeding der kinderen van militairen! vooral van de inlandsche militairen, en er zooveel mogelijk op aan te dringen en toe mede te werken, dat deze, waa* daartoe gelegenheid bestaat, behoorlijk onderwijs genietenDeze maatregel moet vooral strekken om te geraken to'
]
de 25
een beter gehalte van liet inlandseh kader, daar de bedoelde kinderen grootendeels de loopbaan der vaders volgen. Om het doel te beter te bereiken is het denkbeeld geopperd eener opleiding voor den soldatenstand van de bedoelde jongens en wel bij de corpsen zelve, door de toelating van een zeker getal Afrikaansche, Amboinesche en inlandsche pupillen bij iedere geheel uit die landaarden of gedeeltelijk uit Europeanen bestaande compagnie of detachement van overeenkomstige sterkte. (1)
Corps-ambachtsscholen. Op ultimo December 1870 maakten slechts 2 jongelieden van deze scholen gebruik, 1 om tot zadelmaker en 1 om tot geweermaker te worden opgeleid. De laatste is echter wegens ligchaamszwakte daarvoor »ngescbikt verklaard.
Bibliotheken. Tot dusverre werden enkele bibliotheken steeds geheel of gedeeltelijk door de zorgen van het Ministerie van Kolonien aangevuld. Te beginnen met 1871 heeft die tusschenkomst geheel opgehouden, met uitzondering echter ten^ aanzien van de bibliotheken der ziekeninrigtingen en militaire kantines, voor welker aanvulling die tusschenkomst behouden bleef. Van de in de kantines aanwezige boekerijen werd, vooral »uiten die inrigtingen, een vlijtig gebruik gemaakt, ook door inlandsche militairen, ten behoeve van wie enkele Javaansche en Maleische werkjes werden aangeschaft, yoor alsnog is men echter in de keuze dezer laatsten zeer beperkt.
Kantines. Door de daarmede belaste officieren werd steeds «e meeste zorg besteed om de kantines, zoo door het aanbrengen van verbeteringen in de inrigting , enz. als dooide zorgen voor eene verstrekking van goede dranken, voor den soldaat aangename verblijfplaatsen te doen zijn. Vroeger waren de kantines steeds van 10 uur's morgens tot 4 uur 's middags gesloten. In het afgeloopen jaar heeft men eene proef genomen om ze den geheelen dag open te stellen, hetgeen wel voldaan heeft.
Eereteekenen. - Met de instelling van het eereteeken voor belangrijke krijgsbedrijven (Indisch Staatsblad 1869 n°. 41), Zljn de militairen van alle natiën zeer ingenomen, en de Waardering van hunne goede diensten welke zij daarin Z'en, heeft een zeer gunstigen indruk gemaakt op allen, "och inzonderheid op den inlandschen soldaat, die dit eereteeken op zeer hoogen prijs stelt, omdat hij het met de Europesche officieren en minderen gelijkelijk draagt. De vraag, of bedoeld eereteeken ook aan burgerlijke Personen mögt worden toegekend, werd in ontkennenden 2ln beslist. Van de vergunning (Indisch Staatsblad 1870 n°. 32) om de medaille voor moed en trouw aan het lint der Militaire .Willemsorde te dragen, wordt gezegd, dat deze door de ltllandsche militairen eveneens met veel ingenomenheid is ontvangen, omdat hen dit in hun oog een stap nader brengt tot hunne blanke kameraden. Als uitvloeisel van de wet van 22 April 1864 (NederQndsch Staatsblad n°. 33), houdende wijziging van art. 8 ?Qr wet van 30 April 1815 (Nederlandsch Staatsblad n°. 33*) ' n dien zin, dat het jaargeld voor militairen te water of l e lande beneden den rang van officier verbonden aan benoeming tot ridder der Militaire Willemsorde, niet meer flhankelijk is van het bedrag der soldij door den ridder Üdens zijne benoeming genoten, maar naar den door hem, °P het oogenblik dat hij zich de onderscheiding heeft waardig Semaakt, bekleeden graad zonder onderscheid van wapen °* dienstvak, werden alsnog bij Koninklijk besluit van 15 December 1869, n°. 3 (Indisch Staatsblad 1871 n°. 1), voor zooeel de landmagt in Nederlandsch Indie betreft, de graden angewezen, waarmede voor de toekenning van riddersoldij jehooren te worden gelijkgesteld de verschillende bij die aödmagt bestaande betrekkingen, die door militairen beeden den rang van officier worden bekleed , doch waaraan ,ot aanduiding der graden, andere namen zijn verbonden an de gewone militaire graden in de wet genoemd.
hiii'. E e n d a a r t o e strekkend voorstel, ia Augustus il. ontvangen. 4<;r te lande in behandeling. is, N° 8. 2.
Tevens werd bij 's Konings besluit van 15 December 1869, n°. 4 (Indisch Staatsblad 1871, n°. 1), te rekenen van den dag der afkondiging in Indie, het milde beginsel der bovenbedoelde wet van 22 April 1864 ook aangenomen voor de regeling der toelage verbonden aan de toekenning (onder andoren aan inlandsche militairen en militairen van Afrikaanschen oorsprong beneden den rang van officier) der zilveren of bronzen medaille voor moed en trouw, bedoeld bij Indisch Staatsblad 1839, n'. 27.
Eereschildwachten. De wenschelijkheid eener vermindering der eereschildwachten, waarop in 't vorig verslag , bladz. 21 werd gedoeld , is ook in Indie erkend. Ofschoon eene volkomen gelijkstelling met helgeen te dien aanzien in Nederland regel is, voor Indie niet aanbevelenswaardig voorkwam, is vermindering evenwel mogelijk bevonden. Een voorstel strekkende om voor zooveel noodig, 's Konings magtiging te erlangen tot wijziging in dien geest van art. 8 van het reglement op de militaire eerbewijzen (Indisch Staatsblad 1848, n°. 17) is onlangs bij het Opperbestuur "aanhangig gemaakt.
Aankoop van paarden. De gewone wijze van remontering door aankoop op Java en Macassar kon sedert jaren niet voorzien in de behoefte aan goede troepenpaarden , hoofdzakelijk bij het wapen der cavalerie. Uit dien hoofde werden op voorstel van den legerkommandant in 1870 twee officieren in commissie gezonden tot aankoop van een lOOtal paarden op het eiland Soemba (Sandelhout) ten behoeve van de artillerie en cavalerie, Ofschoon de omstandigheden , het ver verloopen jaargetijde en gemis aan ondervinding, haar niet gunstig waren, slaagde de commissie er echter in 87 goede paarden, tegen een billijken prijs aan te koopen. Door de medewerking der Nederlandseh-Indische Stoomvaartmaatschappij, die voor deze gelegenheid het eiland Soemba door hare mailbooten op reis naar en van de Molukken liet aandoen, waren de kosten niet beduidend. De gunstige resultaten in 1870 verkregen, hebben er toe geleid om in het begin van 1871 weder eene commissie met een gelijk doel naar Soemba te zenden.
Artillerie-constructiewinkel te Soerabaija. Pyrotechnische werkplaats aldaar. In verband met de gebeurtenissen in Europa, die eene reeks van spoedbestellingen ten gevolge hadden, voornamelijk voor de meerdere indienststelling van getrokken geschut, werden sedert de eerste helft van Augustus tot in het laatst van November 1870 bij eerstgenoemde inrigting buitengewone voorzieningen vereischt om aan de vele werkzaamheden het hoofd te bieden , zoo door vermeerdering van het aantal werkuren als door tijdelijke uitbreiding van het personeel. Het aantal van 400 werklieden in gewone tijden werkzaam, werd in genoemde maanden door alle pogingen opgevoerd tot 700 à 750. In 't laatst van November 1870 werd echter het aantal handen weder tot het normale peil terug gebragt (1). Van de voorhanden verbeterde werktuigen, die nog door meerdere zullen achtervolgd worden, werd bij die gelegenheid het groote nut ondervonden. Ook bij de pyrotechnische werkplaats ging veel om. Voor de nieuwe patroonfabricatie enz., ten dienste van het aangenomen achterlaadgeweer werden nog geen maatregelen genomen , in afwachting van de ontvangst der hier te lande bestelde werktuigen, die thans in beproeving zijn.
Getrokken gesehut. Met de aanvulling van het in Indie voorhanden getrokken geschut wordt voortgegaan. Sedert de jongste mededeelingen (zie het verslag van 1869 bladz. 24) zijn weder eenige partijen verscheept, en is ook tot eene
(t) Op de in Augustus il., van wege de Vereeniging ter bevordering van fabrieks- en handwerksniJTerheid in Nederland, te 'sGravenhage gehouden tentoonstelling van voorwerpen van nijverheid en kunst zijn eenige door Europesche en inlandsche werklieden van den constructiewinkel vervaardigde voorwerpen (houten en ijzeren affuitdeelen) met zilver en verguld zilver bekroond. Eene dergelijke bekrooning is ook ten deel gevallen aan werklieden (waaronder ook inlandsche), van de geweermakersschool te Meester-Cornelis.
26
nieuwe bestelling zoowel van 12ponders als van 30ponders overgegaan. . In het afgeloopen jaar werd besloten tot mdienststelhng van bet voorhandene, waarvan nog slechts een klein gedeelte (eenige 4ponders bij de veld-artillerie) in gebruik was. Als gevolg daarvan werden 3 ligte veld- of bergbatterijen van 3 pond tot drie zware veldbatterijen (bestaande elk uit 4 getrokken kanons van 4 pond en 4 gladde 6ponders.) gereorganiseerd , en werden ook de sterkten behoorende tot de strandverdediging van Batavia , Samarang en Soerabaija en tot de kustverdediging van Tjilatjap o. a. met getrokken geschut bewapend en daarvoor de noodige veiligheids - approvisionnementen aan munitien geconfectioneerd.
Torpedowezen. Een hoofdofficier der Indische artillerie , hier te lande met verlof, is in de jongste maanden in commissie gesteld geweest, ten einde zich door het bijwonen van proeven, het opnemen van artillerie-inrigtingen enz., naauwkeurig op de hoogte te_ stellen van alles wat op 's lands kustverdediging betrekking heeft. _ Een voornaam deel zijner onderzoekingen is op voorstel der Indische Regering gewijd aan het torpedowezen. Intusschen wordt ook gezorgd voor de noodige praktische bekendheid der zaak bij de hier te lande voor de Indische dienst benoemd wordende 2de luitenants der artillerie, door éénjarige detachering van een paar hunner bij de torpedodienst hier te lande. Het plan bestaat om tot het nemen van proeven nopens de voor Indie meest doelmatige soorten van torpedo's en versperringen aldaar een e permanente commissie van officieren in te stellen, waaronder ook een officier der marine, en ten dienste dier commissie een zeker aantal artilleristen, sapeurs, enz. 'aan te wijzen, tevens ter vorming op die wijze eener geoefende kern van personeel. In het afgeloopen jaar is men er toe overgegaan om met de voorhanden middelen eene zekere hoeveelheid torpedo s te doen aanmaken bij den artillerie-constructiewmkel te Soerabaija.
Artillerieschool te Weltevreden. Volgens het vorig verslag bevonden zich op ultimo December 1869 8 élèves op deze school. Sedert zijn bijgekomen 4 en afgegaan 3 élèves, zoodat het aantal op ultimo December 1870, 9 bedroeg. Van de drie laatstgenoemde élèves werd één, na het voorgeschreven examen te hebben afgelegd, benoemd tot 2den luitenant der artillerie, terwijl één overging bij het regement Oost-Indische cavalerie en één wegens gebrek aan vlijt en voortdurend berispelijk gedrag verwijderd werd. Omtrent de al dan niet bestendiging dezer school zijn overwegingen aanhangig.
Achterlaadgeweren. Bestond blijkens het vorig verslag, bladz. 21, uitzigt dat van het ook voorindie aangenomen achterlaadgeweer, stelsel DE BEAUMONT, bij het eind van 1871 12 000 stuks aldaar zouden beschikbaar zijn, in die verwachting heeft men zich teleurgesteld gezien. De aanmaak toch der eerstbestelde 6000 stuks, welke te St. Etienne (Frankrijk) zoude geschieden, aanvankelijk met kracht onderhanden genomen on tot op zekere hoogte voortgezet, werd al spoedig door de oorlogsgebeurtenissen gestoord en eindelijk geheel gestaakt. Nadat de overeengekomen uiterste termijn van oplevering der eerste partij verstreken was, zonder dat het den aannemer , den heer ED. DE BEAUMONT , gelukt was aan zijne verpligtingen te voldoen, werd het contract opgezegd, en met den wapenfabrikant P. STEVENS te Maastricht overeengekomen voor de vervaardiging van 6000 stuks in 1871 tegen den prijs van f 33,25 per geweer, de kosten van afpakking voor de zeereis en van vervoer tot de afscheepplaats daaronder begrepen. Op 1 Augustus jl. waren omstreeks 1000 stuks afgeleverd en gedeeltelijk verscheept. (1) Zooveel mogelijk is en wordt gezorgd ook door uitzending van munitie, speciale geweermakersgereedschappen
(1) Sedert is nog nagenoeg eene gelijke hoeveelheid geleverd. Eene nieuwe bestelling van 6000 stuks heeft inmiddels plaats gehad tegen den prijs van f 35,70 per geweer. De levering daarvan zal moeten zijn afgeloopen vóór uit". i872.
enz., voor alles wat de spoedige ingebruikstelling en hetgeen daarvoor verder noodig is , kan bevorderen. De behoefte aan achterlaadgeweren, met inbegrip eener reserve van 50 per cent, wordt geraamd op 40 000 stuks, daarbij rekenende op eene doelmatige benuttiging zoo lang mogelijk (ten dienste van een gedeelte der infanterie in de buitenbezittingen, de schutterijen op en buiten Java en de gewapende politiedienaren), der aanwezige getrokken tromplaadgeweren. Bij deze raming is tevens gerekend op de wapening met het nieuwe geweer van de legioenen en pradjoerits op Java en de barissans op Madura, die bij oorlog bij het leger te velde op Java worden ingedeeld. Het aantal in achterlaadgeweren stelsel KUHN te transformeren Indische tirailleur-geweren (zie de beide vorige verslagen, bladz. 25 en 21/22), zal van 700 tot 900 worden opgevoerd, ter bewapening van een bataillon op oorlogsvoet, dat is van 810 geweerdragenden, zullende de overige 90 stuks voor reserve dienen. De 400 dezer geweren, in 1870 onderhanden genomen, worden, naar gelang' zij gereed komen, achtervolgelijk bij partijen in gebruik gesteld. Omstreeks het eind van 1870 waren in t geheel 402 KuHN-geweren in dienst gesteld. De transformatie , waarvan de kosten te staan zijn gekomen op f 1» per stuk , geschiedt gedeeltelijk bij den artillerie-construetiewinkel te Soerabaija en gedeeltelijk bij de geweermakersschool te Meester-Cornelis. De aanmaak van patronen voor het KuHN-geweer, die aanvankelijk bij laatstgenoemd« inrigting plaats vond, geschiedt thans bij de pyrotechnische werkplaats te Soerabaija.
Bewapening. In navolging van het in der tijd voor Neder' land bepaalde werd ook bij het leger in Indie de bewapeningvan de sergeanten-majoor der infanterie vereenvoudigd : en wel door de bepaling dat zij alleen van het kapmes zulle« zijn voorzien. Eene proef wordt genomen, in hoever het, uit ee» oogpunt van meer veelzijdig nut, aanbeveling verdient, om bij een gedeelte der troepen het kapmes te vervangen door de bij het Deensche leger in gebruik zijnde schop o« spade , welk gereedschap ook als kapmes is aan te wenden en gezegd wordt weinig lastiger of zwaarder te zijn daD dit laatste.
Geniewerhen. Aan de mededeelingen , vroeger onder het hoofd » Verdediging " in eene afzonderlijke paragraaph op' genomen, wordt thans volledigheidshalve hier eene plaats ingeruimd bij de bespreking der geniewerken in 't algemeen De volgende bijzonderheden kunnen deswege worden aair geteekend. Met betrekking tot de verdedigingswerken te Batavia Samarang en Soerabaija werden in 1870 eenige beslissinge« genomen ten aanzien van het slechten van wallen of h« dempen van grachten , waarvan zich niet alleen voor « gezondheid der nabijwonende bevolking gunstige gevolge« doen verwachten, maar • die vooral ook te stade zulle« komen aan de uitbreiding en ontwikkeling dier plaatse« Te Batavia gold het de slechting der zoogenaamde defensie lijn van den generaal VAN DEN BOSCH. De opruiming d^ daartoe behoorende aarden wallen zal van lieverlede e' zonder speciale kosten voor den lande gevolg hebben , da« zulks zal geschieden hetzij ten laste der fondsen van dj werken , welke de af te graven aarde behoeven , hetfl ten laste van de particulieren , die tot bekoming van b« hoorlijke gemeenschap; verbeterde afwatering als anderzHj. de slooping zullen verlangen. Voorts is de citadel « versterking opgeheven en mitsdien de daarvoor afgebaken« verboden kring ingetrokken (Indisch Staatsblad 1870, n°. 99| Sedert is een aanvang gemaakt met de verbetering der strata verdedigingswerken. De centrumbatterijen zullen weldj voltooid zijn. De batterij het Waterkasteel, gelegen al het havenkanaal, zal als niet meer passende in het geh«« der thans aangenomen positie, worden gesloopt (Indti Staatsblad 1870, n°. 146). Te Soerabaija is de bestaande linie om de stad voor» verdediging insgelijks onnoodig verklaard. De verbod, kringen zullen worden opgeheven , met uitzondering van di' rondom de citadel, welke laatste gerangschikt werd onder versterkingen der 3de klasse {Indisch Staatsblad 1870, n°. 1 De overgave aan het civiel bestuur van alle tot de h<> behoorende militaire terreinen , werken. gebouwen , weg«
27
Kanalen, kunstwerken en wat dies meer zij, voor zoover die niet uitsluitend bij het departement van oorlog in gebruik of' benoodigd zijn, vond plaats in Januarij 1871. Gerekend naar de door de vestingwerken ingenomen oppervlakte, werd al dadelijk ongeveer H/20 der linie overgedragen. Naar mate het thans nog onder militair beheer verblevene beschikbaar komt, zal met de overdragt borden voortgegaan. Omtrent de werken die voor de verdediging van Soerabaija nog vereiseht worden, zijn voorbereidende onderzoekingen aanhangig. De wallen en grachten van de citadel te Samarang zullen worden geslecht en gedempt, naar mate zulks voor de bewoonbaarheid der tot dat fort behoorende gebouwen zal blijken noodig te zijn. Reeds is de demping gelast van do voor de gezondheid hoogst schadelijke binnengracht der versterking. Dit werk zal, met nog eenige verbetering, daarvan de jongste westmoesson de noodzakelijkheid heeft doen kennen, in het loopende jaar worden ten einde gesagt. In afwachting eener beslissing omtrent de bij het departement van oorlog in behandeling zijnde plannen tot verbetering der stranddefensie van Samarang, is echter n°g geen voorstel gedaan tot ontmanteling van het fort en wordt ook de verboden kring tot zoolang gehandhaafd. Aan de verdedigingswerken van Tjilatjap (Java's Zuidkust) werd met kracht doorgewerkt. Nadat de onderhanden batterijen, vermoedelijk v,0g in 1871, zullen voltooid zijn, zal de verdere versterking van Tjilatjap voor's hands blijven rusten, in verband met het voornemen om alle beschikbare krachten voor den aanleg van spoorwegen op Java te doen aanwenden, als een allereerst vereischte niet alleen voor de industriële maar ook en vooral voor de militaire belangen. Daartoe zullen dan °ok dienstbaar worden gemaakt de gelden anders voor Permanente verdedigingswerken toe te staan, voor zoover zij niet moeten strekken tot verbetering der stranddefensie van Java's Noordkust. Tot het instellen van een speciaal onderzoek in het belarg der verdediging van het eiland Sumatra , werd in September 1870 een hoofdofficier op non-activiteit derwaarts gecommitteerd , die in Januarij jl. ter zake rapport heeit uitgebragt. Van de verdedigingswerken tegen een inlandschen vijand kwamen, sedert de opgaaf in 't vorig verslag, als permanente versterkingen te vervallen: op Java, het fort te Japara; in de residentie Palembang, de redoute to MoearahKompeh ; op Celebes die te Boelekomba, en in de residentie Lampongsche districten de forten Katimbang en Tandjong, (Indische Staatsbladen 1870, n°. 150, 109 en 153 en 1871 , n°. 85), terwijl ten aanzien van de redoutes te Tanara (Bantam), te Eonthain (Celebes) en te Gorontalo (Menado) voor 's hands alleen de ontwapening werd gelast. Omtrent de bestemming der in den laatsten tijd (zie het vorig verslag blz. 26) ontruimde forten te Koepang, Larantoeka en Atapoepoe (Timor en onderhoorigheden), werd mede nog geene beslissing genomen. De in te trekken tijdelijke versterking te Nanga-Pinoh (Wester-afdeeling van Borneo) heeft in verband met eenige in den loop van 1870 op de •Melawi-rivier voorgevallen ongeregeldheden, voorloopig nog eene militaire bezetting behouden. Ten behoeve van de gewone legervoorziening werd, behalve het onderhoud en de gewone jaarlijksche herstellingen, kleine bijbouwingen en veranderingen, door of op last der genie hoofdzakelijk het volgende verrigt: In eenige officierswoningen te Batavia werden gaspijpen gelegd; eene vrij belangrijke bijbouwing vond plaats bij het bureau der genie-directie, terwijl in het scheikundig laboratorium te Batavia een stoomdistilleertoestel en kookaPparaat werd geplaatst. Te Tjikarang werd het in het laatst van 1869 omgewaaide kampement op het terrein voor praktische artillerieoefeningen gedeeltelijk weder opgerigt. Te Anjer werd de bouw aangevangen van eene nieuwe ophaalbrug voor het fort. Te Samarang werden verbouwingen gemaakt binnen het groot militair hospitaal, hoofdzakelijk ter verkrijging van heter logies voor het bedieningspersoneel ; de woning van den directeur van den buskruidmolen geheel verbouwd, en t* Pontjol eenige werken verrigt om het overtollige water van den artesischen put binnen het fort te benuttigen voor het officierskampement aldaar.
Te Pelantoengan werden de onderhanden bij- en verbouwingen aan het bad-etablissem*nt voortgezet en werd begonnen met het bouwen van eene nieuwe kazerne voor het bewakingsdetachement. Te Salatiga werd eene ritmeesterswoning geheel vernieuwd. Te Banjoebiroe werd eene politiewacht in het artilleriekampement gebouwd en voortgegaan met de herstellingen voltooijing van de door de aardbeving van 1865 gedeeltelijk verwoeste gebouwen van het infanterie-kampement, zoodat er gelegenheid ontstond tot huisvesting van een half' bataillon infanterie. Te Willem I werd het grootendeels ledig staande, in vroegere jaren onder andere toestanden gebouwde semitemporaire bannelingskwartier voor 1200 man, ingerigt tot garnizoenshospitaal, waartoe tot heden gebezigd werden eenige gebouwen binnen de vesting, die evenwel aan de voor een hospitaal te stellen eischen niet voldeden. Hierdoor is eene belangrijke verbetering tot stand gebragt. Voorts werden in het infanterie-kampement buiten de vesting weet vrouwenloodsen opgerigt en verder kleine verbeteringen en veranderingen aan de gebouwen binnen de vesting aangebragt, een en ander noodig in verband met de bevolen wijziging in de legering der troepen in de 2de militaire afdeeling en ten einde voorloopig in logies te voorzien voor het wapen der genie, in verband met zijne reorganisatie. De bouw van het hospitaal te Gombong werd voortgezet, en te Poerworedjo een tijdelijk hulp-hospitaal opgerigt ter voorziening in verpleegruimte voor het aan bijzondere omstandigheden toe te schrijven buitengewoon aantal zieken. Te Soerabaija werd door tijdelijke bijbouwingen voorzien in de behoefte bij de pyrotechnische werkplaats aan localiteit voor patronenconfectie, terwijl bij den artillerieconstructiewinkel een tweede ijzermagazijn werd opgerigt. Te Padang werd de bouw van het permanent officiersen troepenkampement voortgezet, evenzeer als de opstelling der ijzeren kazernes te Port de Koek. Eerlang wordt het ijzeren geraamte eener zesde kazerne uitgezonden, mede voor Fort de Koek. Te Palembang werd de bouw aangevangen van een blok bureaulocalen ten behoeve van den gewestelij ken militairen kommandant; te Muntok (Banka) eene woning voor den hospitaalmeester gebouwd ; te Sambas (Wester-afdeeling van Borneo) eene gekoppelde woning voor twee luitenants opgerigt ; terwijl in de Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo te Martapoera en te Pengaron belangrijke verbouwingen aan de militaire gebouwen en werken werden uitgevoerd ; te Kendangan eene nieuwe kazerne werd gebouwd en de versterking verbeterd, en eindelijk te Kwala Kapoeas de bouw onderhanden genomen van eene nieuwe versterking. Omtrent de wijze van uitvoering der militaire bouwwerken valt aan te teekenen , dat de gewone onderhoudswerken , krachtens daartoe verleende magtiging (zie het vorig verslag bladz. 22), gedurende 1870 nog in daghuur werden uitgevoerd, dqch dat het noodige was voorbereid om in 1871. ook deze uit te besteden, en wel drieledig, namelijk voor één, twee of drie achtereenvolgende jaren. Om nutteloos werk te besparen was bepaald , dat de uitbestedingen voor de uitvoering dezer onderhoudswerken alleen daar zouden worden beproefd, waar, naar het oordeel der hoofden van gewestelijk bestuur, de kans van slagen inderdaad bestaat, terwijl op de overige plaatsen alleen zon worden aanbesteed de levering der benoodigde materialen. Dien ten gevolge werden bij den aanvang van 1871 voor de uitvoering der onderhoudswerkzaamheden aanbestedingen gehouden voor Rijswijk en Weltevreden, Djokjokarta, Soerabaija (Java), Padang, Rau, Port de Koek, Paijacombo (Sumatra's Westkust), Palembang, Lahat, Moeara-Dooa, Djambi, Kepahiang, Bandar (residentie Palembang), Muntok (Banka), Tandjong Pinang (Riouw), Siak, Amboina, Ternate en Batjan (Moluksche eilanden). Van deze aanbestedingen zijn gelukt die voor Rijswijk en Weltevreden, Djokjokarta, Palembang en Muntok, en wel voor de uitvoering van het gewoon onderhoud op genoemde plaatsen gedurende één jaar (1871). Omtrent de Moluksche eilanden is ter zake nog geen berigt ontvangen. Alle andere werken echter, herstellingen, vernieuwingen en nieuwe werken , werden, — behalve die te Willem I, Banjoe-Biroe en Tjilatjap, waar het bezigen van dwangarbeiders het doen optreden van aannemers niet wensche
28
lijk maakt en behoudens zoodanige toevallige en op zich zelve staande uitzonderingen , als het gevolg waren van speciale omstandigheden (urgentie of aard van het werk) — behandeld volgens de voorschriften van de comptabiliteitswet, namelijk uitbesteding voor elk werk afzonderlijk, eerst van de geheele uitvoering en, bij mislukking daarvan , enkel van de levering der materialen. De uitslag dier uitbestedingen was echter even ongunstig, ja nog ongunstiger dan in 1869. Van de 260 uitbestedingen in het geheel gehouden , leidden slechts 22 tot de algeheele toewijzing en 16 tot de toewijzing der levering van materialen. Met uitzondering van eenige hoogst onbeduidende werkjes werden in 1870 dan ook slechts aangenomen : eene bijbouwing bij het bureau der geoie-direetie to Batavia; herstellingen en vernieuwingen aan de militaire gebouwen te Weltevreden en Eijswijk, te Meester-Cornelis, Padang, Solok, Palembang, ïandjong Pinang, Muntok en Ambon ; het bouwen van een blok bureau-localen te Palembang, en van eene woning voor den hospitaalmeester te Muntok. Verreweg het meerendeel der werken moest dus uitgevoerd worden in daghuur. Of en in welke mate men zich daarbij (trouwens tegen betaling) van heerendienstpligtigen heeft moeten bedienen, wordt niet gemeld. Naar aanleiding der in Junij 1870 uitgevaardigde nadere regelen omtrent de verpligte persoonlijke diensten, waarbij onder andereten aanzien van den arbeid aan bouwwerken is voorgeschreven , dat daarvoor slechts op die plaatsen koelies in heerondienst mogen worden gebezigd waar het verkrijgen van eon voldoend aantal \rije lieden, onafhankelijk van het te bedingen loon, niet doenlijk is, zullen, op advies der hoofden van gewestelijk bestuur, in 1871 bij de militaire bouwwerken alleen nog heerendienstpligtigen gebezigd worden in de residentie Palembang te Tebing Tinggi tegen eene betaling van f 0,25 daags ; in de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo te Marabahan , Kwala-Kapoeas, Kahaijan, Moearah Teweh , Sampit, Pengaron, Tabanio en Tandjong tegen een loon van f 0,80 daags.
Op de hoofdplaatsen van Java en Sumatra kondon steeds een voldoend aantal werklieden verkregen werden. Te Samarang, Willem I , Gombong en Ngawi liet echter hun gehalte te wenschen over. Ook de materialen konden veelal in genoegzame hoeveelheid worden verkregen. De prijzen der materialen en ook de arbeidsloonen ondergingen in 1870 over het algemeen weinig verandering. Eene voortdurende, zij het ook langzame, stijging van beide valt echter, volgens den legerkommandant, niet te ontkennen. Putboring. (1) De door het mijnpersoneel uit te voeren artesische boringen ter verkrijging van drinkwater in of nabij het militair kampement te Weltevreden zijn nog niet aangevangen. De proeven met de twee van hier uitgezonden Nortonpompen werden voortgezet. De verkregen uitkomsten bevestigden grootendeels hetgeen deswege in 't vorig verslag bladz. 23 is medegedeeld, terwijl voorts nog bleek, dat slechts in enkele gevallen van deze pompen, en dan nog bij gewijzigde vooral ligtere constructie, met voordeel partij getrokken zal kunnen worden bij militaire expedition. Ook blesk de mindere doelmatigheid van Nortonpompen volgens het ter beproeving uitgezonden model voor grondonderzoekingen. Volgens ingewonnen informatien zouden daartoe veel beter voldoen pompen volgens het stelsel Norton doch van gewijzigde constructie, vervaardigd door een te Batavia gevestigden industrieel. Het voornemen bestaat een of twee pompen volgens die constructie ter beproeving te doen aanmaken. Voorts wordt overwogen in hoever het noodig of wenschelijk te achten zoude zijn , in de uitrusting van het opgerigt wordende corps mineurs en sapeurs (wapen der genie) een of meer pompen volgens het stelsel Norton op te nemen.
Militaire verkenningen en topographisch bureau. Gedurende 1870 werd voortgegaan met de opneming der afdeeling Patjitan (Zuid-Madioen) en der residentien Eembang, Batavia en Kediri, naar welk laatste gewest de opnemingsbrigade van Noord-Madioen in 't laatst van 1869 gedeeltelijk en in het 2de quartaal 1870 geheel was overgegaan. Het door de vier brigades in 1870 opgemeten en in kaart
(1) Vergelijk lager hoofdstuk O, afd. II. § 4.
gebragte terrein bedroeg gezamenlijk 1278 vierkante palen• als: in Zuid-Madioen 226 , in Rembang 312 , in Batavia 38' en ia Kediri (bijna uitsluitend in het tweede semester) 35* Bij het topographisch bureau werd voortgegaan met hel in 't net teekenen der brouillon-detailkaarten (scha* 1:10 000) van Krawang, Japara (inmiddels voltooid) et Madioen, en met het zamenstellen, ten dienste der reproductie in Nederland, der gearceerde overzigts-kaarteJ (schaal 1 : 100 000) van de beide laatste residentien. Overigens was begonnen aan de zamenstelling van dï overzigtskaart van Krawang, welk exemplaar, als be' stemd ter reproductie in Indie door middel der photogra' phie, alleen in Oost-lndischen inkt wordt vervaardigd Op overeenkomstige wijze en met gelijk doel waren oo» copijen onderhanden der overzïgtskaartcn van Samarang en Japara, van welke laatste kaart zoowel het gearceerd' als het photographische exemplaar in Julij jl. hier te land' is ontvangen. De staten aangevende de verbeterde spel- en schrijfwijs der op die kaart voorkomende namen kunnen eerst in ] laatst van 1872 worden te gemoet gezien. De reproductif hier te lande zal intusschen onderhanden kunnen wordet genomen, doch alleen de belettering op de ontvangst de' bedoelde naamstaten moeten wachten, gelijk het geval is met de (anders afgeloopen) reproductie der kaart van Sa' marang. Van die residentie, van Tagal en van Soerakarta* (van welke beide laatste gewesten de kaarten mede reeds ter gravure voorhanden zijn) waren de naamstaten volgens de laatste berigten in Indie nog in behandeling, slechts met uitzondering van die, betreffende het Samarangsch« regentschap Demak, reeds sedert geruimen tijd ingekomen' Thans is hier te lande in gravure de kaart van Soe' rakarta, hebbende die van Pekalongan in April 1871 he' licht gezien. De beëindiging der reeds zeer ver gevorderd« reproductie van de kaart van Cheribon wacht, zoo als bekend is, op de heropnemingen aldaar, en de gravure der kaart van Tagal, behalve op de ontvangst der boven' bedoelde naamstaten , allereerst op nadere gegevens betref' fende een gedeelte der kuststreek. Op bespoedigde ontvangs' dezer verschillende nog ontbrekende gegevens is zeer onlangs bij de Indische Regering aangedrongen. Ter raadpleging voor zooveel noodig bij den reproductie*" arbeid zijn intusschen in 't laatst van 1870 ontvangen weg- en rivierbeschrijvingen, onder andere van Peka' longan, Soerakarta, Samarang en Cheribon. Sedert October 1870 is het photographisch atelier bij het topographisch bureau te Batavia geregeld in werking gekomen, en een aanvang gemaakt met het vervaardigen van photogrammen van de detailkaarten van Krawang op de verkleinde schaal van 1:20 000. Vooraf worden daarto« netcopijen van de kaarten vervaardigd, alleen in Oost' Indischen inkt, zullende de conventionele kleuren der ver' schillende cultures later uit de hand op de photogrammen worden aangebragt. Er schijnen evenwel, volgens latere berigten, bezwaren te worden ondervonden in het (door middel van photo' autographie) reproduceren van gewasschen kaarten. Ds toepassing der nieuw uitgevonden lichtdruk-methode o> zoogenaamde Albertypie zal waarschijnlijk die bezwaren uit den weg ruimen. Reeds is het noodige verrigt om difl
kunst te doen aanleeren door den bij het topographisch bureau hier te lande gedetacheerd geweest zijnden adspirant vooi' de topographische dienst in Indie, over wien in § 2 hiervoreD' Met betrekking tot de buitenbezittingen bepaalden zicnj de werkzaamheden van het militair topographisch perso' neel tot : de zamenstelling van een overzigtskaart betrei' fende de sedert ultimo Maart 1870 (zie het vorig verslag bladz 24) tijdelijk gestaakte opneming in de bovenlanden van Palembang (de Pasoemah) en bestemd om bij hervat' ting der opneming, geleidelijk te worden bijgehouden; d« kopiering van de kaarten der civile opneming van Macassar < ten einde te strekken tot verdere zamenstelling van een' onderhanden zijnde overzigtskaart van Celebes en eindelijk tot het verbeteren naar gelang daartoe gegevens inkwamen' van de verschillende reeds aanwezige kaarten tot de bui' tenbezittingen betrekkelijk. Het personeel van het topographisch bureau en de mi litaire verkenningen was op het einde van 1870, met be trekking tot de organisatie van vier opnemingsbrigades op 2 teekenaars en 5 opnemers na, voltallig.
1 ver Vo gac ] mil ph( ] tro liei f2 het hei
18' all ste Wc dei vai en dei va do( oei
an en te Vei ad iet ho va tie sti tei
Dttï op
op an di he St!
OD go be op va ge ge Be lu de lic hE ht zc ze
b(
PÏ lii v< st S< b, zi
V:
29
oalen a 387 ) 353. et hel scha»! id) e« repro
iarteJ
an à s be' togra' rdigl n ool> laraa ceerdS land»
fwijz« t in I ducti« ordeJ st del val is n Sakarta* reed] olgenf ilechts igscb« omeD' Soe' ri het rdercj uo al» •avua )oven' jetrea pangs ilangä
uctieangefl Peka'
er bij erking rdigeO mg op aarto* Oost' ir vel" immei1
waretf photoa. D« de of warefl m die
>ureat> t vooJ voreB' i ziel1
perso' )etref' erslag andeC ervat' m; d« a,ssari i eer>6
ïdelijï amen' a bui'
Ie mi' et bfl' ïade9'
De nieuwe organisatie van zes brigades (zie het vorig verslag bladz. 24) zal eerst in 1871 in werking treden. Voor de vorming aanvankelijk eener vijfde opnemingsbrigade zijn bereids voorbereidende maatregelen genomen. De uitgaven ovor 1870 bedroegen voor zooveel bekend : militaire verkenningen f 189 476, topographisch bureau en photographisch atelier f 44 819, te zamen f 234 295. De uitgaven voor het lithographisch etablissem*nt overtroffen de waarde van het afgeleverde (f 337 aan particulieren en f 7636 aan de gouvernements-bureaux) met slechts f 2624 tegon nog f 7012 in 1869. Deze bezuiniging was het gevolg der in 't vorig verslag bedoelde inkrimping van het graveurspersoneel.
Maden van administratie Bij eon besluit van 26 October 1870 [Indisch Staatsblad n°. 157), zijn, met intrekking van a^e daarmede strijdige bcpalingon, voorschriften vastgesteld, i, iu beginsel regelende den werkkring, de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid van : 1°. de presidenten en leden van — en kwartiermeesters bij — raden Van administratie; 2°. de administrateurs van garnizoenen e n detachementen, zich verantwoordende regtstreeks aan den gewestelijken onder-intendant; 3". de administrateurs Van garnizoenen en detachementen, uitmakende een onderdeel van — en zich verantwoordende regtstreeks aan — een raad van administratie". De voorname strekking der nieuwe bepalingen is, de verantwoordelijkheid van president en leden der bedoelde raden etl die der als secretaris fungerende kwartiermeesters af t e bakenen en te regelen zoodanig, dat elk hunner alleen verantwoordelijk en aansprakelijk zij voor dat gedeelte van administratief toezigt en beheer, hetwelk uit den aard van ieders betrekking eigenaardig en in billijkheid op hem behoort te rusten ter verzekering van 's lands belangen en v«n den geregelden gang der dienst. In het administratief beheer der kleinere posten , zich verantwoordende regtstreeks., aan administratieraden, zullen de nieuwe bepalingen tevens-«ene gewenschte vereenvoudiging aanbrengen. Het tijdstip van inwerkingtreding, aan den legerkomttandant ter regeling overgelaten, word door dezen bepaald °P 1 Januari) 1871.
Officierskleedingmagazijn. De reeds in 1867 aanbevolen °Pheffing van het algemeen officierskleedingmagazijn, met andere woorden het verlaten van het stelsel van ontbieding van officiersgoederen uit Nederland en oplegging in het magazijn om naar gelang der navraag te worden vertrekt, heeft laatstelijk bij de Indische Regering bijval ontmoet. Echter wenschte deze de levering der bedoelde goederen voortaan te doen geschieden aan de belanghebhende zelven door aannemers, ingevolge contracten van epenbare uitbesteding' in Indie, een en ander met behoud Vau het officiers-kleeding/cmcfo. Vermits echter bij de Regering hier te lande tegen deze onder anderen vorm voortgezette gouvernementsbemoeijenis bezwaar bestond, en het z,elfs aan twijfel onderhevig werd geacht of zoodanige| regeling wel in het belang van de officieren zou uitkomen, is de Gouverneur-Generaal in den aanvang van 1871 uitgeDoodigd maatregelen te nemen tot spoedige opheffing van het officiers-kleedingmagazijn, zonder daarvoor eenige andere oemoeijing van gouvernementswege in de plaats te stellen, E°odat aan de officieren worde overgelaten zich voortaan Eelven, op de wijze die hun het meest dienstig zou voorkomen, Van de benoodigde kleeding en uitrusting te voorzien.
Dien ten gevolge heeft de Gouverneur-Generaal bij een hesluit van 28 Mei il., de opheffing van het magazijn bepaald op 1 Julij daaraanvolgende , en de noodige bepalingen gemaakt omtrent de wijze van opruiming (bij publieken verkoop in kleine kavelingen, zooveel mogelijk zelfs per stuk) der dan aanwezige goederen, zullende echter de goud- en zilverwerken niet mogen verkocht worden verre oeneden de reëele waarde van het edel metaal, waaruit Z1J zijn vervaardigd. (1)
Aanschaf fing van benoodigdheden voor het leger. Hieromtrent Valt aan te teekenen, dat in het begin van 1871 aanlei
. (*) Voorstellen omtrent de voor 's landa rekening te nemen schade lt* de liquidatie zijn in behandeling. N". 8. 2.
ding werd gevonden het Indisch Bestuur de handhaving aan te bevelen van het in 1865 besliste (vergelijk Bij blad op het Indisch Staatsblad n°. 1664), dat bij de aanschaffing van goederen van Europesehen oorsprong ontbieding uit Nederland regel moet zijn, plaatselijke aanschaffing uitzondering, telkens slechts dan toe te passen wanneer met eenige zekerheid het voordeelige daarvan berekend kan worden. Voor die bijzondere gevallen waarin tot plaatselijke aanschaffing moet worden overgegaan, werd tevens gewezen op de noodzakelijkheid van afdoende controle ter verzekering dat geene te hooge prijzen worden besteed.
Schoen- en kleermakers-ateliers. Ten einde van de in 't vorig verslag (bladz. 24) bedoelde naaimachines al dadelijk bet vereischte nut te trekken, zijn een tweetal voor de Indische dienst bestemde militairen in de gelegenheid gesteld zich te bekwamen zoowel in het zelf werken met die machines als in het geven van onderrigt aan anderen. Beiden zijn thans naar Indie vertrokken, zoodat de hierbedoelde werktuigen weldra in beproeving zullen kunnen worden gegeven.
Voeding. De reeds in het vorig verslag besproken wijziging in de voeding, die met 1 April 1870 werd ingevoerd, kan als eene belangrijke lotsverbetering voor den Indischen soldaat worden aangemerkt, waarvan de gunstige gevolgen, zoo als reeds hooger werd gemeld, niet zijn uitgebleven; zij had een gunstigen invloed op den gegezondheidstoestand en op den geest der troepen. In het leger werd, behalve voor de verstrekking van brood en vleesch, ook gezorgd voor de zoo noodige afwisseling in spijzen, .terwijl het aanleggen van vischvijvers en groententuinen, waar zulks nuttig en mogelijk was, door het legerbestuur werd voorgeschreven. Nog verdient hier vermelding de bepaling, dat in die garnizoenen, waar om eenige reden van 's lands wege niet voorzien kan worden in de behoefte aan versch vleesch (rund- of buffel-), aan de inlandsche militairen zooveel malen per week gezouten vleesch en Liebig's vleesch-extract kan worden verstrekt, als door de gewestelijke militaire kommandanten in verband met de plaatselijke omstandigheden wenschelijk wordt geacht. Op kleine schaal zal eene proef worden genomen met de in den jongsten oorlog in Europa veelvuldig gebruikte »gepreserveerde erwten-vleeschworst", inzonderheid ter beoordeeling in hoever dit praeparaat, op marschen en expeditien medegevoerd, tegen het tropisch klimaat bestand is.
Spaarkassen. Volgens het laatst geverifieerde verslag van het militaire spaarfonds werd op het einde van 1868 daarvan gebruik gemaakt door 137 personen, welke gezamenlijk te goed hadden f 15 745. In genoemd jaar werd ingelegd f 7630 en teruggevorderd f 12 101; in 1867 waren de beide laatste cijfers f 9142 en f 11 078. De kommandant van het leger heeft de officieren aangespoord om hun beste pogingen in 't werk te stellen ten einde den onderofficier en soldaat tot het besefte brengen van het nut der spaarkassen en hen tot meerdere deelneming op te wekken.
Kazernes en hospitalen. Hoewel de gezondheid van het garnizoen te Weltevreden eer verbeterd dan achteruitgegaan is, moest het aantal zieken nog altijd hoogst aanzienlijk genoemd worden; zelfs deden zich in 1870 een vrij beduidend getal gevallen van berri-berri voor. Als eerste en vermoedelijk als hoofdoorzaak van dien ongunstigen toestand moet de onvoldoende ruimte die de aanwezige kazernes aanbieden worden beschouwd. In afwachting van meer afdoende voorzieningen (zie hooger de rubriek » Verbeterde legering van de hoofdmagt der troepen"), heeft men getracht voorloopig verbetering aan te brengen door de toetreding van licht en lucht in de kazernes te bevorderen, zoo door het wegbreken van muurgedeelten boven de kozijnen, als door het aanbrengen van luchtgaten en het op sommige plaatsen wegnemen der luiken. Dien ten gevolge heerscht thans in de kwartieren ook des nachts eene koele en zuivere atmospheer. "Wanneer een en ander op den duur blijkt te voldoen, zal dit, zoo noodig en mogelijk, overal in toepassing worden gebragt.
8
30
Bijzondere maatregelen zijn genomen, opdat de geneeskundige dienst zich voortaan meer dan vroeger bswege in de rigting: »voorkoming van ziekten", door de officieren van gezondheid herhaaldelijk de kazernes en andere militaire inrigtingen te doen bezoeken, om daar hunne aandacht te wijden aan alle details betreffende logies, voeding, drinkwater, privaten, badgelegenheden enz. Vergunning werd door het legerbestuur verleend om in garnizoenen, waar de stand der kantine-fondsen zulks toelaat , deze fondsen ook , doch op de meest zuinige wijze, aan te wenden tot verlichting van eenige soldaten-chambreeën door middel van petroleum, ten einde daardoor die chambreeën gezelliger te maken en de manschappen aan te sporen 's avonds in het kwartier te blijven. Waar zulks mogelijk was en dit voorloopig zonder groote uitgaven geschieden kon, werd ook in de militaire hospitalen en ziekeninrigtingen voor eene betere ventilatie gezorgd. Het groot militair hospitaal te Weltevreden werd met gas verlicht. Het gebouw in de vesting Willem I vopr hospitaal gebruikt en daarvoor door zijne ligging en inrigting niet geschikt geacht, werd voor een ander doel bestemd en een tijdelijk hospitaal buiten de vesting (het voormalige kettingkwartier) in gebruik genomen. De directie der groote militaire hospitalen , welke vroeger aan militaire ambtenaren was toevertrouwd, ging over in handen van officieren der militaire administratie. Voorts is bij het legerbestuur in overweging om het beheer en toezigt van de ziekeninrigtingen , dat nog grootendeels bij de hospitaal-directeurs berust, geheel over te dragen aan de dirigerende of eerstaanwezende officieren van gezondheid. Naauwlettende zorg werd door dat bestuur aanbevolen ten opzigte van de toebereiding en verstrekking der geneesmiddelen door de militaire apotheken. Dat de reeds getroffen maatregelen tot verbetering van het toezigt over het administratief beheer der militaire ziekeninrigtingen ook uit een geldelijk oogpunt aan de verwachting beantwoorden, kan hieruit blijken, dat alleen gedurende het tweede semester 1870 daardoor eene besparing is verkregen van f 21 218.
Verbanddoek. Wegens het aangetoond groot nut daarvan voor te velde trekkende troepen, zal voortaan krachtens een besluit van December 1870, tot [de uitrusting van troepen te velde voor zooveel liet kader betreft, behooren één meter verband-katoen per hoofd. Maatregelen werden genomen om in allo garnizoenen door een of meer officieren van gezondheid onderrigt in het gebruik van dien verbanddoek te doen geven.
Boode Kruis. Op verschillende plaatsen in Nederlandsen Indie constitueerden zich afdeelingen der vereeniging van het Koode Kruis, die aan het te 's Gravenhage gevestigde hoofdcomité van de Nederlandsche vereeniging gelden overmaakten ten behoeve van zieke en gewonde krijgslieden in den jongsten oorlog in Europa. Het Bataviaasch comité deed van zijne belangstelling in het lot van den Indischen soldaat te velde blijken door ten behoeve van de expeditionaire land- en zeemagt in de Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo diverse artikelen ter beschikking te stellen van de kommandanten dier troepen. Die belangstelling werd ten zeerste gewaardeerd. Van af 10 October 1870 (dag van de oprigting van het Bataviasche comité) tot ultimo December van dat jaar was aan vrijwillige giften in Nederlandsen Indie bijeengebragt de belangrijke som van f 73 982, waarvan naar het hoofdcomité te 's Gravenhage toen was overgemaakt f 32 000, . en naar Bandjermasin , zoo in contanten als aan ingekochte artikelen f 3335, zoodat op 1 Januarij 1871 in kas bleef f 38 647. Sedert was volgens opgaven van April jl. nog f 28 000 naar Nederland overgemaakt.
Ambulance-voorwerpen. Verscheidene modellen van draagen raderdraagbaren, zoowel voor gebruik te velde als in garnizoen, benevens verschillende soorten van veld-verbandtasschen werden op last van den kommandant van het leger ontworpen, aangemaakt en in beproeving gegeven, omtrent den uitslag waarvan later zou moeten worden gerapporteerd.
Ook zijn in beproeving drie door het Bataviaasch comit1 van het Roode Kruis aan hot legerbestuur aangeboden draag baren. Uit Nederland werd ontboden een model van den in 1871 op de te 's Hage gehouden tentoonstelling van ambulance' voorwerpen bekroonden brancard , ingezonden geweest dooi den heer DUMONTIER , oud-chef van de geneeskundige diens in Suriname (1).
§ 4. Krijgsverrigtingen.
Sedert de indiening van het jongste verslag, waariij nog melding werd gemaakt van eene zonder vijandelijk' ontmoetingen in Februarij 1870 plaats gehad hebbend' militaire vertooning op een der Mentawei-eilanden (Sumatra's Westkust) hebben krijgsverrigtingen plaats ge' vonden in de Zuider-en Ooster-afdeeling van Borneo, waa< door zekeren WANGKANG, een opstandeling uit den vroegeren krijg, pogingen werden in 't werk gesteld tot hel verwekken van nieuwe onlusten. Die pogingen, waaraat eene dubbelzinnige houding was voorafgegaan (zie hoofdstuk C § 3 hiervoren) werden op 25 November 1870 ingeleid door zijne gewapende verschijning ter hoofdplaats met circa 500 volgelingen, die hij, gesteund door ander« heethoofden, uit de Boven Doeson en Marabahan en omstreken onder het slechtste deel der bevolking bijeen had weten te brengen. De civile en militaire autoriteiten echter, nog te goedel ure deze onverwachte verschijning vernemende, sneLdeJ hem onverwijld, ter plaatse waar hij zich met de zijnen had opgesteld, met een detachement van 57 man infanteri« te gemoet, en WANGKAN G werd, na herhaalde malen tl vergeefs tot onderwerping gesommeerd te zijn, ondanks zijn groot aantal volgelingen, die intusschen eene uitdagende houding hadden aangenomen, na een kort docli hevig gevecht met verlies van ongeveer 50 à 60 man teruggeslagen en gedwongen de wijk te nemen in de moerassig« omstreken van de hoofdplaats. Van onze zijde waren 4 man gesneuveld en 3 gewond, waaronder 2 officieren. Daar de in de Zuider- en Ooster-afdeeliog van Borneo beschikbare troepenmagt niet voldoende was om meti kracht tegen hem op te treden, ontving de kommandant der 3de militaire afdeeling op Java den 6den December per telegraaph last om den staf en de regterhelft van het 13de bataillon infanterie onverwijld van Soerabaija naai' Bandjermasin te zenden. Die troepen vertrokken den volgenden dag en kwamen twee dagen later ter bestemde plaats aan. Intusschen was men te Bandjermasin voortgegaan, on» den vijand meer en meer uit de nabijheid te verjagen. Den Uden December embarqueerde eene kolonne sterfc 11 officieren en 300 onderofficieren en manschappen aa» boord van Zijner Majesteits stoomschip Banka, met het doel om WANGKANG, die met zijne bende intusschen verder of in de omstreken van Marabahan geweken was, in zijne schuilhoeken op te sporen. Aan de monding der Soengei Bedandan gekomen, ging de kolonne op eenige te voren gereed gemaakte en medegevoerde vlotten over, en bereikte onder bescherming va» eenige gewapende barkassen der marine, en voorafgegaan door SOETA ONO (het zeer getrouwe hoofd der Dajaks vaü Siong en Patai) met zijne volgelingen, eene plaats die volgens de aanwijzingen van den gids een uur gaans ver' wijderd was van WANGKANG'S verblijf. Daar betraden de troepen den vasten , doch zeer moerassigen wal. Nadat zij eenigen tijd op zeer moeijelijk begaanbaar terrein hadden gemarcheerd, werden zij uit een nabij gelegen bosch hevig beschoten. De krachtdadige beantwoording van dit vuur had ten gevolge dat de vijand spoedig, en naar het scheen met veel verlies op de vlugt sloeg. Aan onze zijde werden 2 man van de landmagteö 2 man van de marine gekwetst. Zonder verder verontrust te worden, vervolgde de ko' lonne haren weg tot aan de woning van WANGKANG , die echter verlaten was. Daarop keerde zij naar Marabaha» terug.
(1) Het noodige voor de verzending, ook van een tweede door ge' ƒ noemden deskundige aangeprezen model, is dezer dagen verrigt.
îoniiq draag
n 1871 lane«' ît doa diens
raarit lelijk« ibend' i (Suis ge, waat vroeot he:
.araat hoofd' 70 im plaatî inder« a om' n had
;oodel lelden zijnefl nterîj len t« dank» uitdadoc!> terug' assig«
vond i
lorneö i me' n dan' smbef in het , naai'
ramen
i, oa> en. sterk n aaf it doel 1er op zijne
, ging mede' ig vaß egaaö s vaB ts die: s ver'
moe' ijelijk ij uit ladige;
njand vlug' igt eü
e ko' -, die jaha»
orge'
_ Een_ op den 15den December door eene kolonne van o officieren en 100 onderofficieren en. manschappen ondernomen togt tot gevangenneming van WANGKANG had evenmin een gunstig gevolg. Op het berigt dat de vijand zich aan de Soengei Beslap , noordelijk van de Soengei Bedandan ophield, vertrok «en 17den Dflcember eene kolonne van 6 officieren en •JoO onderofficieren en minderen derwaarts, doch ook die togt had geene andere resultaten, dan dan dat men eenige woningen, die eerst kort te voren verlaten schenen t e zijn, aan de vlammen prijs gaf. De volgende dagen giogen met het maken van patrouilles voorbij, terwijl het aan eenige ons getrouwe hoofden geJnkte om enkele van WANGKANG'S aanhansrers te veriaa-en °i te dooden. Op den avond van den 26sten December ontving men net berigt, dat WANGKANG eene versterking opgeworpen ü ad aan den noordelijken tak van Simpang (kreek) Doerachman en daar een hardnekkigen tegenstand zou bieden. Den 27sten rukte eene kolonne sterk 8 officieren en 1 50 onderofficieren en manschappen uit om die versterking °P te zoeken ; ook hierbij was weder SOETA ONO met de Z1jnen en bewees uitstekende diensten. Men voer met groote krachtsinspanning de Soengei ^oerachman op en, nu en dan door den vijand bestookt gordende, bij welke gelegenheid men in het zeer modderige terrein debarqueerde en den vijand verjoeg, kwam men eindelijk met verlies van 5 gewonde militairen bij de Versterking aan ; daarop werden eenige granaat- en kartetsschoten gedaan , die de vijand niet onbeantwoord liet, en ^aarbij 2 officieren, waaronder de kolonne-kommandant, nenevens 1 matroos werden gekwetst. Spoedig weid de versterking bestormd en ingenomen, bij welke gelegenheid eenige wapens en een vlag werden buit gemaakt. De vijand redde zich door de vlugt ; de talrijke bloedsPoren, die men in de versterking vond, bewezen dat hij groot verlies had geleden. De versterking werd onmiddellijk geslecht. Eenige dagen later bleek het, dat WANGKANG bij die Verdediging een schot in het hoofd gekregen had, aan de gevolgen waarvan hij, nog onder het vervoer , bezweken was. Na den dood-van WANGKANG en de door onze wapenen behaalde voordeelen maakte zich eene algemeene ontmoedigWg van zijne volgelingen meester; verscheidenen hunner
werden gevat; enkelen, die zich onder zekeren goesti M O HAMAD hadden vereenigd, bleven nog in de wildernissen rondzwerven. Het gelukte echter aan met ons bevriende hoofden en aan bevolkingspatrouilles, versterkt met eenige militairen, om ook het meerendeel van dezen gevangen te nemen of te dooden. Ook goesti MOHAMAD, die zich niet wilde overgeven, viel dood in onze handen. Door het sneuvelen of gevangen nemen van alle tot den opstand behoord hebbende hoofden eindigde het verzet. Een verder verblijf van het geheele regter half 13de bataillon infanterie op Borneo's Zuid- en Oostkust was dus niet langer noodig. De staf van dat bataillon keerde dan ook met 2 compagnien op den 4den February 1871 naar Soerabaija terug. Eene compagnie bleef achter, hoofdzakelijk om behulpzaam te zijn in het bewaken der 267 gevangenen die aan den regter zijn overgegeven.
§ 5. Gewapende corpsen niet regtstreehs tot het leger behoorende.
Behalve de oprigting eener schutterij te Koepang (Timor) en de uitbreiding van het legioen van prins PAKOE ALAM van Ejokjokarta, over welk een en ander zie het vorig verslag bladz. 25 en 26, onderging de formatie der tot deze paragraaph behoorende corpsen gedurende 1870 geene wijzigingen van aanbelang. Sedert is door het Opperbestuur magtiging verleend (Julij jl.) om, ingevolge den wenseh van genoemden prins, de infanterie van zijn legioen met e'éne compagnie te vermeerderen tegen vermindering zijner cavalerie. De gebruikelijke aantooning van de vastgestelde en de aanwezige sterkte volgt hieronder. Schutterijen worden ook in de buitenbezittingen aangetroffen; de andere corpsen niet. De schutterijen in de buitenbezittingen waren onder ultimo 1870 sterk 2518 Europeanen en 546 inlanders. Onder deze Europeanen tellen echter,_ meer bijzonder wat de Molukken aangaat, een aantal inlandsche burgers. In de onderstaande opgaaf is niet begrepen het corps Chinezen te Koepang, van welks oprigting en bijzondere bestemming in 't vorig verslag sprake was. Het bestond onder ultimo 1870 uit 1 kapitein en 110 man.
Schutterij.
formatie. .
Merkte. .
.1 (
i
/
Ultimo 1869
» 1870
.. 1869
» 1870
a C3 CD ft O
W
Onbep.
id.
4266
a. 4243
ca ' O a <s
Pradjoerits
a es <D ft o
P
O 'O a «
Djaijangsekars (inlandsche cavalerie).
a a cl CB ft O w
Onbep.
id.
1371
1222 51
49
49
50
51
2059
2101
1914
1941
11
11
13
14
'O a c« i—i a
Legioenen.
ft o 3
281
281
272
269
•o a öS
b. 1016
c. 1253
1025
1253
Lijfwachten dragonders, (d)
© ft o %* o
'O p 03
Barissans.
ft o
80
80
e. 79
/. 79
»
n
»
»
19
19
19
19
-o a
2968
2970
2521
2577
aOngerekend: voor Ternate 196 schutters »met verlof afwezig"; voor Banda 286 piekeniers.
bHiervan voor het legioen van den prins MANGKOE NEGORO van Soerakarta 857 man (waaronder ook artillerie en cavalerie) en voor dat van den prins PAKOE ALAM van Djokjokarta 159 man (waaronder ook cavalerie).
cAls voren respectivelijk 857 en 396 man.
"• Ter beschikking van de vorsten te Soerakarta en Djokjokarta.
eWaaronder 9 Amboinezen.
f' » 8 »
32
De berigten omtrent den toestand en de geoefendheid der schutterijen zijn over het algemeen gunstig en kunnen, althans voor de dienst in vredestijd, voldoende genoemd worden. Te Padang echter vereischt de toestand eene reorganisatie, welke onderhanden is. Van de Menadosche schutterij werd in Februari]' jl. een detachement van 75 man mobiel verklaard en naar Gorontalo gezonden. Gelukkig werden de verwikkelingen aldaar zonder geweld beëindigd. Met betrekking tot de schutterij te Koepang verdient vermelding, dat omstreeks 50 ingezetenen van Babauw zich bij dezelve aangesloten hebben, geregeld iedere week onder de leiding van een daartoe bestemd onderofficier wapenoefeningen houden en eenmaal 's maands naar de 17 palen verwijderde hoofdplaats Koepang opkomen om de exercitien mede te maken. De op het gebied der schutterijen uitgevaardigde bepalingen betroffen eene nadere aanwijzing van den tijd waarover contributie verschuldigd is {Indisch Staatsblad 1870, n°. 113), zoomede eene uitbreiding der kategorien van personen die van persoonlijke schutterlijke dienst zijn vrijgesteld. (Indisch Staatsblad 1870, n°. 87 en 203.) Een verzoek van ingezetenen van Buitenzorg om plaatselijk eene schutterij op te rigten, werd met het oog op art. 1 van Indisch Staatsblad 1838, n°. 22, krachtens hetwelk alleen op de hoofdplaatsen der residentien van Java schutterijen worden zamengesteld, voor inwilliging niet vatbaar bevonden. De gunstige berigten in het vorig verslag (bladz. 26) gegeven nopens de legioenen van MANGKOE NEGORO en PAKOE ALAM , kunnen ook voor 1870 herhaald worden. De geoefendheid der pradjoerits was in het algemeen bevredigend. Nadat in 1869 in beginsel besloten was tot opheffing der betrekking van inlandsen luitenant bij de corpsen pradjoerits, wegens het weinige nut in 't algemeen dooide titularissen gesticht, waren de openvallende plaatsen voorloopig onvervuld gelaten, zoodat in 't laatst van I860 feitelijk geen officieren bij genoemde corpsen meer aanwezig waren. Bij die detachementen waarbij een Europeesch onderofficier als vast instructeur was ingedeeld, werd derhalve het bevel door dezen, en bij die enkele, welker oefeningen (van tijd tot tijd) werden geleid door een Europeesch instructeur van elders, het bevel door een inlandsch onderofficier gevoerd. Sedert is, bij Indisch besluit van 22 Januarij 1871 (Indisch Staatsblad n°. 12), voor goed tot opheffing der luitenantsrangen bij de corpsen pradjoerits besloten, met bepaling dat hot bevel over elk detachement zal worden gevoerd door een actief' dienend of gegageerd Europeesch onderofficier van het leger, tevens instructeur. Aan de in het vorig verslag bedoelde bezwaren met betrekking tot het voltallig houden dier detachementen, welk o op enkele plaatsen de indien afstelling van wachters noodzakelijk maakten, is te gemoet gekomen door toekenning van handgeld en verhooging der soldij (Indisch Staatsblad 1870, n°. 163). De gunstige invloed daarvan is reeds merkbaar, zoodat de op eenigo plaatsen tijdelijk in dienst gestelde wachters gedeeltelijk weder afgeschaft zijn en eerlang geheel zullen kunnen gemist worden. De detachementen djaijang-secars gaven reden tot tevredenheid. De toestand van de barissans op Madura wordt, wat de werktuigel'ijke geoefendheid van de infanterie in de behandeling van het geweer en het uitvoeren van bewegingen volgens de exercitie-reglementen betreft, zeer voldoende genoemd. Daarentegen zijnde cavaleristen, artilleristen en pioniers slecht geoefend, bereden en geëquipeerd. De opkomst die, zoo als uit het vorig verslag blijkt, voorheen veel te wenschen overliet, is later zeer goed geweest. Men dankt zulks hieraan, dat thans door de vorsten aan de officieren een allezins voldoend inkomen verzekerd en aan de onderofficieren en manschappen , die niet van sawahs zijn voorzien, eene geldelijke tegemoetkoming toegekend is. In September 1870 werden de twee legioenen , zoomede de pradjoerits en barissans, met getrokken geweren gewapend, waarmede zij zeer zijn ingenomen. Eene dergelijke bewapening zal mede aan alle schutterijen gegeven worden, zoodra na ontvangst van de toegezegde achterlaadgeweren, stelsel DE BEAUMONT, een voldoend aantal getrokken infanterie^eweren beschikbaar komt.
Tot dusver is alleen een klein gedeelte van de schutterijen op de drie hoofdplaatsen van Java van getrokken geweren voorzien. Ten slotte verdient vermelding , dat ook voor de in deze paragraaph besproken corpsen bij de reeds hiervoren vermelde Koninklijke besluiten van 15 December 1869 nos. 3 en 4, (zie do rubriek » Eeretockonen" in § 3 hiervoren) voor zooveel noodig bepalingen zijn in 't leven geroepen , strekkende om de daartoe behoorende Europesche of inlandsche onderofficieren en manschappen , benoemd wordende tot ridder der Militaire Willemsorde of de medaille voor moed en trouw erlangende , te doen deelachtig worden de aan zoodanige onderscheiding voor hunne ranggenooten bij het leger verbonden soldij of toelage.
§ 6. Koloniaal Militair Invalidenhuis nabij Arnhem.
boi 26s tro dr( 18: inl,
] Vei k\v ter ] loo de wa sto ] . ttii In den gunstigen toestand van dit gesticht, in 't vorig jja verslag geschetst, is sedert geene verandering gekomen. J5C De gemiddelde verpleegsteïkte gedurende 1870 was 196 <^e. man, welk aantal ook juist onder ultimo December aan-; j wezig was. Er werden in den loop van genoemd jaar 49 verpleegden uit de sterkte afgevoerd, als: 31 wegens ontslag op eigen verzoek, 14 wegens overlijden, 3 wegens wangedrag verwijderd en 1 ter verpleging in een krankzinnigengesticht. Daarentegen werden 45 oud-militairen opgenomen. Op 1°. Julij jl. waren 193 invaliden (59 gegradueerden en 134 ongegradueerden) aanwezig, zijnde 18 minder dan het bepaalde maximum. De gezondheidstoestand in het gesticht was bevredigend. Voor revaccinatie, in verband met het heerschen der pokken-epidemie, werd behoorlijk gezorgd. Op 1 Julij j 1telde men 13 zieken. De landelijke arbeid der invaliden en de veehouderij gaven in 1870 gunstige uitkomsten ; de op die wijze door middel van eigen beheer verkregen voortbrengselen, voor tiTe zoover ze in 1870 verbruikt werden , vertegenwoordigden J^6( volgens de berekening van den kommandant eene waarde jjg van f4860, tegen f 3867 in 1869 en f2980 in 1868. Bo- a a n vendien was de veestapel van het gesticht bij het eind van i§^ het jaar nog vermeerderd met 4 runderen en 3 varkens, zooda' r e j g van de eerste 10 en van de laatste 30 stuks aanwezig ware»! ^ De (onzuivere) kosten van het gesticht zijn in de laatste- j ^ driejaren 1868, 1869 en 1870, achtereenvolgens g e w e e s t ^ f 6 3 382, f'63 563 en f 64 386, waaronder aan uitgaven r e e ( ten behoeve der zoogenaamde boerderij respectivelijk f' 21851 VQI f 2769 en f 3223. * de a Daarentegen zijn ten bate der inrigting gekomen de ga' bezj gementen der verpleegden , achtereenvolgens ten bedrag6 J U n van f 19 866 , f 20 067 en f 21 052 , zoodat de werkelijk« J u lj uitgaven voor den lande niet hooger zijn geweest da» j f 43 516 , f 43 496 en f 43 334. ^ hou keU: Voo "•ab; aan Van Tvor
28 tel het Me var 392 213 54i ( ben 892 I de Cel,
E. £cemagt.
§ 1. Rommandement.
Het bevel over de zeemagt in Nederlandsen Indie 0lsch het beheer van het departement der marine aldaar werdet1 g gevoerd door den schout-bij-nacht J. ANDRERE, tot defsto0 16den Januarij 1871, als wanneer dat bevel en beheejin j overgingen op den uit Nederland aangekomen vice-admira»; -^ O. A. UHLENBECK, voor die bestemming aangewezen Woofc Koninklijk besluit van 7 October 1870, n°. 14. de ,
sehe fcaa Jeek § 2. Oorlogsmarine.
Sterkte, enz. Een algemeen overzigt van de in NedeJ"^ ^ landsch Indie op 1 Januarij 1870 aanwezige oorlogsmarii>'vj|t
on van de daarin tot ultimo April 1871 voorgevalt •* veranderingen wordt aaugetrofïen in bijlage E. Dat overzigt doet zien dat op eerstgemeld tijdstip t " ^ ^ het blijvend Indisch eskader (de zoogenaamde Indisd1
militaire marine) behoorden 24 en tot het auxiliair eskafl7 U) 7 schepen, de laatste met namen : Willem, Curaçao J ^ Djambi (schroefstoomschepen 1ste klasse) , „3 „ Marnix (u>1
2de klasse), Bali en Vesuvius (dito ode klasse) en Pn'«4 (2 Amelia (korvet met stoomvermogenj. °0(Ji
33
ittecken
deze ver)s. 3 >ren) pon , : invoraille vor
,Torig men. 196 aan.r 49 ont)gen9 ankn op•aduinder
gend. deï lij jl'
Met inbegrip van de bemanning van de Curaçao, welke bodem, zoo als reeds in het vorig verslag is vermeld, den ^sten September 1869 naar de Perzische Golf was vertrokken en denlOdenMei 1870 te Batavia terug kwam, be1«76^ d e s t e i'k t e d01' gezamenlijke bemanningen op 1 Januarij . ° ' ° i 3996 koppen, waarvan 2959 Europeanen en 1037 slanders. Het schroefstoomschip Marnix, dat blijkens het vorig Verslag den lsten February 1870 naar Japan vertrok" W a m op den 30sten Julij daaraanvolgende bij de vlag erug. Drie bodems van het auxiliair eskader werden in den 00p van 1870 bij de Indische militaire marine opgenomen : «e korvet met stoomvermogen Prinses Amelia, na tot ^achtschip te zijn ingerigt met 1 Pebruarij ; de schroefstoom schepen Bali en Vesuvius met 1 October. Behalve de reeds in het vorig verslag vermelde verhindering der sterkte door de afkeuring van de Juno en Haarlemmermeer werd nog het raderstoomschip Bromo den •Jpden September 1870 buiten dienst gesteld en voor de dlenst afgekeurd. De scheepsmagt bestond alzoo op 1 Januarij 1871 uit *° bodems namelijk 4 {Willem, Curaçao, JDjambien Marnix) uehoorende tot het auxiliair eskader en 24 behoorende tot ^et blijvend Indisch eskader (waarvan 1, de Bali, sedert •^tei 1870 tijdelijk buiten dienst). De gemiddelde sterkte ^an de bemanning bij de beide eskaders over 1870 was 2,! 6 koppen, waarvan 2959 Europeanen (281 officieren, 137 scheeps-onderofficieren en mindere schepelingen en °41 mariniers) en 967 inlanders. Onder ultimo December 1870 was de totale scheepsa^anning 3538 koppen, waarvan 2646 Europeanen en °92 inlanders. De veranderingen tot dus ver in 1871 voorgekomen waren : d e buitendienststelling van het raderstoomschip 4de klasse )i yefes en het schroefstoomschip 3de klasse Beteh (respecigdefl \rVe^k ' n J a n u a r i j e n April), zoomede de terugkeer naar aarde , ^ e r l a n d van het schroefstoomschip 1ste klasse Willem. BoApril) (1) Het schroefstoomschip 1ste klasse Curaçao ,
iderij door vooi'
aan het invallen van den oostmoesson van ens te bezoeken, heeft die d van {onKe'wezen om tegen het invalle ood&t • °*e Noord-Australische havi ' r e i s den 31sten Mei jl. aanvaard.
t te , Tot uitzending en terugvoer van schepelingen van het esweestj a^.er werd in 1870 weder gebezigd Zr. Ms. stoomtransports°nip Java, hetwelk den 9den Maart 1870 uit Nederland ter eede Batavia aankwam en den 20sten November daaraan,°'gende naar Nederland terugkeerde. In 1871 werd, wegens He j
gaveD 2185,
ie ga-ib ^ a n ^ e Java vereiscbte reparatien, voor bedoelde dienst geidra0'* T621-^ ^ r ' ^"S' ^ r eS a t -Admiraal van Wassenaer. Den loden :eliik" *\Üyl t e ^ at- a vi a aangekomen, heeft die bodem den 31sten t da* » "* ^ ' ^ e * e r ug r ei s aanvaard. , 1er gedeeltelijke voorziening in het charter van groote , °uten schepen , waarvan er één , de Bromo, reeds is afgeeUrd en ook de beide andere, Amsterdam en Ardjoeno, eerlang °° r de dienst niet meer bruikbaar zullen zijn, is te Soebaija een aanvang gemaakt met den in 't vorig verslag ngekondigden bouw van een raderstoomschip 1ste klasse dt> 300 paardenkracht (type Amsterdam), waarin zullen die el« ?r"en geplaatst de werktuigen van het vroegere stoomr erde» ^ P Gedeh. it deü8* * i" November 1867 te Soerabaija van stapel geloopen behee'i,, 0 0 1 1^'^ 1 5? 0 1'^^? Soerabaija van 220 paardenkracht is mira»' j] 8 7° .geheel afgebouwd. sen foin t ^eide hierbedoelde nieuwe schepen worden geacht, , * na het uitvallen van de Amsterdam en de Ardjoeno, in
s , eerste jaren genoegzaam in de behoefte aan groote jßepen j^jj (je Indische militaire marine te zullen voorzien. te a r e nt egen zal, zoodra de ter zake uit Indie ontboden v. ^eningen enz. zijn ont vaneen (verg. het vorig verslag, MedeJ'i JJdz. 27) ook met het oog op de afkeuring van de Celebes, mari»v noodige worden verrigt voor de aanvulling der formatie Bvalle' I? schroefstoomschepen 4de klasse. (2) 6 hier te lande voor het Indisch hydrographisch vaartip *S
„ -asL ^ wittem i s sedert vervangen door het schroefstoomschip 2de Ça0 vAto, • rice-admiraal Koopman, den 26sten Augustus jl. ter reede (dl1 atavia aangekomen. ë J
" "°oilio.:De p , a n s ziJn i n Aue"ustus jl- ontvangen en thans wordt het *b« voorhereid om tot den aanbouw te geraken.
N*. 8 . 2.
tuig Stavoren aangemaakte stoombärkas, blijkens 't vorig verslag in September 1870 ter uitzending bijna gereed, is eenigen tijd ten gebruike aan 's Rijks marine afgestaan geweest en in verband daarmede eerst in de afgeloopen maand naar Indie verscheept. Voorts zijn sedert het vorige verslag hier te lande nog besteld en zullen vermoedelijk eerlang kunnen worden uitgezonden twee andere stoombarkassen, bestemd om aan de groote schepen bij het doen van expeditien of andere togten, waarbij een langdurig en veelvuldig gebruik van sloepen noodig is, te worden medegegeven" zoowel voor het verrigten van sleep- als voor andere diensten. Over de aanstaande indienststelling van de Argus wordt als zijnde een werkstoomvaartuig voor eene speciale dienst, niet te dezer plaatse, maar in § 4 (zie de rubriek n Bebakening" enz.) gehandeld.
Stationering. De maritime stations waren gedurende 1870 en de eerste vier maanden van 1871 bezet als volgt :
Sumatra's Westkust: een ijzeren raderstoomschip 3de klasse (Borneo), in April 1870 vervangen door de Sumatra, in Januarij—Maart 1870 tijdelijk versterkt met één schroefstoomschip 1ste klasse (Willem) en een dito 4de klasse (Maas en Waal). Deze laatste bodem keerde in October 1870 in dit station terug ter aflossing van de Sumatra.
Sumatra's Oostkust: een schroefstoomschip 4de klasse (den Briel, later Coelworn), bij afwisseling vervangen door een raderstoomschip 4de klasse (Admiraal van Kinsbergen) en laatstelijk door een dito 3de klasse (Banka). Tevens was in dit station een opnemingsvaartuig (Stavoren).
Wateren van Riouw en Lingga: een ijzeren raderstoomschip 3de klasse (eerst de Banka, later de Borneo). Tevens was in dit station aanwezig tot Mei 1870 een raderstoomschip 4de klasse (Admiraal van Kinsbergen). (1)
Westkust van Borneo: een raderstoomschip 4de klasse (Madura) en bovendien van Mei tot Augustus 1870, een raderstoomschip 1ste klasse (Ardjoeno).
Zuider- en 0 o ster-af de eling van Borneo : twee raderstoomschepen 4de klasse (Celebes en Onrust, het eerste in Augustus 1870 vervangen door de Admiraal van Kinsbergen) en een schroefstoomschip 4de klasse (Coehoorn), laatstgenoemde in April 1870 vervangen door een raderstoomschip 4de klasse (Suriname), dat echter in Augustus 1870 het station verliet. Een raderstoomschip 3de klasse (aanvankelijk de Banka en later de Sumatra) is van November 1870 tot Maart 1871 als tijdelijke versterking aan het station toegevoegd geweest.
Wateren van Celebes: behalve een wachtschip (korvet van Speyk), een schroefstoomschip 3de klasse (Beteh), in Julij 1870 vervangen door een raderstoomschip 3de klasse (Cycloop), benevens een schroefstoomschip 4de klasse (eerst Aart van iVes, later den Briel).
Wateren van Menado: een ijzeren raderstoomschip 3de klasse (Timor), gedurende September 1870—Januarij 1871 tijdelijk vervangen door een dito 4de klasse (Suriname).
Moluksche wateren: een schroefstoomschip 3de klasse (Vesuvius). (2)
Gedurende 1870 en de drie eerste maanden van 1871 waren de reeden van Batavia, Soerabaija, Samarang en Cheribon de aangewezen stations der groote stoomschepen. Bij het eind van 1870 was het eskader zamengesteld uit 28 bodems, waaronder 4 wachtschepen en 1 opnemingsvaartuig. Van de 23 overblijvende waren in de buitenbezittingen aanwezig 14, op Java beschikbaar 5 en bij de marineetablissem*nten in reparatie 4, waarvan 1 (Bali) tijdelijk buiten dienst gesteld. Aangaande de verwisseling en voltallighouding van het personeel diene het volgende:
(1) Sedert is besloten dit station voortaan blijvend uit twee bodems te doen bestaan (vergel. de noot op bladz. 8 hiervoren).
(2) De Vesuvms werd in Julij jl. te Soerabaija verwacht om nao-ezien te worden en is vervangen door het raderstoomschip 3de klasse Jiorneo.
M
34
Voor de aflossing van Europesche bemanning werden met oorlogsbodems of particuliere schepen in 1870 48 officieren en 389 schepelingen aangebragt, terwijl behalve de 17 officieren en 185 schepelingen, die met het t r a n s portschip Java in November 1870 vertrokken, nog 60 officieren en 402 schepelingen met particuliere gelegenheid naar Nederland terugkeerden. Ontslag werd in 1870 verleend aan 6 officieren en 26 minderen, terwijl het getal overledenen bedroeg 3 officieren en 33 schepelingen. In de dienst van de inlandsche bemanningen werd^ op de gewone wijze door réengagement en werving voorzien. In hunne uitrusting zal met 1 J a n u a r y 1872 eene^doeltreffende verbetering worden gebragt, waardoor zij niet langer verstoken zullen zijn van of althans niet langer voor eigen rekening zullen behoeven te voorzien in warme dekking des nachts en wollen kleeding bij vochtig of regenachtig weder.
Ter aanvulling van het in 1868 bepaalde {Bijblad o$ het Indisch Staatsblad n°. 2151), nopens de hulp door het (Europesche) personeel der oorlogsmarine te verleenen bij herstellingen en werkzaamheden aan boord van stoom' schepen der gouvernements-marine, werd bij een Indisch besluit van Augustus 1870 aan bedoelde hulp alsnog een« geldelijke belooning verbonden, bedragende voor sehe' pelingen boven den graad van korporaal f l , en voot minderen f 0,50 daggeld per hoofd boven hunne bezoldiging.
Gezondheidstoestand. De gezondheidstoestand van het personeel der oorlogsmarine kon gedurende 1870 over hel algemeen bevredigend worden genoemd. De ondervolgende vijfjarige statistiek van het aanta' behandelden en overledenen toont dit nader aan :
JAREN.
1866.
1867.
1868.
1869.
1 8 7 0 .
Sterkte.
p CD 3 S W ft
02
CS
2789
2780
2789
8031
2959
860
873
834
964
967
Behandelden.
i s o o b ° S 03 ^ ft
1 s a <-Ö « a c3
Overledenen.
1 « ïï P £ • S
^ ft I ,5
VERHOUDING DER OVERLEDENEN
tot de behandelden.
Europeanen. Inlanders.
tot de sterkte.
Europeanen. Inlanders.
610ï
5379
a. 6151 a. 8045
6825
1721
1539 a. 2012 a. 2369
1902
84
48
103
60 b. 36
17
11
38
62 c. 30
1 : 72,65 of 1,37 % 1 : 101,23 of 0,98 % 1:33,20 of 3,01 °/,
1 : 112,06 » 0,89 »
1 : 59,71 » 1,67 »
1 : 134,08 » 0,74 »
1 : 189,58 » 0,52 »
1:139,90 » 0,71 » |1 :57,91 »1,72 »
1 . 52,94 » 1,88 » '1:27,07 »3,69 »
1 : 38,21 » 2,62 » 1:50,51 » 1,98 »
1 : 63,40 » 1,57 » 1:82,19 » 1,21 »
1:50,59 of 1,97 7
1:79,36 » 1,26 »
1:21,94 »4,55 i
1:15,54 » 6,43 »
1:32,23 ». 3,10 »
«. Hieronder zijn begrepen koopvaardijschepelingen of bij evacuatie onder behandeling gekomen personen.
Hiervan 28 in de hospitalen overleden. \
Als voren 19. ) Van vorige jaren is zoodanige opgaaf niet vermeld geworden.
Belangrijke epidemien zijn niet voorgekomen. V a n cho*ra en pokken deden zich slechts zeer enkele gevallen voor. Aan boord van alle schepen , die van andere stations naar Batavia of het eiland Onrust k w a m e n , werd korten tijd later eene belangrijke vermeerdering van het ziektecijfer opgemerkt, ten gevolge van het ontstaan van malariaziekten. De gunstige uitkomsten in dit opzigt verkregen van het verblijf der oorlogsschepen ter reede Cheribon , waarop reeds in het vorige verslag gewezen w e r d , hebben dan ook doen besluiten de ter reede van Batavia a a n w e zige of tot geene andere stations behoorende oorlogsbodems en stoomschepen der gouvernementsmarine voor den vervolge, en voor zoover hunne tegenwoordigheid niet te Batavia wordt vereischt, gedurende den westmoesson naar Cheribon te dirigeren. D e schadelijke invloeden van Onrust trachtte men zooveel doenlijk te verminderen door het opruimen van zinkputten en hunne vervanging door fosses mobiles, door het planten van zonnebloemen en door de verbetering der kazerne en gevangenis. D e gezondheidstoestand der schepelingen van aldaar in timmering liggende bodems werd bevorderd door hen te onttrekken aan de locale schadelijke invloeden van het eiland, hen zoo veel mogelijk aan boord te houden en alleen bij dringende noodzakelijkheid het debarqueren toe te staan. Door beri-beri werden 14 Europeanen en 149 inlanders aangetast, voornamelijk weder in de wateren van Banka. De ondervinding had geleerd, dat deze ziekte in de rivier van Palembang ophoudt, en zich weder vertoont wanneer de schepen naar Banka terugkeeren, niettegenstaande oveding, kleeding en schafting te Muntok en te Palembang volkomen gelijk zijn. Voor een groot deel scheen dus het
ontstaan aan malaria-invloeden te moeten worden toege' schreven. Bij de behandeling speelden op alle schepen goed' voeding en verstrekking van wijn eene groote rol. Aan boord van Zr. Ms. stoomschip Amsterdam kwainei», vele tusschenpoozende koortsen voor, terwijl andere sehe' pen daarvan vrij bleven, zoodat hier aan plaatselijke ooi" zaken in het schip gedacht en tot schoonmaken en desiu' fecteren besloten w e r d , waardoor men het gewenscb' resultaat verkreeg. Aan het aanvankelijk geopperde plan (zie het vorig vel" slag bladz. 27) om het stoomtransportschip Java, aai boord waarvan zich het zoogenaamd hospitaal-versterf ha<> geopenbaard, bij terugkeer naar Nederland de verkor« reis door het Suez-kanaal te laten doen, is geen gevolg gegeven, omdat het vertrek van dien bodem niet mee' gedurende den oostmoesson kon plaats hebben en daarmed« het vooruitzigt op eene gunstige zeilgelegenheid was vel" dwenen. Bij het gevorderde jaargetijde liet zich bovendien op eene reis rondom de K a a p beter weder verwachten daj in de Middellandsche Zee, met daaruit voortspruitend* beter drooghouden en betere ventilatie van het schip.
§ 3. Gouvernementsmarine.
Sterlete enz. De sterkte der gouvernementsmarine blee' wat het in dienst zijnde stoomgedeelte betreft, bepaald oj 12 schepen, waarvan 8 voor diensten in elk gedeelte va' den Archipel (1 van 170 en 7 van 80 paardenkracht) e' 4 voor rivierdiensten (2 van 30 en 2 van 20 paarden' kracht). Vergelijk bijlage E. T e n vervolge op het in het vorig verslag vermelde oifl' trent de stoomschepen Bennett, Boni en Barito, wordt be' kend gesteld: dat het eerstgenoemde, in November 186"
Ba: 18; dal ste eoi 3d: zal de 18' ko] he
We aa: We aa te en ee:
W(
nu ve va va is
be tty St£ is va
va «u Die
i de drj ka
io'
ZO]
I goi hei "We Au ke< dei sel
str Va: te boi Vai ] »an re? nie en be(
18; A. sta v<5( ree Uli; nie 1 \ve •6« dm do eer ste!
35
'.ad of )r hel en bij toom' ïdisd r een* sehe' voof jezol'
t per n- hel
lanta'
irs.
1,97 7:
.,26 »
1,55 ]
5,43 »
5,10 »
fcoege' goed'
fame* sehe' :e ooi" desiü' enscb'
g vel" , aal* .rfha<i rkort« gevolg mee' rmed* 3 vel" îndiefl sn daj itend«
bleet aid op te va' ht) ei irdeD'
e orJ' It be' 1869
naar Soerabaija opgekomen, gedurende het geheele jaar 1870 in reparatie bleef, doch in Maart 1871 gereed kwam ; dat de Boni, sedert ultimo Maart 1870 buiten dienst gesteld, in den verderen loop van het jaar door de keuringscommissie werd onderzocht, en wegens de goede eigenschappen van het vaartuig nog voor herstel in aanmerking zal worden gebragt, en eindelijk dat de herstellingen aan ue Barito, die te gelijk met de Boni in het eer3te quartaal io70 naar een der marine-etablissem*nten was moeten opkomen, in December jl. waren afgeloopen, waarna het let vaartuig nog in diezelfde maand te Bandjermasin in station is gekomen. »an de overige stoomschepen der gouvernementsmarine berden in den loop van 1870 nog twee andere tijdelijk aan de dienst onttrokken ter zake van herstellingen , en 'Wel de met 1 April 1870 in dienst gestelde Kapoeas 7, die, na 21/2 maand bij het marine-etablissem*nt te Soerabaija ' e zijn verbleven , in September weder beschikbaar kwam, 6 n de Dassoon , die aldaar in Mei 1870 aankwam, doch eerst in het derde quartaal in timmering werd opgenomen, ^elke werkzaamheden omstreeks medio 1871 zouden afloopen. .Het bij genoemd etablissem*nt in aanbouw genomen nieuwe stoomschip van 80 paardenkracht (zie het vorig Verslag bladz. 28) is in Junij jl. met het beste gevolg van stapel geloopen. De werktuigen en ketels zijn reeds van hier verzonden. Een tweede vaartuig van gelijk charter 18 of wordt onderhanden genomen. -De flotille gewapende en adviesbooten , onder uit. 1870 bestaande uit 55 vaartuigen van de eerste en 15 van de *eede soort, bevond zich over het algemeen in vrij goeden staat, en in de eventuele vervanging van afgekeurde booten l s voorzien door nieuwe, tot welker aanbouw, ten getale van 6, in 1868 magtiging is verleend. De formatie van het Europeesch personeel, ten getale van 75 , bleef voltallig, met uitzondering van het corps Machinisten , in welks aanvulling, door uitzending van hier, Men nog slechts gedeeltelijk is kunnen slagen. Ook in het vinden van geschikt inlandsen peroneel voor ~e stoomschepen, waarvan de formatie 415 koppen bedraagt , blijft men met de vroeger vermelde moeijelijkheden dampen. De bemanning^ler gewapende en adviesbooten, gezamenlijk *"45 koppen bedragende, werd, even als in vorige jaren, zonder veel bezwaar voltallig gehouden. Omtrent de geldelijke belooningen aan personeel der gouvernementsmarine toe te kennen in de gevallen, waarin ü e t zich in de stations buiten Java geroepen mögt zien tot erkzaamheden aan boord van oorlogsschepen, werd in r"ugistus 1870 eone regeling getroffen, even als wedereerig voor de belooning van werkzaamheden door personeel e^ oorlogsmarine aan boord van gouvernementsstooms°nepen te verrigten. Magtigmg werd verleend om'de in 1864 toegestane verl'ekking van blaauw baai aan de inlandsche bemanning atl de stoomschepen der gouvernementsmarine, ook uit strekken tot de opvarenden van de gewapende en advies°°ten, in de gevallen dat heer3chende ziekten het dragen an Wollen kleeding voor dezen wenschelijk maken. j tiet aantal ziektegevallen onder het Europeesch en inandsch personeel der stoomschepen gedurende 1S70 beliep ®spectivelijk 18 en .358, van welke laatste gevallen 22 et doodelijken afloop. Van de bemannning der gewapende , adviesbooten is alleen het cijfer der overledenen bekend, dragende 65, waaronder 15 die verdronken.
,^tationering. Hooger blijkt reeds dat in den loop van j . '0 achtereenvolgens de stoomschepen Boni, Barito en asf°°n, ter zake van reparatien, aan hunne verschillende ations onttrokken werden, waarvan alleen de Barito nog r °J ^e* e' nde des jaars gereed kwam, terwijl de Bennett, v e(ls in November 1869 tot het ondergaan van herstel. gen naar Soerabaija opgekomen, gedurende geheel 1870 iet voor de dianst beschikbaar was. evenmin als in de Lampongbaai de plaats van de Bennett, £ l^ ook in de Wester-afdeeling van Borneo die van de j " " " l t o aangevuld. Trouwens bleef dit laatste station gei e n d e het geheele jaar door de Kapoeas II bezet. Naar « e r r e S- i ( l e° t i e P a l e m D a n g in plaats van de Boni werd (doch
s t ,st i n September) gedirigeerd de nieuw in dienst ge'«e Kapoeas I, en naar Amboina, in plaats van de
Dassoon, de Telegraaf, tot dusver gestationeerd in de wateren van Timor, welk laatste station daardoor tijdelijk werd opgeheven. De overige stoomschepen verbleven gedurende 1870 in het achter hunne namen opgegeven station : Hertog Bernhard (Sumatra's Westkust), Java (Macassar), Draak (Banka), Bronbeek (Biouw), Tjiarana en Sailoos (beide in de Zuideren Oosterafdeeling van Borneo). Aan dit laatste station werd in December 1870, na volbragte herstelling, tijdelijk toegevoegd de Barito. Gedurende de vier eerste maanden van 1871 zijn in de stationering de volgende veranderingen gebragt: De Hertog Bernhard verliet in April 1871 het station Sumatra's Westkust om, na te Onrust eenige voorzieningen te hebben ondergaan , te Macas3ar te worden gestationeerd. De Java verliet in dezelfde maand het station Macassar om dit tegen de Westkust van Sumatra te verwisselen. De Draak werd in genoemde maand ter reparatie naar Soerabaija gezonden, en zou in het station Banka vervangen worden door de Bronheek uit de wateren van Riouw. In verband hiermede werd de tijdelijk te Palembang gestationeerd geweest zijnde Kapoeas I in Maart 1871 naar de wateren van Riouw opgeroepen. De Bennett werd, na voltooide herstelling, omstreeks einde Maart 1871 ter beschikking van den resident van Batavia gesteld, om tijdelijk als correspondentievaartuig tusschen Batavia en Onrust dienst te doen. Eindelijk werd in April 1871 de Tjinrana aan het station der Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo onttrokken om te Soerabaija eenige herstellingen te ondergaan. De stationering der gewapende en adviesbooten, waaromtrent zie bijlage E , onderging slechts deze verandering, dat voor de residentie Batavia, in stede van eene adviesboot, eene gewapende boot werd aangewezen. Van het personeel der oorlogsmarine werd weder goede hulp in de stations ondervonden bij het plaatselijk repareren van de vaartuigen der gouvernementsmarine. Hooger is reeds gewag gemaakt van eene regeling nopens de betalingen daarvoor te goed te doen.
§ 4. Inrigtingen, bijzonderheden.
Marine-établissem*nt te Soerabaija. Dit etablissem*nt voldoet zeer goed aan de vereischten van eene werf van middelbare grootte. Met den aanbouw van het stoomtransportschip Soerabaija kwam men in 1870 geheel gereed Op een der nieuwe hellingen van aanbouw werd nu de kiel gelegd voor een raderstoomschip 1ste klasse van 300 paardenkracht (type Amsterdam), terwijl aan den bouw van een stoomschip van 80 paardenkracht (in Junij jl. van stapel geloopen), aan lichtschepen, kruis- en loodsbooten met kracht werd voortgewerkt. In timmering waren gedurende genoemd" jaar 11 oorlogsschepen en 5 stoomschepen der gouvernementsmarine, terwijl 3 oorlogsschepen bij het etablissem*nt werden onderzocht en voor de dienst afgekeurd. De stapeling in den dokput werd gereed gemaakt om het oude dok te repareren• Dat van Onrust afkomstig en nu te Soerabaija in gebruik gekomen, werd hooger gekoperd. In het dok werden opgenomen 6 oorlogsschepen, 6 gouvernementsstoomschepen, 1 baggermolen, 1 loodskotter en nog 4 stoomschepen der Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij. • Het bassin wordt zoo goed mogelijk op diepte gehouden, doch de aanslibbing buiten de keel is aanmerkelijk vermeerderd. Met de daarstelling eener houtstapelplaats, waaraan zich groote behoefte deed gevoelen, werd een begin gemaakt. De overbrenging bij het etablissem*nt van de ter plaatse aanwezige fabriek voor de marine en het stoomwezen maakte in 1870 weinig vorderingen. De verwezenlijking van het denkbeeld om een ingenieur van den waterstaat uitsluitend te belasten met de werkzaamheden, welke de overbrenging moeten voorafgaan (zie het vorig verslag bladz. 29) is der Indische Regering, bij nadere overweging, voor 's hands niet noodzakelijk voorgekomen. Intusschen is in December 1870, met behoud der bestaande regeling van bet gebezigd wordende waterstaatspersoneel, de resident van Soerabaija aangeschreven het daarhenen.
36
te leiden, dat het opbouwen van de nieuwe fabriek in den kortst mogelijken tijd afloope. Het te werk komen van inlandsche werklieden liet niets te wenschen over, wel het verkrijgen van de benoodigde koelies.
JAREN.
18G6.
1867.
1868.
1869.
1870.
De gezondheidstoestand was gedurende 1870 niet zeer gunstig. Onderstaande aanteekening doet zien dat de werkzaamheden in het afgeloopen jaar over het geheel minder veelvuldig waren dan in de vier voorafgegane jaren.
Aantal verrigte dagdiensten.
Ambachtslieden.
(a)
Koelies.
Uitbetaalde
arbeidsloonen,
(5)
406 299
354 081
358 065
344 623
263 444
17 633
8 788
9 075
19 943
8 934
246 069
224 756
220 371
220 353
164 170
Geldswaarde van verwerkte materialen.
AANMERKINGEN.
481 625
579 523
375 000
39(i 000
370 800
(«) De werklieden en ook de koelies zijn allen vrijwilligers.
(b) Van het uitgetrokken bedrag voor arbeidsloonen is uitbetaald : voor werkzaamheden op taak : voor overwerk :
1866 f 12 386. 1866 f 1014. 1867 25 068. 1867 937. 1868 26 331. 1868 303. 1869 28 135. 1869 400. 1870 18 943. 1870 570.
Marine-etablissem*nt Onrust. Dit etablissem*nt blijft op den duur als hulpwerf en hulpatelier zeer goed voldoen. In het geheel waren in 1870 12 oorlogsschepen in reparatie, benevens 1 stoom- en 4 andere vaartuigen van de gouvernementsmarine , de residentie-stoomer Bogor en de recherche-schoener van Batavia, zoomede krachtens speciale magtiging van den Gouverneur-Generaal 2 particuliere schepen. Het nieuwe ijzeren droogdok sedert November 1869 in dienst (zie het vorig verslag bladz. 29) blijft in alle opzigten uitmuntend voldoen ; een houten vlot werd aangemaakt om de zware ijzeren brug te kunden verplaatsen , waardoor nu de schepen van beide zijden kunnen uit- of inhalen. Een aantal van 29 schepen, ter gezamenlijke inhoudsgrootte van ± 14000 ton , werden in het dok opgenomen, waaronder 4 stcomschepen der Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij , 1 koopvaardijschip en 1 vreemd oorlogsvaartuig. De gemiddelde sterkte der bevolking van Onrust, buiten het personeel der in reparatie liggende schepen , bedroeg 1485 hoofden. De gezondheidstoestand was betrekkelijk niet ongunstig te noemen, hoewel in den droogen moesson «n vooral in de kenteringen zich vele koortsen voordeden.
Sterfgevallen onder de Europeanen kwamen niet voor. Vau de inlandsche bevolking overleden 93 kettinggangers , 13 van het personeel van den waterstaat en vrije lieden met hunne verwanten en 5 inlandsche fuseliers. De belangrijke sterfte onder de kettinggangers werd voornamelijk waargenomen onder de pas aangekomenen uit het binnenland van Java. Na het in October compleet worden vaO:
het bepaalde aantal en toen de aanvoer dus ophield , was de sterfte aanmerkelijk verminderd. Maatregelen werden genomen om het kettinggangerskwartier van eene betere ventilatie te voorzien. In de bekrompen en daardoor ongezonde huisvesting der overige arbeiders zal worden voorzien door den bouw van 44 blokken woningen op het nabij gelegen eiland Purmerend. Ook in andere opzigten werden de gezondheidsbelangen van het etablissem*nt en zijne omgeving behartigd (verg. bladz. 34 hiervoren). Met het opstellen van den distilleertoestel werd ijverig voortgegaan ; de noodige pijpen waren van de fabriek te Soerabaija ontvangen en het vooruitzigt bestond nu dat weldra plaatselijk in het benoodigde drinkwater zou kunnen worden voorzien. Eene vijfjarige statistiek van gebezigde werklieden , uitbetaalde arbeidsloonen en verwerkte materialen volgt lager
37
Jaren.
1866
1867
1868
1869
1870
AANTAL VERRIGTE DAGDIENSTEN.
Vrije werklieden, (a)
Ambachtslieden.
45 612
35 283
29 255
24 301
42 245
Koelies.
»
Dwangarbeiders.
Ambachtslieden.
10 247
9 588
35 965
13 747
25 402
Koelies.
13 920
9 070
3 620
15 850 (*) 4 373
Totaal.
Ambachtslieden.
55 859
44 871
65 220
3(8 048
67 647
Koelies.
13 920
9 070
3 620
15 850
4 375
UITBETAALDE ARBEIDSLOONEN.
Vrije
werklieden.
f 94 533
72 274
•64 265
56 453
97 151
Geldswaarde der arbeidsloonen aan dwangarbeiders.
f 30 514
25 993
21 384
29 494
30 743
Totaal.
f125 047
98 267
85 649
85 947 (c) 127 894
Gelds
waarde van
verwerkte
materialen.
f181885
102 585
91210
55 080 *
74 866
(a) De vrije werklieden zijn meest Chinezen. Deze worden door een aannemer verschaft.
(b) Door het opgegeven getal dwangarbeiders die als koelies hebben dienst gedaan, wordt alleen verstaan dat gedeelte hetwelk bij de timmerwerf voor betaalde werken is geëmploijeerd geweest, alzoo niet diegenen die in de kolen hebben gewerkt en voor het equipage-departement zijn werkzaam geweest.
(c) De over werkgeld en gedurende 1870 bedroegen f 353.
Fabriek voor de marine en het atoomwezen te Soerabaija. Deze inrigting voldoet op den duur goed aan de verwachting. Aaa de°in 't vorig verslag (bladz. 30i bedoelde reorganisatie van het personeel, inzonderheid wat het technisch gedeelte betreft, werd uitvoering gegeven bij een gouVerneraentsbesluit van Augustus 1870 (Indisc/i Staatsblad *»°. 103). De werkzaamheden voor het eskader, welke in 1870 log al belangrijk waren, werden alle uitgevoerd. De ont
boden machinale gereedschappen voor de bewerking van ijzer (zie het vorig verslag). werden in October aang bragt. De overbrenging van de fabriek naar het marine-etablissem*nt gaat, blijkens het hiervoren gezegde, langzaam. Het verkrijgen van inlandsch werkvolk liet niets te wenschen over. De gezondheidstoestand was in 1870 niet ongunstig te noemen. Nopens den omvang der bedrijvigheid bij de inrigting kan geoordeeld worden uit de volgende aantooning :
Jaren.
Aantal verrigte dagdiensten.
Ambachtslieden.
W
Koelies.
(a)
Uitbetaalde
arbeidsloonen.
1866
1867
1868
1869
1870
421 634
441 790
323 426
246 737
220 384
15127
12 958
13 213
13 389
7 527
Geldswaarde
van verwerkte
materialen.
(b)
Aanmerkingen.
f 227 312
236 810
200 120
165 120
149 707
f 172 226
164 853
167 631
183 747
202 915
Bebakening, kustverlichting en loodswezen. De bestaande bebakeningen werden goed onderhouden en hier en daar verbeterd of uitgebreid. Onder andere werd in de vaarwaters nabij Batavia de kom tusschen de eilanden Kuiper , Onrust en Purmerend van bakenmerken voorzien , waardoor eene veilige ligplaats is aangeduid voor schepen , welke van om de Oost het drooge dok wenschen in te
N°. 8. 2.
(o) De werklieden en koelies zijn allen vrijwilligers.
(b) Aan bewerkt en onbewerkt ijzer werd verbruikt in :
1868 240 000 kilogrammen.
1869 323 000 »
1870 422 900 »
Aan steenkolen :
1868 1 092 000 kilogrammen.
1869 1 031 000 »
1870 494 000 »
gaan. Ook werden bakentonnen geplaatst op een rif aan de zuidoostpunt van Karimon-eiland (Lingga-Archipel) en op Gossong Patta (reede van Ben koelen) In den Spermundes-archipel (Celebes) werden de in 't vori" verslag bedoelde twee steenen pyramiden opgerigt. De dienst der kustverlichting had geregeld plaats. Alledeswege ingekomen rapporten luiden gunstig omtrent de 10
38
"werking der lichten, thans ten getale van 21 (1). In 1870 werd hun aantal vermeerderd, behalve met het draaikustlïcht der 3de orde op Noesa Kambangan (Zuidkust van Java), van welks ontsteking in April 1870 reeds in 't vorig verslag melding werd gemaakt , door de plaatsing (in November 1870) van een lichtschip voor het VVestgat van Soerabaija. van gelijke inrigtir g als dat, hetwelk den zuidelijken ingang \an straat Banka (Lucipara-passage) aanwijst (zigtbaar op 2V2 Duitsche geographische mijlen) en door de ontsteking (in October 1»70) van een havenlicht 6de orde (zigtbaar op 2 Duitsche geographische mijlen) te Tand jong Laboe op Poeloe Lepar, welk laatste, in verband met het gelijksoortig licht op Poeloe Tjilakka, bestemd is om voorloupig, in afwachting der plaatsing van een licht 1ste klasse op Tandjong-Berikat (Banka), het naauwste gedeelte der Macclesfield straat te verlichten. Beide lichten zijn zoodanig geplaatst, dat al de 'in dat gedeelte van het vaarwater liggen-e gevaren , waaropzoo vele schepen strandden, door kruispeilingen kunnen worden vermeden. In de verlichting der reede van Macassar werd eenige ..wijziging gebragt: het drijflicht nabij Groot Laë Laë werd met den lsten October 1870 vervangen door een havenlicht der tide orde op den vasten wal, zigtbaar op V4 Duitsche geographische mijl. De ontsteking van gelijksoortige havenlichten voor het aandoen der reede van Benkoelen , het eene op Poeioe Tikoes zigtbaar op 2, en het andere op den hoek genaamd Tapa Padri, zigtbaar op ruim 3/4 Duitsche geographische mijl, heeft op 20 Mei jl. plaats gehad. De van hier uitgezonden ijzeren kustlichttoren voor Zwaantjes-droogte in straat Madura werd in 1S70 op Java ontvangen. De noodzakelijkheid van eenige wijzigingen aan dien toren bragt vertraging te weeg in de oprigting. Het aanbrengen dier veranderingen en de opstelling is, na vruchtelooze uitbesteding . gegund aan een civiel ingenieur te Soerabaija voor f 96 000, zijnde ruim f 1700 beneden de raming. Komt de contractant zijne verpligtingen behoorlijk na, dan zoa het licht (een draailicht der 4de orde) tegen het einde van het loopende jaar kunnen in werking komen. Voor de oprigting van een kustlicht-etablissem*nt lste orde op Boompjeseïland (Java-zee) en van een havenlicht 4de orde op Duiveneiland (noordelijken ingang van straat Bali) waren in 1870 projecten en begrootingen in bewerking. Een dezer werken (van welke beide zoowel de ijzeren opstanden als de lichttoestellen reeds sedert korteren of längeren tijd zijn uitgezonden) zou denkelijk nog vóór het einde van 1871 kunnen onderhanden worden genomen. (2) Ook zijn plannen in behandeling nopens den bouw van een kustlicht op Java's eerste punt (oostelijken ingang van straat Sunda) De aanvankelijke keuze van Prinsen-eiland als plaats van oprigting ia moeten wurden opgegeven, omdat nergens eene geschikte plaats bleek te zijn voor de landing der materialen. De bouw op Java's eerste punt, waarvan de kosten wel is waar hooger zullen zijn, levert echter het voordeel op, dat daardoor een ander geprojecteerd licht der lste orde (op den Vlakken Hoek van Sumatra) zal kunnen vervallen. Ter bevordering van een geleidelijken en tevens snelleren voortgang in de voltooijing van het voor den Indischen Archipel aangenomen stelsel van kustverlichting, zal in 1872 een tweede bouwkundige bij dezen tak van dienst worden aangesteld. Door zoodanige toevoeging zal gezorgd kunnen worden voor een behoorlijk toezigt over de op onderscheiden punten onderhanden of in uitvoering komende werken , zonder dat zulks stoornis zal behoeven te brengen in het geleidelijk ontwerpen, na voorafgegane plaatselijke opneming, der plannen en bestekken voor de verder vereïschte lichtvuren. Ten einde de meest belangrijke licht-etablissem*nten naar eisch te voorzien van de hulpmiddelen die het onverstoord branden der lichten kunnen verzekeren, is besloten ten behoeve van elke geïsoleerd gelegen inrigting van dien aard
(1) Eene opgaaf van de grootte en de dagteekening van oprigting wordt aangetroflen in de Javasche Courant van 30 Junij 1871. (2) Sedert is berigt ontvangen dat de uitvoering der vereischte werken op Duiveneiland bij de in Mei jl. gehouden uitbesteding is aangenomen voor f 84 200, behalve de van 's lands wege te verstrekken materialen, ad f 11127
een instrumentmakersdraaibank met gereedschap aan te schaffen. Als van veel belang voor de geregelde vervulling def verschillende eischen van dezen tak van dienst mag aan' gemerkt worden de aanstaande indienststelling van het hief te lande voor zoodanige bestemming gebouwde stoomschip Argus, in Februari] jl. te Batavia aangekomen. De in dienst stelling wacht op eenige noodzakelijke herstellingen eV wenschelijk gebleken wijzigingen in de betimmering, waar' voor volgens berigten van Mei jl., het bestek en de be' grooting van kosten onderhanden waren. Omtrent de hoedanigheid van het schip , was door den kommandant gerap' porteerd . dat het zich gedurende den overtogt over het alge' meen goed had gehouden en met gerustheid een veilig zeeschip kon worden genoemd. Hard loopen deed het echter niet. Ten behoeve van de bebakening en kustverlichting werd in 1870 in Indie achtereenvolgens, zoo aan gereed geld als aan geldswaardig bedrag van materialen, beschikbaar gesteld een totaal bedrag van f 12(1 365 , waaronder echtet f 97 719 alleen voor den lichttoren op Zwaantjes-droogte. Van deze laatste som werd in 1870 slechts een klein gedeelte verwerkt. Aangaande het loodswezen valt niets bijzonders te ver'l melden. Eenige meerdere lust om bij het loodswezen te Soerabaija als loodsleerling in dienst te treden was merkbaar. De opbrengst der loodsgelden aldaar over 1870 beliep f 48 673 tegen f 56 045 in 1869. De totale ontvangst aan loodsgelden in Indie bedroeg in laatstgemeld jaar f 75 619, in 1870 slechts f 64 162.
Haveninrigtingen, In de zamenstelling of bezoldiging va»! het inlandsch personeel bij enkele havendepartementen wer' den kleine verbeteringen gebragt of voorbereid. In de bui' tenbezittingen levert het verkrijgen van geschikt scheeps' volk bij deze inrigtingen meermalen bezwaar op. Om hierin te voorzien zal voortaan, zoo noodig, aanwerving op Java mogen plaats hebben, onder toekenning van voorschot op soldij en van aanbrenggeld. De havenmeester te Batavia werd belast met het toezigt op het beheer en de administratie van het licht-etablissem*nt op Noordwachter; die te Koepang (Timor), alwaar na de intrekking van het garnizoen het buskruidbeheer op de burgerlijke autoriteit was overgegaan, met het beheer van hèt buskruidmagazijn aldaar. Bepalingen omtrent het verpligt gebruik van dit magazijn door particulieren en omtrent de daarvoor door hen te vergoeden onkosten werden vastgesteld bij ordonnantie van 29 November 1870 [Indisch Staatsblad n°. 183). Betreffende het aandoen enz. van het eiland Pisang ter reede van Padang golden nog altijd de beperkende bepalingen van Indisch Staatsblad 1841, n*. 28. Daar deze echter niet meer noodig werden geacht, ook omdat hetgeen met opzigt tot de politie voor dat eiland regeling vereischte, als van geheel plaatselijken aard, kon worden overgelaten aan de wetgevende bevoegdheid van den gouverneur van Sumatra's Westkust, werd het betrekkelijk Indisch besluit van 11 Augustus 1841, n°. 19, bij ordonnantie van 17 Januarij 1871 [Indisch Staatsblad n°. 11) ingetrokken. Nog verdient vermelding dat de bepalingen tegen het over boord werpen van ballast op de reeden of langs de kusten van Nederlandsen Indie [Indisch Staatsblad 1856, nc. 84) in 1871 [Indisch Staatsblad n°. 16) eenige wijziging ondergingen voor zooveel betreft de bedreigde boete, waarin het billijk voorkwam eenige speling te brengen, ten einde de toepassing te kunnen regelen naar de meer of minder bedenkelijke gevolgen der overtreding naar mate van het vaarwater. Aan haven- en ankeragegelden werd in 1870 ontvangen op Java en Madura f 87 765 en in de buitenbezittingen f 11387, te zamen f99252. In 1869 klom de opbrengst alleen op Java en Madura tot 99 385, terwyl die in de buitenbezittingen f 10436 bedroeg, te zamen f 109821.
Hydrographische dienst. Nadat in 1858 een der oorlogsbodems uitsluitend was aangewezen voor hydrographische doeleinden, laatstelijk het schroefstoomschip 4de klasse Stavoren, werd een vast plan van werkzaamheden vastgesteld, volgens hetwelk de opnemingen een aanvang zouden nemen in straat Banka; vervolgens om de Noord zouden worden voortgezet en verder de straten tusschen Banka en
B( op en tv; jir ke W< uil in ar St, br va be ba nu
ht lut ba aai ein bij
ai do, 18)
•We Bel rat ] Ba vol bla Var het der der Var
«D z ûaa Var lau, »tec ten 'I en fan ten A 187) «ied terv »He Wer °P °r.df
H »an &ata
Joor, 'Ulij **ip ot e
'V« '»Ist:
Ge, r6rd e«ri,
(1)
bn te
g der aan' thief schip ienst' n e» vaar e be 3 hoe erap alge' sschip liet. wei' geld kbaal ichtet logte. n ge
3 ver' en W| baarbeliep t aaD i 619,
39
j vaB werB bui' eeps' lierin Java ot op
Dezigt lissewaar «r op eheer t het 3n en wer1870
g ter aepadeze tgeen chte, laten van ïsluit n 17
over asten . 84) idern het e de • bei het
ngeo n gen ingst i de il.
Borneo zouden bevatten. Straat Banka werd in haar geheel opgenomen en m kaart gebragt, de opneming langs de noorden oostkust van Banka vervolgd en in den loop van 1870 Was men genaderd aan de Gaspar-straten. Na de voltooiJMg yan deze en de Karimata-passage zullen alzoo naauweunge kaarten kunnen geleverd worden van de groote wegen voor de communicatie van bandel en scheepvaart «H China en Japan. Het veelvuldig heersenen van beri-beri M> de wateren om Banka doet echter in den opnemingsarbeid veel belemmering ondervinden. Ook in 1870 kon de àtavuren dientengevolge de werkzaamheden niet onafgebroken voortzetten, maar moest af en toe in het belang an den gezondheidstoestand der bemanning Palembang Bezoeken. De voorgenomen toevoeging van een stoomparkas aan de Stavoren (zie bladz. 33 hieïvoren) zal van veel n u ' zijn bij het doen van loodingen door besparing van W m het bereiken der dikwijls groote afstanden van et opnemingsvaartuig. Ook za! de stoombarkas gebezigd Kunnen worden voor het slepen der overige sloepen naar are standplaatsen, zoodat de roeijers niet reeds vermoeid ankomen op het terrein, waar hunne werkzaamheden genhjk eerst beginnen. De gezondheidstoestand kan hierD1Jf niet anders dan winnen.
len blijke van de noodzakelijkheid eener goede opnelng der vaarwaters in den indischen Archipel wordt er oor den kommandant der zeemagt op gewezen , datsedert °o5 m e t minder dan 75 tot nog toe onbekende reven erden ontdekt, bijna alle door schepen welke niet zonder °nade aan romp en lading tot de ontdekking er van eelftakten. lie werkzaamheden bij het hydrographisch bureau te a t avia gedurende 1870 bestonden in het bearbeiden en itooijen van eene nieuwe kaart der » Java-zee, westad , van » Straat Macassar, blad I I " , en van de » reede an Soengeiliat'*, welke kaarten nog in datzelfde jaar voor et publiek verkrijgbaar werden gesteld. Met de lithographie ^ r kaart »Eilanden beoosten Flores" werd goed gevorerd. Door particulieren werd op steen gebragt eene kaart dn « Straat Riouw", in twee bladen. van de veranderingen in bebakening, kustverlichting z-> alsmede van ontdekte gevaren werd op de kaarten ^aauwkeurig aanteekening gehouden en van bedoelde gejai"en, voor zoover ze betrekking hadden op dm Ntder^ndsch-Indischen Archipel en aangrenzende vaarwaters, W^edeeling gedaan aan de havenmeesters ter verdere be6ndmakine.
e a l ryk waren weder de bij het bureau ingekomen schetsen opnemingen (\ergel. bijlage F), voornamelijk afkomstig ken ° f f i ö l e r e n d e r "»»«»e en waardoor de hydrographische "nis van den archipel aanmerkelijk werd uitgebreid. I87n n d e v r e e m d e oorlogsschepen, welke in den loop van dj , d e reede van Batavia bezochten, werden de benooterw-i k a a r t e n v e r s t r e k t e D gevraagde inlichtingen gegeven, alle a a n d e B r i t s c h - 4 u s t r a ü s c n e Telegraaphmaatschappij Tye verlangde adsistentie op het gebied der hydrographie a verleend. De verkoop van zeekaarten bragt in 1670 kfe / 9° 6 tegen f 48"° bet J aar ta voien Het aantal
& „ . , e P 6 t 8 w e r d m e t één (te Amboina) vermeerderd (Indisch CaM*blaä 1870, n". 140). vao ^ n e t voorbereiden der overbrenging naar Nederland Bata . werkzaamheden van het hydrographisch bureau te •^s 'Zie h o t v e r s l a g v a n 1669, bladz. 34) werd een aan'eSch g e m a a k t E e n eerste gedielte van het geteekend en »oord V e n a r c h i e f z o u herwaarts worden overgebragt aan [ulij •iVan Zr' Ms' f r e o a t Admiraal van Wassenaer, den31sten Nioti V a n E a t a v i a vertiokken. Keu groot aantal manuet y ^ a a r . t e n werd gecopieerd en geautographieerd, zoowel 'ferf • a a n D o o r d d e r oorlogsschepen als om na over>üjvflng van het archief bij het depot in bewaring te ^$1*'A ^ e o v e r b r e n g i f l g i s zoodanig geregeld, dat geen and in de uitgave van kaarten zal worden ondervonden.
° Sr 'erdTap * dienst (1)I n h e t eerste semester 1870 e eUri„ , s e n e sterrekundige waarnemingen voor de naauw,asse ge breedtebepaling van een punt op Kramat te Batge- K-^t iden iden a en
(ij Zi k * afdeeLde ^ a gï e^ s c h e e a meteorologische waarnemingen hoofd
tavia (zie het vorig verslag bladz. 31), voleindigd. Tevens weid met de meeste zorg de betrekkelijke ligging bepaald tusschen dit punt en den tijdklep en eenige tusschenpunten , zoodat het voortaan slechts weinig moeite zal inhebben waarnemingen ter lengte- of breedtebepaling, ergens te Batavia gedaan, tot den tijdklep te herleiden. Andere sterrekundige plaatsbepalingen hadden niet plaats, tot dat in December 1870 besloten werd het lengteverscb.il tusschen Batavia en Singapoer door middel varT den telegraaph te bepalen. In het midden van December vertrok een der geographische adsistenten naar Singapoer, om aldaar de waarnemingen te verrigten, terwijl de hoofdingenieur zelf die te Batavia uitvoerde. Eerst den I6den Januarij 1871 was het vooraf bepaald aantal waarnemingen verkregen , waarop de waarnemers ter eliminatie der personele verschillen van standplaats verwisselden en de bepaling herhaalden. Den 18den Februarij werd ook deze serie bepalingen gesloten en keerde de hoofdingenieur kort daarop naar Batavia terug. Op het eind van Maart 1871 waren alle voor deze bepalingen gedane waarnemingen herleid en berekend , doch nog geen resultaat betreffende het lengteverscb.il afgeleid. De bepaling van dit verschil zal trouwens hare waarde voor de definitive vaststelling van de lengte van Batavia beoosten Greenwich eerst ontvangen, wanneer het lengteversehil van Singapoer en Greenwich door telegraphischen weg, zij het ook bij gedeelten, bepaald is. Het voornemen bestond daarom bij den hoofdingenieur om, bij toetreding van den directeur van het sterrekundig . observatorium te Madras, zijn aanwezen te Singapoer tevens te benuttigen ter gemeenschappelijke bepaling van het lengteversehil Madras-Singapoer, tusschen welke beide plaatsen toen mede de telegraphische verbinding was tot stand gekomen. Daar zich echter voor het oogenblik moeijelijkheden opdeden, met betrekking tot het kosteloos gebruik van den kabel en ook het antwoord uit Madras nog niet was ingekomen, meende de hoofdingenieur zijn verblijf te Singapoer niet te moeten verlengen en werd mitsdien het plan voorloopig opgegeven. (1)
De definitive afleiding der lengteverschillen van de in 1869 bezochte punten langs de Westkust van Sumatra wacht op het tot stand komen der telegraphische verbinding tusschen Padang en Batavia. De voorloopige resultataten werden echter reeds in bijlage N tot den Regeringsalmanak van Nederlandsch Indie voor 1871 medegedeeld. Van het eigenlijk triangulatie-personeel zette de eerste sectie den signaalbouw en de metingen in de residentie Bezoekt voort, terwijl begonnen werd met de metin<? of' hermeting van eenige hoeken, welke hetzij minder gunstige resultaten hadden opgeleverd, hetzij welker metino-vroeger om bijzondere redenen was uitgesteld. Eene niet° dadelijk te vervullen vacature onder het personeel en ongemeen ongunstig weder gedurende bijna het geheele jaar hadden ten gevolge dat de metingen in den Oosthoek van Java nog niet hadden kunnen voleindigd worden. Ook was het nog niet te voorzien of dit zelfs in 1871 het geval wel zoude zijn, vooral uit aanmerking van den woesten toestand van het zuidoostgedeelte van Bezoeki en van het zuidelijk gedeelte van Banjoewangi, waardoor eene triangulatie van die streken slechts met opoffering van veel tijd tot stand gebragt kan worden. De eigenlijke triangulatie van West-Java waarmede de tweede sectie zich onledig hield, liep in 1870 nagenoeg af, zoodat tevens een begin gemaakt werd met de verbinding der hoofdnetten van Oost- en West-Java, door eenige groote driehoeken in de residentien Cheribon, Banjoeinas, Bagelen en Kadoe, die in vroegere jaren (1854—1857) wel^ getrianguleerd waren, maar niet volgens die grondbeginselen en met zoodanige naauwkeurigheid, als noodig zijn bij eene triangulatie, die tot grondslag moet strekken van graadmetingen. Ook de hiervoor gedane waarnemingen werden door ongunstige lucht buitengewoon belemmerd, zoodat op meer dan één bergtop, hetzij de ingenieur voor de metingen,
(1) De medewerking van den directeur van het observatorium te Madras zoowei als van de betrokken telegraaphmaatschappii sedert verkregen zijnde, is in Julij jl. de hoofdingenieur geinagtigcï om tot het bewuste einde zijne reis te herhalen. Na afloop daarvan zullen door hem in het station Riouw eenige punten sterrekundig worden bepaald.
40
hetzii een geëmploijeerde voor het heliotroperen , langer da > eene maand moest vertoeven. Hoewel wegens het möèijelijke terrein in het zuiden derPreanger regentschape n hieraan vele bezwaren verbonden waren, slaagde de Fn^nieur er toch in rondom den Tjikorai eenen veelhoek van primaire driehoeken aanéén te sluiten, waardoor de lele/enTeid verkregen werd, op de grootste breedte van W e Ä a een gedeelte van den meridiaan, van ongeveer 80 minuten uitgebreidheid , te meten. Enkele sternkundige waarnemingen ten behoeve van de orien atie van het net en van de graadmeting werden genomen en in het eorste quartaal van 1871 werd daarmede
YOZoogefeaeT'het terreinwerk toeliet werd gewerkt aan de veideelin- der onvermijdelijke waarnemmgsfouten naarde voorschriften der waarlchijnlijkheidsleer , als voorberexd.ng Tot de definitive berekening van het driehoeksnet Ook werden de vroegere metingen des ingenieurs DE LA»,GB r C i n e m a B Bazelen en Kadoe op nieuw herleid, ten S Ä , diemetfngen bij eerstbedoelde definitive berekening een kritisch gebruik te kunnen maken. Voor de meting van bases, waarvoor een kostbaar toestel na voor geruimen tijd hier te lande bij de Koninklijke Akademie van Wetenschappen in beproeving en onderzoek fe zHu geweest, in Julij jL is uitgezonden, werden zoowel in West- als in Oost-Java geschikte terreinen gevonden , waaruit echter nog geene bepaalde keuze g ^ a n ^ . Oodat de sterrekundige waarnemingen die noodig zijn . o m d e triangulatie aan haar doel te doen beantwoorden aan de tegenwoordige eischen der wetenschap zouden beantwoorden , voorzal de hoofdingenieur het personeel der S g n l a t i e van volledige instructien, bij die waarnemingen
teTengeananzien der in 1869 gedane verbinding, door triangulatie van Java met een viertal bergtoppen aan de fuidkus't der 'Lampongsche districten zoowel ten behoeve da hydrographie van Straat Sunda als om te eeniger tijd Ï n e basil te hebben voor de triangulatie der Westkust van Sumatra, is eene hermeting noodig bevonden die wel W o S maar wegens aanhoudend ongunstige omstandigi. A™ vnnrloome: tot nader uitgesteld is. h 6Van eene triangulatie van Sumatra's Westkust of eene der andere buitenbezittingen is intusschen vooreerst geene ,nrake omdat aan zoodanigen arbe.d alleen behoefte_ bestaat als voorbereiding eener topographische opneming, welke laatste , in verband met den stand der topographische Terkzaarcheden op Java, voor de gewesten daar buiten «o» te ver in het verschiet ligt. In stede dan ook van nu reeds over te gaan tot de aanin stecie uau geographischen arbeid in neming van een plan vooi ue« b° & r ,.Arr o9> :„ de buitenbezittingen (zie het vorig verslag bladz. 32), is in Januar« 1871 bepaald, dat door het personeel der geo' r S h dienst voorloopig alleen gearbeid zal worden U n d e Triangulatie van Java en Madura, de daarmede in verband staande graadmeting en de op nieuw te bewerkstellijn triangulatie in de Lampongsche districten hierboven bedoeldb; met bepaling overigens dat eerst na of teUn den afloop dezer werkzaamheden overwogen zal worden, of de triangulatie van Sumatra, steunende op de verbinding met het driehoeksnet van Bantam, voortgezet, met die eener andere buitenbezitting aangevangen , dan wel S e der buitenbezittingen geheel uitgesteld zal worden, tot dat de behoefte daaraan zich dringend doet gevoelen. Tot verzekering van het behoorlijk in stand bijven der in verschillende gewesten van Java opgengte herkenningsteekens van de hoofdpunten der triangulatie werden bij een gouvernementsbesluit van Junij 1870 {Byblad op het Indiich Staatsblad n°. 2365), nadere maatregelen genomen. Omtrent den toestand der als zoodanig dienende pilaren zal voortaan jaarlijks, in stede van om de dr.e jaren, door de hoofden van gewestelijk bestuur moeten worden gerapporteerd, die tevens in last hebben voor het behoorlijk onderhoud er van te waken en te doen waken. De door bemiddeling der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam aangeschafte instrumenten, die den hoofdingenieur der geographische dienst m staat zullen stellen om de totale zonsverduistering, die m December eerstkomende in een gedeelte van Java zal voorkomen, waar te nemen met hulpmiddelen eenigzins op de hooj; e der wetenschap (zie het vorig verslag bladz. 32), zijn
in 't laatst van Jnnij jl. van hier verzonden per maiigelegenheid.
§ 5. Verrigtingen der zeemagt.
C tot tooi ver Ze« Bil de woelingen die in de laatste maanden van 1«70 one waren uitgebroken in de residentie Zuider-_ en Ooster- kus afdeelingvan Borneo, en waarover reeds m hoofdstu« | r B S 4 hiervoren, bragten Zr. Ms. stoomschepen Banka, üee Admiraal van Kinsbergen, Onrust en Sumatra veel_ bij , da> me de opvolgende militaire operatien met gunstigen uitslag bej kroond werden. De kleine vaartuigen dier schepen en M «e landingsdivisien bewezen in die moerassige terreinen vel« en eewigtige diensten. Tot wering van strand- en zeeroof en van den slaven handel werd onverpoosd de geheele Archipel doorkruist de stoomschenen Timor en den Briel vernielden respectively in de maanden Augustus en September 1870_eemge Tabel^ loresche praauwen, die in de Tominibogt en m den noorde *e in-ans van straat Boeton door hen ontmoet werden ; d «ei opvarenden wisten zich evenwel door de vlugt op den w» a? aan verdere vervolging te onttrekken. Deze praauwen ware ge, geene zeeroovers-vaartuigen van den Soelo-archipel, doe» <m visschersvaar.uigen, te huis behoorende onder het gebiej ge van den sultan van Ternate; de opvarenden maakten z.c pi aan zee- en strandroof schuldig, naar mate de gelegenhei af, zich daartoe aanbood. In een der door de Timor bemagtigj Jr« praauwen werden nog vier geroofde kmderen gevonden vaj Pa Sea-Sea (Teling) afkomstig , die later aan de regthebbend* teruggegeven zijn, even als eenige geroofde handelspraauwj Ge en eene menigte goederen , welke mede den onzen m hande' da
waren gevallen. . J 0 In de eerste maanden van 1871 zijn andermaal bengij e van Tabelloresche zeerooverijen ingekomen. Een togt dOj u het stoomschip Vesuvius en door het gouvernements-stootfl Wj vaartuig Telegraaf ia February jl. ondernomen ter opspor.n, «r der schuldigen aan het afloopen van een handels vaar t m aan de zuidkust van het eiland Boeroe, werd met ze« gunstigen uitslag bekroond. Ongeveer twintig roovej waaronder een hunner meest beruchte hoofden, werde» eevat en gevankelijk aan het bestuur te Ambo.na o verg» leverd, terwijl verscheidene geroofde menschen hunne vrij
eTen 6eindTde euveldaden der Tabellorezen zoo mogelij w voor goed te fnuiken , is besloten het station der water? ei van Mer.ado eedurende de maanden Mei tot Novemb; 1871 tijdelijk met een oorlogsbodem lo versterken sped* om kruistogten te doen tot wering van zeeroof. De station kommandant heeft tevens in last zich met den reside» van Ternate te verstaan omtrent de verdere maatrege die tot bereiking van het doel zullen blijken dienstig te zijn 1 Te Macassar werden in Maart jl. berigten aangebr»? omtrent een aanval door 27 rooverspraauwen waara een te dier plaatse te huis behoorende kotter, den 28=' December 1870 buiten de monding der Boeloengan (OostU» van Borneo) had blootgestaan , met het gevolg dat de » manning, na 4 «ewonden bekomen te hebben, zich ten sio ^noodzaakt had gezien te vlugten en den kotter met fading achter te laten. Van dit feit werd door den g» verneur van Celebes mededeeling gedaan aan den resid der Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo, terwijl met Stationskommandant in de wateren van Celebes overj gekomen werd om oen stoomschip naar den noordelij" ingang van straat Macassar op kruistogt te zenden
De omstandigheid dat zich in April jl. op drie verschille« plaatsen ter Oostkust van Sumatra kleine zeeroove praauwen vertoonden, heeft aanleiding gegeven om die wateren opzettelijk te doen bekruisen, waartoe tweede oorlogsbodem aan het station Riouw is toogevo«
Vc IS W. bc vc
(l) Volgens latere berigten is het tijdelijk aan de dienst ontVj van het in de Moluksche wateren gestationeerde stoomschip fesj oorzaak, dat de voorgenomen tijdelijke versterking niet tegen het e-ewezen tijdstip heeft kunnen plaats vinden, zoodat er nu eAugustus jl. uitvoering aan gegeven zou zijn. Intusschen bezoop in de wateren van Menado reeds aanwezige stoomschip herhaal" Ternate en bekruiste ook de Tomini-bogt, ten einde dit gedeelt t den Archipel middelerwijl niet van maritime midde en ontbloot te i Over de noodzakelijkheid eener onverflaauwde waakzaamheid teg»j kwaad der zeerooverij is de Gouvemenr-Generaal nog zeer ox (Augustus jl.) voor zooveel noodig onderhouden.
t, a
e t
's
i
nisje'
41
1870 39ten 'ds tul; an ka < , dat tg been de i vei«
.aven' ruist' ivoLijl Cabel)orde< i ; de in w » ware» doek jebisd 3D zie' enhetf igtigd« >o val jen de« ta u wel handel
erigte' »'t do" stoor»" sporifl l a r t ö l it ze«1
oovei'ä worde' y verg» ne vrij'
nogelij water« )venib' specie tation* reside' trege i zijn 1 gebra vaar*' i 2 8 ^ Jostki)' t de Ij ;on si o' met ] len d resid«; met* overal rdelij11
en. chilleö' ïrooveh
Onder de reizen die door de oorlogsschepen gedaan werden tot bevordering van politieke en handelsbelangen en tot vertoon der vlag, moeten, behalve de reeds in het vorig verslag Vermelde reis van Zr. M s . stoomschip Curaçao naar de Roode *ee en Perzische Golf' en de onlangs door dienzelfden bodem ondernomen togt naar de havens en nederzettingen ter Noord»ust van Australie, ook genoemd worden de kruistogten van ^ r- Ms. stoomschepen Willem en Djambi in het oostelijk gep e l t e van den Indischen Archipel gedurende de maanden Wei, J u n i j , Julij en Augustus 1870. Aan gestrande schepen en schipbreukelingen werd steeds oe noodige hulp verleend.
F. R e g t s w e z e n en departement v a n justitie.
Kort na de oprigting van het departement van justitie, (over welks zamenstelling zie hoofdstuk IE hierachter), *erd den directeur de bevoegdheid, welke tot nog toe eene oer bemoeijenissen van den president van het Hooggeregtshoi' ^ e t het personeel der regterlijke magt uitmaakte, opgedragen [Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 1952 en 2323), °m de uit Nederland aangekomen personen , ter beschikking gesteld van den Gouverneur-Generaal om te worden geplaatst bij de regterlijke magt in Nederlandsch I n d i e , in afvvachting van zoodanige plaatsing, op hun voorloopig tractement werkzaam te stellen, hetzij bij de griffien en Parquetten op J a v a , hetzij bij het departement van justitie. Van het optreden van den directeur van justitie maakte oe Gouverneur-Generaal gebruik om, ingevolge de hem daartoe bij art. 14 van het reglement op de regterlijke organisatie gegeven bevoegdheid, het afnemen van den ambtseed van de te Batavia aanwezige regterlijke ambtenaren, Uitgezonderd den president van en den procureur-generaal "ij het Hooggeregtshof, aan dien departements-chef op te dragen [Indisch Staatsblad 1870, n». 43).
Ook w e r d , in verband tot art. 1 lit. d van het in 't Vorig verslag vermeld Koninklijk besluit van 30 .Tanuarij l 8 7 0 , n ° . 24 [Indisch Staatsblad n°. 42), regelende den J^erkkring van het departement van justitie, uitdrukkelijk bepaald [Indisch Staatsblad 1870, n°. 189), dat in het. vervolg niet meer de procureur-generaal, maar de directeur van justitie, door de hoofden van gewestelijk bestuur zal borden geraadpleegd vóór de afkondiging der reglementen en keuren van politie, tot wier vaststelling zij de bevoegdheid ontleenen aan art. 72 van het Regeringsreglement.
V
om rtoe 1 agevoft
3t ontv»i ip VeA m het * nu e g bezoch'. ierhaal"t
oot tel'i d teg«»; eer o»1'
§ 1. Wetgeving in het algemeen.
_ Afscheiding der regterlijke van de administrative magt [Ko'"•inlclijh besluit van 5 Maart 1869, n°. 3 , Indisch Staatsblad n • 47). Aan de uitnoodiging in Mei 1869 aan den procureurgeneraal bij het Hooggeregtshof gedaan, doch in Augustus daaraanvolgende op den directeur van justitie overgegaan (zie het vorig verslag bladz, 33), werd door dezen nog vóór W einde van 1869 voldaan :
o,, wat betreft de wijzigingen, welke de bestaande wetboeken zullen moeten ondergaan , door de indiening van een ontwerp-Koninklijk besluit, houdende wijzigingen van de reglementen op de regterlijke °rganisatie, op de burgerlijke regtsvordering voor de raden v a n justitie op J a v a enz., op de strafvordering voor de raden van justitie op Java enz., en op de uitoefening der Politie, de burgerlijke regtspleging enz. onder de inlanders en de met dezen gelijkgestelde personen op J a v a en Madura, "ij die voorstellen -was tevens gelet op de uitbreiding der r egtsmagt in burgerlijke zaken van de alleen regtsprekende r e g t e r s , vermeld in art. 108 van het reglement op de regterlijke organisatie. De voorgestelde wijzigingen betroffen a}leen de wetgeving voor J a v a en Madura , omdat de bed u n g e n daarbuiten geheel of gedeeltelijk door andere oorschriften het regtswezen betreffende worden beheerscht, en het in werking brengen van het bedoeld beginsel aldaar eerst behoort te geschieden bij de invoering van de reorganisatie Tan het regtswezen in die bezittingen , waartoe de noodige ^ooi-stellen hij de Indische Regering gedaan of in behandeling zijn.
Nadat op dit ontwerp het gevoelen was ingewonnen van
N°. 8 . 2.
den procureur-generaal, het Hooggeregtshof en den R a a d van Nederlandsch Indie , werden de stukken in Maart 1870 teruggezonden aan den directeur van justitie, met opdragt om zijnen arbeid in overeenstemming met de zienswijze der Regering en de bemerkingen van het hof te herzien en op nieuw door tusschenkomst van dit opperregterlijk collegie der Regering aan te bieden. De gerezen bezwaren betroffen voornamelijk de voorgestelde wijze van partiele invoering der wijzigingen in drie jaar-termijnen, zoodat telken jare in een derde gedeelte van J a v a het beginsel der afscheiding algehoele toepassing zou bekomen. De Indische Regering verklaarde met het Hooggeregtshof van oordeel te zijn, dat die wijze van invoering in vele gevallen verwarring en ongelijkheid in de regtsbedeeling ten gevolge zoude hebben en gaf daarom als hare zienswijze aan den directeur het denkbeeld in overweging om, ten einde tot geleidelijke uitvoering van het beginsel te geraken, de wijzigingen der bestaando wetgeving te beperken tot hetgeen noodig is om afzonderlijke voorzitters te kunnen benoemen bij de Iandraden en reside ntio-geregten, en om bij die Iandraden over te brengen de regtspraak in strafzaken, thans aan de omgaande regtbanken voorbehouden, zonder voor 's hands de regtsmagt in burgerlijke zaken uit te breiden.
Het^ zoo gewigtig onderwerp is dus thans op nieuw bij den directeur van justitie in behandeling;
*. wat betreft die politieverordeningen , die met wijziging en aanvulling van de in de Indische Staatsbladen 1828 , n°. 6 3 , en 1829, n°. 8, opgenomen reglementen moeten uitgevaardigd worden, door het ontwerpen van een algemeen politiestrafreglement voor Nederlandsch Indie, waarin opgenomen zijnen met straf bedreigd worden alle handelingen en nalatigheden, welke geacht kunnen worden te zijn een onderwerp van politieregt, en overal en algemeen binnen het grondgebied van Nederlandsch Indie onder bedreiging van straf behooren verboden of geboden te zijn, onafhankelijk van plaatselijke en tijdelijke behoeften en belangen. Dit politiereglement bestaat uit twee deelen : het eene voor Europeanen en met dezen gelijkgestelden, zich aansluitende aan het Wetboek van Strafregt voor E u r o p e a n e n , het andere voor inlanders en met dezen gelijkgestelden, zich aansluitende aan het door den directeur van justitie in Julij 1870 ingediend ontwerp van een Wetboek van Strafregt voor inlanders. Het tweede gedeelte, dat voor inlanders — het moeijelijkste en meest omvangrijke — is ontworpen en ingediend; het andere zal weldra volgen. De tijd van ingang van het vroeger (zie het verslag van 1869 bladz. 38) vermelde Koninklijk besluit van 5 M a a r t 1869, n°. 4, houdende wijziging van art. 110 van het reglement op de regterlijke organisatie, sedert door den Gouverneur-Generaal afgekondigd bij besluit van 17 October 1870 [Indisch Staatsblad n°. 152), zal vooreerst nog niet kunnen worden vastgesteld, omdat zulks niet zal k u n nen geschieden zonder gelijktijdige vaststelling en invoering van het nog bij het Hooggeregtshof in behandeling zijnde ontwerp-Strafwetboek voor inlanders, krachtens hetwelk binnen de regtsbevoegdheid van den politieregter vallende straffen worden bedreigd tegen feiten, die niet onder de politie-overtredingen_kunnen worden gerangschikt, maar misdrijven zijn en dus niet in een politiereglement kunnen worden opgenomen, zoo als kleine onbeduidende diefstallen, opligterijen en anderen, die ook thans, wanneer zij bedreven zijn door inlanders, op grond van de bestaande politieverordeningen door den politieregter worden afgedaan en van zijne competentie zullen moeten blijven, wil men het aantal landraadzaken niet dermate zien toenemen, dat in menig regentschap ée'n zoodanige regtbank niet voldoende wezen zal. E r moet dus gezorgd worden , dat bij de invoering van een algemeen politiereglement, waardoor de beide even a a n gehaalde zullen vervallen, eene wettelijke bepaling die feiten doe blijven binnen het bereik van den politieregter. Aangezien verder, na de invoering van dat Koninklijk besluit, op de politierol geen enkel feit meer zal mogen worden gestraft, indien daartegen niet bij eenige wettelijke verordening straf is bedreigd, werd door den directeur van justitie bij circulaire de aandacht van de hoofden van gewestelijk bestuur op het onderwerp gevestigd en hun in overweging gegeven om elk voor zijn gewest naauwkeurig
11
É
42
na le gaan, welke binnen het gebied van het poiitieregt vallende handelingen met het oog op plaatselijk belang en behoefte, onder bedreiging van straf moeten worden verboden of' geboden, en voor zoover daarin niet reeds dooiden algemeenen of plaatselijken wetgever voorzien is, tijdig van de aan hen bij art. 72 van het Regeringsreglement verleende wetgevende bevoegdheid gebruik te maken tot het ontwerpen en vaststellen van de noodige plaatselijke of gewestelijke reglementen en keuren van politie.
c. wat aangaat het gebied, binnen hetwelk voorzitters en griffiers van landraden moeten worden benoemd, en de plaatsen waar hieraan de meeste behoefte is, door de indiening' van eene ontwerp-regeling voor Java en Madura van het gebied der verschillende te benoemen presidenten, tevens residentieregters, en hunne griffiers, daarbij tot grondslag genomen het uit statistische gegevens berekend aantal zaken, welke vermoedelijk door één president en griffier zullen moeten en kunnen worden behandeld in verband tevens tot de uitgestrektheid van het regtsgebied, waarbinnen zij hunne functien zullen uitoefenen , — en door eene opgave der plaatsen waar de meeste behoefte aan invoering van den maatregel bestaat en waar dus reeds dadelijk, met toepassing van art. 2 van het Koninklijk besluit, regterlijke ambtenaren tot presidenten zouden kunnen worden aangesteld en de hoofden van gewestelijk of plaatselijk bestuur van de verdere vervulling van het praesidium ontheven. Bij die regeling was tevens voorgesteld , de invoering van het beginsel, met inachtneming der ressorten voor de omgaande regters op Java en Madura bepaald, te doen geschieden in een tijdsverloop van driejaren, te beginnen met de ressorten alwaar de behoefte gebleken is het grootst te zijn, namelijk de tegenwoordige 4de en 5de afdeeling, daarna in het tweede jaar de tegenwoordige 1ste afdeeling met de residen tien Soerakarta en Djokjokarta, en eindelijk in het derde jaar de tegenwoordige 2de en Sde afdeeling. Ook deze voorstellen zijn, nadat het gevoelen van den procureur-generaal, het Hooggeregtshof en den Raad van Nederlandsch Indie was ingewonnen, door den Gouverneur-Generaal, onder mededeeling van de daarop door de adviseurs gemaakte aanmerkingen , in Maart 1871 op nieuw in handen van den directeur van justitie gesteld, met verzoek om, in verband met die aanmerkingen en de beswaren met opzigt lot de voorgestelde wijze van uitvoering van het beginsel van afscheiding reeds geoppei d tegen de onder a vermelde voorstellen , ook deze nogmaals aan eene herziening te onderwerpen en op nieuw aan te bieden door tusschenkomst van het Hooggeregtshof. De GouverneurGeneraal gaf daarbij tevens te kennen, van oordeel te wezen dat de drie hoofdplaatsen van Java, Batavia, Samarang en Soerabaija, wat de dringende noodzakelijkheid betreft, het eerst voor eene benoeming van afzonderlijke presidenten van den landraad hehooren in aanmerking te komen, terwijl voor zoover de bij de begrooting toegestane fondsen het toelaten , bovendien een voorstel zou kunnen worden gedaan tot benoeming van een afzonderlijken president voor zoodanige landraden, welke daaraan overeenkomstig de gedane opgaven de meeste behoefte bleken te hebben. Naar aanleiding van die mededeeling heeft de directeur van justitie de gedane voorstellen op nieuw in behandeling genomen. Inmiddels werd door het Opperbestuur het verlangen te kennen gegeven , dat ter uitvoering van art. 2 van het aangehaald besluit van 5 Maart 1869, n°. 3, zonder op de vaststelling der verdere verordeningen te wachten, reeds vóór of op 1 Januari] 1872 in een of meer gewesten, waar daaraan dringende behoefte bestond, zou worden overgegaan tot de aanstelling van een of meer regtskundige voorzitters van landraden (1).
d. wat betreft het denkbeeld om de voorzitters en griffiers der landraden in klassen te verdeelen en de bepaling van het bedrag hunner bezoldiging, door het indienen van eene ontwerp-regeling der bezoldiging van de te benoemen voorzitters on griffiers der landraden op Java en Madura, zonder verdeeling in klas
(1) In Julij jl. zijn de betrekkelijke voorstellen van den directeur van justitie ontvang-en en bij den Raad van Indie overg-ebragt.
sen , maar zoodanig ingerigt dat deze ambtenaren bevof dering kunnen maken zouder verandering van den aaf' van hun werkkring, door het bedrag der bezoldigingen f doen verschillen naar mate van den aard, het gewigt et het aantal der te behandelen zaken en de plaats waar à ambtenaren zullen moeten gevestigd zijn. De Gouverneur-Generaal stelde echter, na ingewonnei advies van de reeds vroeger vermelde autoriteiten , de voor stellen in Maart 1871 op nieuw in handen van den dire* teur van justitie, onder mededeeling dat naar zijn gevoeW de voorgestelde schaal van bezoldigingen van de aan * stellen voorzitters, ondervoorzitters en griffiers der land' raden te weinig gelegenheid aanbood tot geregelde opklim ming daarbij, en derhalve niet voldoende dienstig kol geacht worden tot aanwakkering van den lust om zich aa' dien tak der dienst te wijden, en met uitnoodigiug on) gebruik makende van de gerezen bedenkingen, het ondel" werp op nieuw in behandeling te nemen en na herzienin! door 'shofs tusschenkomst weder in te dienen. Naar aan leiding van die opdragt onderwerpt thans de directeur vat justitie ook deze voorstellen aan eene herziening.
e. wat aangaat het denkbeeld om een afzonderlijk kadefl te vormen .van regterlijke ambtenaren voor de inlandscW regtbanken en in verband daarmede wat aangaat de vraag' of art. 3 van het Koninklijk besluit van 10 Septembe' 1864 (Indisch Staatsblad n°. 194J, wijziging behoeft, door de mededeeling van zijn gemotiveerd gevoelen i dat het vormen van een dergelijk afzonderlijk kader nod raadzaam, noch noodig is, en dat evenzeer het stellen va" andere en meerdere eischen aan de te benoemen presr denten en griffiers van landraden dan bij bedoeld art. 's
gevorderd worden van alle regterlijke ambtenaren, nie' wenschelijk noch noodig is. In deze meening is ook doffl de Indische Regering gedeeld; echter is harerzijds eew aanvulling van het artikel voorgesteld , hoedanige aan vulliol echter, als in onmiddellijk verband staande tot de te geve" uitvoering aan het Koninklijk besluit van 5 Maart 1869' n°. 3 , voorloopig in advies wordt gehouden.
Begtswezen in de buitenbezittingen. De ontwerpen tu' reorganisatie van het regtswezen in de buitenbezittingef (bladz. 33 van het vorig verslag) hebben voortdurend oeD punt van gedachtenwisseling tusschen den directeur va" justitie en de Regering uitgemaakt. Het ontwerp voo' Sumatra's Westkust zou. eerlang aan de beslissing van he' Opperbestuur worden onderworpen, ook die voor de resi' dentien Banka en Riouw en onderhoorigheden ; terwijl c\ ontwerpen voor de overige bezittingen alsdan geleidelij? en spoedig zullen kunnen volgen, bestaande nu door da toevoeging van cenen secretaris aan zijn departement (ver gelijk lager hoofdstuk M) voor den directeur de gelegenheid om aan deze aangelegenheid meer gezet gedurende eenige' tijd zijne aandacht te wijden en aan de reeds lang vervaal" digde ontwerpen de laatste hand te leggen.
Wetgeving voor de vreemde Oosterlingen. De vaststelling der door eene daartoe in der tijd ingestelde commissi6
ontworpen » Bepalingen betreffende het burgerlijk- , handels' en strafregt voor de Chinezen op Java en Madura" wach' op den uitslag der overwegingen , of ten gevolge daarva" de raden van justitie geene versterking zullen moeten be' komen, en of niet eene uitbreiding van het personeel de' ambtenaren van den burgerlijken stand noodig zal zij«' wanneer ook op de Chinezen de voorschriften van he' reglement op het houden der registers van den burgerlijke11
stand, voor zooveel noodig gewijzigd, van toepassing zulle" zijn. Beide vragen zijn thans weder in behandeling bij bet
departement van justitie. Ten aanzien der bezwaren welke reeds vroeger tegefl do wijze van toepassing van het Europeesch faillietenreg") op de vreemde Oosterlingen werden te berde gebragt, vel" dient vermelding een nieuw door de Bataviasche käme' van koophandel en nijverheid den Gouverneur-Genera»' aangeboden en door die te Soerabaija ondersteund adres' waarbij aan de Regering wordt verzocht:
1°. op te leggen aan de vreemde Oosterlingen, met nam* aan de Chinezen, de verpligting om hunne handelsboeke"
het gel iûli toe ten ges Hie eu blij »lit ?ijn hoo soo,
»0 de
& gou
oevol' i aar1
gen t' igt ei ar d'
onnei voor direo' ,-oelef ,an '(
land )kliffl y kol maat l om )ndei" ieniof • aao ir vat
43
te houden in eene der meest gewone Westersche talen dan wel in het Maleisch met Latijnsche karakters;
2°. de curatele in faillite boedels aan de weeskamers te ontnemen en haar op te dragen aan curatoren overeenkomstig de in Nederland van kracht zijnde bepalingen;
3°. de landraden te ontheffen van de criminele regtspraak over vreemde Oosterlingen, voor zoover betreft misdrijven bij gelegenheid van faillissem*nt begaan, en daarmede te belasten de raden van justitie. Het adres werd gesteld in handen van den directeur V an justitie, die, met verwijzing naar zijne reeds vroeger °ver het onderwerp uitgebragte rapporten, in overweging gaf, wat 1". en 2°. betreft, aan de adressanten te kennen e geven, dat in het verzoek niet kon worden getreden , e& wat :>°, aangaat, aan het Opperbestuur voor te stellen 0 0 1, met wijziging on uitbreiding van de artt. 95, n°. 2 , e n 129, n°. 1, van het reglement op de regterlijke organisatie, te bepalen, dat de raden van justitie in eersten aanleg kennis nemen van de misdrijven ter gelegenheid van aiüissem*nt en bij kennelijk onvermogen, mitsgaders bij surseance van betaling, begaan door vreemde Oosterlingen , °P welke de bepalingen der publicatie van 30 April 1847 Indisch Staatsblad n°. 23) toepasselijk zijn. Deze aangelegenheid was laatstelijk in behandeling bij den Eaad van Nederlandsen Indie.
Eegtstoestand van Chinesehe Christenen. I n strijd met de l'egtspraak van het Hooggeregtshof van Nederlandsen Indie (zie het vorig verslag bladz. 3 4 | , dat Chinesche Christenen, Ofödat t e hunnen opzigte geene uitzondering is gemaakt, * rachtens de 2de alinea van art. 109 van het Regerings*'eglement, gelijk staan met Europeanen (arrest dd. 13 Maart *°69, n°. 69 ß , Indisch Weekblad van het Eegt n°. 304), besliste j® raad van justitie te Batavia, bij beschikking van 25 Mei WO (opgenomen in het Indisch Weekblad van het Eegt n°. 372) °P een verzoek om inschrijving in de registers van den E u r o Peschen burgerlijken stand van een kind uit Chinesche ouders geboren, doch wiens vader later tot de Christelijke godsdienst was overgegaan, en dat bij den doop den gewijzigden *uropeschen naam zijns vaders had gekregen , dat dergelijk I n d , als geboren uit Chinesche ouders , volgens de 3de a a n e a van art. 109 van het Regeringsreglement behoort °t de met inlanders gelijkgestelde personen, en zulks op Qe volgende overwegingen :
dat het kind, den lateren staat van zijnen vader volgende en gedoopt zijnde met Europesche namen, is Christen n behoort tot de met inlandsche Christenen gelijkgestelde ï ^ s o n e n ; dat op grond der voorlaatste alinea van aangehaald rt' 109, waarbij is aangenomen dat de inlandsche Chris
a e nen met opzigt tot hunne regten, lasten en verpligtingen a t l dezelfde algemeene gewestelijke en gemeentelijke veror«ningen en instellingen onderworpen blijven,, als de in
t a nders die het Christendom niet belijden, dat is met opzigt o t het burgerlijk en handelsregt geheel en al gelijk zijn a n niet-Christen inlanders, in verband tot de 1ste alinea
j , a n het artikel, volgens welke alle bepalingen van het egeriijgsreglement en van alle algemeene verordeningen, , aarin sprake is van Europeanen en van inlanders , waar et tegendeel niet is bepaald , toepasselijk zijn op met hen •T.ujkgestelde personen, al het bepaalde ten aanzien van andsche Christenen evenzeer van toepassing is op de e* inlandsche Christenen gelijkgestelde Chinesche Chrisnen ; d a t derhalve ook met inlandsche Christenen gelijkstelde Christenen van anderen landaard, zoolang daarin 1 anders is voorzien, met opzigt tot hunne regten, lasten h].. y e rpligtingen aan dezelfde verordeningen- onderworpen fti"iV^n als inlanders die het Christendom niet belijden en itsdien een Chineesch Christenkind met betrekking tot ho e n k m'ë e l'ïïJ k e n s t a a t alsnog geacht moet worden te be2 j 6 n * o t de personen die met inlanders gelijkgesteld zijn, a' in r] ^ 8 i n s c n i'ijving zijner geboorte niet kan geschieden de -p r e S ' s t e i ' s yan den burgerleken stand, bestemd voor Europeanen en met dezen gelijkgestelde personen.
go. t r af w e tboek voor .inlanders. Aan de opdragt gedaan bij Z " V e i -nementsbesluit van 10 October 1869, n°. 1, tot menstelling van een strafwetboek voor inlanders, heeft
kadet idscW -raag' embef
Delen nod m vat presi art. • , nie' ; doot i eeq ullini o-evef 1869
m to' tingeJ d eeö r va" \'O0i an h l i resi' rijl à idelijt )or de t(ver| 3nhei<> anigef r v aal"
telling missi tidelä' wach' larval an be' el def 1 zijo m he' :lijkeH zulle« bij be'
tegel' enregt;
, ver kam»1'
dreS
nam8
loeke"
de directeur van justitie voldaan door in Julij 1870 der Regering een ontwerp-Wetboek van Strafregt voor inlanders in Nederlandsen Indie aan te bieden, vergezeld van eene toelichtende memorie, waarvan op magtiging der Regering ter bevordering eener spoedige behandeling een zeker getal exemplaren zijn gedrukt e n , overeenkomstig het gedaan voorstel, aan de personen en collégien welke de Regering daarop wenschte te hooreu, rondgedeeld. Het ontwerp was volgens de laatste berigten (Mei 1871) in behandeling bij het Hooggeregtshof. (1)
Eegtspersoonlijkheid van vereenigingen. Sedert de invoerin»' van het Koninklijk besluit van 28 M a a r t 1870, n°. 2 {Indisch Staatsblad n°. 64) , is bij algemeene verordening als regtspersoon erkend do « Vereeniging van praktiserende geneesheeren te B a t a v i a " (Indisch Staatsblad 1871, n°. 35) , en is goedkeuring verleend op het gewijzigd reglement voor de reeds in 1852 als zedelijk ligchaam erkende » Vereeniging tot bevordering van geneeskundige wetenschappen in Nederlandsch Indie" (Indisch Staatsblad 1870, n°. 120). (2)
Vertaling van algemeene verordeningen in het Chineesch. I n 1869 werd aan den Gouverneur-Generaal inlichting verzocht nopens de toepassing tot dus ver van het voorschrift tot aanplakking »voor zooveel noodig" van Chinesche vertalingen der afgekondigde algemeene verordeningen (artt. 32 en 33 van het Regeringsreglement), en daarbij tevens het gevoelen der Indische Regering gevraagd over het al dan niet wenschelijke eener afschaffing van dergelijke vertalingen. In antwoord daarop is berigt geworden , dat de vertalingin het Chineesch geregeld plaats heeft wat aangaat de verordeningen wier kennis voor de Chinezen noodig of nuttig i s , en dat de bedoelde afschaffing geene aanbeveling verdient, omdat zeer vele Chinezen geen Maleisch verstaan, en de kennis der wetten bij een zoo belangrijk element der Indische bevolking onmisbaar is in het belang eener goede justitie en politie. Zelfs heeft de Indische Regerino-, bij een besluit van December 1870, op voorstel van den directeur van justitie bepaald, dat de Chinesche vertalingen van algemeene verordeningen, tegen betaling, ter landsdrukkerij voor het algemeen verkrijgbaar zullen gesteld worden. Met de meening der Indische Regering is dezerzijds (Maart 1871) ingestemd, onder voorwaarde dat de woorden »voor zooveel noodig", in gemelde artikelen voorkomende , behoorlijk worden in acht genomen.
§ 2. Burgerlijk regt, handelsregt en burgerlijke regtsvor dering.
Levering en openbaarmaking van den eigendom van onroerende zaken, enz. Het ontwerpen van bepalingen betreffende de wijze van levering en openbaarmaking van eigendom van onroerende zaken, de bewaring van hypotheken en de eigendomsoverdragt van schepen en het daarop vestigen van verbanden k o n , bij de vele andere belangrijke werkzaamheden, welke voortdurend het deel zijn van het departement van justitie, niet met dien spoed vorderen, welken de chef van dit departement wenschte. Daarom voegde hij voor de behandeling dezer zaak een der nog niet geplaatste ter beschikking van den Gouverneur-Generaal gestelde regterlijke ambtenaren aan zijn departement toe, die den arbeid ook na zijne definitive plaatsing heefi voortgezet en met wiens hulp de directeur, volgens berigten van Mei jl., verwachtte alsnu spoedig een ontwerp aan de Regering te zullen kunnen indienen (zie overigens het lager aangeteekende in § 5 van dit hoofdstuk onder »Emolumenten der griffiers").
(1) Volgens eene in Julij jl, van dit opperregterlijk collegie bij den Gtouverneur-G-eneraal ontvangen mededeeling hadden verschillende omstandigheden de behandeling van het ontwerp tot dus ver vertraagd. doch zou tot eene gezette overweging daarvan zoo spoedig mogelijk door de vereenigde kamers worden overgegaan. •
(2) Sedert is nog als regtspersoon erkend de vereeniging »het Begrafenisfonds ten behoeve der Chinesche bevolking in de afdeeling Buitenzorg" (Indisch Staatsblad 1871, n°. 93), en heeft goedkeuring plaats gehad van het gewijzigd reglement der in 1853 en 1861 als zedelijk ligchaam erkende »Koninklijke natuurkundige vereeniging in Nederlandsch Indie" (Indisch Staatsblad 1871, n°. 89).
44
In afwachting van deze algemeene nieuwe regeling was door den directeur van justitie, ten einde in de bestaande leemte in dit opzigt te voorzien, eene verordening ontworpen tot toepasselijk-verklaring van de hypotheek-ordonnantie van 21 April 1834 (Indisch Staatsblad n". 27) op de zakelijke regten. Voorts was door den directeur het ontwerp eener algemeene verordening ingediend, strekkende om ook aan den resident van Krawang de bevoegdheid te schenken, voorgeschreven bij art. 1 van gemelde ordonnantie, en dus tot opheffing van het voor belanghebbenden in Krawang_ nog bestaande bezwaar, dat zij zich tot het verlijden van eigen doms- of'hypotheek-acten, betreffende in dat gewest gelegen onroerende zaken, moeten begeven naar Batavia, of zich aldaar moeten laten vertegenwoordigen. De zaak was laatstelijk in behandeling bij den Raad van Nederlandsch ^ndie. .. Van de ontworpen ordonnantie op de in- en overschrijving enz. van de gronden, die inlanders in eigendom verkrijgen krachtens de wet van 9 April 1870 {Indisch Staatsblad n°. 55), wordt melding gemaakt in hoofdstuk J , afd. IV.
te leveren. In dien zin is in December Gouverneur-Generaal geantwoord. 1870 aan de»
Burgerlijke stand. Volgens art. 360 alinea 3 van het Indisch Burgerlijk Wetboek is de ambtenaar van den burgerlijken stand verpligt aan de weeskamers kennis te geven : 1». van het overlijden van alle personen, met opgave tevens of zij minderjarige kinderen nalaten ; 2°. van alle tweede | en volgende huwelijken van ouders die minderjarige kinderen hebben. Voor de voldoening aan de eerste dezer verpligtingen is bij art. 83 van het reglement op het houden der registers van den burgerlijken stand (Indisch Staatsblad 1849, n°. 25) een termijn gesteld, zoodat de ambtenaar, indien hij dezen onbenut laat verloopen , strafschuldig is. De andere verpligting was echter tot nog toe aan geen termijn gebonden , en daarom konden de ambtenaren straffeloos de kennisgeving verzuimen. Aangezien dit verzuim veelvuldig plaats vond , was het deiweeskamers dikwerf geheel onmogelijk te waken voor de naleving van art. 352 Burgerlijk Wetboek. Ten einde in de leemte te voorzien , zijn bij de ordonnantie van 3 September 1870 [Indisch Staatsblad n°. 110) aan gezegd art. 83 toegevoegd de woorden: » en de voltrekking van het tweede en volgende huwelijk". In verband hiermede werd er de aandacht op gevestigd, dat niet zelden de hertrouwde vader of moeder, voogd of voogdes van zijne of hare minderjarige kinderen , zeer tegen hun°wensch en wil, — omdat zij uit onkunde of onoplettendheid verzuimd hebben , de verpligting hun in geval van tweede of volgend huwelijk bij de artt. 350 en 352 van het Indisch Burgerlijk Wetboek voorgeschreven, na te komen — de voogdij over die kinderen verliezen. Het gevolg hiervan was , dat op uitnoodiging van de Regering , de directeur van justitie de ambtenaren van den burgerlijken stand in Nederlandsch Indie aanbeval om de personen, die te hunnen overstaan een tweede huwelijk wenschen te voltrekken, na de huwelijksaangifte en vóór de huwelijksvoltrekking, opmerkzaam te maken op de voorschriften der aangehaalde artikelen. Ten einde het gemis te vergoeden van één der dubbelen van de registers van den burgerlijken stand hetwelk ter griffie van den raad van justitie te Padang berust had, doch aldaar in 1869 door brand was vernield geworden, zoomede ter voorziening alsnog in èen dergelijk verlies ten jare 1850 te Samarang geleden, waren in Indie bepalingen ontworpen die eene afwijking behelsden van de leer in het Indisch Burgerlijk Wetboek gehuldigd omtrent het bewijs, doordat aan afschriften van afschriften, in strijd met art. 1889 n°. 4 van dat Wetboek, volledige bewijskracht zou worden toegekend. Zoodanige afwijking voor een bijzonder geval van de algemeene voorschriften van het Burgerlijk Wetboek werd echter hier te lande bedenkelijk geacht. In verband met het feit dat nog steeds één der dubbel-registers zoowel te Padang als te Samarang behouden was gebleven , werd de voorkeur gegeven zich te bepalen tot eene administrative voorziening, door namelijk, als maatregel van voorzorg, van het overgebleven dubbel authentieke afschriften te doen nemen, en daardoor de mogelijkheid te scheppen om, wanneer ook dit laatste mögt ontbreken , zoo al geen volledig bewijs dan toch een begin van schriftelijk bewijs aangaande den staat der personen
Begisters van den burgerlijken stand voor inlanders. Met opzigt tot de registers van den burgerlijken stand ondel': den inlander op Java en Madura (voor zoover men namelijk de aanteekeningen, die dessa- en districtshoofden ten opzigte van huwelijk, geboorte, overlijden enz. verpligt zijn te houden, zoo noemen mag) ondergingen de betrekkelijke voorschriften eene aanmerkelijke verbetering, doordien bi] het Koninklijk besluit van 31 Julij 1870, n°. 7(1) (Indisch Staatsblad n°. 105), het schriftelijk houden dier aanteeke' ningen verpligtend werd gemaakt.
Geslachtsnaams-veranderingen. Bij verzoeken om geslachtS' naams-veranderingen of geslachtsnaams-bijvoeging was het tot nog toe de gewoonte dat de Indische Regering zelve va* het verzoek, ingeval tegen de inwilliging niet reeds dadelijk bezwaren bestonden, deed melding maken in het officies' nieuwsblad (art. 7, oerste gedeelte Indisch Burgerlijk We H boek). Op grond, dat op deze wijze de Regering bemoeijeni* had met eene handeling, welke de wet haar niet opdraag' en die gerustelijk aan belanghebbenden kan worden oven gelaten, is in Mei 1870 als regel aangenomen om den ver| zoeker, indien het verzoek niet reeds dadelijk moet worde" afgewezen, bij wege van voorloopige beschikking op zij» request, op te dragen daarvan melding te maken in d* Javasche Courant en, zoodra het zal zijn geschied, van dl* aankondiging mededeeling aan het Gouvernement te doefl (Bijblad op het Indisch Staatsblad, n°. 2320).
Gemengde huwelijken. Het aantal gemengde huwelijken 1 1870 gesloten , was minder dan in een der vier voorafgegao' jaren. Het bedroeg in genoemd jaar 45, tegen 51 in 1869', 46 in 1868, 53 in 1867 en 48 in 1866. Van de 45 huwelijken werden er 31 voltrokken tusscbe* Europeanen en inland sehe Christenen, waarvan binnen h", regtsgebied van den raad van justitie te Batavia 6, v9* dien te Samarang 3 , Soerabaija 9, Padang 1, Amboina ": Banda 1 en van dien te Ternate 2. De overige 14, gj sloten tusschen Europeanen en inlandsche niet-ChristeneU! werden voltrokken als volgt : 5 binnen het ressort van de1
raad van justitie te Batavia, 2 van dien te Samarang 1 van dien te Soerabaija, 1 van dien te Padang, 2 v»1
dien te Macassar en 3 van dien te Banda.
liet min dezi We n°. van slis geb
2
tan der bel, 1
•W-o: taa zin
( eXf «en den ove teg Tvo hui
j don een die de het doe lan 1 »ie vai Of zal «He eet of als
Minderjarigheid en voogdij. Het Indisch Burgerlijk We' boek mist het voorschrift van art. 394 van het Nede' landsch Burgerlijk Wetboek. Dien ten gevolge weigert menige voogd zekerheid stellen voor hetgeen zijn pupil na het aanvaarden <*' voogdij aankomt, zonder dat hij daartoe kan worden g' dwongen of wel hem dien ten gevolge het beheer ontnom^ Hiervan kan groot nadeel voor minderjarigen het geve zijn. Daarom is door den directeur van justitie een vboi'S^ gedaan tot aanvulling van het Indisch Burgerlijk Wetb<>| in den zin van gezegd art. 394. Deze aangelegenheid; thans bij het Indisch Bestuur in behandeling en zal wel<" haar beslag krijgen. Op het gebied van minderjarigheid en voogdij deden 0' de volgende quaestien voor :
L°. Moet door den regter in Nederlandsch Indie jj voogd worden benoemd in eene aldaar opengevallen voogdj ingeval de langstlevende der ouders bij uitersten wil \ voogd heeft benoemd een persoon, die zich niet in Ned" landsch Indie bevindt? Met afwijking van een arrest van het Hooggeregts», van 30 Augustus 1851 (2) besliste de raad van justiti6
Batavia deze vraag in ontkennenden zin, op grond ' de artt. 359, 360 en 374 van het Indisch Burger' Wetboek in casu niet toepasselijk zijn, evenmin als ai"'' der overgangsbepalingen, en het niet woonachtig zij" Nederlandsch Indie van den benoemden voogd niet beb°j tot de gevallen van onbevoegdheid tot of uitsluiting j de voogdij, terwijl bij de wet inmiddels aan de weesk»'
(1) "Vergelijk het vorig verslag bladz. 56.
(2) Tijdschrift »Het. regt in Nederlandsch Indie'
tre In, va: dei
>% 66] do va
25
Sn (Ii ke l* IS
Ui Siia is sti ge dc
Va
VI, 196.
45
den
Met ndei' lelijk t o p' , zijo alijke n bij idisch eeke
ichtsis het e va« delijk flcieel Wet; jijeni' IraaJ over' n ver' •orde« p zij" in d« m di« doef'
ken i' Djegao' 1869
3scbe( len h| 5, va< oina " 4 , g«l ätene» an de1 larang 2 v»!
•het behartigen van den persoon en de goederen van de »Hnderjarigen is opgedragen. Het Hooggeregtshof verklaarde ^eze beschikking, op grond van art. 364 van meergemeld •^etboek, niet appellabel {Indisch Weekblad van het Regt, 11 • 388). Sedert is de vraag in cassatie aan het oordeel Tan het opperregterlijk collegie onderworpen, welks beshssing echter op 1 Augustus jl. hier te lande nog niet gebleken was.
2°. Ig de Chinesche moeder van minderjarige kinderen DlJ vóóroverlijden van den vader, volgens de in Neder'aodsch Indie heerschende wetten , instellingen en gebruiken ~er Chinezen van regtswege met de voogdij dezer kinderen belast? Deze vraag werd door het Hooggeregtshof, na ingewonnen advies van eenon Europeschen tolk voor de Chinesche 'aal en van twee hoofden der Chinezen, in ontkennenden 2ltl beslist (Indisch Weekblad van het Regt, n°. 362).
Overeenkomst tot bosch-exploitatie. 0L) het gebied der exploitatie van boschperceelen door particulieren, valt als ^ene belangrijke beslissing van burgerlijk: regt te vermelden, dat hel Hooggeregtshof heeft geoordeeld, dat de °vereenkomst, waarbij een bosch gedurende geruimen tijd 'egen eene jaarlijks te betalen vergoeding ter exploitatie J^ordt afgestaan, is eene overeenkomst van huur en ver"•«ur (Indisch Weekblad van het Regt, n°. 340).
Eigendomsverkrijging door verjaring van gronden tot het ®°>nein behoorende. Art. 569 Indisch Burgerlijk Wetboek. In een door de Kegering gevoerd proces, waarin eene revin
kWe' Nede»
heid ' len * den g' Énom6' t gevl vóors* VeM n heid 1 weW
I den 2»1
idie e! voogd! wil 1
. Ned«
jregts», ustitiq rond [ urge« ,ls art' l zijU t beb«', ting * eeska'
aléatoire actie harerzijds was ingesteld geworden, kwam *e vraag ter sprake, of het voorschrift van art. 569 van jjet Indisch Burgerlijk Wetboek niet belette, dat men ooit «oor verjaring eigenaar zou kunnen worden van aan den *ande toebehoorende gronden. Het Hooggeregtshof besliste op 3 November 1870, dat ^et gezegd voorschrift alleen bedoeld wordt, den bezitter van domeingronden de bezitregtelijke actiën tot handhaving ut herstel in zijn bezit te ontzeggen, geenszins dat die zaken geen onderwerp van bezit kunnen uitmaken, zoodat ^en wel degelijk door verjaring eigenaar kan worden van *ett den lande toebehoorend onroerend goed, onverschillig °f het al dan niet geacht wordt tot het domein te behooren , a' s het slechts niet tot algemeen nut of gebruik dient.
Intrekking der bepalingen betrekkelijk de bevoegdheid van re«mdelingen om in Nederlandsch Indie als erfgenaam op te J"eden. Ten einde de bepalingen van de artt. 837 en 910 Aridisch Burgerlijk Wetboek, ten opzigte van het erfregt van vreemdelingen in Nederlandsch Indie, die bij art. 40 aer Overgangsbepalingen buiten werking zijn gehouden, °P het voetspoor der wet van 7 April 1869 (Nederlandsch staatsblad n°. 56), geheel in te trekken, is zeer onlangs ^en daartoe strekkend ontwerp van algemeene verordening a°°r den Gouverneur-Generaal aan het Opperbestuur ter ^ststelling aangeboden, waaromtrent het Departement van Kolonien in overleg is getreden met dat van Justitie. (1)
"ustitiekosten bij landraden. Het Koninklijk besluit van November 1869, n°. 24, houdende afschaffing der zoogenaamde percentsgewijze belasting op de civile procesen bij de landraden op Java en Madura en hare vervanfc*ng door het verpligt gebruik van zegel bij die processen Indisch Staatsblad 1870, n°. 128) is ingevolge het te gelijr-ei' tijd afgekondigd Koninklijk besluit van 16 Junij 1870 T»ei^' ^ e t v o r l ë verslag bladz. 34 en 105), op 1 January " ' l in werking getreden. De voorschriften van de resolutie van 31 October 1832 Indisch Staatsblad n°. 52) ten opzigte van het door de 6r«fiers bij de landraden in rekening te brengen salaris .* burgerlijke zaken, zijn onvolledig. Het gevolg hiervan dat de griffiers zich niet altijd bij hunne berekenin. is 'lPt aan die bepalingen houden, hetgeen aanleiding heeft |6geven tot eene circulaire (van 22 October 1870), waarbij e directeur van justitie den griffiers bij de landraden
Van "^"et a d v i e s v a a laatstgenoemd Departement is dezer dagen ont
N°. 8. 2.
art. 115 van het Strafwetboek voor Europeanen in herinnering brengt, als toepasselijk ingeval zij zich veroorloven bij de berekening van hun salaris meer te heffen dan bij de bestaande voorschriften is toegestaan. Een volledig tarief voor justitiekosten en salarissen bij de landraden is bij het departement van justitie in bewerking.
Verkorting der termijnen van dagvaarding voor personen die buiten Nederlandsch Indie wonen. In den geest van art. 75 Itegeringsreglement is op het voetspoor der wet van 7 April 1869 (Nederlandsch Staatsblad n°. 54), houdende verkorting der termijnen van dagvaarding van personen, die buiten het Koningrijk wonen, door den directeur van justitie eeue algemeene verordening ontworpen tot wijziging van art. 6, n°. 8, en art. 12 van het reglement op de burgerlijke regtsvördering voor de raden van justitie op Java en het Hooggeregtshof van Nederlandsch Indie, en van art. 13, alm. 15 van het reglement betreffende het hooger beroep 'bij den Hoogen Raad der Nederlanden van de arresten in burgerlijke zaken in eersten aanleg door genoemd hof gewezen (Indisch Staatsblad 1851, n°. 4). Deze verordening was, na door de Indische Regering te zijn gewijzigd, op 1 Augustus jl. nog hier te lande in behandeling.
Afschaffing vanjudiciele boeten en schadeloosstellingen. Op het voetspoor der wet van 7 April 1869 (Nederlandsch Staatsblad n°. 55), houdende afschaffing van eenige bepalingen van het Nederlandsch Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering over judiciele boeten en schadeloosstellingen, is een ontwerp van algemeene verordening zamengesteld tot wijziging en afschaffing van eenige bepalingen, welke in de NederlandschIndische wetgeving over hetzelfde onderwerp voorkomen. Ook op dit ontwerp werd op 1 Augustus jl. nog het advies van het Departement van Justitie hier te lande ingewacht. (1)
Openbaar ministerie. Magtiging. Naar aanleiding van eene beslissing van het Hooggeregtshof betreffende de vraag, of het inlandsch openbaar ministerie al dan niet speciaal gemagtigd moet wezen om in belastingzaken namens de Regering als vertegenwoordigende den lande in regten op te treden, en tot wegneming van den ook uit anderen hoofde gerezen twijfel, of het openbaar ministerie, voor den lande optredende, steeds speciaal gemagtigd moet zijn en, zoo j a , door wien, heeft de directeur van justitie voorschriften ontworpen tot algeheele en afdoende regeling van het onderwerp. Deze voorstellen, welke der Indische Regering bleken eene belangrijke omwerking en wijziging te behoeven, zijn nog in behandeling.
Vennootschap van koophandel. Hoofdzetel van het kantoor. Op het gebied van het faillitenregt verdient vermelding eene niet onbelangrijke, in de maand Julij 1870 door het Hooggeregtshof in het hoogste ressort gegeven beslissing, waarbij is geoordeeld dat eene in Nederland bewilligde naamlooze vennootschap, welke haar hoofdkantoor in Nederland, doch tengevolge harer statuten nog oen ander kantoor in Nederlandsch Indie heeft, alleen in Nederland door den Nederlandschen regier kan worden failliet verklaard (Indisch Weekblad van het Regt n°. 367).
Lijfsdwang in de Molukken. Het bij art. 2 der Indische resolutie van 29 November 1825, nc. 11, vastgestelde » Reglement op de zamenstelling en de regtsmagt van de raden van justitie, de regtspleging voor dezelve en het bestuur der politie in de Moluksche eilanden" (Indisch Staatsblad 1825, n°. 39), bepaalde in art. 58, dat civile personele arresten, zelfs ter zake van executie, niet verleend of verzocht mogen worden tegen gouvernements-ambtenaren. Volgens het niet afgekondigd gedeelte der aangehaalde resolutie moest echter, in stede van art. 58, gevolgd worden het daarmede overeenstemmend art. 249 van het Provisioneel reglement op de manier van procederen in civile zaken voor het Hooggeregtshof van, en do raden van justitie in Nederlandsch Indie (Indisch Staatsblad 1819, n°. 20)
Dezer dagen bij het Departement van Kolonien ingekomen. 12
46
•welk artikel later is ingetrokken bij het besluit van den Commissaris-Generaal van 29 Junij 1827 (Indisch Staatsblad n°. 65 j , bepalende dat voortaan , voor zoover betrof het gebruik van het regtsmiddel van civiel arrest, geen onderscheid meer moest gemaakt worden tusschen gouvernements-ambtenaren en ambtelooze ingezetenen. Daar echter het ingetrokken artikel niet in verbindenden vorm voor de Molukken was toepasselijk verklaard en het besluit van 1827 niet uitdrukkelijk melding maakte van bovenbedoeld art. 58, moest dit laatste wettelijk nog van kracht worden geacht. Nadat eene beschikking van den raad van justitie te Amboina op deze onregelmatigheid de aandacht had doen vallen, werd het artikel alsnog bij Koninklijk besluit van 29 April 1871, n». 28 (1) ingetrokken, en dus ook voor de Molukken het onderscheid op het stuk van lijfsdwang tusschen ambtenaren en niet-ambtenaren opgeheven.
§ 3. Strafregt, strafvordering en gevangeniswezen.
Toepassing van het Strafwetboek voor Europeanen. Op nieuw sprong de noodzakelijkheid in het oog van maatregelen tot het^wegnemen der bezwaren, welke zich ten gevolge van de invoering van het Wetboek van Strafregt voor Europeanen hebben doen gevoelen , in zoover verscheidene feiten, die vroeger als geringe overtredingen konden worden beregt, nu allen als misdrijf moeten worden aangemerkt en als zoodanig, na verpligte voorloopige instructie, gebragt bij de raden van justitie. _ Gedurende het jaar 1870 werden bij de officieren van justitie wederom een zeventigtal klagten wegens het toebrengen van slagen, enz., ingebragt, welke vóór de invoering van het Strafwetboek zouden zijn geweest van de competentie van den residentieregter, maar nu moesten worden geïnstrueerd en onderworpen aan de beslissing van den raad van justitie. De door den directeur van justitie in Julij 1870 voorgestelde maatregelen bestaan in:
1°. eene wijziging van het Wetboek van Strafregt, waardoor alle ligte mishandelingen, als het geven van klappen, slagen, schoppen of stooten, die geene kenteekenen van belang achterlaten, worden van de competentie van den residentieregter ;
2». eene wijziging van het reglement op de strafvordering, zoodat alle misdrijven, waartegen geen zwaardere straf is bedreigd dan gevangenis met of zonder verbeurdverklaring, wordenberegt als overtredingszaken zonder verpligte voorloopige instructie.
De door het Hooggeregtshof en den Raad van Nederlandsch Indie daaromtrent gemaakte opmerkingen hebben geleid tot nadere raadpleging van den directeur. Ook is aanhangig een voorstel om te gemoet te komen aan de klagten , meermalen door den handel ingebragt over de bedriegerijen, die plaats vonden door het invoeren en verkoopen van handelswaren, voorzien van valsche en nagemaakte merken. (Art. 89 van het Strafwetboek voor Europeanen.)
Toepassing van het Strafwetboek voor Europeanen op inlanders. Even als in 1869 deed zich ook in 1870 weder behoefte gevoelen, om, in afwachting van de vaststelling van het ontworpen Strafwetboek voor inlanders, eenige bijzondere bepalingen van het Strafwetboek voor Europeanen op inlanders en met dezen gelijkgestelden van toepassing te verklaren. Ditmaal gold het, zoo als reeds blijkt uit hoofdstuk D , § 3 , hiervoren , eene voorziening tegen het opkoopen , in pand nemen, enz. door inlanders en met dezen gelijkgestelden van zaken behoorende tot de kleeding, uitrusting en wapening van militairen , waardoor het te zoek maken door dezen van hunne equipementsgoederen werd uitgelokt en vergemakkelijkt. Krachtens de ordonnantie van 3 October 1870 (Indisch Staatsblad n°. 143) zijn nu op bedoelde lieden toepasselijk de artt. 332, 333 , 334 en 335 van het Wetboek van Strafregt voor Europeanen, behoudens de
(1) Sedert in Indie afgekondigd tij "besluit van den GouverneurGeneraal van 6 Julij 1871 (Indisch Staatsblad n°. 100).
door het verschil in landaard gevorderde verandering der voor geschrevene gevangenisstraf in dwangarbeid buitel den ketting.
Justitiekosten in strafzaken. Het gemis van een voldoend tarief van justitiekosten in strafzaken , vooral ook bij de landraden, heeft zich meermalen doen gevoelen. De tari' ven, vastgesteld bij de resolutien van 7 Augustus 1822 (Indisch Staatsblad n°. 11) en van 31 October 1832 (Indisch Staatsblad n°. 52) zijn verouderd, niet passende bij de voorschriften _ der op 1 Mei 1848 ingevoerde wetgeving' Ter voorziening hierin is bij het departement van justitie een nieuw tarief in bewerking.
Revisie. De van den directeur van justitie uitgegane ontwerpen tot wijziging van het tegenwoordig stelsel va» revisie zijn , na geruimen tijd een onderwerp van gedachtenwisseling tusschen de Regering en dien directeur te hebben uitgemaakt, nog in behandeling bij het Hooggeregtshof. Daarbij is voorgesteld om voor Java en Madura de revisie te beperken tot de gevallen , waarin zij door het openbaar ministerie of door den beklaagde verlangd wordt. De revisie van de vonnissen van vrijspraak door de raden van justitie op Java en de regtbanken van omgang gewezen, is bij Koninklijk besluit van 6 November 1870, n°. 1& (Indisch Staatsblad 1871 , n°. 39) afgeschaft. De ondervinding toch had geleerd dat, waar het hof slechts uiterst zeldzaam op door bedoelde collégien gewezen vrijspraken had behoeven terug te komen , het nut dezer revisie niet kon geacht worden in verhouding te staan tot de nadeeleB daaruit voortvlceijerde wegens verlengde gevangenhouding der vrijgesproken beklaagden tijdens de behandeling hunner zaak in revisie. In het belang eener naauwgezette regtspraak werd niettemin bepaald, dat de bewuste vonnissen, even als de aan revisie onderworpene, aan het Hooggeregtshof zullen blijven worden ingezonden, ten einde het hof, i n d ' e n , d a . a r t c e § r o r i d c n z iJ n' n a d e n procureur-generaal te hebben geraadpleegd, aan het betrokken collegie zijne aanmerkingen op de behandeling der zaak kunne mededeelen. • De wijzigingen, dien ten gevolge vereischt in sommige voorschriften zoowel van het reglement op de regterlijke organisatie enz. als van dat op de strafvordering voor" de raden van justitie op Java en het Hooggeregtshof en van het zoogenaamd inlandsch reglement, tot welker vaststelling het Koninklijk besluit den Gouverneur-Generaal magtigde, zijn uitgevaardigd bij ordonnantie van 5 April 1871 (Indisch Staatsblad n°. 40).
Wederkeerige uitvoerbaarheid en ten-uitvoer-legging van in Nederland en in Nederlandsch Indie -gewezen vonnissen en verleden authentieke aden (art. 104 Regeringsreglement). Te Soerabaija heeft zich in 1870 het gemis doen gevoelen van bepalingen, regelende de wijze van ten-uitvoer-legging in Nederland van door den Nederlandsch-Indischen régterra naam des Konings in strafzaken gegeven bevelschriften. Reeds in 1855 heeft het uitvaardigen van eene algemeene verordening, strekkende om uitvoering te geven aan het in art. 104 van het Regeringsreglement nedergelegd beginsel, een onderwerp van overleg tusschen het Opperbestuur en de Indische Regering uitgemaakt. De zaak is, naar aanleiding van het zoo even bedoeld feit, nu bij het departement van justitie in behandeling gekomen.
Voorloopige aanhouding. In de wetgeving op dit punt (zie het vorig verslag blz. 35) is nog geene wijziging gebragt. De wijzigingen, welke de directeur van justitie heeft voorgesteld in het inlandsch reglement te brengen ter gelegenheid van de invoering der afscheiding van het administratief en regterlijk gezag, hebben echter ook de strekking de voorloopige aanhouding van inlanders en met dezen gelijkgestelden zeer te beperken. . Eer>e wijziging van het reglement op de strafvordering m dezen zin zal mede noodig zijn. Zij is bij het departement van justitie in bewerking.
Gevangeniswezen. Na het jongste uitvoerig verslag over dit onderwerp uitgebragt betreffende de jaren 1866—1869 (in zijn geheel afgedrukt als bijlage G bij het vorig regeringsverslag), kan ditmaal volstaan worden met de ver
toon
stra
47
uiten
oen ij d tari' 1822 disel ij de ping' stiti«
gan« van achir te ggeiura r het >rdt. ideD zerii . 18 vin:erst ikeü niet eleD ling mei' egtseni g iahof. raal ijne len-i lige ijke • de van telag871
in en Te van in r in :en. ene het beuur mar
S S D g H - ^ T J Z 6 1 V a n a ™ l l i n g , van enkele bijzonderleden, d.e m den loop van 1870 zijn voorgekomen.
Wat den bouw en de inrigting der localen dienende tot gevangenis betreft, het volgende:
pPflet- 8r b r, e^ , a a n r u i m t e i n h e t c i v i e l e û militair gevangenhuis te Weltevreden gaf aanleiding tot het voorstel om «en provoostbtns met militaire auditie te bouwen, waarin reeds vroeger sprake was geweest, doch waaraan met e oog op de mogelijkheid dat tot verplaatsing van den estuurszetel zou moeten worden overgegaan , tot nog toe b^en gevolg was gegeven. De in_ het laatste quartaal van 1870 aan den directeur an justitie voor den tijd van zes maanden in het belang an het gevangeniswezen toegevoegde ambtenaar heeft dien W gedeeltelijk _besteed tot een plaatselijk onderzoek van nKele gevangenissen en het doen van voorstellen in verand niet de hem gebleken locale behoeften. Zoo vertoefde dP J \ m'"i;arïS.' W a a l' voornamelijk de localen voor inlaneis bestemd dringend uitbreiding vereischen. Het gevolg an het onderzoek aldaar is onder andere geweest de in
va, ™l° dT'. d e R e S e " " g goedgekeurde inrigting an een suikerpakhuis tot tijdelijk dwangarbeiderskwartier, at r u i m t e aanbiedt voor 350 personen. Ook de bestaande 6 vangems voor inlanders onderging in den loop van 1870 enige verbetering. Eene andere inrigting van de bürgert e gevangenis voor Europeanen in verband tot het plan O L ' 1 ' . e e n e a c e n t r a I . e strafinrigting van te maken, is in ei weging. Het militair huis van arrest te Samarang was * » £ • * ° m v ° o r t d l l r e n d «»e militaire veroordeelden en groeh ,1 ( t e I b e!, a t t?» 1 t e " gevolge van het steeds aandeel? fetal m l I l t a l r e zaken in de tweede militaire aftZ g ' , A a n S a a n d e d e maatregelen dien ten gevolge geW 5 . : ' V 6 r W e z e n W o r d e n D a a r § 6> »Militaire regtOverigens zijn aan verscheidene gevangenissen, zoo op riD?P 6 n M a d u r a a I s daarbuiten, belangrijke verbeteren aangebragt, terwijl voorstellen tot herstelling en rmeuwmgvan andere bij de Regering in overweging zijn.
gerS" ° p z j g t e . v a n n e t beheer en d e talcing der gevan«i&sen valt weinig te zeggen. Aanstelling of vermeerdering ook f e r s o n e e i z a l °P enkele plaatsen nog noodig zijn, vooral Van T -?e7oMe ,^fn, d e b i j d e regeling der heerendiensten bev i D1J {Byblad op het Indisch Staatsblad n°. 2332) %en i- a ff h a f f i n g v a n h e t g e b"»k van heerendienstpligVanl J gevangenissen, behoudens bij die districtsgeV m s s e n , tot welker bewaking, bij uitzondering, niet In ° p P a f e r s v a n h e t districtshoofd kan worden beschikt, 'û d0 ?f t e^ b ezittingen heeft het corps politiesoldaten b e w , V r e s i d e n t l e Lampongsche districten, belast met de der „ g ' gevangenissen en het begeleiden en vervoeren gevangenen, vermeerdering ondergaan. <ïe J! h a n d h a v i n g eener behoorlijke orde en tucht onder e" u l a n g e ° e n l l e t ° P e n k e l e P l a a t gen te wenschen over §etoel^ g e'^ S \ B n g 0 e d e r e g e l e n te dien opzigte werd vaak »•atiV o h T i e r a a n t e g e m o e t to komen zijn bij ordon^treU-™ 1 ,UmJ 1 8 7 1 lJndisch Staatsblad n". 78), met I & * M A § V a l \ lnstl,uctie voor de cipiers bij het Hoo«-„„_ bcsnoi en de raden van justitie [Indisch Staatsblad 1819 W 0 ' m ? t l n g a n g . v a n X Agustus 1871, nieuwe voor
door politiedienaren of wel door inlanders tegen betaling te doen geschieden. °
c ^ o o P , l i D g T?" J u n i j' 1 8 7 0 '»el-voren bedoeld (Bijblad n . 26.52) laat dit vervoer in heerendienst slechts toe uit de dessa naar de districtshoofdplaats, en ook, doch alleen m geval ander geleide (dat van militairen, djayang secars, pradjoerits of pohtie-oppassers) ontbreekt, naar de hoofdplaats der afdeelmg, terwijl daartoe geene personen mogen worden aangewezen, die als getuigen in de zaak moeten optreden. Het vervoer van gewest tot gewest moet op vaste dagen der week geschieden en de geleiders (in heerendienst) moeten naar gelang van den afstand der etappe om de zes palen of daaromtrent door anderen vervangen worden. Een voorstel tot regeling van het vervoer van gevangenen en veroordeelden met den spoorweg langs de lijn Samarang-Vorstenlanden is in behandeling.
De voeding Heeding en ligging der gevangenen en veroordeelden heeft weinig verandering ondergaan In de voorwaarden waarop de verstrekking van het noodde in de verschalende gewesten en plaatsen werd aanbesteed, heeft men getracht, behoudens enkele plaatselijke afwijkingen zooveel mogelijk eenvormigheid te brengen en de mededinging een ruimer veld te laten, door de perceelen zooveel mogelijk te verdeden en kleiner te maken. Voor zooverre de ontvangen rapporten er melding van maken is de aanbesteding meestal gelukt. Eene uitzondering maak onder andere de residentie Lampongsche districten, waar zich voor de levering van het benoodigde voor de Uvang e ™ " . " b l n n e n l t t n d e n g e e n gegadigden hebben aan
Over den gezondheidstoestand der gevangenen en veroordeelden uiden de bengten over het algemeen gunstig. Slechts op enkele plaatsen viel daarop nieste roemen, bij name nie in de kettingkwartieren te Batavia en op Onrust ^verXr met te Pekalongan te Bodjonegoro en te Toeban (residentie Rembang), te Bangkallan (Madura), te Banjoewan" te Madioenen te Telok Betong (residentie Lampongsche' districten . Voor sommige plaatsen werd dit toegeschoven aan overbevolking der gevangenis; voor andere aan min gunstige hggmg van het gebouw. n
zie gt. >rinief de k
°g r
*cbrifl-o„ Drde ^ !\ u i tgevaard.gd tot bevordering en handhaving van fet> tevl o n d e r d e gevangenen in Nederlandsen Indie kgelin t'- m a f w a c l l t l n g zoowel van eene meer volledige
I
rt. i > D1J d e ordonnantie die het uitvloeisel zal zijn van ls van T " f W e t b o e k v a n Strafregt voor do Europeanen , l'beide, f b e w e r k l n g ziJnde reorganisatie van het dwangrbeid / ' t e m g e r e g e l e n gesteld betreffende den
u aer veroordeelden. (1) I *Iee,K e n ' . ? T e r W O r d, t g e t r a c h t h e t venoer der gevangenen s lands zooveel mogelijk door pradjoerits en anders E In i
(l t" èoorliiAS Y a n h f gevan8-eniswezen in 'talg-emeen er. van ^ e r , Ä ,1 1?.™!nn8' der ordonnantie van 3 Junij 1871 in het
er 39
C, ,u«er i» "J„ -.'""'"e ">=i UIUUUMM van j .(umi 1871 n he D n eld van een dern;enA( Ur ™ ^ ^ ^ Ju]iJ JL » ^ g t l g d om, verL , n a " en over ™b f e n a r e n van zijn departement, eene dienstreis te V ° 0 r W n 200damge gewesten van Java als hem wenschelijk
Over de vermindering van de nadeelige gevolgen eener langdurige voorloopige gevangenhouding, deels als uitvloeisel van de genomen maatregelen tot verbetering van hot verblijf m de gevangenissen, deels veroorzaakt door den korteren duur der preventive hechtenis, ten gevold L I spoediger afdoening van zaken, worden in alle "rapporten van de hoofden van gewestelijk bestuur gunstige ber gelezen. Zoo wijst de resident van Rembang 0 Sp de gunstige resultaten verkregen door het opvolgen van de voor schriften der in 't vorig verslag, bladz. 35, bedoelde cir
n . 2169), waardoor de bevolking van de gevangenis te Rembang van 250 tot 150 is gedaald, zonden- daf dit tot bezwaar aanleiding heeft gegeven. Bij de gevangenen in de residentie Madura zijn die maatregelen gunstif S e n werken en is, ten gevolge van het spoedig ontvafgeVd« m revisie gevelde arresten, welke thans gemïddekf binnen 21/2 a o maanden na de inzending van de vonnissen inkwamen de duur der preventive hechtenis aanmerkelijk
Ädent van T ^ l ' ^ ^ W ° r d t g 6 Z e g d d o - - S T sident van Bezoeki, waar, door spoediger afdoening der to"t ÎOO T Cljf-1' ' T ! r n g e n e n * B-dowosso äSi 300 tot 200 daags is gedaald. Ten aanzien van den arbeid der preventive gevangenen (zie t vorig verslag, bijlage O, bladz. 28), deelen P r e s i denten van Soerabaya en Madura nog mede, dat de proeve te Grissee en te Pamakassan genomen, als geheel misUi moeten worden beschouwd. Verreweg het metrendeeTdezer gevangenen weigerde eenigen arbeid te verrigten
Bij sommige groote werken van algemeen nut is van den A t V e r 0 ; r d e e l d - ï o t dwangaÄeid in en buiten den 2 / ' , onlei-gaan buiten de plaats der veroordeeling, blïe GITSSKBP ëetr0kken fzie de aaDgehaal&
Het maken van een weg door het bosch van Soemberwaroe (Bezoek.) tot Badjoelmati (Banjoewangi) is v o o r t ™ Het gemiddeld aantal dwangarbeiders gedurende 1870 k n ï de geheele baan werkzaam bedroeg, na aftrek der o n f
48
slag enen, ontvlugten, zieken en overledenen, 484, waarvan 228 te Badjoelmati en 256 te Soemberwaroe. In December 1870 waren er te Badjoelmati nog 225 en te Soemberwaroe 190, of' te zamen 415 werkzaam. Het zijn meest allen personen aan wie Banjoewangi als strafplaats is aangewezen. De koelie-arbeid bij de werkzaamheden verbonden aan het verplaatsen van het havenlicht te Banjoewangi, tengevolge van een doorbraak in de landtong alwaar het licht geplaatst was , en het herstellen der waterkeeringen aan die landtong, werden door dwangarbeiders verrigt. Op het landbouwetablissem*nt ter genoemde plaatse waren 411 veroordeelden werkzaam. De resident van Banjoewangi geeft met opzigt tot de in zijn gewest ten arbeid gestelde dwangarbeiders eene berekening van de resultaten van hun arbeid in geld uitgedrukt. Volgens die berekening zijn in 1870 in die residentie ten behoeve van 's lands inrigtingen en openbare werken gebezigd per dag 1017 dwangarbeiders, van wie zijn verkregen 344 203 dagdiensten, vertegenwoordigende aan dagloonen à 50 cent per hoofd en per dag, eene som van f 172 101 ; welk indirect voordeel met de waarde der op het landbouw-etablissem*nt geteelde producten en van daar verkregen materialen (bamboe, rotting, alang-alang, hout, steenen, pannen , kalk) ad f 10 064, geeft een totaal van f 182 165. Brengt men hier tegenover in rekening de kosten gedurende 1870 wegens voediüg, kleeding, opzigt en verpleging van gemiddeld 1017 dwangarbeiders ad f 77 737, dan blijft nog over een bedrag van f 104 428, waarmede het Gouvernement volgens den resident door den bedoelden arbeid zou bevoordeeld zijn.
Bij de militaire werken te Willem I en te Banjoe-Biroe (residentie Samarang) waren 300 dwangarbeiders werkzaam. Aan de voortzetting van den bouw der kustbatterij op de landtong van Tjilatjap (residentie Banjoemas) werken ongeveer 700 veroordeelden. In de residentie Kediri waren zij bezig met het verhoogen en verbreeden van den grooten weg langs de benting en het verbeteren en versterken van de oevers der groote rivier aldaar. De werkzaamheden aan het dempen van het moeras m de nabijheid van Sibogha (gouvernement van Sumatra's Westkust) zijn voortgezet; 4160 vierkante meters zijn gedempt en bovendien is een weg midden door het moeras aangelegd. Te Goenoeng-Sitoli (eiland Nias) werd door dwangarbeiders eene waterleiding van 2 palen lengte gegraven, waardoor de plaats van stroomend water werd voorzien. Met het aanleggen van een en weg van de hoofdplaats Padang naar Solok en het herstellen van den grooten weg van Padang naar de Padangsche bovenlanden zijn mede een aantal dwangarbeiders belast. Tijdelijk is in Mei 1870 de arbeid der veroordeelden bij den bouw van een aanleghoofd in de baai te Telok Betong (Lampongsche districten), wegens gemis aan gereedschappen tot vervoer der klipsteenen , moeten worden gestaakt. Wanneer hierin zal zijn voorzien, wordt de aanleg weder voortgezet. Thans zijn zij werkzaam aan de verbetering der wegen om die hoofdplaats. ln.de residentie Wester-afdeeling van Borneo wareneen lóOtal veroordeelden te werk bij den in aanleg zijnden weg van de hoofdplaats Pontianak naar het zeestrand. Op Celebes zijn in 1870 de dwangarbeiders gebruikt tot het leggen van een aarden wal om het etablissem*nt te Pankadjene en bij den bouw van bruggen, zoo als te Segeri - (beide in de afdeeling Noorderdistricten). Voorts werd in 1870 het bezigen van dwangarbeiders nog voorgeschreven voor: het schoonhouden en uitdiepen der grachten en der rivier van Batavia, zoowel in het belang van de praauwenvaart als van den gezondheidstoestand ; het vernieuwen van de doorgangen der riolen onder de straten en wegen ter hoofdplaats Pasoeroean, het sorteren en opstapelen van houtwerken te Cheribon en te Tagal ; het verrigten van koelie-arbeid bij vernieuwingen en bijbouwingen aan het residentiehuis te Magelang (Kadoe), het vernieuwen van een gedeelte wegs langs de Bandjermasinsche rivier ter hoofdplaats Bandjermasin , enz. In 1871 zal van den arbeid der dwangarbeiders weder belangrijk nut getrokken worden bij het slechten der aan het burgerlijk bestuur overgegeven vestingwerken ter hoofdplaats Soerabaija. Het dempen der grachten is reeds door dwangarbeiders geschied onder militair opzigt. Thans zullen zij ook gebezigd worden voor werkzaamheden in verband
staande met op- en aanslibbingen der grachten en waterwerken bij die stad, een arbeid die ongeveer zes maanden zal duren en uit het oogpunt der gezondheid van groot belang is voor de plaats. Op ruime schaal zal van de diensten van dwangarbeiders vermoedelijk worden gebruik gemaakt bij den (ontworpen) aanleg van een weg van Tjilatjap (Banjoemas) door de Dajaloeho*rsche districten naar Ban dj ar (grens der Preanger regentschappen). Een voorstel om van de diensten der dwangarbeiders mede gebruik te maken bij den aanleg en het onderhoud der telegraaphlijn in de residentie Palembang is bij de Regering aanhangig. De verdeeling der veroordeelden tot dwangarbeid , daaronder begrepen zij die hunne straf ter plaatse der veroordeeling ondergaan, ov.er de verschillende gewesten op en buiten Java blijkt uit de aantooning hierachter overgelegd als bijlage lit. G, n". 4, waaraan echter, bij gemis aaO opgaven, de residentie Palembang ontbreekt. Volgens deze aantooning komt het grootste aantal op Java voor m de volgende gewesten: Banjoemas met 1208; Banjoewangi metöill73; Soerabaija met 1033; Batavia met 955 en bovendien' op het eiland Onrust nog 502 ; Samarang met 882Op deze volgen: Kembang met 169; Bagelen met 158. Probolinggo met 136, Pasoeroean met 122 en Madioeo met 113.° Deze cijfers geven het aantal aan dat op ultimo December 1870 in elk dezer gewesten aanwezig was. I» de overige is het aantal veel geringer, in de meeste zelfä minder dan 50 personen. _ 1 Van de gewesten uitmakende de bezittingen buite» Java en Madura staan bovenaan de gewesten Zuideren Ooster-afdeeling van Borneo met 841 ; Amboma me 778; Celebes en onderhoorigheden met 763; Sumatra» Westkust met 755 en Borneo's Wester-afdeeling met 564. Daarna volgen Riouw en onderhoorigheden met 283, Banks" en onderhoorigheden met 254, de Lampongsche districted met- 154 en Benkoelen met 153. De gewone jaarlijksche opgaven van het geheele aantal ge vangenen in Nederlandsch Indie worden gevonden in & staten, als bijlagen lit. G, n°. 1—3, bij dit verslag gevoegd' Op ultimo December 1870 bedroeg het totaal der gevangenen, die reeds in het hoogste ressort veroordeel waren, in geheel Nederlandsch Indie, met uitzondering alsvoren van de residentie Palembang, 15 543 persono« tegen 14 183 op ultimo December 1869. Van dit aant» bevonden zich in de gevangenissen op Java en Madui'» in 1870 10 045, in 1869 8356. _ . Het aantal voorloopig in hechtenis gestelden in gehe« Nederlandsch Indie was op ultimo December 1870 277 (waarvan alleen op Java en Madura 2306) tegen 2957 o dien datum in 1869, van welke laatsten 2441 op Java e« Madura. . ., Civiel gegijzelden waren er gedurende het jaar 1870 1 geheel Nederlandsch Indie 349 personen, tegen 432 ge' durende 1869. Verreweg liet grootste meerendeel der veroordeelde waren verwezenen tot dwangarbeid; hun aantal bedroft bij het eind van 1870 tegenover het cijfer der vier voof afgegane jaren als volgt:
sta het 81 ge 86 Po aa
de vo
18
18
18
18
18
Op ultimo
December.
1866
1867
1868
1869
1870
In
den ketting.
Buiten
den ketting. Totaal.
3684
3890
3507
3713
3850
5827
5985
6304
6738
7980
9 511 |
9 875
9 811
10 451
11830
De vorenbedoelde aantooningen bevatten tevens e
los ab ms Vo St,
n0. 18 de aa Vis be do Vo m; be is Ve tir
he rej oo he st«
he
m ho
OQ
Ve go He hQ an G & V( Pi
If b,
49
statistiek der veroordeelingen tot straf gedurende het gehele jaar. Daaruit blijkt dat in 1870 veroordeeld werden: 81 personen tot tuchthuis- en kruiwagenstraf, 551 tot gevangenisstraf en detentie, 1995 tot dwangarbeid in- en °653 tot dwangarbeid buiten den ketting, terwijl op de politierol tot gevangenis, blok-arrest en ten-arbeid-stelling aan de openbare werken veroordeeld werden 67 191 personen. Hoedanig dit laatste cijfer zich voordoet tegenover dat der vier voorafgegane jaren, wordt aangewezen door het volgende staatje:
JAREN.
1866
1867
1868
1869
1870
Java en Madura.
62 659
48 064
50 399
50 666
49 881
B ui ten
bezittingen.
17 867
20 031
17 841
19 566
17310
In geheel Nederlandsen Indie.
80 526
68 095
68 240
70 232
67 191
§ 4. Gewestelijke en plaatselijke verordeningen.
Brandgevaar. In het gemis aan bepalingen nopens de lossing en berging van buskruid te Koepang (Timor), alwaar na de intrekking van het garnizoen het buskruidmagazijn onder burgerlijk beheer was gekomen, werd v0orzien bij ordonnantie van 29 November 1870 [Indisch Staatsblad n°. 183). De verlenging, laatstelijk bij Indisch Staatsblad 1H70 n°- 5, van den termijn bij de ordonnantie van 22 January 1861 (Indisch Staatsblad n°. 1) gesteld aan de bewoners der stad en voorsteden van Soerabaija voor de voldoening aan de verpligting om hunne met atap of andere ligt ontvlambare materialen bedekte woningen van eenepannen-dakOedekking te doen voorzien, is andermaal ge'tleken onvoldoende te zijn. Om de redenen daarvoor reeds in het Vorig verslag bladz. 36 opgegeven , is die termijn andermaal , doch nu met vijf jaren en alzoo tot ultimo December 1875 verlengd [Indisch Staatsblad 1871 n°. 63). Tevens 18 daarbij straf bedreigd te»en de personen , die na het Verstrijken van bedoelden termijn niet aan hunne verpligt'ngen zullen hebben voldaan. De gouverneur van Celebes en onderhoorigheden deed het voorstel om den voor S »erabaija verordenden maatr egel, in het belang van veiligheid en orde te Macassar , °°k voor die plaats in het leven te roepen. Dit voorstel heeft geleid tot een ontwerp-verordening , waarvan de vaststelling spoedig kon worden verwacht.
Verordeningen van hoofden van gewestelijk bestuur. Op het gebied van gewestelijke en plaatselijke wetgeving zijn sedert net vorig verslas de volgende reglementen of keuren tot stand gekomen (die betreffende eenige min belangrijke wijzigingen m reeds bestaande verordeningen van dien aard , of die houdende vaststelling van begraafplaatsreglementen daaronder niet begrepen). Door den resident van Palembang werd vastgesteld eene Verordening, dd. 27 Junij 1870, tot handhaving eener goede politie en ter bevordering van orde , zindelijkheid en Netheid in het belang der gemeente te Moeara-Roepit, hoedanige verordening reeds vroeger voor een achttal aodere plaatsen in dit gewest was uitgevaardigd (Javasche Courant 20 September 1870); door den resident van "ezoeki, eene verordening dd. 10 January lö71, tot bevordering van orde, netheid en zindelijkheid voor de hoofdPlaats dier residentie, zoomede voor die der afdeelingen Panaroekan en Bondowosso (Javasche Courant 21 February *-87l); door den resident van Tagal, eene keur op de broodbakkerijen en het bedrijf van bakker in die residentie,
N°. 8. 2.
dd. 17 Maart 1871 (Javasche Courant 28 Maart 1871) ; door den resident, der Lampongsche districten , eene keur op de broodbakkerijen ter hoofdplaats Telok Betong, dd. 15 Mei 1871 (Javasche Courant 23 Mei 1871); en eindelijk door den resident van Riouw eene keur op den houtkap te Tandjong Pinang, dd. 28 Maart 1871, en eene op het dobbelspel onder inlanders en met dezen gelijkgestelden aldaar, dd. 8 April 1871 (Javasche Courant 2 Junij 1871). (1) Over do uitnoodigmg aan de hoofden van gewestelijk bestuur gerigt, om in verband met de aanstaande invoering van het Koninklijk besluit van fi Maart 1869, n°. 4 (Indisch Staatsblad 1870, n°. 152), de hand te slaan aan het bewerken van zoodanige gewestelijke of plaatselijke reglementen evt keuren van politie als noodig zijn, opdat geen feit meer op de politie.-rol worde gebragt, dan waartegen bij wettelijke verordening straf is bedreigd, is reeds gehandeld in § 1 van dit hoofdstuk (zie bladz 41/42 hiervoren). Voorts is in den aanhef van dit hoofdstuk (bladz 41 hiervoren) mede reeds molding gemaakt van de bepaling (Indisch Staatsblad 1870, n°. 1«9), krachtens welke de uitvaardiging , door de hoofden van gewestelijk bestuur, van reglementen en keuren van politie eene voorafgaande raadpleging vereischt van den directeur van justitie, in plaats van zoo als vroeger van den procureur-generaal .bij het Hooggeregtshof.
§ 5. Ttegterlijke magt en regtsbedeeling.
Hooggeregtshof. In de afdoening der revisiezaken ontstond, dank zij de voortdurende buitengewone inspanning van 'shof's derde kamer (dat is die welke belast is met de revisie der duizenden landraadzaken) geen nieuwe achterstand. Desniettemin blijft het dringend noodzakelijk om door wijziging in het stelsel van revisie het aantal zaken die aan 's hofs oordeel worden onderworpen , zooveel mogelijk te verminderen. Een eerste stap tot inkrimping der revisie is gedaan bij 's Konings besluit van 6 November lö70 (zie bladz. 46 hiervoren). houdende afschaffing der herziening van de absolutoire vonnissen , gewezen door deraden v»n justitie op Java en de regtbanken van omgang.
Baden ran justitie. Het personeel bij den raad van justitie te Sam arang — het eenige van de drie regtscollegien van dien aard op Java, hetwelk nog op het oorspronkelijk bij de regterlijke organisatie bepaald aantal van een president en drie leden was gebleven — was sinds lang niet meer geëvenredigd aan de vele en toenemende werkzaamheden, zoodat, ondanks veelvuldige toepassing van de exceptionele bepaling van art. 122 Regterlijke Organisatie, krachtens welke de griffier als regter zitting kan nemen, de goede gang der regtsbedeeling niet zelden werd verstoord. Ter voorziening in deze behoefte is bij 's Konings besluit van 18 February 1871, n°. 5 (Indisch Staatsblad n". 53), het persoueel met een vierde lid vermeerderd. In verband met het hiervoren vermelde (zie in § 2 onder Burgerlijke stand) omtrent het te loor gaan door brand van archiven van den raad van justitie te Padang, kan worden aangeteekend, dat in Junij 1870 besloten werd tot het inrigten van een door de Regelung aangekocht pand tot paleis van justitie te Padang.
Regtbanken van omgang. Door het in het leven roepen met 1 Junij 1871 van de nieuwe afdeelingen Soekaboemi, Tjitjalengka, Tassik-Malaya en Soekapoera-Kollot, als gevolg van de reorganisatie van het bestuur in de residentie Preanger regentschappen (waarover zie hoofdstuk J , afdeeling I, § l), zal voortaan in overeenstemming met het voorschrift van de ordonnantie van 31 December 1866 (Indisch Staatsblad 1867, n°. 2) de regtbank van omgang ook zitting moeten houden op de hoofdplaatsen van die afdeelingen. Door den Gouverneur-Generaal is verklaard, dat de omgaande regter s regt hebben op de hun wettelijk toe
ft) Sedert zijn nog drie dusdanige gewestelijke of plaatselijke verordeningen tot stand gekomen. als : eene op het gebruik van trekvee en vrachtvoertuigen in de residentie Pekalongan; eene ter bevordering van orde, netheid en zindelijkheid op de hoofdplaatsen Pekalongan en Batang, beide dd. 3 Julij 1871, zoomede eene keur van politie op de drinkwaterleiding te Anjer, dd. 18 Julij 1871 (Javasche Courant van den Uden en 21 sten dier maand). 13
50
gekende indemniteit voor reis- en verblijfkosten ook al zijn i>ij ten gevolge van binnenlandsch verlof' niet in functie. Iu Mei jl [Indisch Staatsblad 1871, n°. 71) is echter besloten tot intrekking der bedoelde (vaste) indemniteiten , voor son mige kategorien van landsdienaren, waaronder ook de ou gaande regters op Java en Madura, met bepaling dat voortaan ook door hen eenvoudig zal worden gedeclareerd volgens het algemeen tarief'(Indisch Staatsblad 1862 , nu. 153 a). Deze regeling werd in het belang der dienst geacht, omdat in het genot eener vaste toelage voor reiskosten eene aanleiding kon gelegen rijn tot slechte opvolging van het voorschrift (art. 104 Eegterlijke Organisatie), dat de omgaande regter ten minste ééns in de twee maanden of' zooveel meer als de dienst der justitie zal vorderen , in elke residentie zijner afdeeling zitting moet houden. Tot nog toe werd eene aanwijzing gemist van het regtsgebied waaronder de vestiging te Toli-Toli (Tontoli) aan de Noordkust van Cek bes behoorde. Jn deze leemte werd voorzien lij ordonnantie van 2 Junij 1871 (Indisch Staatsblad n°. 77), door de bepaling dat bedoelde vestiging behoort tot het regtsgebied van de regtbank van omgang en van den landraad ter hoofdplaats Macassar.
Landraden. De aan den landraad te Samarang in 1869 tot hi t bijwerken van achterstand verleende buitengewone hulp moest worden verlengd tot het einde van 1870. Sedert is bij die regtbank geen nieuwe achterstand ontstaan. Ook werd door toevoeging van griffie-personeel buitengewone hulp ter bijwerking van achterstand verleend aan de landraden te Indramaijoe in Cheribon en te Berbek en Blitar in Kediri. ! Ten gevolge van de wijziging in het binnenlandsch beJ stuur der residentie Preanger regentschappen zijn, aan! vangende met 1 Junij 1871, nieuwe landraden gevestigd fi te Scikaloeni, te Tjitjalengka, te Tassik-Malaija en te ; Mangoen-Eedja. Door het Opperbestuur is magtiging verleend om in 1872 over te gaan tot de aanstelling v an een afzonderlijken griffier voor de landraden te Meester-Cornelis en Bekassi (Batavia), bij welke regtbanken de toenemende griffierswerk?aamheden niet langer zonder schade voor de dienst konden worden waargenomen d< or den commies op het adsisteut-residentiekamoor te Meester-Cornelis. Op grond dat het wenschelijk was eens voor al te voorzien in de vervulling der betrekking van secretaris of griffier van den landraad te Macassar, werd die betrekking voortaan verbenden aan die % an commies ter magistrature (Indisch Staatsblad 1870, n°. 98). Order het regtsgebied van genoemden landraad behoort voortaan de vestiging te Tontoli aan de Noordkust van Celebes (vergelijk het slot der voorgaande rubriek).
Rcsidents-geregten. De plaatsen waar het residents-geregt kan werden gihouden, ?ijn sedert het jongste verslag vermeerderd niet Arger in de residentie Bantam (Indisch Staatsblad 1870, n°. 106) en met Soekaboemi, Tjitjalengka, Tassik-Malaija en Mangoen-Eedja in de residentie Preanger regentschappen (Indisch Staatsblad 1870, n°. 124, en 1871, n°. 50).
Regentschaps- en districts-geregten. Omtrent den invloed der circulaire door den directeur van justitie , op uitnoodiging der Begering (vergelijk n°. 2368 van het Bijblad op het Indisch Staatsblad) den 29sten Junij 1870 gerigt aan de gewestelijke bestuurders op Java, om de goede werking der regentschaps- en districts-geregten verder te verzekeren (zie het vorig verslag blz. 37) kan, uit hoofde van de kortheid van het sedert verloopen tijdvak, nog geen juist oordeel worden geveld. Ten einde in de nieuwe af'deelingen der residentie Preanger regentschappen, ook in de adsistent-residentien waar binnen geen regent gevestigd is, te zorgen dat het regentschaps-geregt zitting kunne houden, is bepaald (Indisch Staatsblad 1870, n°. 123, en 1871, n°. 45), dat het geregt in die regentschappen, waartoe meer dan ééne adsistent-residentie behooren, zijne zittingen houdt op de hoofdplaatsen van elke dezer afdeelingen, terwijl tevens op den pateh, die aldaar den regent vertegenwoordigt, met opzigt tot justitie en politie toepasselijk zijn verklaard,
alle voorschriften van het zoogenaamd inlandsch regie' ment waarin sprake is van den regent.
Politionele regtsmagt. (1) De omstandigheid dat een adsis* tent-resident op Java, naar aanleiding van een door dezen ter politie-rol gewezen vonnis, door den residtnt van het betrokken gewest was ter verantwoording geroepen en. na in zijne verdediging te zijn gehoord , met betrekking tot de beregting in den vervolge van quaestien als de behandelde, van instructien was voorzien, gaf den Gouverneur-Generaal aanleiding den resident te doen kennen» dat zijne handeling in deze niet kon worden goedgekeurd i aargezien ook de politie-regter bij zijne regtspraak onafhankelijk behoort te zijn van alle regtstreeksche inmenging van het administratief' gezag. Tevens werd bedoelden hoofdambtenaar opgemerkt, dat wanneer een resident van meening is, dat de door hem aan een adsistent-resident, krachtens art. 89, al. 2 van het inlandsch reglement toevertrouwde regtsmagt door dezen niet naar behooren wordt uitgeoefend , hij residtnt de gegeven magtiging kan intrekken en alsdan krachtens de eerste zinsnede van het artikel de beslissing aan zich trekken , terwijl hij ook — zulks geraden achtende —de aandacht van den procureur-generaal op de politierol kan vestigen en aan dezen overlaten te beoordeelen, of de politierol behoort te worden onderworpen aan de kennisneming van het Hooggéregtshof, ten einde ingevolge art 157 van het reglement op de regterlijke orgaiiisatie, daarop do noodig bevonden aanmerkingen te maken.
Emolumenten der griffiers. Het denkbeeld is overwogen om de zoogenaamde emolumenten door de griffiers bij de raden van justitie en het Booggeregtshofgeheven wordende en hun als gedeeltelijke bezoldiging en ter goedmaking van bureaukosten afgestaan, voortaan, tegen verhooging van hunne vaste inkomsten en van die hunner substituten , te doen storten in 's lands kas. De zaak is echter niet rijp voor afdoening bevonden, omdat ook voorzien zou moeten worden in eene regeling van de emolumenten der griffiers voor hunne verrigtingen als hypotheekbewaarders ingevolge art. 1 der ordonnantie op de overschrijving van den eigendom van vaste goederen . en het inschrijven van hypotheken (hidisch Staatsblad 1834, n°. 27), hoedanige regeling noodwendig verband diende te houden met eene herziening der bedoelde ordonnantie, welke moeijelijke en veel omvattende arbeid sedert eenigen tijd (zie § 2 van dit hoofdstuk) is opgedragen aan den directeur van justitie. Genoemde directeur is dan ook aangeschreven bij de door hem te ontwerpen herziening van Indisch Staatsblad 1834 , n°. 27, zoodanige voorstellen te voegen als hem, omtrent de emolumenten der griffiers in het algemeen doelmatig voorkomen. Onlangs (Junij jl.) is aan den Gouverneur-Generaal, in verband met het voorafgegane, cle vraag gerigt, of's landsdienst niet de afscheiding vordert van de thans gecumuleerde betrekkingen van hypotheekbewaarder en griifier. Wanneer zoodanige afscheiding zou hebben plaats gevonden , werd opgemerkt, zou de hypotheekbewaarder zijne emolumenten moeten blijven genieten, doch ten opzigte van den griifier moeten worden nagegaan , of' het overbrengen der uitsluitend aan de griffie verbenden emolumenten in 's lands kas aan gewigtige bezwaren onderhevig ware*
Eedsafneming van leden van landraden, enz. Krachtens de artt. 113 en 114 van het reglement op de regterlijke organisatie behooren de leden der landraden en der regtbanken van omgang alsmede de hoofd pan ghooloes, de pang' hoeloes, de hoofdujaksa's en djaksa's, alvorens hunne betrekkingen te aanvaarden , een eed af te leggen in handen van den resident. Ten einde te wettigen hetgeen ten gevolge eener minder juiste uitlegging van art. 14 van Indisch Staatsblad 1848, n°. 15 (alleen toepasselijk op de eedsafleg' gingen die plaats moesten vinden bij gelegenheid der invot' ring van de nieuw« wetgeving) door de praktijk was ingevoerd, zijn bij Koninklijk besluit van 28 Julij 1871, n°. 26, met uitbreiding van de bovenaangehaalde artt. 113 en 114, de
(1) Zie ook in § 1 de rubriek "Afscheiding t/er regterlijke van W administrative magt ', sub i.
. >ar
51
residenten, eens voor al, bevoegd verklaard de aan hen °ndergeschikte adsistent-residenten in de afdeelingen te ^agtigen tot het afnemen der voormelde eeden.
Inlandsche officieren van justitie. Te Samarang werd een »Weede_ adjunct-hoofddjaksa in dienst gesteld ; ook werd J-en adjunct toegevoegd aan den djaksa te Kraksaän (Probolinggo), tei-o ijl magtiging is verleend om er in 1872 ook ee« toe te voegen aan den djaksa te Pontianak (Wester"Meeling van Borneo.) De bezoldigingen der inlandsche officieren van justitie in "^gouvernement van Celebes, te Gorontalo (Menado) en ' e Tandjong Pandan (Billiton) werden verbeterd. 1-en inlandschen schrijver bekwamen de djaksa's te MaSettan (Kadoe), te Batang (Pekalongan),, te Bangil (Pasoe^oear,), te Biebes (Tugal), te Poerwokerto, Poerbolinggo, «andjarnegara en Tjilaljap (alle in Banjoemas), te Krak?aan (Probolinggo) en te Modjokerto (Soerabaija), terwijl ' n 1872 zoodanig beambte ook zal worden toegevoegd aan ^en djaksa in het regentschap Lamongan en aan dien in flet regentschap Sidaijoe (Soerabaija). Pppassers (politie-dienaren) bekwamen de inlandsche ofperen van justitie in het gouvernement Celebes, die te r°ronlalo, te Pekalongan en te Padang; •Hr.• i -. . F. . . . ° Wijders werd nog bij gelegenheid van de invoering der ,organisatie van het bestuur in de Preanger regentschappen , D elke nituwe afdeeling een djaksa toegestaan, terwijl an den hoofddjaksa (den inlandschen officier van justitie P de hoofdplaats Bandong) een inlandsch schrijver werd toegevoegd en te zijnen dienste, evenzeer als ten dienste van J* der djaksa's, zes oppassers werden aangesteld (Indisch ^aatsblad 1870, n°. 124 en 1871, n°. 50). Omtrent de voorziening in eene speciale opleiding voor arsta;mde inlandsche officieren van justitie wordt onder°C<H. in hoe\ er de zaak ware in verband te brengen met en ander si dert geopperd plan, betreffende de oprigting ,an landswege van een instituut voor voortgezet of midelbaar onderwijs ten behoeve van zonen van inlandsche °ofden en andere aanzienlijke inlanders, die eene betere ,P»eiding wenscben dan de gewone inlandsche school hun a" verschaffen
**eregtelijke statistiek. Hieromtrent wordt ten vervolge ,P de jongste mededeelingen over 1866 en 1867 (zie bij J?e J \an het vorig Regeringsverslag) verwezen naar he het j ? bijlage lit- H hierachter afgedrukt » Verslag ten ge
ldie over de jaren 1868 en 1869." De belangrijkste j <je van de statistiek der regtsbedeeling in Nederlandsch
''komsten > welke de statistiek in die beide jaren "heeft Pgeleferd ten opzigte van de bedeeling des regts, zijn in »enoemd stuk in vergelijking gebragt met de betrekkelijke •!«TS van 1866 en 1867. j. -Bovendien wordt ditmaal nog 'overgelegd (zie bijlage • • J) eene afzonderlijke opgaaf betreffende het aantal de laatste vijf jaren in Nederlandsch Indie voorgekoYen faillissem*nten , welk aantal in 1868 het grootst was. oorts blijkt uit die opgaaf, dat de meeste faillietverkla, "gen werden uitgesproken op eigen aangilte van den J^Pman; weinige slechts op verzoek van een of meerdere
0 "uldeischers en hoogst zelden een op requisitoir van het fe?r^aar m i n i s t e r i e • d a t verreweg het grootste deel der '"Uen insolvent werd verklaard; dat in de opgegeven % r S d e Chinezen het grootste aantal leveren en eindete -Dat z ' c h °innen n e t ressort van de raden van justitie Banda en te Ternate gedurende het vijfjarig tijdvak
2j. e n enkel faillissem*nt voordeed De opgaven over 1870 4h •n!et v o l l e d i " ' o mdat uit den aard der zaak onderin eidene in dat jaar failliet verklaarde boedels onder "ûo December nog niet geheel waren beredderd.
§ 6. Militaire reglspraak.
Ja^et.aantal krijgsraadzaken in de 2de militaire afdeeling van tot * IS g e b l e k e n ÔP d e n d u u r n i e t m e t de bestaande middelen Ijj. geregelde afdoenii g te kunnen worden gebragt. De tijde^ optreding gedurende de vier eerste maanden van 1870 van ^ a l'egterlijk ambtenaar als buitengewoon auditeur militair , j ö arop i u 't vorig verslag werd gedoeld, bleek namelijk jfceptember van dat jaar andermaal noodig tot opruiS van den nieuwen achterstand, die, niettegenstaande
behoorlijke pligtsvervulling van den auditeur militair, door het steeds toenemend aantal krijgsraadzaken in het betrokken ressort was ontstaan. Om blijvend in de behoefte te voorzien, zal, met afwijking van het bepaalde bij Indisch Staatsblad 1848, n°. 11, houdende (art. 9) dat de betrekking van auditeur militair aan de officieren van justitie bij de onderscheidene raden van justitie en hunne substituten wordt opgedragen , worden overgegaan tot de aanstelling van een afzonderlijk regterlijk ambtenaar , als auditeur militair bij een te Willem I te vestigen krijgsraad te belasten met de afdoening van alle militaire strafzaken der 2de militaire afdeeling op Java, uitgezonderd d.ie, welke voorkomen in het garnizoen der hoofdplaats Samarang en voortdurend door den auditeur militair aldaar te behandelen. Op de aanstelling van den nieuwen auditeur militair is gerekend bij de ontworpen begroetingvoor 1872 (1). Bij het Hoog Militair Geregtshof zijn door het openbaar ministerie twee belangrijke vragen in cas van reclame ter sprake gebragt (artt. 15—18 Eegtspleging bij de landmagt) namelijk :
1° of hij die langs hierarchischen weg heeft gereclameerd over eene hem in dienst, zijns inziens, ten onregte opgelegde straf, wanneer hij door de hoogere militaire autoriteiten met zijne reclame in het ongelijk gesteld en ter zake van oneerbiedigheid gestraft is geworden , alsnog met zijne reclame ontvankelijk is bij den krijgsraad;
2°. of hooger beroep is toegelaten van de vonnissen in reclamezaken door de krijgsraden gewezen.
De hoogste militaire vierschaar heeft beide vragen toe- ' stemmend beantwoord (Indisch Weekblad van het Begt n<*. 383), hetgeen den legerkommandant er toe heeft geleid om uitgewerkte voorstellen tot regeling van het regt van reclame te doen, die bij de betrokken autoriteiten in behandeling zijn.
§ 7. Tusschenkomst van den Gouverneur-Generaal in zaken van justitie.
^Regt van gratie. De verzoeken om geheele of gedeeltelijke gratie van straf, daaronder begrepen die om wijziging der uitgesproken straf en verandering van aangewezen strafplaats, waren in 1870 minder in aantal dan in 1869. Toen waren er 1037, thans 1018 gedaan. Daaronder waren in 1870 406, tegen 345 in 1869, waarop afwijzend; 552 in eerstgenoemd, tegen 692 in laatstgenoemdjaar, waarop toewijzend werd beschikt. Van welken landaard de verzoekers waren, van welke straffen of beschikkingen gratie, remissie of wijziging werd verzocht en van welke die werd verkregen, blijkt uit de ondervolgende opgaven.
STRAFFEN.
Doodstraf . . . .
LANDAARD.
Europeanen
Afrikanen
Inlanders
Chinezen
Transporteren
B E S C H I K K I N
G E N .
a
œ a> &ß CD o H
7
3
102
2
114
a>
CD
CD i? <
• J <
O H,
» i
' 159 42 [
3 1
45 159
(1) In verband met nieuwe stoornis in de geregelde afdoening deizaken bij de militaire auditie in de tweede militaire afdeeling op Java, ten gevolge van ziekte van den auditeur, is in Julijjl. {Indisch StaatsMadj81l, n°. 101), in afwachting van de hooger bedoelde definitive regeling-, besloten tot de indienststelling voor den tijd van zes maanden van een regterlijk ambtenaar als tweede (buitengewoon) substituutauditeur militair.
52
STRAFFEN.
BESCHIKKINGEN.
S LANDAARD.
Tuchthuis .
Kruiwagen . .
Gevangenis
Detentie
Dwangarbeid in of buiten den ketting .
Verbanning buiten of wegzending naar een oord van ballingschap binnen Nederlandsen Indie. . .
Tentoonstelling . .
Per transport
Europeanen
Inlanders
Europeanen
Afrikanen
Inlanders
Europeanen
Afrikanen
Inlanders
Chinezen
Europeanen
Afrikanen
Inlanders
Inlanders
Chinezen
Arabieren
Boet«
Veran dering van straf
Wijziging van straf.
Slagen. ,
Provoost
Europeanen
Inlanders
Inlanders
Chinezen
Arabieren
Europeanen
Inlanders
Chinezen
Arabieren
Inlanders
Chinezen
Europeanen
Inlanders
Chinezen
Europeanen
Inlanders
Europeanen
46
13
40
82
152
14
552 466 1018
Onder de personen die gratie genoten, waren er in 1870 350, tegenover 344 in. 1869, aan wie zij ten deel viel bij gelegenheid der viering van 'sKoningsjaardag. Daaronder waren 52 Europeanen (waarbij 47 militairen) en 298 inlanders en gelijkgestelden (waaronder 23 militairen). 21 Europeanen, allen militairen en 113 inlanders en gelijkgestelden , waarbij 7 militairen, ontvingen toen de geheele
kwijtschelding der verdere straf, de overigen een van een jaar, zes of drie maanden. Het noodige werd verordend om voortaan het gratie betoon aan veroordeelden ter gelegenheid van 's Koning; iaarda" op dien dag zelf aan de belanghebbenden over» in Nederlandsch Indie te doen kenbaar maken en ten uitvoer
De 7 Europeanen die gratie van de doodstraf ontvin gen waren allen militairen, die zich hadden schuldig gemaakt aan feitelijke insubordinatie, vijf van hen na reed» eens oi meermalen te dier zake tot straf te zijn veroordeel» o-eweest. Ook de 3 Afrikanen, aan wie lijfsbehoud wer« geschonken, waren militairen. Onder de inlanders, dl« gratie van de , straf des doods vroegen, waren 12 militairen' aan 4 werd die straf voltrokken , 3 hunner waren veroordeeld wegens feitelijke insubordinatie, 1 wegens moor* Onder de 8 die gratie ontvingen, waren 2 veroordeel« ter zake van moord en 6 veroordeeld wegens feitelijke insubordinatie. 1 Onder de overige inlanders aan wie de doodstraf werd vo> trokken, waren er 8 die een werkdadig aandeel genomen ha» den aan de ongeregeldheden en het gewapend verzet tege de openbare magt in de afdeeling Bekassi op 2 en 3 ApJ 1869 De anderen, aan wie de doodstraf werd ten uitvoe belegd, waren veroordeeld geworden: 15 wegens moord.
2 wegens m o o r d n a r e e d s v r o e g e r t e r z a k e v a n m , s d r « t ' zijn gevonnisd, 6 wegens moord en diefstal m vereemgde J gewapende bende, 5 wegens zamenspanning en gewelddafH verzet tegen het gevestigd gezag, 1 wegens vadermoord « 1 wegens moed willigen doodslag, opgevolgd door dielst»; Onder de 94 inlanders, niet militairen, die gratie ver kregen van de doodstraf, waren 35 deelhebbers aan o Bekassische ongeregeldheden, 10 veroordeelden wege» diefstal in vereenigde en gewapende bende gepaard m" moord; de overigen meest allen veroordeeld wegens moor<» enkele wegens moord en diefstal. . De 3 Chinezen die de doodstraf ondergingen , waren sentn dig bevonden aan moord gepaard met diefstal ; zij die graf kregen van die straf, aan moord. Aan één Europeschen en twee inlandsche matrozen gratie verleend van de straf van » laarzen". D Drie inlandsche hoofden door een raad van justitie f zake van misbruik van gezag veroordeeld tot wegzendt» naar een oord van ballingschap, verkregen gratie van a straf. Twee dergelijke, wegens opzettelijke ontrouw hunne bediening van openbaar ambtenaar en valschheid authentieke geschriften, tot dezelfde straf voor den tijd v» vijfjaren veroordeeld, ontvingen eene afwijzende boschi» king op hun verzoek om gratie. Dit was mede hej ge«1
met drie inlanders, die tot die straf verwezen waren t zake van knevelarij.
§ 8. Bijzondere regten.
Regt van verblijf. Opgaven nopens het aantal enz. « gedurende 1870 ter inwoning in Nederlandsch Indie t« gelaten Nederlanders en Westersche en Oostersche vree» delingen worden aangetroffen in bijlage A, n°. 13. Eeeds in 1865, bij het ontwerpen der voorwaarden *' toelating in Nederlandsch Indie van Oostersche vreem» lingen {Indisch Staatsblad 1866, n°. 56), werd hier te lan' het denkbeeld in overweging genomen om de bepaling welke ten opzigte van Nederlanders, andere European en met dezen gelijkgestelden het onderwerp regelden [Inm Staatsblad 1861, n°. 40 en 41), in milderen geest te hersl en tevens te gemoet te komen aan de in de praktijk e, bleken leemte, dat stellige voorschriften dier regeling» konden worden gehandhaafd wegens gemis aan straf palingen, strekkende om de nakoming dier voorschrii te verzekeren. Ten gevolge van de in 1867 wenschelijk geachte ra» pleging der Indische Regering werd de afdoening de aangelegenheid vertraagd. Op 1 Augustus jl. was ec» eene ontworpen herziening bij den Raad van State » hangig gemaakt. (1) : In den loop van 1870 werd door de Indische Kege' beslist, dat de aangehaalde bepalingen (Indisch Staats«
(1) De nieuwe bepalingen zijn vastgesteld bij Koninklijk beslui» 15 September 1871, n°. 1.
53
1861, n°. 40 en 41) nîet geacht kunnen worden toepasselijk te zijn op het tijdelijk oponthoud te Anjer (eene niet voor den algemeenen handel geopende haven), van gezagvoerders, passagiers ot' schepelingen van ter reede aldaar geankerde vaartuigen, noch op het reizen (langs den grooten postweg} van Anjer naar Batavia van, ter eerstgenoemde plaats voet aan wal zettende Europeanen, met het doel om over Batavia hunne reis buiten Nederlandsch Indie onmiddellijk te vervolgen of wel aldaar aan de voorschriften op het regt van verblijf te voldoen. Aan art. 1 der ordonnantie van 6 Junij 1866 (Indisch Staatsblad n°. 57), hetwelk den Gouverneur-Generaal opdraagt op alle plaatsen, waar hem dit noodig voorkomt, •wijken voor vreemde Oosterlingen aan te wijzen, is tot dusver geene uitvoering gegeven wegens de gebleken moeijelijkheid eener letterlijke opvolging van dat voorschrift, in zoover de wijken zelve, dat is de omschrijving harer ligging enz. door den Gouverneur-Generaal zouden Baoeten worden bepaald. Om hieraan te gemoet te komen is in Julij jl. door het Opperbestuur magtiging verleend het artikel in dier voege te wijzigen , dat de Regering alleen de plaatsen waar wijken van vreemde Oosterlingen mogen zijn, zal hebben aan te wijzen, zoodat de aanduiding der •wijken zelve zal geschieden door de hoofden van gewestelijk bestuur. De Indische Regering meende de blijken te hebben bespeurd dat zoowel de bepalingen omtrent de toelating in Indie der bedoelde vreemdelingen als die omtrent hunne vereeniging in wijken (Indisch Staatsblad 1866, n°. 56 en 57) niet immer en overal naar behooren werden nagekomen. Op haren last zijn daarom de hoofden van gewestelijk bestuur door den directeur van justitie indachtig gemaakt op de vereischte meerdere zorg voor eene getrouwe en stipte nakoming en handhaving van die bepalingen. De werking van de in 't vorig verslag vermelde bepalingen betreffende de verpligting om zich bij reizen in Nederlandsch Indie van passen te voorzien, heeft geene bezwaren tegen die regeling doen kennen ; alleen is het noodig geweest bij eene algemeene aanschrijving de hoofden van gewestelijk bestuur voor te lichten omtrent de wijze, Waarop de betrokken ambtenaren zich kunnen verzekeren van de identiteit van den pas-aanvrager en van de waarheid der door dezen gedane opgaven omtrent zijne bedoelingen. i' Blijkens de ordonnantie van 2 Julij 1870 (Indisch Staatsblad n°. 80), waarbij het reizen en inwonen in de residenten Soerakarta, Djokjokarta en Madura verklaard werd door dezelfde bepalingen beheerscht te worden als voor de overige residentien van Java geldende waren, zijn ten opzigfe van het reizen van vreemde Oosterlingen naar de Preanger regentschappen vooreerst nog gehandhaafd gehieven de beperkende voorschriften van Indisch Staatsblad 1820, n°. 27 en 1821, n°. 4, volgens welke tot dat einde alleen passen mogten worden verleend aan de zoodanige vreemde Oosterlingen die in genoemde residentie waren toegelaten. De vraag is gerezen, of het voortduren dezer uitzonderingsbepalingen wel in overeenstemming is te achten met den geest der ordonnantie van 6 Junij 1866 (Indisch Staatsblad n°. 56), welke ten aanzien van de toelating en vestiging van vreemde Oosterlingon in de Preanger regentSchappen geenerlei speciale beperking bevat. De gedachtenWisseling hieromtrent in Februari) jl. met de Indische 1 Regering aangeknoopt, is nog niet afgeloopen. In verband tot de voorschriften van art. 45 en volgende van het Regeringsreglement verdient vermelding, dat aan eenen Europeaan , aan wien in het belang van de openbare orde en rust eene strandplaats tot verblijf was aangewezen, orn gezondheids-redenen veroorloofd is geworden gedurende oenen bepaalden tijd in eene daartoe aangewezene plaats 'o het gebergte verblijf te houden. Van de bedoelde voorschriften van het Regeringsregleraent werd gebruik gemaakt, om aan een inlander van de W"ester-afdeeling van Borneo, wien eenige jaren geleden eene verblijfplaats builen dat gewest was aangewezen, te vergunnen voortaan verblijf te houden te Sintang, en aan zekeren pangeran uit de Pasoemahlanden, aan wien °^e hoofdplaats Palembang tot verblijfplaats was aangewezen, *oe te staan, in afwachting van nadere beschikking, zich °P te houden te Bandar (onderafdeeling Pasoemah). Aan twee vóór eenige jaren bij politieken maatregel N°. 8. 2.
verwijderde inlanders werd vergunniug verleend om naar hunne vroegere woonplaatsen terug te keeren. Aan een voorstel van den resident van Riouw om tot zoodanige verwijdering te besluiten ten aanzien van eenige Chinezen, die getracht hadden aldaar een geheim Chineesch genootschap op te rigten, werd geen gevolg gegeven, nadat gebleken was dat bedoeld genootschap geene slechte, voor rust, orde en veiligheid gevaarlijke bedoelingen had.
Druipers. Op het gebied der drukpers verdient vermelding het volgend geval : In October 1869 verzocht de resident van Soerakarta den officier van justitie bij den raad van justitie te Samarang eene vervolging in te stellen tegen den schrijver van een in het te Soerakarta uitkomend Javaansch nieuwsblad Djoeroe Martani opgenomen artikel, waarbij aan een » panewoe-politie" verscheidene strafbare handelingen werden ten laste gelegd. De officier van justitie voldeed aan dit verzoek, maar de regtbank verklaarde zich onbevoegd, op grond, dat het feit, door en tegen een onderdaan van den keizer van Solo gepleegd, niet to harer kennisneming stond. Vermits alzoo de schrijver niet vervolgd kon worden, requireerde de officier van justitie regtsingang tegen den drukker en uitgever, doch de raad verklaarde hem niet ontvankelijk, op grond dat niet bleek dat de vervolging op de klagt der beleedigde partij was ingesteld of dat deze behoorde tot de in art. 11 Reglement van Strafvordering genoemde personen. Het tegen de uitspraak aangeteekend verzet werd door het Hooggeregtshof niet ontvankelijk verklaard, omdat alleen in de bij art. 72 Reglement van Strafvordering genoemde gevallen verzet is toegelaten. Daarop diende de beleedigde partij eene klagte in bij den officier van justitie en cto toen ingestelde vervolging tegen den drukker en uitgever eindigde met diens veroordeeling tot geldboete. Door den regter is alzoo aangenomen, dat de aangewezen schrijver als onderdaan van den keizer van Solo niet kon worden vervolgd (art. 17 Reglement op de drukwerken, Indisch Staatsblad 1856, n°. 74). Eene andere niet onbelangrijke beslissing werd gegeven met opzigt tot de vraag, of een militair een misdrijf plegende , voorzien 'bij het reglement op de drukwerken, al of niet behoort teregt te staan voor den burgerlijken strafregter. Die vraag werd door den raad van justitie te Soerabaija ontkennend, maar door het Hooggeregtshof toestemmend beantwoord ; dit laatste uit overweging dat elke vervolging, ingesteld op grond der voorschriften van het drukpersreglement, ingevolge zijn 31ste artikel wordt beregt door den raad van justitie, en dat deze bepaling algemeen , en alzoo ook ten opzigte van personen, aan de militaire strafwetten onderworpen, den raad van justitie in het bijzonder aanwijst als de bevoegde regter om kennis te nemen van misdrijven, gepleegd door middel van drukwerken. Gedurende het jaar 1870 waren hangende 18 vervolgingen ter zake van vergrijpen tegen het reglement op de drukwerken, waarvan er 'J waren aangebragt gedurende gezegd jaar. Van die vervolgingen werden er aangebragt bij den raad van justitie te Batavia 3, bij dien te Samarang 9, , bij dien te Soerabaija 3 en bij dien te Padang mede 3. Hangende bij het einde van het jaar waren er nog 7 , terwijl er 4 eindigden met eene veroordeeiing, 1 met eene wederspannigverklaring aan de wet, 1 met eene vrijspraak, 4 met eene weigering van regtsingang on 1 met eene nietontvankelijk verklaring op grond yan verjaring.
Strandvonderij. Quaestien op dit gebied hebben zich niet voorgedaan. Eenige opgezetenen van de Kangean-eilanden (residentie Madura) die, onder voorgeven van te helpen bergen , zich hadden meester gemaakt van zeilen en andere goederen, afkomstig van een gestrand Nederlandsch-Indisch schip, werden ter zake strafregtelijk vervolgd. Door de residenten van Palembang en der Lampongsche districten werden wijzigingen gebragt in het personeel, ingevolge § 1 van de ordonnantie van 8 Maart 1852 (Indisch Staatsblad n°. 21), door hen aan te wijzen voor het
14
54
beheer der strandvonderij in hun gewest. Die wijzigingen werden door den Gouverneur-Generaal goedgekeurd. Eene opgaaf der met bedoeld beheer in de verschillende gewesten van Nederlandsen Indie belaste ambtenaren wordt aangetroffen in den Regerings-almanak van Nederlandsch Indie voor 1871, bladz. 115 en volgende.
Pandelingschap. De berigten omtrent het pandelingschap in die bezittingen buiten Java en Madura, in welke het nog bestaat, zijn gunstig. Binnen het gewest Sumatra's Westkust is het nemen van pandelingen tot zekerheid van schuld in de bij de adats voorziene gevallen alleen in de residentie ïapanoli nog gebruikelijk, doch het wordt al minder en minder. In de residentie Palembang bestaat alleen nog pandelingschap in de sem*ndo en de Makakou. Met opzigt tot de residentie Riouw en onderhoorigheden deelt de resident mede, dat de pogingen om in de afdeelingen Siak sri Indrapoera, Assahan, Panei en Bila het pandelingschap geleidelijk af te schaffen, met gunstigen uitslag worden bekroond, dank zij de daarin van de betrokkene vorsten ondervonden medewerking. In de Westerafdeeling van Borneo baart het pandeliugschap in Pontianak en Mampawa, waar het reglement (Indisch Staatsblad 1859, n°. 43) werkt, geen zorg meer; in het rijk Sambas bestaan geen pandelingen meer, maar in de overige lijkjes is het pandelingschap nog in zwang. Gedurende 1870 is in de Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo het aantal geregistreerde pandelingen, dat op 1°. January van dat jaar 1776 bedroeg, gedaald tot 1753. In de onder regtstreeksch gouvernementsgezag staande gedeelten van het gouvernement Celebes en onderhoorigheden is het getal geregistreerde pandelingen mede zeer afnemende; op ultimo 1868 bedroeg het 1993, op ultimo 1869 612 en op ultimo 1870 394. In de residentie Meuado zijn nog alleen pandelingen in de onafhankelijke rijkjes op de noordkust van Celebes en op de Sangir- en Talaut-eilanden ; door herhaalde aansporingen tracht het bestuur zooveel mogelijk daarin verandering te brengen. In de residentie Ternate bestaat het pandelingschap nog in geringe mate in de landen onder het bestuur der inlandsche vorsten ; het wordt echter zooveel mogelijk tegengegaan en nimmer gaat de schuld over op de erfgenamen van den oorspronkelijken schuldenaar. Op west-Timor, Rotti en Savoe is het pandelingschap nagenoeg verdwenen, maar overal waar de regtstreeksche invloed van het Nederlandsch-Iudische gezag gering is, bestaat het nog, bij name op Soemba, Endeh, Floris, Solor-eiïanden en Midden-Timor.
Pand- of beleenhuizen. Ofschoon sedert de afschaffing met 1 January 1870 der zoogenaamde pandjespacht het uitleen en van geld op pand en tegen interest een gewoon bedrijf is geworden , is echter in het belang der openbare orde, eene regeling van het politie-toezigt op de uitoefening daarvan noodig bevonden. Nadat de strekking dier regeling [Indisch Staatsblad 1869 n'. 85) reeds in 't vorig verslag is medegedeeld, schijnt het niet overbodig hier op te nemen hetgeen thans nopens hare werking blijkt. In 't geheel werden in 1870 op Java en'Madura 316, in de buitenbezittingen 55 licentien uitgereikt tot het hou_ den van pand- of beleenhuizen. Vergeleken bij het aantal dezer pandhuizen in 1869, dus onder de werking deipacht, geeft dit eene vermeerdering voor Java en Madura van 85 en voor de bezittingen daar buiten van 15. Van deze laatste cijfers moeten echter worden afgetrokken de pandhuizen in Bagelen, op Madura en in Palembang, •wier aantal wel over 1870 (respectivelijk 11, 19 en 11) maar niet over 1869 is opgegeven. De pandhuizen werden gevestigd overal waar zij den ondernemers voordeelig voorkwamen. Men trett ze aan zoowel op de hooldplaatsen van afdeelingen en districten als in dessa's en kampongs. In sommige gewesten is het aantal onder de nieuwe regeling belangrijk vermeerderd, in andere daarentegen aanzienlijk verminderd. In de residentien Preanger regentschappen, Soerakarta, Lampongsche districten en Menado, waar vroeger , althans in 1869, geene pandhuizen bestonden, heeft de nieuwe
regeling tot oprigting van één of meerdere uitgelokt. In Banjoewangi en Riouw evenwel heeft het bestaan van het pandjeshuis, dat op de hoofdplaats van elk dier gewesten gevestigd was, opgehouden ; ook werden geene licentien aangevraagd in Krawang, waar reeds in de laatste jaren geen pandhuizen meer bestonden, en in Djokjokarta, welk gewest, even als Soerakarta, sedert jaren niet meer tot het gebied der pacht had behoord. Op 9 uitzonderingen na, waar het Europeanen zijn, waren alle pandhouders Chinezen, die voor het meerendeel reeds tijdens het bestaan der pacht als pachter , onderpachter of op andere wijze bij de zaak betrokken waren. Meestal sloten de op ééne ptaats gevestigde Chinezen onderling eene overeenkomst, waarbij eene vaste rente bepaald was, die dikwijls hooger, zelden lager was dan onder het pachtstelsel. De berekening van interest op verschillende plaatsen was zeer ongelijk en onregelmatig. De meeste pandhouders haddeu een tarief, waarbij de rente verminderde naar gelang de geleende som grooter werd. Slechts weinige hadden een uniformtarief. De hoogste rente, die berekend werd, was 10 à 12 per cent 'smaands, de laagste 1 à 2 per cent; in het algemeen bedroeg de meest gebruikelijke rente gemiddeld 5 à 6 per cent 's maands. Vele pandhouders leenden geene mindere sommen uit dan van f 1. De bevolking was dus hierdoor tot nog toe weinig gebaat. Bijna alle hoofden van gewestelijk bestuur verwachten evenwel vermeerdering van concurrentie, ten gevolge van de winsten door de pandhouders behaald. Brengt de toe* nemende mededinging — zoo als te verwachten is — ver' laging van rente te weeg, dan kan de nieuwe maatregel) naar de meening der Indische Regering, op die wijze in vervolg van tijd eene voor de bevolking heilzame uitwei" king hebben. ï o t bespoedigde bereiking van dit doel is overigens eene herziening der straks bedoelde bepalingen van Indisch Staatsblad 1869, n°'. 85 , in bewerking, waarbij de bezwaren door de pandhouders geopperd, vooral tegen de artt. 31 8 en 9 (betreffende de boeken van den pandhuishouder en hetgeen met de te verstane panden gebeuren moet) aandachtig overwogen zullen worden.
§ 9. Personen en inrigtingen met het regtswezen in verband.
Advocaten, procureurs, notarissen, translateurs. Op ultim.0 1870 was het aantal der regtsprahtizijns in Nederlandscb Indie ; van deze waren er 12 aangesteld bij het Hoogge' regtshof, 10 bij den raad van justitie te Samarang en ° bij dien te Soerabaija, terwijl 1 zich heeft nedergezet t0
Padang. Onder deze allen was er slechts éën (te Samarang) die wegens het gemis van den doctoralen graad, niet als ad' vocaat, maar alleen als procureur mögt fungeren. Het aantal zoogenaamde vaste notarissen onderging geen« uitbreiding, maar integendeel kwam in overweging een vooi" stel om het notariaat te Poerwakarta (Krawang), als m« het daaraan verbonden vendumeesterschap geen voldoend bestaan opleverende, voor den vervolge op te dragen aa" den secretaris der residentie. Aangezien gebleken was dat het niet aanwezig zijn va* een notaris te Lahat (residentie Palembang) tot groot on' gerief strekte van de ingezetenen, werd, met uitbreiding van de ordonnantie van 9 December 1863 (Indisch Staats' blad n». 170), bepaald, dat aldaar het notaris-ambt binne" den omtrek der afdeeling Lematang-Oeloe en Ilir (d' Pasoemahlanden daaronder begrepen) wordt uitgeoefend door den ambtenaar, die plaatselijk met het bestuur de(' afdeeling is belast. (Indisch Staatsblad 1870, n°. 147). In het vorig verslag bladz. 40 en 107 is reeds meldifl« gemaakt van het voornemen om in de eerste opleiding va" adspiranten voor eene benoeming tot tolken voor de Chn nesche taal, voortaan in Indie te doen voorzien, en val de regeling hier te lande der voorwaarden te verbinde! aan de bijdragen van Staatswege voor zoodanige opleidt (Indisch Staatsblad 1870, n°. 151). Sedert is door de"; Gouverneur-Generaal bepaald: dat van de op te leids' personen één in het tjiang-tjioe- (te Batavia) en de ande' in het kaij-ijing-tjioa-dialect (te Padang) zal worden ondel" rigt; en dat aan ieder der op genoemde plaatsen met <*
55
opleiding der adspiranten te belasten Europesche tolken , oen Chinesche leermeester zal worden toegevoegd , sprekende het dialect, waarin door den tolk onderrigt zal worden gegeven. - In Maart 1871 werd de gelegenheid opengesteld tot het afleggen van het bij art. 2 der voorwaarden bedoeld examen. slechts twee jongelieden hadden zich aangemeld; één hunner slaagde, aan wien Batavia als plaats van opleiding *s aangewezen. Het verslag nopens bedoeld examen is opgenomen in de Javasche Courant van 28 April 1871. Te Batavia is een Europesche tolk aangesteld voor de Javaansche taal, waardoor in eene lang gevoelde behoefte *s voorzien.
Wees- en boedelkamers. Ten aanzien van het reservefonds van het collegie van boedelmeester3 te Batavia, werd bij het Indisch besluit van 1 October 1870, n°. 13, eene ge"jke beschikking genomen als in het vorig verslag (bladz. 40) l s vermeld ten aanzien van de reservefondsen der weeskamers, met bepaling echter, dat vooreerst niet meer dan ^ 1000000 in 's lands kas zal worden overgebragt, omdat, 2°olang de 2de alinea van art. 24 en art. 40 van het reglement voor het collegie [Indisch Staatsblad 1828, n°. 46) bestaan, *en fonds onder beheer van het collegie behoort te blijven. In Mei jl. waren nog geene gelden in 's lands kas overgebragt kunnen worden, omdat de aanwezige onuitgezette gelden moesten worden gebezigd tot het uitkeeren van zeer helangrijke sommen aan meerderjarig geworden pupillen eQ er geene belangrijke gelduitzettingen waren losgekomen, •fort daarop is echter berigt ontvangen dat het collegie f 50 000 in 's lands kas had overgebragt. Eene door den president van het collegie ontworpen instructie voor hetzelve was onlangs bij het departement van Justitie in behandeling gekomen. Naar aanleiding van een daaromtrent gerezen verschil van gevoelen heeft de Indische Regering beslist, dat de bij "o weeskamers te Batavia, Samarang en Soerabaija als buitengewone leden bescheiden Europesche tolken voor de j-'h'mesche taal [Indisch Staatsblad 1866, n°. 103) zijn stemhebbende en niet alleen adviserende leden in Chinesche 2aken, en dat ook zij alzoo voortaan zullen deelen in de " procent provisiepenningen [Indisch Staatsblad 1850, n°. 43) aan de leden der kamers aankomende in alle Chinesche hoedels zonder onderscheid en in dezelfde verhouding als ^e overige leden. Aan de wees- en boedelkamer te Padang is in September *870 [Indisch Staatsblad n°. 13") de aldaar geplaatste tolk voor de Chinesche taal als buitengewoon lid toegevoegd, °nder toekenning eener toelage boven zijn tractement en onder gehoudenis om alle hem door en ten behoeve van het collegie opgedragen diensten te verrigten, zonder daardoor verder eenig salaris in rekening te mogen brengen. Er is bepaald dat de agenten der Bataviasche weeskamer voor de afdeeling Soemedang mede die functien zullen Ultoefenen in de afdeeling Limbangan (Preanger regentSchappen). Aan de weeskamers is als de zienswijze der Regering te bennen gegeven, dat de agenten dier collégien ingevolge aUnea 1 van art. 1808 Indisch Burgerlijk Wetboek aanspraak kunnen maken op terugbetaling van de voorschotten en kosten, welke voor hen het noodwendig gevolg zijn gefeest van eene behoorlijke voldoening aan de verpligtingen , ~'o hun als vertegenwoordigers of vervangers van het collegie ZlJn opgelegd. De vraag heeft zich voorgedaan, of de weeskamers eene ^agtiging der Regering behoeven, om hetzij in hooger be
roep, hetzij in cassatie te komen van eene afwijzende beschikking op een verzoek, door haar gedaan in opvolging van de verpligtingen, die op haar als toeziende voogdes krachtens de wet rusten. Het antwoord hierop is ontkennend geweest. Wijders is door de Indische Regering als regel aangenomen dat, zoolang de wees- en boedelkamers verpligt zijn om een vast rentecijfer uit te keeren, de kosten der bij art. 35 harer instructie [Indisch Staatsblad 1818, n°. 72) voorgeschrevene opneming van vastigheden behooren te komen ten laste van den lande. Nadat de Indische Regering te dier zake van haar gevoelen heeft doen blijken, zal in het vervolg door de weeskamers ten aanzien van de kapitalen van minderjarigen, waarover zij het beheer voeren , omdat het beheer aan den voogd is ontnomen, worden opgevolgd het voorschrift van art. 391, alinea 1 Indisch Burgerlijk Wetboek, betreffende het beleggen van het batig slot der inkomsten van den minderjarige. Het bureau-personeel der weeskamer te Batavia werd tijdelijk met één, dat der kamer te Samarang voor goed met twee commiesen uitgebreid. De gestadige toeneming van werkzaamheden bij de kamer te Soerabaija, ah gevolg van de voortgaande ontwikkeling van Java's Oosthoek, maakte ook eenige voorzieningen noodig ten aanzien van het personeel bij die instelling, met opzigt zoo tot de tractementen der hoogere ambtenaren als tot eene uitbreiding van het eigenlijk bureau-personeel. Hiertoe zal in 1872 worden overgegaan. Daar het op nieuw gebleken was , dat het beheer der agenten van de boedelkamers dikwijls zeer veel te wenschen overlaat, en dit veelal ook daaraan moet worden toegeschreven, dat de hoofden van gewestelijk bestuur de betrekkelijke bepalingen niet naar behooren opvolgen, heeft de directeur van justitie, op uitnoodiging van den Gouverneur-Generaal, aan de besturende ambtenaren medegedeeld, dat het de uitdrukkelijke wil der Regering is, dat de artt. 16 en 62 (betreffende de toezending aan boedelmeesteren van acten van uitersten wil, het te gelde maken van sterfboedels en het in 's lands kas deponeren van het provenu) van het reglement voor het collegie van boedelmeesteren te Batavia (bij deszelfs vaststelling ook van toepassing verklaard buiten het ressort van het collegie) —- Indisch Staatsblad 1828, n°. 46 — getrouwelijk door de hoofden van gewestelijk bestuur worden opgevolgd. Bovendien is een resident aansprakelijk gesteld voor de schade die het land mögt komen te lijden ten gevolge van het door eenen agent niet verantwoorden van gelden, hetgeen zoude zijn voorgekomen indien de resident bovenbedoeld art. 62 naar behooren had opgevolgd. De nieuw ontworpen instructie voor de weeskamers in Nederlandsch Indie is nog niet kunnen worden vastgesteld. Aan de wenschelijkheid eener afdoening is de Indische Regering in den aanvang van 1871 herinnerd. In voldoening aan het gouvernementsbesluit van 31 Augustus 1869, n°. 9, (zie het vorig verslag bladz. 40) was tot Mei 1871 door de verschillende weeskamers eene som van f 1 173 988,415 in 'slands kas overgebragt, als: door de weeskamer te Batavia f'625 000, te Samarang f 252,600, te Soerabaija f206 879,385, te Padang f 17 746,11, te Macassar f 35 554,065, te Amboina f 30 611,03, te Menado f 597,825 en te Banda Neira f 5000< De staat van beheer over 1870, aangevuld met eenige nieuwe opgaven, kan blijken uit de ondervolgende aantooning :
56
K]
S6i
Kl
te;
i ' d O P-i CD A O r g S s 15 © .
I C l C l « c m
^ i - l co d < - < c3 c^
S ED
•*-* a ß cl oc:d> H
^ p
g £& w — o a, p
c 03
»H 0) TO d O O
hM
0> d ©
© T3
S-i © CD rW M ,i_, p
a ta h © © h
S H
d
CG
H-* ci -^
P U ns es
t~ CM »fi o
I : U ' O © „
A a ° © © o ' O f ö -*^ m IL r« P e g ~ s ?
c3 ca a c» t» ' O S a
03 »r-J on-d •e o
2 ® S
K c fe O O O O ' O j , d f £
°3 'S 3
• Ö w 03 P © •!-! /S S 'S M CS - M —.5'3
t - , <—I i-*
C? O) O c3 O >
"£L.ä •**
M fe p cp P P c-i © C3 ,.K *» c3 P - ' S
d 'o 0 3 * ©
p CS > 'B '3
© ' O OD P © I—I S.s
K - - ! - = • ©
OD P
^ 'S
-{-3 © P t»
P - S
0Q
= sS P g (3 o3 03 © t* CO r*i
o .2
p +J © 03 •5 W
ü p P © - w . r t © T J S h S ° O eg acts :R> P-, p ^ o o o
i© © . d ffog I
tn . U © f* © M « 03
j - j © ' O
o a g > p S :a? a «„, 5 © © © p • U I ) « d
© ^ a 55 03 Q 03 "3 ± i 03 O ' O £ o © •V-5 N Ä
d ' O 03 P t» © > P aj © M e'S © o © M ©
d § 03 W t- 5> ^
P S ?3 » J S « » a * 3 rt © a*. M
03 © „, -*! rP .S
© o . t ; ' o 'O ^a p © 03 OB >•£ OB p 03 >
S d * © tB T) ' o ^ d
© CQ aß "
' O © © rrj -°^ P 03 © rr) bfi _ O d O © ^ o © P
,© C^C|_
© rS on
' O +a © u © o
© - 5 M
• u ö n i d n d iB!)9-jj)
©
©
© ' O d c2
© • a o B c
CO
' O o
© ' O
."S <»
d © >
bu -^ i& d
© ' O a o
OD ©
O O CO
t CO 00
CO o CO as (N 00 (M co cçq
c» CO
CO CO o
CO o m o (N
uO eo co
CO
l > CO 00
WO CM
CM
CO co
o oo l O CD
CO I > CO
CO co O »o CO t~
- * CO 00 • * o »o co co eo O o en a i H CM CO t > I N (M
C» 00 o (M
CO OS co
co
T - l WO
co ( N WO -'H CO CM (M O O ^ * <M 00 »H O CO wO f . •^l CO SM CO
O0 p 03 >
© ' O
' O p o O — •" -=
p ©
S
PH 03
' O P O o t co
« CD ^1
0) ^
S « U ï À
œ ^ t E Cù OO - . ' O •*« er1 d co O
a O 03 !» &B
s ^ ^ -1 ^ S K)
t» 03 ou
o (M
^H
CO
CM
CO WO WO WO ~«
co co co
(N 00 oo
• *
o WO CO t'
co c t> CO H CO <35 wO CM
CM t CO CM
i l CM t O O CC
WO
o oo
CM
C M
O
co o co co
oo CO CM^ <N~ cn CO
CO
CM
(N C» CM
co co
oo CO CM CM
CO eo WO co
o o CM WO CO
wo CM WO cn
co
l> WO —H O CM «^
WO t». o 00
Ol
o eo CM co
o .CO co 00 CO CO
WO (M co iH WO
WO WO WO eo
eo WO C3 t-1
TU eo 00 WO CO «0
WO CM Ol oo CM T H
I—1 "* » i-l CÜ
^H WO oo o oo
WO oo 01
1*1 co
t~ . WO Ol
T-H CM
CO o co o wo o -* o 00 »o i-l CM
"B' i *
o
CO
O l
CO
^ fq ^ K|
© ^ 3 O ,H a o ^ 4
' O O „o
a o
w
o
o CO CM O co
eo eo
co WO CO o co
o
CM
oo l > CO CM CM
- d O ..
© 5 n 03 S ' * O cn O o > . P u S3 ' O co d © o ©
co O l l > eo t
co
oo CO CO
O l
03
CM co
CM O l
CM oo
03 03
"Si W) O
TK r P © ©
d <n
O cc
© C3 •*% u 'o 1^
" d M © O ' O d o r-i 03 CS
^ Pq co co co o CM
'cä"

E
CO WO CM co i—i
Ci
795,!
CTS CO
O eo CO
CM CM C H t~ i—i Ol CO tt-1
1—1
CM CO
1 — t
•K2 CO Ol CM tCM
^
O co Cl
1—1
-K
O oo Cl 1—1 1—1
CO 1-1 iH
•i—
co r
i—i
i—«
WO
CO WO
-!—
WO
CO WO
wo co
i H
•1—
CM eo O CM
CM CO Cl
•f—
CM eo O rH
03
03 • M
£
© 'g .2 2 > , P 03 d °3 «W
© .2 ** bc oa © M - H © o " " O
OD P
a 03
03 4 3 03
© O CO
6 0 d 03 ' O 03 P-l
c3
03
a ' o - P a <
o ' O 03 d ©
03
d 03
03 d u o EH
9^ J8UI13î[pp90q U9 - 8 9 9 ^
57
a. Algemeen« ïXekenkanier en Comptabiliteit.
. § 1. Algemeene Rekenkamer.
Het uitzigt op geheele buitendienststelling in de eerste maanden van 1871 van liet sedert 1867 bij de Kamer Werkzame buitengewoon personeel voor de examinatie en liquidatie van de verantwoordingstukken en het afsluiten der begrootingen van vóór 1867, is niet verwezenlijkt, zijnde slechts een klein gedeelte der betrokken ambtenaren onder ultimo January 1871 buiten dienst gesteld. Men heeft overwogen of hetgeen nog bij te werken viel niet door het gewone personeel der Kamer zou kunnen worden verrigt, doch kwam tot de bevinding dat daardoor schade zou worden toegebragt aan de loopende dienst. In Junij 1871 zou echter de Kamer te berigten hebben omtrent het al dan niet, noodzakelijke eener langere aanhouding van het overgebleven tijdelijk personeel. Van nadere beschikkingen dien ten gevolge was op 1 Augustus jl. hier te lande nog niet gebleken. (1)
§ 2. Comptabiliteit.
Aan de bij Indisch besluit van 12 Augustus 1869 (zie het vorig verslag blz. 42) den raad van directeuren gedane opdragt om de in de praktijk gebleken bezwaren nopens de voorschriften der comptabiliteitswet (Indisch Staatsblad 1864, n*. 106) na te gaan en deswege voorstellen m te dienen, is, ondanks herhaalde uitnoodigingen om die taak spoedig ten einde te brengen, nog niet voldaan. De raad van directeuren is intusschen uitgenoodigd om bij de voldoening aan bovenbedoelde opdragt tevens te dienen van consideration en advies omtrent de volgende vraagpunten :
a. of art. 38 der bedoelde wet niet zal moeten worden gewijzigd in dien zin, dat ter voorziening in dadelijke behoeften aan benoodigdheden, in stede van openbare aanbesteding, onderhandsche inschrijving kunne plaats hebben; , * b. of aan den Gouverneur-Generaal niet de bevoegdheid zal behooren te worden gegeven om af- en overschrijvingen te doen van en op de onderafdeelingen en de artikelen der begrooting, waardoor crediet-openingen boven de begrooting meermalen zullen worden voorkomen ;
c. of het niet aanbevelenswaardig is te achten het Opperbestuur in overweging te geven door gelijksoortige posten onder één artikel te verzamelen, het aantal artikelen, Waarin de begrooting gesplitst wordt, zooveel "mogelijk te beperken, vermits daardoor het aantal overschrijvingen Van het eene artikel op het andere zal verminderen ;
d. of het in het belang der comptabelen niet billijk is bij de wet te regelen , binnen welken tijd de rekeningen van comptabelen, die de dienst verlaten of in eene andere betrekking overgaan, worden afgesloten en zij van verdere Verantwoordelijkheid ter zake ontslagen worden. Deze aangelegenheid is bij de comptabiliteitswet alleen geregeld ten aanzien van overleden of onder curatele gestolde gewone °f buitengewone comptabelen ;
e. of art. 92 van meergenoemde wet (volgens hetwelk de rekeningen van comptabelen, wanneer dezen, ook na door de Rekenkamer ter zake te zijn beboet, in het inzenden daarvan verder nalatig blijven, ex officio ten koste der nalatigen moeten worden opgemaakt door een ambtenaar,
(1) Onlangs is het berigt ontvangen (vooral teleurstellend wegens de ^aruit voort te vloeijen vertraging in de afsluiting der begrootingsrekening van 1867), dat de taak van het bewuste personeel op verrena a°R niet is afgeloopen, en zelfs naar de meening der Eekenkamer nog gedurende 1872 zal moeten worden voortgezet. Daar de beschikbare .°ndsen intusschen niet toelieten het personeel gedurende het geheele laar 1871 onveranderd in dienst te houden, is door den Gouverneurgeneraal in Julij jl. bepaald, dat de hoofdainbtenaar met de leiding der Dedoelde werkzaamheden belast, zal worden buiten dienst gesteld en wel 5jet uit". Augustus daaraanvolgende, als wanneer de secretaris der •Rekenkamer zijne bemoeijenis tot het werk betreffende de diensten vóór 1867 zou uitstrekken. N°. 8. 2.
daartoe door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen) wel eeno doelmatige bepaling is te achten voor die kleine en afgelegen plaatsen, waar gemeenlijk slechts één ambtenaar , geschikt voor comptabiliteitswerk, gevestigd is, en welke plaatsen niet dan na moeijelijke en kostbare reizen kunnen worden bereikt; en of voor zulke plaatsen niet de bepaling, dat de rekeningen dooi' den titularis, of waar dit onmogelijk is, door zijn opvolger tegen vergoeding, moeten worden opgemaakt, door de omstandigheden wordt gevorderd;
f. of, daar bij een groot materieel beheer alligt eene vergissing kan plaats hebben met de afgifte van goederen, zoodat de eene soort voor de andere wordt afgegeven, het niet billijk zou zijn bij sluiting of opneming van dergelijk materieel beheer , de waarde van hetgeen over bevonden wordt te verrekenen met de waarde van hetgeen te kort bevonden is, zoodat de comptabele slechts belast zou worden met de vergoeding van hetgeen in het algemeen is te kort bevonden ;
g. of het niet wenschelijk is te achten in het belang eener onpartijdige uitspraak, dat art. 88 comptabiliteitswet zoodanig worde gewijzigd, dat het besluit omtrent de daarbij bedoelde herzieningen worde genomen zonder medewerking van die tafel der Rekenkamer, tegen welker uitspraak door een comptabele bezwaren zijn ingebragt.
Ook is de raad van directeuren geraadpleegd nopens de wenschelijkheid eener aanvulling der regelen en voorschriften voor het materieel beheer (Indisch Staatsblad 1866, n°. 151) in dier voege, dat daarbij, even als art. 15 deiregelen voor het administratief beheer (Indisch Staatsblad 1866, n°. 149) zulks voor het geldelijke doet, aan de hoofden der departementen van algemeen bestuur de bevoegdheid worde geschonken tot het doen van verstrekkingen binnen zeker bedrag onder nadere goedkeuring der Regering. Voor de voldoening aan deze opdragt is echter aan den raad van directeuren uitstel verleend tot na de beraadslaging over de herziening der comptabiliteitswet zelve, waarbij uit den aard der zaak ook de toekomstige wijze van beheer van 's lands materieel zal ter sprake komen.
Bij eene aanschrijving van Januarij 1870 werd aan den Gouverneur-Generaal te kennen gegeven, dat de comptabiliteitswet geene bevoegdheid geeft tot het aanvragen door den Gouverneur-Generaal van een nieuw crediet voor vorderingen , welke niet zijn verevend vóór de afsluiting van het dienstjaar waartoe zij behooren en alzoo door verjaring zijn getroffen. Verder is uitgemaakt (ministeriele aanschrijving van 22 Maart 1871): a. dat de Landvoogd bevoegd is , onder nadere bekrachtiging der wetgevende magt, credieten boven de begrooting te openen, strekkende tot regularisatie van reeds gedane betalingen, hoedanige credieten, aangezien in de artt. 83 en 84 der comptabiliteitswet het beginsel ligt opgesloten der fmantiele verantwoordelijkheid van de ordonnateurs, evenwel niet mogen dienen tot dekking der verantwoordelijkheid van hen, die daartoe, zonder het aanwezig zijn van dringende omstandigheden, aanleiding hebben gegeven. Dezen behooren aansprakelijk gesteld te worden voor de gevolgen der niet-bekrachtiging door de wetgevende magt, en op hen moet mitsdien in dat geval het voorschrift van art. 84 der genoemde wet met alle gestrengheid door den Gouverneur-Generaal worden toegepast ; b. dat de aanvulling bij credietopening der posten voor onvoorziene uitgaven met de comptabiliteitswet niet in overeenstemming is, daar het hare bedoeling niet kan zijn eene zoo gemakkelijke gelegenheid te openen tot onbeperkte verhooging van alle artikelen der begrooting, welke voor aanvulling zijn vatbaar verklaard, en langs dien weg aan een crediet eene verder strekkende bestemming te geven dan waarvoor het werd beschikbaar gesteld. De GouverneurGeneraal kan, als het na afloop van een dienstjaar blijkt, dat de begrootingsposten ontoereikend zijn, die posten regtstreeks met het vereischte bedrag aanvullen. Door een der chefs van de departementen werd de aandacht der Regering gevestigd op de mogelijkheid, dat eerst 15
58
na ultimo December van het jaar, volgende op het dienstjaar, alzoo na den termijn tot welken, ingevolge de 3de alinea van art. 13 der comptabiliteitswet, de dienst openblijft om alles ten einde te brengen wat het bewerkstelligen der ontvangsten, het verevenen en ordonnanceren der uitgaven betreft, bij het opmaken der begrootingsrekeningen, bedoeld bij de artt. 77 en 78 der genoemde wet, blijkt, dat ter bestrijding van eene in het dienstjaar gedane uitgaaf in het geheel geene affectatie of wel eene onjuiste boeking van het bedrag of van het begrootingsärtikel heeft plaats gehad. Hij vond hierin aanleiding voor te stellen om te verklaren, dat ook na ultimo December van het jaar, volgende op het dienstjaar, de cijfers der betrokken begrootingsposten kunnen worden gewijzigd en verhoogd, voor zoover zulks noodig mögt zijn in het belang deirekening, bedoeld bij de artt. 77 en 78 der gemelde wet, alzoo alleen tot regularisatie van betalingen, reeds voor het genoemd tijdstip gedaan. De Indische Regering achtte zich echter met het oog op de aangehaalde artt. 13 en 78 niet bevoegd om , ook niet bij wijze van buitengewonen maatregel, tot herstel der hierbedoelde fouten gelegenheid te geven, wanneer daartoe artikelen der afgesloten begrooting moeten worden aangevuld, dan wel af- en overschrijving binnen de grenzen eener onderafdeeling, onder nadere goedkeuring des Konings, moet plaats hebben en gaf dien ten gevolge bij een besluit van 16 Maart 1870 aan den betrokken directeur te kennen dat, zoolang na afsluiting van eenig dienstjaar de daarover loopende begrootingsrekening niet is afgesloten, er geen bezwaar bestaat tegen redres bij de registers, aangehouden door de departementen van algemeen bestuur, van verkeerde affectatien op de begrootingsartikelen of andere abuizen , doch alleen voor zoover het mogelijk is aan een en ander te gemoet te komen buiten bemoeijenis der Regering. In 't belang eener spoedige voldoening van 's lands uitgaven zijn, bij ordonnantie van 14 Junij 1871 {Indisch Staatsblad n°. 86), de hoofden van gewestelijk bestuur bevoegd verklaard om in de gevallen, waarin 's lands belang zulks volstrekt vordert, het teekenen namens hen van mandaten tot kwijting van 's lands uitgaven binnen den kring van hun administratief beheer, op te dragen aan zoodanige ondergeschikte hoofden van plaatselijk bestuur als daartoe door hen worden aangewezen. Kene algemeene regeling van het kasbeheer in de afdeelingen der gewesten op Java en Madura wordt voorbereid. Een hoofd van gewestelijk bestuur had door het overlijden van een algemeenen ontvanger van 's lands kas de bijwerking en opmaking der kasverantwoording, voor zoover deze daarin achterstallig was, aan een ander landsdienaar opgedragen. Hoewel de algemeene rekenkamer erkende, dat de resident door die handeling naar deletter van art. 94 der comptabiliteitswet in de bevoegdheid van den Gouverneur-Generaal was getreden, kwam het haar toch voor , dat de handeling geheel in 's lands belang was geweest, daar toch, zoo de resident de zaak op haar beloop had gelaten, daarin door de Regering voorzien en daarmede — aangezien die voorziening in eene buitenbezitting moest worden genomen —• geruime tijd verloopen zou zijn, hetgeen welligt voor den lande schadelijke gevolgen zou kunnen hebben te weeg gebragt. De Kamer gaf daarom in overweging de handeling van den resident goed te keuren en, opdat steeds tijdig maatregelen van voorzorg zouden kunnen worden genomen. te verklaren : dat in gevallen als bedoeld bij het 1ste lid van aangehaald art. 94, de hoofden van gewestelijk bestuur gemagtigd zijn om op te treden als gedelegeerden van den Gouverneur-Generaal.
Met het oog op de stellige bewoordingen van het artikel maakte nogtans de Indische Regering bezwaar in het voorstel te treden. Door de Indische Regering is enkele malen magtiging verleend tot afschrijving van zeer kleine sommen, den lande verschuldigd door insolvente boedels van in armoede overleden inlanders en met hen gelijkgestelden-, en zulks op grond dat een onderzoek naar de erfgenamen en hunno aansprakelijkheid voor de nagelaten schuld in den regel zeer omslagtig is, in geene verhouding staat tot het gewigt der zaak en meestal vruchteloos is gebleken. Het Opperbestuur kon zich echter hiermede niet vereenigen en heeft verklaard, dat afschrijving van dergelijke
vorderingen op overledenen alleen kan te pas komen, wanneer gebleken is dat deze geene erfgenamen achterlaten of erfgenamen op wie de vorderingen niet zijn te verhalen doordien zij de erfenis verworpen hebben, en dat in alle andere gevallen art. 22 der comptabiliteitswet moet worden toegepast. Ten einde den lande te vrijwaren tegen de nadeelen welke het gevolg konden zijn van een arrest van het Hooggeregtshof in Nederlandsen Indie van 7 October 1869, waarbij in hooger beroep was beslist, dat in verband met de artt. 1425, 1426 en 1430 van het Indisch Burgerlijk Wetboek door de borgen van een pachter kan worden gevorderd, dat »in vergelijking" met achterstallige pachtpenningen worden gebragt betalingen door den lande uit anderen hoofde aan den persoon des pachters verschuldigd of reeds gedaan, ook wanneer tijdens de betaling het regt van compensatie niet was ingeroepen, werden bij een besluit van 26 February 1870 [Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 2293), eenige administrative maatregelen verordend, ter verzekering dat door de hoofden van algemeen en van gewestelijk bestuur geene betalingen worden gedaan aan personen op wie voor dadelijke vereffening en opeisching vatbare vorderingen bestaan als bedoeld in art. 1427 van het aangehaald Wetboek.
H. Algemeen burgerlijk beheer.
Do nadere_ hervorming der departementen van algemeen bestuur, die blijkens het vorig verslagbladz. 43 een onderwerp van gezette gedachtenwisseling had uitgemaakt met de Indische Regering, zal slechts in beperkten zin uitvoering erlangen , voor zooveel namelijk, met vermijding van eene algemeene fundamentele reorganisatie, verbeteringen mogelijk blijken, die op den loop der dienst niet van störenden invloed behoeven te zijn. Van het denkbeeld om, met inachtneming van dit beginsel, grondslagen te leggen voor de opiïgting van een departement voor de buiten bezittingen (zie de aanvankelijk ingediende ontwerpbegrooting voor 1871) is voor 's hands afgezien. Intusschen heeft het beginsel van partiele verbetering der bestaande organisatie zijne toepassing gevonden in het Koninklijk besluit van 31 Januarij 1871, nc. 14, waarbij:
1°. de verkoop en de uitgifte van gronden en landerijen , krachtens de organisatie van 1866 (Indisch Staatsblad n°. 127) alleen voor zooveel dit met de cultures in aanraking komt behoorende tot de attributen van het departement van binnenlandsch bestuur, en overigens tot die van het departement van finantien, zonder uitzondering aan eerstgenoemd departement zijn opgedragen, met vrijlating aan den Gouverneur-Generaal om, wanneer hij dit om het verband noodig oordeelt, ook de verponding en het kadaster tot den werkkring dezer directie te brengen;
2°. ter bevordering eener gewenschte zamensmelting der post- en telegraaphdiensten , in te gaan met 1 Januarij 1872, het beheer van de (brieven- en paarden-) posterijen is overgebragt van het departement van binnenlandsch bestuur naar dat van burgerlijke openbare werken. Bij de mededeeling van het Koninklijk besluit van 31 Januarij 1871 is aan den Gouverneur-Generaal tevens de vraag ter overweging aanbevolen, of— nu van de instelling eener directie voor de buitenbezittingen voor 's hands is afgezien — de behandeling der staatkundige aangelegenheden onder het oog van den Gouverneur-Generaal kan blijven opgedragen aan een bureau bij de algemeene secretarie, dan wel behoort te worden overgebragt bij een der directeuren , door wie alle takken van algemeen burgerlijk bestuur beheerd moeten worden. (1)
(1) De afkondiging1 van het aangehaald Koninklijk besluit ia dool' den Gouverneur-Generaal gelast bij diens beschikking-van 23 Junij 1871 {Indisch Staatsblad n". 92), waarbij tevens de directeuren van finantieo en van binnenlandsch bestuur zijn aangeschreven om gezamenlijk te dienen van consideratien en advies aangaande de noodzakelijkheid om ook de verponding en het kadaster onder het beheer van laatstgenoemde te brengen. Het denkbeeld om de behandeling der staatkundige aangelegenheden bij eenig departement over te brengen, wordt, volgens reeds ontvangen berigt, ook nu (even als bij het vroeger in Indie gehouden overleg' nopens de behoefte aan een departement voor de buitenbezittingen} doo
59
Met betrekking tot liet personeel werd bij diezelfde gelegenheid door het Opperbestuur magtiging op den Gouverneur-Generaal verleend om bij de departementen hoofdÇpmmiesen, chefs van redactie-afdeelingen, na vijf jaren juenst als zoodanig tot referendaris op f 600 's maandste beamen, wanneer dan prijs gesteld wordt op hun behoud, 1 om de formatie van het personeel beneden den rang van
f eferendaris (ook bij de algemeene secretarie) voortaan te egelen buiten het Opperbestuur, mits blijvende binnen de genzen der begrooting en met behoud van de tegenwoor'ge bepaling der bezoldigingen voor de betrekkingen boven "te van klerk. I De bevordering tot referendaris zal echter niet mogen 107 t o t vei'hooging der bij de begrootingen van 1870 en ,?/l toegestane credieten voor uitbreiding van personeel J de departementen. Derhalve zullen daartoe, bij die spartementen ten behoeve van welke over de credieten let ten volle is beschikt, alleen de vrijgebleven sommen °gen worden aangewend, of waar het crediet is uitgeJut de kosten moeten gevonden worden door bezuiniging Phet mindere personeel. (1) . Tevens is nog herinnerd aan de wenschelijkheid om de ."den laatsten tijd (zie de beide vorige verslagen, bladzz. ,r. en 43), onder den indruk van de berigten omtrent den
t'J te werken achterstand, bij verschillende departementen
e°egestane aanvulling van personeel zoo weinig mogelijk 1 blijvend karakter te doen aannemen, met heenwijzing ,P het belang zoowel eener goede keuze als van eene °eltreffende leiding van het personeel.
s In verband met dit laatste verdient vermelding dat ^ e r t het laatst van 1869 de voorbeelden niet zeldzaam ^ van het in de dienst opnemen, in betrekkingen waaroor het ambtenaarsexamen geen vereischte is, van perk e n die, ofschoon dat examen met goeden uitslag hebj^?e afgelegd, evenwel geene beschikbaarstelling voor de "tische dienst hadden kunnen erlangen. -Set is te verwachten dat naarmate het getal geëxami,6erden toeneemt, de plaatsing van de zoodanigen in strekki .-Jungen waarvoor het examen geen vereischte is, , «nigvuldiger zal worden en daardoor vele ambten door «ter personeel zullen kunnen worden bezet dan tegenwoordig dikwerf het geval is. Ook de bepaling, bij de - l e n i n g der verordening van 10 September 1864 (zie ,ger hoofdstuk S ) , dat bij gelijke aanspraken in 's lands
v e1st verkregen, de geëxamineerden bij bevordering den ^°°rrang hebben, zal er toe kunnen bijdragen om gaandee | het gehalte van het Indische ambtenaarspersoneel te foeteren. 8ev V 0 0 I' s ch rift e n ii den laatsten tijd, sedert de rangOftfl k i n g bij' lndisch Staatsblad 1866, n°. 127, van al de ^derdeelen der dienst onder den werkkring der directe?611' u ^ g e v a a r d i g ^ t o t vereenvoudiging der werkzaam«en bij de algemeene secretarie, losten zich op in eene
v Seringsaanschrijving vàn 6 Mei 1869 (zie het verslag Ü d a t J a a r ' D l a d z- 47), krachtens welke alle voorstellen gooren de tot den werkkring der directeuren, aan het j °'d van het betrokken departement moeten gerigt wor^ 1 en deswege zonder volstrekte noodzakelijkheid niet ^ 8 worden getreden in regtstreeksche briefwisseling met * Gouverneur-Generaal. ^"aar aanleiding van bezwaren tegen dezen maatregel 5j0°Pperd, onder andere ook uit het oogpunt dat daarg6,°r aan de departements-chefs het oordeel wordt over-' V0 aten of de door de gewestelijke bestuurders ingediende its r s t. e^ e n al dan niet verdienen onder de aandacht der ^gering te worden gebragt, werd in Februarij 1871 den (]6 bedoelden aanbevolen, de rapporten en voorstellen ov hooiden van gewestelijk bestuur steeds bij de hunne r te leggen, en om, zoo zij vermeenen die rapporten
JÏM °uverneur-Generaal ontraden, voornamelijk op grond dat de 'et \°,°S^ wegens het belangrijke en teedere der zaak, voor de leiding S v edoelde aangelegenheden onmiddellijk moet kunnen beschikken over L, °rlichting die hij meent te behoeven en zoowel over de behandeling ' ^ ^ g e l e g e n h e d e n als over het aanwezig zijn der bouwstoffen ter at «ering eener goede behandeling, voortdurend zijn oog moet kunnen 1 gaan.
'»dekj^'J het departement van onderwijs, eeredienst en nijverheid is al kftn (T t,ot d e benoeming van een referendaris kunnen worden overgeUndisch besluit van H Julij 1871, n°. 34).
en voorstellen niet in behandeling te kunnen nemen, daarvan aan de inzenders mededeeling te doen. Van hare instemming met het streven om de directeuren als agenten van den Gouverneur-Generaal zooveel doenlijk in de gelegenheid te stellen om alle takken van algemeen burgerlijk bestuur in werkelijkheid te beheeren, heeft nog laatstelijk (in den aanvang van 1871) de Regering hier te lande aan de Indische Regering doen blijken. Er is echter de waarschuwing bijgevoegd, dat geenerlei voet gegeven worde aan het denkbeeld, alsof de aan de directeuren toe te kennen ambtelijke positie zou kunnen strekken tot vervanging of vermindering der verantwoordelijkheid van den Gouverneur-Generaal. Als van te ondergeschikten aard voor regeling door den Gouverneur-Generaal is de vaststelling van den prijs waarvoor de boeken ter landsdrukkerij gedrukt, bij die instelling verkrijgbaar zullen worden gesteld, .sedert Augustus 1870 overgelaten aan den directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid. De commissie, blijkens het vorig verslag, bladz. 4 3 , in Maart 1870 aan een Indiseh hoofdambtenaar opgedragen tot het bewerken, onder de onmiddellijke leiding van den Gouverneur-Generaal, van ontwerpen voor de herziening der bestaande Indische belastingen, is na het verstrijken van den aanvankelijk bepaalden duur achtereenvolgens verlengd geworden en duurde volgens de jongste berigten nog voort. Onderscheidene door hem geleverde ontwerpen zijn nu by het Indisch Bestuur in overweging. Intusschen zijn reeds omtrent twee middelen, waarvan de herziening op de aangeduide wijze is voorbereid, bepaalde voorstellen uit Indie ontvangen, namelijk betreffende de landrente en de vervanging der pacht op de sterke dranken (vergelijk hoofdstuk J , afd. I I I , § 1 en hoofdstuk W, afd. I , § 4). Blijkens het vorig verslag (bladz. 43) zou het buitengewoon personeel, in Januarij 1867 bij het departement van finantien toegestaan voor het bijwerken der begrootingsrekeningen van vóór 1867 en de afsluiting der algemoone boeken van 1860 en 1861, met ultimo Augustus 1870 geheel buiten dienst kunnen worden gesteld. Ondanks alle daartoe aangewende pogingen is het dat personeel echter niet mogen gelukken zijne taak op bedoeld tijdstip ten einde te brengen, en werd in verband daarmede door het Indisch Bestuur bepaald, dat het nog drie maanden, dus tot ultimo November 1870 zou worden aangehouden. Na verstrijking van dezen termijn waren de hierbedoelde werkzaamheden ten einde gebragt en werd het buitengewoon personeel dan ook buiten dienst gesteld.
Bij het nieuw ingestelde departement van justitie bestaat het personeel (sedert April 1870) uit één hoofdcommies, 2 commiesen en een vijftal klerken. In April 1871 werd aan dat departement tevens een secretaris toegevoegd. De uitzondering bij art. 2 van 's Konings besluit van 30 Januarij 1870, n°. 24 {Indisch Staatsblad n°. 42) ten aanzien van dit departement gemaakt, bleef tijdelijk gehandhaafd, zoodat de aanschaffing van het benoodigde voor alles wat onder het departement ressorteert, mitsgaders de comptabiliteit en kosten van hetzelve, nog steeds een deel uitmaken van den werkkring van het departement van finantien. Terwijl de gang van zaken bij de departementen zoowel ten gevolge van de gedurige controle en aansporing van den Gouverneur-Generaal als door buitengewone inspanning van de departements-chefs zei ven, met het oogop den 3teeds toenemenden omvang der dienstaangelegenheden volgens verklaring van den Gouverneur-Generaal vrij bevredigend mögt genoemd worden , liet die bij de residentiebureaux in het afgeloopen jaar te wenschen over. Hoofdzakelijk ten gevolge van gebrek aan personeel en van vermeerderingvan werkzaamheden, ontstond bij onderscheidene kantoren achterstand. Even als in 1869 werden tot bijwerking daarvan voor korteren of längeren tijd eenige ambtenaren op non-activiteit onder genot eener toelage ter beschikking der betrokken hoofden van gewestelijk bestuur gesteld. De aandacht van den Gouverneur-Generaal is gevestigd geworden op de wenschelijkheid van het nemen van meer afdoende maatregelen tegen nalatigheid in het afdoen van flnantiele zaken , waarover zeer gegronde klagten bekend zijn. Maatregelen worden voorbereid om in het beheer en den toestand der gouvernementsarchiven in Indie, met name
60
van die van vroegere dagteekening dan 18 September 1811 j (aanvang van het Engelsen tusschenbestuur) verbetering te brengen. Voor de aanstelling van een kolonialen archivaris I en eenige aan dezen toe te voegen onmisbare beambten, zijn fondsen uitgetrokken bij de ingediende ontwerpbegrooting voor 1872.
J. Departement van binnenlandse!» bestuur.
I . GEWESTELIJK ALGEMEEN BESTUUR EN POLITIE.
§ 1. Gewestelijk algemeen bestuur. (1)
J a v a en M a d u r a .
Algemeen. Bij de regeling in 1867 der tractementsverhooging van de door of namens den GouverneurGeneraal aangestelde inlandsche hoofden en ambtenaren in de gouvernementslanden van Java en Madura (de Preanger regentschappen , waarover lager afzonderlijk , toen nog uitgezonderd) en der daarmede gepaard gaande afschaffing van het apanage- of ambtelijk landbezit en beperking der verpligte diensten te hunnen behoeve , werden de hoofden der betrokken gewesten o. a. aangeschreven (verg. het verslag van 1868, bladz. 128/129 onder VI) a. om te zorgen dat de gronden bij de uitvaardiging deibedoelde regeling door andere inlandsche hoofden en ambtenaren en gewezen hoofden en ambtenaren dan dorpsbestuurders ambtelijk of wederregtelijk bezeten, na afloop van den te veld staanden oogst werden teruggegeven aan de daarop regthebbende bevolking , zonder dat op die gronden eenige last ten behoeve der tegenwoordige bezitters zou mogen blijven kleven, en b. om , in verband met de afschaffing der verstrekking van heerendienstpligtigen aan gewezen inlandsche hoofden en ambtenaren , de noodige voorstellen te doen tot zoodanige verhooging van den onderstand der bedoelde personen (waarvan er sommigen nog dienst deden als leden van landraden of als assessoren van het omgaand geregt) als in verhouding tot het voorregt dat hun ontviel, billijk was te achten. Met de rapporten nopens de voldoening aan de aanschrijving sub a ontvangen werd, blijkens een Indisch besluit van November 1870, door de Indische Regering genoegen genomen. Er bleek dat, voor zooveel bekend en opgegeven geen apanage- of ambtelijk landbezit van inlandsche hoofden en ambtenaren, de dorpsbestuurders uitgezonderd , in de gouvernementslanden van Java en Madura als bovenbedoeld, meer bestond. Aan de residenten werd nogtans aanbevolen om bij voortduring onderzoek te doen naar het al of niet voortbestaan van wederregtelijk of ambtelijk landbezit, in welken vorm ook, in de gewesten onder hun beheer. De voorstellen sub b. betreffende de belangen van gewezen inlandsche ambtenaren, leidden tot het Indisch besluit van 17 October 1870, n°. 20, waarbij als vergoeding voor de op 1 October 1867 aan de zoodanigen ontvallen verstrekking van heerendienstpligtigen, alsnog gerekend van af dien dag aan 79 gewezen inlandsche ambtenaren en weduwen van inlandsche ambtenaren eene verhooging van onderstand is toegekend, berekend naar eene geschatte waarde van f 5 's maands voor ieder dienstpligtige, en voor de meeste belanghebbenden, die een aantal van 2 of 3 heerendienstpligtigen te hunner beschikking hadden gehad, naar dien maatstaf voor ieder f 10 of ƒ 15 's maands bedragende. Het totaal dezer schadeloosstellingen, die echter door het uitsterven der belanghebbenden gaandeweg zullen ophouden , bedraagt aanvankelijk f 888 's maands. De Indische Regering meende in den laatsten tijd de blijken te hebben gevonden dat sommige hoofden van gewestelijk bestuur, voor zooveel het de afdeelingen betrof waar adsistent-residenten gevestigd waren, de zaken niet genoegzaam zelf met de regenten behandelden. Daar zoodanige handelwijze, indien zij werkelijk in alle zaken gevolgd wierd, van nadeeligen invloed zou zijn zoowel op de
'l) Over de voorgenomen geleidelijke opheffing van de regtsmagt der ambtenaren van het gewestelijk bestuur in Nederlandsen Indie, zie men hoofdstuk F , § 1.
stemming van bedoelde inlandsche hoofdambtenaren als op de algemeene belangen der dienst, ontving de directe«1
van binnenlandsch bestuur in Januarij 1871 de uitnooö> ging om met den meesten ernst toe te zien , dat geene aa»' gelegenheden van belang, behoorende tot den werkkrioj der regenten, in behandeling worden genomen, zoolasj niet blijkt dat de residenten daaromtrent persoonlijk ru«1
hen hebben geraadpleegd. _ De vraag kwam ter sprake welk gebruik zich in « praktijk had gevestigd met betrekking tot het voeren de' Nederlandsche vlag door de regenten op Java en Madur* Het bleek dat in een tweetal gewesten de regenten dags' lijks de Nederlandsche vlag voor hunne woningen dede' wapperen, dat in twee andere gewesten het voeren er V»" door de regenten in het geheel niet gebruikelijk was, e" dat overal elders alleen op Zon- en feestdagen , bij OM vangst van hooggeplaatste ambtenaren of bij andere bij' zondere of feestelijke gelegenheden de vlag werd gehesene" Daar de Indische Regering het wenschelijk achtte oD> behalve aan de hoofden van gewestelijk en plaatselijk I>* stuur, ook aan de hoogste inlandsche ambtenaren bepaal' delijk het regt toe te .kennen om voor hunne woninge" die steeds getuigen zijn van de meest belangrijke plegtig' heden, en waar in den regel het omgaand geregt en * landraad zitting houden , dit symbool van het Nederlands^1
gezag te doen wapperen, werden bij een besluit v* 2 Junij 1870 {Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 2330)» voorschriften omtrent het gebruik van de Nederlandsche vM door de adsistent-residenten {Bijblad op het Indisch StaaP 'blad n°. 1665), ook van toepassing verklaard op de regent«1
in de gouvernements-residentien van Java en op Madura, W houdens". dat hun werd toegestaan om niet alleen op Zo» en feestdagen, maar ook bij gelegenheid van teregtzitting* en andere plegtigheden in de regents woning, de vlag doen ontplooijen.
De kosten aan het nu voorgeschreven gebruik verbond» wat vernieuwing of aanschaffing van vlaggen en vlagg* masten betreft, zullen voortaan komen voor rekening v* den lande. Na deswege gehouden onderzoek, waarbij alle hoofd* van gewestelijk bestuur op Java en Madura geraadpleej} zijn, is gebleken, dat de klagten over toenemende onveiW heid door de Indische pers aangeheven, waarvan apr9' is in het vorig verslag blz ii , zeer overdreven en vo' een groot deel als geheel onwaar beschouwd moeten word« en dat de algemeene veiligheid, ofschoon niet absolu1
voldoende, in de laatste jaren niet is verminderd, dat ' dus ook niet gezegd kan worden geleden te hebben do" de afschaffing van de straf van rottingslagen. Hierbij mag echter niet uit het oog worden verlöre11
dat de laatste jaren, jaren waren van grooten voorspoede
welvaart onder den inlander. Het is evenwel naar de meening van den Gouverne^' Generaal niet te ontkennen, dat de inrigting en werki' der politie niet voldoende zijn en verbetering behoef0
Daarom is in Indie een voorstel in overweging om eene reO' ganisatie van het politiewezen in Nederlandseh Indie aan e^1
commissie op te dragen, bestaande uit de directeuren « binnenlandsch bestuur en van justitie en den procure)) generaal bij het Hooggeregtshof, aan welke hoofdamW naren zoo noodig een bekwaam ambtenaar zal worden t" gevoegd om hen bij dezen arbeid als secretaris bij te sta* Intusschen verdient opgemerkt te worden, dat de, ' absoluten zin gesproken, min voldoende toestand der P Jltie mede aan een aantal oorzaken te wijten is, die * met de eigenlijk gezegde politie in verband staan, d<J geen gevolg zijn van de gebrekkige inrigting en werk!1
der politie zelve. Aan voorziening ook in deze leemten en gebreken, wa* toe zelfs in zekeren zin de onvoldoende intellectuele en mof ontwikkeling van de bevolking gebragt wordt, is blijk6
de mededeelingen in hoofdstuk F hiervoren, reeds ged«' telijk de hand geslagen. Daaromtrent kan toch inzon^ heid gewezen worden op de reeds in beginsel aangenof»1
scheiding van de administrative en regterlijke magt, de uitvaardiging van een reglement op de tucht in de| vangenissen en van eenige voorloopige regelen omtrentfl
arbeid der veroordeelden, op het ontwerpen van een stj wetboek voor inlanders en met dezen gelijkgestelde» eindelijk op de daarmede in verband staande voorst^ H'
tot bei ( kin ver een het var. 1 bar op dee Ja\
1 hoo gini tvei 2 1, afdi »lee Mac Boe 60,
I Tver JUn ken VooW: van «ij °vei Hip Vi *as Vo0] heri >as( °nt\ Z reed ßoe2 ^ek vast va a i Btac 'ijd:
bere «et
den
"'s i W" >n 'asti vati< K *a a voor M, v ^ van
J7de
ou. ;i«a
Ni Sie
froot; K'
als op ectefl' loodi' e aa» ckrÏDjl 3ola»ü k me'
in
311 C adur* dag«' dede»
31' as ; j on'' •e bij' sehe"
3 OÖ>
epaaingei [egtiä en c
indsd t v»1
$30)4 ie vW Staat* gent"1
ra,b« . Zo» ;tinj dag
)onde]
flagg*
oo: pleeg1
.veilig s.pr*
Q VO« vord« )solUI
dat n do«
rloi-e" loed*
>rnüii( rei-ki» ioeVe' ie re"' an eß en *' jure"1
amb* en to« 3 St* de, 1er P1
die« i, do' verti>
waJ mor'
ge- i fond* end»1
ent* net"
n-stel'l
61
tot het oprigten van tuchtplaatsen voor de tot dwangarbeid veroordeelden. Ook wordt, volgens zeer recente berigten, eene versterking van het districtsbestuur op Java en Madura, door Vermeerdering van het aantal onderdistricten, voorbereid, «en maatregel die op den geregelden gang van zaken in "et algemeen, maar vooral ook op de werking der politie van gunstigen invloed belooft te zijn. Als eene voorziening die indirect de belangen der openbare veiligheid kan bevorderen, verdient gewezen te worden °P de pogingeD der Regering, hieronder in § 2 dezer afdeling vermeld, om de verspreiding van vuurwapenen op Java tegen te gaan.
Batavia. De zamenstelling van den Chineschen raad ter hoofdplaats, of liever de rangsverdeeling der leden, ondergtog eenige wijziging [Indisch Staatsblad 1871, n°. 70). Voorts ^erd het Chineesch bestuur in de afdeeling Buitenzorg met ^luitenants (een te Parong en een te Tjibinong) en in de «deeling Tangerang met 1 kapitein en 1 luitenant vermeerderd, de laatste ter standplaats Mauk (Indisch Staats"lad 1871, n°. 80). Voor de hoofdplaats van eerstgenoemde afdeeling werden bij Indisch Staatsblad 1871, n°. "", de grenslijnen vastgesteld.
Preanger regentschappen. In 't vorig verslag, bladz. 44, ^erd melding gemaakt van eene Koninklijke magtiging van Unij 1870 tot hervorming van het in deze residentie werende stelsel van bestuur. Onthield die magtiging, welke ^oor het grootste gedeelte in overeenstemming was met de Indische voorstellen, zich van bepaalde bevelen ten aanzien van bijzonderheden der uit te vaardigen regeling, en schreef Zl) overigens ten aanzien van enkele hoofdpunten nadere °v_erweging in Indie voor, ook in de bepaling van het tijdJ'ip der invoering van den maatregel — waarvoor in do ^»dische voorstellen (van Augustus 1869) 1 January 1871 ^as aanbevolen — werd den Gouverneur-Generaal, ter oorkoming van overhaasting, volle vrijheid gelaten, onder herinnering trouwens aan het verband tot de toen nog Yast te stellen Indische begrooting voor 1871, bij welker °0twerp op de iinantiele gevolgen was gerekend. Zoo als bekend, is de Gouverneur-Generaal desniettemin, j^eds terstond nadat de vereischte overwegingen in den °ezem der Indische Regering waren afgeloopen, onder dagtekening van 10 September 1870, onafhankelijk van de aststelling der genoemde begrooting, tot de openbare uitaardiging der betrekkelijke regelingen overgegaan (Indisch ^aatsblad 1870, n°. 121-124), vooral met het oog op den 'Jdroovenden arbeid die nog moest voorafgaan om den j^aatregel tijdig te kunnen verwezenlijken, en welke voorleiding —r- zou zij met goed gevolg geschieden — naar
t et oordeel van den Gouverneur-Generaal steun behoorde 6 vinden in de vaststelling en openbaarmaking der door eQ Koning bevolen maatregelen. •pe bepaling in de uitgevaardigde regelingen van het ^Jdstip harer in-werking-treding op 1 Januarij 1871, achtte j. e Landvoogd zoowel in overeenstemming met de bedoe
v Bg van het Opperbestuur, als geboden door het voorschrift ,an art. 19 der comptabiliteitswet, dat wijziging van bed i n g niet anders in werking treedt dan »met den aana0g van een nieuw dienstjaar". ^«eeds bij vorige gelegenheden is medegedeeld dat en ^aarom de beweegredenen der Indische Regering voor het
t°Oruitloopen op de beslissing der wetgevende magt hier
v lande niet voldoende konden worden geacht. (1) Na de ^werping door de Eerste Kamer dér Staten-Generaal ^ het betrokken begrootingsontwerp (10 November 1870) j7 ei"d door het Opperbestuur onder dagteekening van den V» • d i e r m a a n d b e v e l gegeven tot schorsing der uitgenodigde verordeningen. c,ßen eerste uitwerksel der afstemming (waarvan de la üVerneur-Generaal in de eerste dagen van December gs telegraphischen weg berigt kreeg), was deterugroe
^>oii Z i e °' a' § ' v a n h e t • A n t W 0 O T (l, dd. 1 November 1870 op het Voor u°°Pig Verslag der Eerste Kamer betreffende de Indische bee-rooting Vio ' (Vergadering 1870—1871, n". 5a), zoomede bladz. 1 derMeWf»Va,Ï A n t w o o r d ; dd- 1 0 M a a r t 1 8 " op het Eindverslag der Tweede Stonti ' ^effende »et nader ingediende ontwerp der genoemde beating (Zitting 1870—1871, 8 6 . n°.8).
^ . 8 . 2.
ping van den gouvernements-commissaris, het lid in den Raad van Nederlandsch Indie O. VAN REES, die in de tweede helft van October naar de Preanger regentschappen was vertrokken, ten einde de uitvoering'der verordende maatregelen te leiden en daartoe, na raadpleging zooveel noodig van het hoofd van gewestelijk bestuur en de regenten aldaar, de noodige voorstellen te doen of onder nadere goedkeuring van den Gouverneur-Generaal de noodige beschikkingen te nemen. De ongunstige indruk door die terugroeping en de gebeurtenis die haar veroorzaakt had, in de Preanger regentschappen te weeg gebragt, gaf den GouverneurGeneraal aanleiding om bij een den 26sten December 1870 hier te lande ontvangen telegram de aandacht van het Opperbestuur te vestigen op de wenschelijkheid om de afgekondigde wijziging van het Preanger stelsel alsnog gevolg te doen nemen. In antwoord daarop werd den 29sten December, mede langs telegraphischen weg, de GouverneurGeneraal gewezen op zijne bevoegdheid krachtens hot Regerings reglement, om wanneer de omstandigheden hem daartoe aanleiding gaven, aan het bevel tot schorsing geen gevolg te geven; terwijl reeds eerder, bij telegram van 12 December, ter voorkoming %an onzekerheid omtrent de feiten, den Gouverneur-Generaal begrijpelijk was gemaakt , dat de maatregel der Preanger hervorming langs den normalen weg niet met 1 Januarij 1871 zou kunnen plaats hebben.
Onder dagteekening van 29 December 1870, vóór dat beide telegrammen in Indie ontvangen waren, kwam de Indische Regering, uit overweging dat van de schorsing, hoeveel teleurstelling zij ook geven zou, geen verzet of' gevaar voor de openbare orde te duchten was, tot het besluit, dat aan het bevel van 17 November 1870 behoorde te worden voldaan, en ging zij hiertoe over (met vermijding trouwens van het woord »schorsing" waaraan door hoofden en bevolking alligt een uitgebreider beteekenis zou kunnen worden gegeven dari in de bedoeling lag), door de bepaling (Indisch Staatsblad 1870, n°. 199 en 200), dat het tijdstip van in-werking-treding der Preanger hervorming, in overeenstemming met do nadere bevelen van het Opperbestuur, later zou worden bepaald. Van deze zijne beschikking gaf de Gouverneur-Generaal kennis bij telegram van 4 Januarij 1871 ; het (schriftelijk) berigt der terugroeping van den gouvernements-commissaris werd eerst den 27sten Januarij 1871 hier te lande ontvangen, tegelijk mot voorloopige mededeelingen omtrent den indruk door het votum van 10 November 1870 in de Preanger regentschappen verwekt. Terstond na kennisneming van dit schrijven, en wel bij brief van denzelfden dag — werd de Gouverneur-Generaal in wetenschap gesteld met het dezerzijdsch voornemen om op de nieuwe ontwerp-begrooting voor 1871 de afgekondigde hervorming te handhaven, en ontving de Landvoogd in verband daarmede de opdragt om de voorbereiding onverwijld te doen hervatten, .opdat de regelingen van 10 September 1870, die op zich zelve, behoudens een paar lager te vermelden punten, geen stof tot bemerkingen hadden gogevon, na de sanctie der wetgevende magt zoo spoedig doenlijk in werking zouden kunnen treden. De omtrent het tijdstip van invoering door het Opperbestuur aangekondigde nadere bevelen volgden bij eene Koninklijke beschikking van 5 April 1871, waarbij, in verband met de bewilliging der vereischte fondsen bij de wet van. dien dag (Nederlandsch Staatsblad 1871, n°. 33, Indisch Staatsblad n». 68), aan den Gouverneur-Generaal vrijheid werd verleend om, zoo hij dit noodig of wenschelijk achtte, de wijziging van het Preanger stelsel aanstonds in werking te brengen, ook vóór de afkondiging in Indie der aangehaalde begrootingswet, welke af kondiging in deze niet noodwendig behoefde vooraf te gaan, omdat de bedoelde wet, krachtens haar 4de artikel, geacht moest worden te werken sedert den aanvang van het dienstjaar 1871. Van deze beschikking, wier strekking den GouverneurGeneraal onder andere bij telegram van denzelfden dag werd medegedeeld, heeft de Landvoogd gebruik gemaakt bij besluit van 13 April 1871 (voor zoo veel noodig opgenomen in Indisch Staatsblad 1871, n°. 45—50), en is dien ten gevolge de belangrijke door de Preanger bevolking lang verbeide hervorming, overeenkomstig de grondslagen van 10 September 1870 en de tot uitwerking daarvan ge
16
É
62
van den resident, het beheer over genoemde afdeeling te voeren, (1) In verband met de bij de Koninklijke magtiging van Junij 1870 toegestane vermeerdering van het Europeesch personeel met 5 adsistent-residenten, 4 controleurs en 5 ambtenaren ter beschikking, is het gewest volgens de nieuwe organisatie verdeeld in negen afdeelingen onder beheer van aai' den resident ondergeschikte adsistent-residenten. Het regentschap Bandong bestaat nu uit de afdeelingen Bandong en ïjitjalengka, respectively k met 10 en 6 districten; het regentschap Tjiandjoer uit de afdeelingen Tjiandjoer en Soekaboemi, de eene met 9 en de andere met 7 districten ! het regentschap Soemedang uit de afdeelingen Soemedang en Tassik Malaija, de laatste met 5 en de eerste met <> districten ; het regentschap Limbangan uit de afdeeling va» dien naam, tellende 4 districten, on eindelijk het regentschap Soekapoera uit de afdeelingen Soekapoera en Soeka • poera-Kollot, elk met 8 districten. Het geheel aantal districten bedraagt derhalve 63, zijnde 3 minder dan vroeger, doordien de hoofdplaatsen Tjiandjoer, Bandong en Garoet, tot dusver beheerd door zelfstandige onderdistrictshoofden (tjamats), werden ingedeeld bij en vereenigd met de districten, waartoe zij eigenaardig behoorden. Hetgeen ter verdere voorbereiding e a aanvankelijke regeling in de Preanger regentschappen nog te doen waS overgebleven , werd bij het hiervoren vermeld besluit van 13 April 1871 weder aan de zaakkundige leiding van den hooger genoemden gouvernements-commissaris opgedragen) die dezen (in December 1870 gestaakten) arbeid in't laatst van April jl. hervatte. De zending gold vooral ook het geven eener impulsie, die de goede werking der hervor1" ming moest verzekeren en alle ontstemming van de verschillende klassen der inlandsche maatschappij moest voorkomen. Te dien einde werden al dadelijk op de hoofdplaatsen der verschillende regentschappen vergaderingen belegd met de regenten en verdere inlandsche hoofden waarbij de verordeningen in hare bijzonderheden werde» besproken en uitgelegd. Het kwam er hoofdzakelijk op aa» bij hoofden en bevolking de overtuiging te vestigen, da' de genomen maatregelen geen ander doel hadden dan oB> de krachtige werking van het gezag, evenzeer als de alge meene welvaart te bevorderen.
Om dit doel ten aanzien van de mindere klassen de' bevolking te beter te bereiken, werd eene korte en duidelijke bekendmaking in het Soendaneesch bezorgd, waai" van aan elke kampong minstens een exemplaar werd ver strekt, terwijl bevelen werden gegeven aan de districts' en onderdistrictshoofden om dit stuk op hunne rapportdage5
voor te lezen, en waar noodig verder te verduidelijken. Te Soemedang werd eene afzonderlijke vergadering be' legd met de hoofdpanghoeloes en met de panghoeloes de* nieuwe afdeelingen. Bij die gelegenheid werd hun de reed' in 1866 en 1867 gegeven verzekering herhaald, dat Regering zich niet wenscht te mengen in de betrekking«5
der Mohammedaanseho geestelijkheid tot de bevolking e' dat zij alzoo, behoudens uitsluiting van hare tusschen' komst in zaken van gezag of bestuur, de opbrengsten de' geloovigen kan blijven genieten binnen do grenzen doof hare godsdienstleer afgebakend. Ook van de zijde van d'j in de Preanger regentschappen vrij krachtig ontwikkel element was, naar de overtuiging van den gouvernement8' commissaris, nu de priesters ontwaard hadden dat h"11
geestelijk standpuut onaangeroerd bleef, eer mede- d** tegenwerking te verwachten. Althans was op de herhaal*' vraag of de nieuwe orde van zaken tot eenig bezwaar " verzoek om voorziening mögt leiden, steeds, even als V0" de inlandsche hoofden, een ontkennend antwoord bekome5
Volgens een rapport van den gouvernements-comm'^ saris van 31 Mei jl. was de voorbereiding toen zoo 1* gevorderd, dat de algemeene invoering van den gewigtig6' maatregel op 1 Junij zonder bezwaar zou kunnen pla»' hebben. Alle Europesche en inlandsche ambtenaren wo** op de hun aangewezen oude en nieuwe standplaatsen geVe. tigd en van de noodige voorschriften voorzien, om hun5
taak op het aangeduide tijdstip te aanvaarden. Klei5
plat gek I Qiin en ßiaj ven of r bek «elf «ei als regt gev:
ach reg( van daa: Wi
ï dist ven ^ o dek
I ven
186 in < de en >5aE besi doc op gea \ Wil Voo Vol, . \ »list Un ^ Voo
bin: ^a; «uil tijd op spo tte, gto
«ia hoc ble Ta des in in eis, Itf 1°. De f3
Va] tne
211] e?»
nomen beschikkingen (waarover nader afzonderlijk in de betrekkelijke hoofddeelen van dit verslag), met 1 Junij jl. in werking getreden, slechts met ééne uitzondering, de prijsverhooging namelijk der van de bevolking te ontvangen koffij , welke, uit overweging dat de koffijlevering reeds was aangevangen, [al dadelijk op 13 April 1871 is ingegaan. Slechts in ée'n opzigt stelden de grondslagen van 10 September 1870 eene bepaalde afwijking daar van de bedoeling der Koninklijke magtiging van Junij 1870, voor zooveel namelijk betreft het wereldlijk gezag der inlandsche geestelijkheid, waarvan de Gouverneur-Generaal de dadelijke opheffing had uitgesproken, terwijl het Opporbestuur (verg. het vorig verslag bladz. 45) eene meer geleidelijke gedragslijn had beoogd. Het bij de ordonnantien van 10 September 1870 behoorend besluit van dien dag bepaalt die opheffing in dezer voege : » De Mohammedaansche geestelijkheid in de residentie Preanger regentschappen onthoudt zich van bemoeijing met de bewateriug der velden en al wat tot den rijstbouw betrekking heeft. De regenten zorgen, in verband met art. 17 hunner instructie (Indisch Staatsblad 1867, n°. 114), dat de Mohammedaansche priesters zich geenerlei gezag aanmatigen over de materiele belangender bevolking, dat de opbrengsten aan de geestelijkheid blijven binnen de grenzen door hunne godsdienstleer voorgeschreven en dat de inning daarvan geschiede buiten eenige tusschenkomst , of inmenging van het inlandsch bestuur". Na de openbare vaststelling van even bedoeld beginsel, waarvan de Indische Regering trouwens verklaarde voor de geregelde invoering der gewenschte hervorming geene belemmering te vreezen , kon daarop door het Opperbestuur bezwaarlijk worden teruggekomen. Intusschen is, zoo als lager blijkt (zie afdeeling III van dit hoofdstuk), de heffing op het rijstgewas, die thans (in geld) ten bate van de schatkist wordt geïnd, en waaraan sedert ook zijn onderworpen , als vroeger ten onregte voorbijgezien, andere landbouwvoortbrengselen als eerste gewas verbouwd, op zoodanig lager bedrag bepaald, dat der bevolking gelegenheid is gelaten om op den tot dusver gebruikelijken voet aan de geestelijkheid te doen geworden, hetgeen deze als het hare heeft leeren aanmerken. Behalve ten aanzien der geestelijkheid was bij de regelingen van 10 September 1870 nog in een 'ander opzigt verder gegaan dan hier te lande was wenschelijk geacht, en wel door de onverwijlde toepasselijk-verklaring op de Preanger regentschappen der Indische verordeningen van 1867 (Indisch Staatsblad n°. 122, 123, 124 en 154), betreffende het vorderen van diensten en leveringen door inlandsche hoofden, terwijl het Opperbestuur integendeel een tijdperk van voorbereiding had aangeprezen. Daar intusschen de aanschrijving van Junij 1870 ten deze geen bepaalden last inhield, viel tegen de beslissing der Indische Regering verder geen bedenking in te brengen. Terwijl elders in dit verslag de gelegenheid zal bestaan om nog op andere onderdeelen der regelingen van 10 September 1870 en 13 April 1871 terug te komen (1), zij hier slechts aangestipt, dat sedert nog eenige wijziging is gebragt in het aanvankelijk toegestaan aantal heerendienstpligtigen aan de hoofdpanghoeloes en panghoeloes , hetwelk eenigzins hooger werd bepaald dan de algemeene regeling in Indisch Staatsblad 1867, n°. 123, voor de overige gewesten van Java toestaat (Indisch Staatsblad 1871, n°. 64), dat ook de administrative indeeling van het gewest, zoo als zij bij de ordonnantien van 10 September 1870 geregeld was, alsnog eenige wijziging onderging, doordien een der districten van de afdeeling Soekapoera, zoowel uit hoofde zijner geographische ligging als wegens dienstbelang, werd gebragt onder de afdeeling Soekapoera—Kollot (Indisch Staatsblad 1871, n°. 75), en eindelijk dat ten aanzien van dan werkkringvan den adsistent-resident in Bandong (de afdeeling waarin de resident gevestigd is) nader werd bepaald, dat bedoelde adsistent-resident niet enkel bestemd is voor zoodanige werkzaamheden als hem door den resident worden opgedragen , maar in de eerste plaats om, onder hooger toezigt
(1) In haar geheel zijn de regelingen van 10 September 1870aande Staten-Generaal medegedeeld "bij brief van den Minister van Kolonien a. i. van 31 December 1870 (Zitting 1870—1871 , 88).
.p (1) Sedert heeft, in verband met het overlijden van den regent , Limbangan, nog eene nadere regeling plaats gehad wat betreft de m den nieuwen titularis te genieten inkomsten (vergel. hoofdstuk rV, $
plat gek I Qiin en •na;; ven of r bek «elf «ei als regt gev: ttec ach regt van daa: Wi
I dist ven ÏVo dek
I ven
186
"J t de en >5aE besi doc op gea \ büii Voo Vol, . \ »list tin f Voo
bin: ^a; «uil tijd op spo tte, gto
<
«ia hoc ble Ta des in in eis, 18^ 1°. De f3
Va] tne au] eei dei ko:
63
plaatselijke bezwaren en misverstanden waren en werden i geleidelijk opgelost. Latere berigten bevestigen, dat de hervorming door de ] eindere hoofden en bevolking met ingenomenheid is begroet, en dat van de regenten, ofschoon hun gezag en hunne •nagt door de nieuwe orde van zaken beduidend werden verminderd, niet alleen geen tegenwerking, doch in meerdere °f mindere mate , naar gelang van ieders eigenschappen en bekwaamheden, in de toepassing der gegeven voorschriften ?elfs ijverige medewerking werd ondervonden. Hunne goede Wensten zijn dan ook zoowel door de Indische Regering als door het Opperbestuur erkend; aan e'e'n hunner, den fegent van Bandong, is zelfs de onderscheiding ten deel gevallen eener benoeming tot ridder der orde van den ^ederlandschen Leeuw. Volgens diezelfde berigten hield 2'oh de gouvernements-comraissaris nog onledig met de 'egeling van eenige belangrijke zaken , die met de opheffing van het vroegere Preanger stelsel in verband staan of daaruit moeten voortvioeijen, doch wier afdoening aanvankelijk voor meer dringenden arbeid had moeten achterstaan.
Pekalongan. Bij een besluit van 9 Junij 1871 werd het districtsbestuur van Bandar Sidaijoe (regentschap Batang) vermeerderd met een onder-districtshoofd, gevestigd te ^onotoenggal, en tevens eene uitbreiding van politie-middelen toegestaan.
Banjoemas. Het Chineesch bestuur in dit gewest werd vermeerderd met één luitenant te ïjilatjap {Indisch Staatsbhd 1870, n°. 173).
B u i t e n b e z i t t i n g e n .
Algemeen. Krachtens het bepaalde bij Indisch Staatsblad 1861, n°. 44, geldt ook voor de gezagvoerende ambtenaren '0 de buitenbezittingen — voor zoo veel zulks niet door de met enkele vorsten of volken aangegane overeenkomsten eH de daarbij verzekerde regten wordt onmogelijk gehaakt — de instructie voor de hoofden van gewestelijk bestuur op Java en Madura (Indisch Staatsblad 1859, n°. 102), doch zulks onverminderd de voorschriften die met het oog °P den bijzonderen toestand van eenig gewest waren noodig geacht of nader zouden worden vastgesteld. "Volgens de ter zake van de gewestelijke bestuurders buiten Java en Madura ontboden berigten, werkt deze Voorwaardelijk toepasselijk-verklaring over het geheel zeer voldoende. Van het denkbeeld der vaststelling eener afzonderlijke 'ttstructie voor het gewestelijk bestuur in de buitenbezittingen is uit dien hoofde in den aanvang van 1871, immers voor alsnog, door de Indische Regering afgezien. Eene reorganisatie van het Europeesch personeel bij het binnenlandsch bestuur in de buitenbezittingen, ten gevolge daarvan de betrokken ambtenaren niet langer verstoken 'Uilen blijven van voorzieningen als reeds vóór geruimen tijd. genomen zijn met betrekking tot hunne ambtgenooten °P Java, wordt voorbereid. Ten einde de maatregel zoo spoedig mogelijk na zijne vaststelling kunne in werking 'feden, is daarop reeds gerekend bi] de ontworpen begrooting voor 1872.
Sumatra's Westkust. De algemeene regeling bij Indisch Staatsblad 1863, n°. 45, van de bezoldiging der inlandsche boofden in het gouvernement van Sumatra's Westkust, bleek herziening te vereischen voor zoo veel de residentie ïapanolie betrof, ten einde de hoofden aldaar, wier belangen destijds niet naar behooron waren behartigd, niet langer )ü bezoldiging te doen achterstaan bij hunne ambtgenooten 'ö de Padangsche Boven- en Benedenlanden. Nadat de veraschte fondsen waren toegestaan bij de begrootingswet voor 1871, is aan de bedoelde tractementsverhooging, ingaande 1°- Julij jl., gevolg gegeven (Indisch Staatsblad 1871, n°. 83). •^e aan den maatregel verbonden meerdere uitgaaf van f 32 904 'sjaars (welke som intusschen bij het aftreden van sommige titularissen zal verminderen) belooft, naar de keening der Indische autoriteiten, voor een goed deel te ?ullen worden opgewogen door den gunstigen invloed dien eene betere bezoldiging dezer hoofden zal uitoefenen op ^en gang van zaken in ïapanoli in 't algemeen en op de Wfij cultuur in 't bijzonder.
Bij Indisch Staatsblad 1871, n°. 3 1 , werd in de af deeling Sibogha der genoemde residentie eene nieuwe (vijfde) onderafdeeliug gevormd van de Batang-Taro districten , tot dusver deel uitmakende van de onderafdeeling Sibogha en ommelanden. Deze laatste onderafdeeling zal staan onder regtstreeksch gezag van den resident van Tapanoli, aan wien, voor zoover do ruimte aan personeel ter Sumatra's Westkust het toelaat, voor de werkzaamheden in deze onderafdeeling een der elders bescheiden controleurs zal worden toegevoegd ; terwijl de reeds aanwezige controleur belast werd met het bestuur over de Batang-Taro districten.
Lampongsche districten. Het sedert lang hangende geschil over de grensscheiding tusschen de afdeelingen Boemiagong (Lampongs) on Kommering-Oeloe (Palembang) werd bij schriftelijke overeenkomst, geteekend door de betrokken margahoofdon, beëindigd. Daarbij werd bepaald, dat de mondingen van de riviertjes Pahaboeng en Toeba de twee uiterste punten zullen zijn van de regte lijn, die als grensscheiding tusschen beide afdeelingen is aangenomen.
Banka. In beginsel is onlangs besloten (Indisch Staatsblad 1871, n°. 57) om het inlandsch bestuur op Banka op oenigzins eenvoudiger voet te brengen, zoo door opheffing, naar mate van ontslag of overlijden der titularissen, deibetrekking van kamponghoofd op plaatsen waar een batin (onderdistrictshoofd) is gevestigd, als door geleidelijke zamenvoeging van sommige daarvoor in aanmerking komende onderdistricten, dit laatste onder de mits dat de landsinstellingen en de wenschen der bevolking (die op sommige plaatsen, vooral daar waar sedert overoude tijden batins uit denzelfden stam elkander zijn opgevolgd, veel gehechtheid toont aan de zelfstandigheid van haar batinschap) zich daartegen niet verzetten. Reeds dadelijk is, met instemming der bevolking, kunnen worden overgegaan tot eene in smelting van het onderdistrict Depok (Merawang), aan welks batin kort te voren ontslag uit 's lands dienst was verleend en welke betrekking dien ten gevolge is komen te vervallen. Ook is opgeheven het ambt van sekahhoofd te Koerouw (Koba), uit hoofde de sekalis (menschen zonder vaste verblijfplaats en meestal in praauwen wonende) te dier plaatse langzamerhand verdwenen waren of zich met de inheemsche bevolking vermengd hadden. Voor de onderhoorige Lepar-eilanden is bij Indisch besluit van 18 Junij ji. eene nieuwe en doelmatiger inrigting van het inlandsch bestuur vastgesteld. Onder andere is de betrekking van hoofd dier eilanden en de verpligting van den titularis tot het aanhouden tegen zekere tegemoetkoming van gewapende kruispraauwen afgeschaft, en in zijne plaats een hoofd van minderen rang onder den titel van demang aangesteld.
lïiouw. Volgens Indisch Staatsblad 1863, n°. 60, behoorde het Chineesch bestuur in eigenlijk Siak te bestaan uit een onbezoldigd kapitein. Vermits in den laatsten tijd moeijelijkbeid werd ondervonden om in die betrekking langer kosteloos te voorzien, is magtiging verleend (Indisch Staatsblad 1871, n°. 94) om daaraan, met ingang van 1872 , eene bezoldiging te verbinden van f 100 's maands , hoedanige belooning ook genoten wordt door den kapitein deiChinezen in de afdeeling Lingga.
Wester-afdseling van Borneo. De Indische Regering zag zich geroepen te beslissen in een geschil omtrent de onderlinge verhouding tusschen de kleine vorstendommen Koeboe en Membawang. Het betrof de vraag, of laatstgemeld landschap is eene onderhoorigheid van Koeboe, dan wel een op zich zelf staand rijkj e. Met handhaving eener vroeger (in 1833) door den resident der Wester-afdeeling van Borneo gedane uitspraak werd verklaard , dat Membawang deel uitmaakt van Ivoeboe, doch tevens werd aan de afstammelingen van den eersten » heer " van Membawang de verzekering gegeven van het voortdurend genot in apanage van dat landschap, waartoe de noodige voorziening zou worden getroffen in het met den gekozen »heer" van Koeboe te sluiten contract. (1)
(1) De noodige bepaling deswege is opgenomen in het sedert gesloten contract (vergelijk bladz. 11 niervoren).
^ ^ ^ ^ ^ » ™
64
Celebes. In 1856 was beslist, dat voor alsnog geene verandering zou worden gebragt in de tot dusver in dit 'gouvernement bestaande gewoonte , dat de door de bevolking gekozene regenten door den gouverneur van het gewest worden benoemd en ontslagen, onder nadere goedkeuring van den Gouverneur-Generaal. De vraag of die bevoegdheid langer bestendigd behoorde te blijven, werdopgrond der bijzondere , inmiddels niet veranderde toestanden in het bedoelde gouvernement, bij een besluit van 11 October 1870 door den Gouverneur-Generaal bevestigend beantwoord.
Timor. Bij een besluit van 25 April 1871 (Indisch Staatsblad n°. 55) is onder andere bepaald, dat het landschap En deh (eiland Flores) wordt gebragt onder de administratie van het bestuur op het eiland Soemba, en dat een der uit Nederland gezonden ambtenaren voor de burgerlijke dienst in Indie , onder genot van zijn non-activiteitstractement, zal worden gesteld ter beschikking van den resident van Timor, om te worden toegevoegd aan een der controleurs op Soemba.
§ 2. Bijzondere onderwerpen van politie.
Vuurwapenen. De belangrijke toeneming gedurende 1869 van den invoer op Java, met name te Samarang, van vuurwapenen, die geacht werden grootendeels hun weg te nemen naar de Vorstenlanden, heeft de aandacht doen vestigen op de wensehelijkheid om de verbodsbepalingen op het bezit vän schietgeweer zonder consent van de politie, vervat in het reglement op den invoer , den verkoop en het bezit van vuurwapenen en buskruid in Nederlandsen Indie (Indisch Staatsblad 1828, n0. 58) ook in Soerakarta en Djokjokarta van kracht te doen worden. Voor Djokjokarta, waar de politie in handen is van het Europeesch bestuur , achtte de Regering de invoering harerzijds van de bedoelde verbodsbepalingen niet onbestaanbaar met het regt van zelfbestuur van den sultan. Alvorens echter daartoe over te gaan werd het nuttig geacht den resident omtrent de toepassing van den maatregel tehooren. Volgens latere berigten was het bedoelden hoofdambtenaar gelukt eene opgaaf te krijgen van de in handen der bevolking aanwezige vuurwapenen en was sedert overgegaan om daarvan registers aan te leggen en passen uit te reiken. In Soerakarta, waar de politie aan de vorsten is overgelaten , zijn stappen gedaan om de toepasselijk-verklaring van het bedoelde reglement van dezen te verkrijgen. Het gevolg dezer pogingen is hier te lande nog niet gebleken. Intusschen zijn in October 1870 de hoofden van gewestelijk bestuur in de gouvernements-residentien op Java en Madura mede bij het onderwerp bepaald en zijn zij aangeschreven, te waken en te doen waken, dat aan de aangehaalde bepalingen van Indisch Staatsblad 1828, n°. 58, voor zoover zij niet door latere verordeningen zijn gewijzigd, met den meesten klem de hand worde gehouden.
De omstandigheid dat de hooger bedoelde toeneming van invoer voor een groot deel op rekening was te stellen van eene te ruime opvatting in de beoordeeling van hetgeen onder » wapenen van weelde" moest worden verstaan — en alleen van deze is volgens de tariefwet de invoer toegelaten — heeft in Junij jl. geleid tot eene aanschrijving aan den directeur van finantien om met meer ernst van de zijde der tol- en recherche-ambtenaren te doen toezien, dat de door de tariefwet gestelde voorwaarden tot invoer behoorlijk worden nagekomen en alzoo geene vuurwapenen worden toegelaten dan die, afzonderlijk geëmballeerd ingevoerd , door hen als wapenen van weelde worden erkend.
Landverhuizers. Veelvuldig waren de moeijelijkheden, die het bestuur van Batavia had met eenige transporten Chinesche arbeiders , die ten gevolge van brand of verongelukking van het schip, dat hen naar elders overvoerde, ter hoofdplaats kwamen. Voor het meerendeel echter werden deze koelies, na gedurende korteren of längeren tijd van 's lands wege verzorgd te zijn, met hunne toestemming, naar de plaats hunner bestemming overgebragt; terwijl de overvoerders de gemaakte kosten vergoedden. Wegens gebrek aan localiteit als ook om de vele desertien te voorkomen, was aan bedoelde Chinezen eene verblijfplaats aangewezen geworden
op het eiland Hoorn. Euim 300 (omstreeks een vierde gedeelte van het totaal der van vier ladingen aangebragteDJ verbonden zich als arbeiders in Nederlandsch Indie ot verkregen vergunning tot inwoning aldaar.
I I . PERSOONLIJKE DIENSTEN.
§ 1. Java en Madura.
Reeds in 't vorig verslag (bladz. 47) is met een enkel woord melding gemaakt van het besluit van den Gouvei" neur-Generaal van 7 Junij 1870 , n°. 1 , waarbij , bij wij«6
van vijfjarige herziening, regelen en wenken zijn uitgevaardigd , volgens welke zoodra mogelijk en uiterlijk vóór ultimo December van dat jaar, de persoonlijke diensten waartoe de inboorlingen verpligt zijn , in elk gewest van Java, met uitzondering van de Vorstenlanden, zoomede op Madura moesten worden herzien. De vaststelling van gewestelijke regelingen regtstreek» door den Gouverneur-Generaal, naar het voorschrift van art. 57 Regeringsreglement, moest ook nu nog achterweg« blijven, ditmaal in verband met de aan de Indische Rege' ring kenbaar gemaakte voornemens nopens het vaststellen hier te lande van definitive grondslagen voor de heerendienstpligtigheid, waartoe te gelijkertijd bouwstoffen uit Indie waren gevraagd , die volgens de jongste berigten aldaar iß bewerking zijn. In overeenstemming met hun voorloopig karakter be' palen zich dan ook de voorschriften van Junij 1870 (in hun geheel opgenomen in n°. 2332 van het Bijblad op hel Indische Staatsblad), met uitsluiting van fundamentele wijzigingen, tot administrative verminderingen , hoofdzakelijk door betere verdeeling der diensten en ook doof afschaffing van enkele praestatien. Het beginsel dat de heerendienstpligtigheid rust op dergrond en niet op den persoon is bij het besluit van 7 Junij 1870, op hetwelk in zijne beteekenis van [voorloopigen maatregel in den aanvang van 1871 de Koninklijke goed' keuring werd verkregen, minder op den voorgrond ge' steld , ten einde ook te kunnen rekening houden met de» feitelijken toestand , welke met opzigt tot den grondslag van heei-endienstpligtigheid niet alleen in de verschillende gewesten , maar dikwijls ook in de afdeelingen en verdere onderdeelen van een zelfde gewest zeer sterk uiteenloopt' Eene niet onbelangrijke verligting is gelegen in de be' paling dat de stations der binnenlandsche of zoogenaamde regentsposterijen , even als reeds het geval was met die op de groote wegen , niet meer (wanneer de posterijkasseB ontoereikend waren) in heerendienst, maar in geheel vrijen arbeid gebouwd, hersteld en onderhouden worden. Daarentegen is, in verband met het in 't vorig verslag vermelde besluit van 18 November 1868, n°. 24, ondeï de verpligte (algemeene) diensten opgenomen het bouwen herstellen en onderhouden van inlandsche schoollocalen waarin onderwijs van staatswege gegeven wordt. Deze bepaling zal echter fwijziging vorderen , uit hoofde van het sedert uitgevaardigd Koninklijk besluit van 3 Mei 1871' n°. 17, betreffende de grondslagen van het gouvernements' inlandsch onderwijs, krachtens welks 6de artikel de hee' rendiensten der bevolking voor de oprigting enz. def bedoelde localen slechts zijn toegelaten , wanneer het on' derwijs aldaar geheel kosteloos is. Voor de bewaking van pasangrahans en passarloodseP worden ingevolge het besluit van 7 Junij 1870 mede geen6
heerendiensten meer gevorderd. Deze gebouwen zijn aan de zorg van de gewone dessapolitie toevertrouwd, hetgeen voldoende is. De verpligting om de passars schoon te houden rust op de dessa's waartoe zij behooren, evenwel alleen dan wanneel' daarin niet door de verkoopers zelven wordt voorzien, gelijk reeds op vele plaatsen gebruikelijk is. Op de hoofdplaatsen der residentien en afdeelingen, waar men vrij algemeen groote passarloodsen aantreft, wordt het schoonhouden daarvan zoo noodig aan politioneel veroordeelden opgedragen' Ook de bewaking van tempels en heilige graven, vooi' zoover deze niet aan speciale dessa's is opgedragen, is to' de gemeentediensten teruggebragt. De dienst-praestatie voor het transport van gouverne' ments-reizigers en goederen heeft eene aanmerkelijke vef'
''gtin van »eer V( 6e\ve keere •n d; Ee:
"ndei tooni 'an I 1 fügti 'esidi %di »ehe« *ano ^estè
0, : "i Pi In is ?« di
01 »ohaj
>en i
ds *0rd °P d. oehte > r l le 2 Hb( Öe *W «aen< Ndt Ue: Sr v<>ort S° .Ike' Vtu Slir ^•eai * d "iet ,.Öe Kt W IV:
, Ee:
"*rac S ', } * s ;
«Mee Stl %d Wi M Sid« ;ofd
'«H c V* V V i
!\~=
ierde gten) ver
3nkel ivei" wijze itgevóói' asten van mede
reeks van weg« tegeellen enstIndie ,ar in
be) (in p het titel" fdzadoor
> de« Junij ^igen ;oed' L gede» islag ende •dei-e 30pt' beimde t die issen rijen
rslag mdeï wen j ileni Deze n het 871' 3ntS' hee' def , on'
idsen :eene
aan ;geen
stop meel' lelijk itsen neen uden tgeflvooi' s to'
rne' ver;
65
'gting ondergaan door de bepaling, dat daarvoor voortaan an de bevolking geene heeren- en bedienden-rijpaarden "teer mogen gevorderd worden. Volgens de laatstelijk van de betrokken hoofden van ^Westelijk bestuur ontvangen mededeelingen waren de "«erendiensten voor de bevolking in 1870, behoudens hier 'û daar eene enkele uitzondering, niet bezwarend. ften uitvoerig overzigt der in het afgeloopen jaar in elk Ü^West verrigte heerendiensten wordt als naar gewoonte ""der de bijlagen aangetroffen (zie sub lit. K) Die aan°oning, uit den aard der zaak nog ingerigt naar de regeling 'an 3 September 1864 {Bijblad op het Indisch Staatsblad '• 1580) doet zien, dat in verhouding tot het aantal dienstNigtigen de diensten het veelvuldigst zijn geweest in de ^sidentien Krawang, Bantam, Pekalongan, Soerabaija, l&dioen en Kadoe. Ieder dienstpligtige had daar (over het ^heele gewest gerekend) gemiddeld uit te komen in Krawang 1 dag van de 13, in de vier daarna genoemde geesten 1 van de 17 en in Kadoe 1 van de 19 dagen. In de overige residentien was deze verhouding 1 van de fO, 21, 22, 24, 26, 28, 3 1 , 34 en 38 dagen, de laatste 1,1 Probolinggo. •in het regentschap Pamakassan der residentie Madura *&8 in vergelijking met de in 1869 gevorderde diensten, 'e druk der heerendiensten aanmerkelijk verminderd. Van "e overige (onder het beheer der vorsten staande) regentappen op Madura kon dit evenwel niet gezegd worden. ^n groot kwaad in het regentschap Sumanap was de geegenheid tot vrijstelling, tegen betaling van eene vaste som Jlds aan de hoofden, zonder dat daarvoor vrijwilligers *°rden ingehuurd, zoodat de gansche druk der diensten P den geringen man neerkwam. In die vrijstellingen zijn ^üter enkele beperkingen gebragt. Nieuwe vrijstellingen bij ?orbeeld zullen niet meer verleend worden en alleen zij le zich voor een zeker aantal jaren van heerendiensten äbben vrijgekocht, worden in hunne regten gehandhaafd. De voor de Preanger regentschappen voorgeschreven afcWfing van het stelsel van algemeene dienstbaarheid '"lengawoela) aan regenten, hoofden en gegoeden des lands ,^fderde, ter voorkoming dat het verbod of geen afdoend, ' een verkeerd gevolg zou hebben, plaatselijk veelvuldige 'eSpreking door den gouvernements-commissaris voor de 1<H-bereiding en ten-uitvoer-legging der Preanger hervorzog, zoowel om der bevolking de juiste bedoeling van '1 maatregel duidelijk te maken, als om te zorgen dat i^e inbreuk op het regtmatig gezag van het inlandsch j^tuur werd vermeden. Zoo als hooger gezegd (verg. afdeling I , § 1), is de reorganisatie van het bestuur in de 'eanger regentschappen, op den vroeger vermelden voet, " dus ook de afschaffing van het mengawoela-stelsel, *et 1 Junij 1871 in werking getreden. jDe toestand der bevolking in Banjoewangi met betreki "g tot de heerendiensten kenmerkte zich nog door de e2waren in het vorig verslag vermeld. Voor zooveel de Jfpligte verstrekking van postpaarden daartoe medewerkte, afen bij den aanvang van 1871 voorstellen tot voorzienig in behandeling bij het departement van binnenlandsch B u u r .
i ßen der residenten van West-Java wees op de onbillijkfi& om in de uitkeering van tegemoetkoming voor voeding ^achtens de 4de alinea van § a, art. I I , van het besluit M 7 Junij 1870, n°. 1, door den Gouverneur-Generaal ' bijzondere, daarbij aangeduide gevallen toe te staan) '1 de heerendienstpligtigen bij een en hetzelfde werk inbeeld, verschil te maken. De Regering, de juistheid dier jTOerking beamende, bepaalde dat bij uitvoering van werken heerendienst geen verschil in de uitkeering van te ge^etkoming zou mogen worden gemaakt, met dien verlüde evenwel dat dit beginsel nimmer leide tot ont°^ding daar waar gronden tot toekenning bestaan.
t *ij gelegenheid dat de Gouverneur-Generaal in 1868 de l^identie Pekalongan bezocht, werd door het toenmalig j °fd van gewestelijk bestuur als een bezwaar, waarvan . opheffing in het belang der inlandsche bevolking billijk L hogelijk werd geacht, gewezen op het onderhoud van jj ** grooten postweg en der binnenwegen in do districten ^ o a h , Kalisalak en Keboetr.en (Batang), ten gevolge ^"arvan de heerendienstpligtige arbeid in die streken j'ven het vastgestelde maximum zou zijn opgevoerd (verg. Verslag van 1869, bladz. 47). De tegenwoordige resi
&°. 8. 2.
dent, daaromtrent gehoord, berigtte, dat de druk der heerendiensten welke tijdens het bestuur zijns voorgangers inderdaad van grooten en overwegenden invloed geweest was op de welvaart van de bevolking, sedert door verschillende omstandigheden en wel vooral ten gevolge van de ordonnantie van 26 September 1867 [Indisch Staatsblad n°. 123) aanmerkelijk was verminderd. Het bezwarende van het onderhoud der wegen in Batang lag hoofdzakelijk in het groot aantal binnenwegen in de bergstreken van die afdeeling, welke, hoezeer onder de landswegen opgenomen, zonder eenig speciaal nut voor handel en nijverheid dikwerf alleen dienden tot communicatie van enkele dessa's onderling en met de naburige districten. In aanmerking nemende de gomakkelijkheid waarmede de inlander zich over de voetpaden in het gebergte beweegt, riviertjes en beekjes doorwaadt, ook alheeft hij vrij zware lasten te torschen, zoo werd het niet noodig geoordeeld om op het onderhoud dezer voetpaden of dessawegen in het algemeen bij de nieuwe regeling der heerendiensten te rekenen. Da bewaking van de zouthoofddepôtpakhuizen in de afdeelingen Grissee en Sidaijoe (residentie Soerabaija), vroeger opgedragen aan heerendienstpligtigen, geschiedt thans dooide oppassers toegevoegd aan de aldaar aanwezige pakhuismeesters. Het verstrekken van heerendienstpligtigen als wakers of kemits aan de Europesche wijkmeesters ter hoofdplaats Soerabaija heeft, als in strijd met de regeling van 7 Junij 1870, n°. 1, mede geheel opgehouden. Remplacering of afkoop van heerendiensten tegen eene belooning in geld of in voedsel en huisvesting vond vrij algemeen over geheel Java en Madura plaats. Zooveel mogelijk waakte overal het bestuur er voor, dat deze remplacering niet plaats vond door tusschenkomst van do hoofden, ten einde vrijstelling van diensten tegen betaling te voorkomen. Met opzigt tot de werking van het Indisch besluit van 18 Junij 1865, n°. 5 (Indisch Staatsblad n°. 59), houdende algeheel verbod van verpligte diensten bij 's lands algemeene pakhuizen kan, ten vervolge op vroegere mededeelingen (zie het vorig verslag bladz. 49), worden vermeld, dat bedoelde werkzaamheden in 1870 allerwege, even als in 18G9, op Java in vrijen arbeid zijn verrigt, meerendeels op taak en voor het overige op daggeld, verschillende van 20 tot 50 cent. Zonder bezwaar konden overal in genoefzamen getale vrijwillige koelies worden verkregen. Het groot verschil in betaling voor soortgelijke diensten in verschillende gewesten leidde in September 1870 tot eene aanschrijving aan den directeur van binnenlandsch bestuur om te onderzoeken, of de koelieloonen aan de verschillende pakhuizen niet hooger worden betaald of in rekening gebragt dan inderdaad noodig is. Slechts in vier residentien, reeds in 't vorig versla" genoemd, werden de benoodigde koelies door een aannemerverstrekt. In Pasoeroean deed zich bij de gehouden uitbesteding mede een aannemer voor, doch de toewijzing zou niet in 's lands belang zijn geweest, weshalve besloten werd ook nog gedurende 1871 het benoodigde werkvolk te vinden door regtstreeksche inhuur. Ofschoon volgens onderscheidene residenten de uitbesteding der hierbedoelde diensten ter wille van plaatselijke omstandigheden of van de geringheid der werkzaamheden, niet met kans op gewenscht gevolg kon worden beproefd, deed de Regering toch van haar verlangen blijken om zooveel mogelijk te trachten het werk op de hierbedoelde wijze te doen verrigten. Te Batavia intusschen bleek de thans gevolgde wijze van voorziening (buiten tusschenkomst van een aannemer), immers voor alsnog, uit een geldelijk oogpunt de voorkeur te verdienen. Echter is gelast op de geldelijke gevolgen jaarlijks het oog te houden.
§ 2. Buitenbezitlingen.
Voor het gouvernement van Sumatra's Westkust kwam nog geene regeling tot stand, volgens welke van de bevolking aldaar heerendiensten kunnen gevorderd worden. Die diensten, welke voor 's hands nog steeds overeenkomstig de plaatselijke verordeningen worden gepraesteerd , bestaan in het onderhoud der wegen en bruggen , het bewaken van gouvernements-gebouwen en etablissem*nten ,
17
ÉÉ
66
het doen van wachten en rondes in liet belang der openbare veiligheid, het verrigten van koeliediensten tegen betaling en het vervoeren der goederen van reizende landsdienaren. Ten behoeve van hare hoofden verrigt de bevolking alleen diensten bij den bc uw hunner woningen en voor de bewerking van hunne sawahs, zoomede kemit- of wachtdiensten. Remplacering had dikwijls plaats , steeds echter buiten de bemoeijenis van het bestuur. De aard der heerendiensten in de adsistent-residentie Benkoelen , volgens de met 1 Januari) 1870 in werking getreden nieuwe'regeling (Indisch Staatsblad 1869, n°. 79), is reeds in 't vorig verslag omschreven. Sedert is daarin nog beperking gekomen doordien het vervoer van goederen voor den lande thans bij aanneming geschiedt. Over het algemeen waren de heerendiensten in 1870 zeer weinig drukkend. Hierop maakte eene uitzondering de afdeeling Ommelanden van Benkoelen, alwaar het onderhoud van den communicatieweg van Benkoelen naar Taba Penandjong door het laag moerassig terrein bij voortduring zeer veel arbeid vordert, terwijl daarenboven in de maand Januarij 1870 door de Indische. Regering magtiging werd verleend tot de verlegging in heerendienst , met eene tegemoetkoming van 15 cent par man daags, van het gedeelte bergweg tusschen Taba Penandjong en Kepahiang (Palembang). Hierdoor zou volgens opgave van den betrokken controleur van eiken dienstpligtige p. m. 58 dagen arbeid in het jaar gevorierd zijn, of gemiddeld e'e'n dag van de zes. Voor zooveel is kunnen worden nagegaan , waren in de overige afdeelingen de heerendienstpligtigen eens in de 12 dagen uitgekomen , in enkele zelfs eens in de 20 dagen. Omtrent de heerendiensten in de Lampongsche districten valt alleen te vermelden , dat die, zoo als zij thans geregeld zijn , niet drukkend voor de bevolking zijn. De tot dusver gepraesteerde diensten voor het overbrengen van postpakketten, het bewaken van gevangenissen enz. werden , als in strijd met de regeling opgenomen in Indisch Staatsblad 1866, n°. 137, in het begin van 1870 afgeschaft. Bij eene door de controleurs in persoon bewerkstelligde naauwkeurige volkstelling werden alleen in de afdeelingen ' Telok-Betong en Semangka 3000 heerendienstpligtigen meer gevonden dan vroeger waren opgegeven. n De in 1870 in de residentie Palembang gepraesteerde diensten waren volgens den resident, voor de-bevolking vrij drukkend. Zij bestonden hoofdzakelijk in het bewaken van de gevangenissen, het doen van gemeente-wachten en van koeliedienston ten behoeve der margahoofden , het overbrengen van brieven , het leveren van houtwerken aan het Gouvernement tegen eene onbeduidende betaling (1) ; het
, onderhoud der wegen , bruggen en vaarwaters ; en eindelijk de anteran- of geleidediensten, grootendeels ten behoeve van het militair departement. Bene nieuwe regeling is in bewerking. De aanslag ten behoeve van het stedelijk fonds ter hoofdplaats Palembang wegens afkoopsom voor liet verpligt onderhoud van bruggen , beschoeijingen en wegen (zie het verslag van 1869, bladz. 103), beliep gedurende de jaren 1868,1869 en 1870 achtereenvolgens voor inlanders f 18 939 , f 18 903 en f 19 467 en voor vreemde Oosterlingen f 2073, f 1902 en f 2040. (2) Omtrent de in 1870 door de bevolking van de residenten Banka (Indisch Staatsblad 1868, n°. 78), Biouw (Indisch Staatsblad 1867, n°. 1), Wester-afdeeiing van Borneo (Indisch Staatsblad 1870 , n°. 25), Amboina (Indisch Staatsblad 1869, n° 91 en 1866, n°. 42), Timor (Indisch Staatsllad 1866* n°. 68) en het gouvernement van Celebes en onderhoorigheden (Indisch Staatsblad 1868 n°. 19) verrigte persoonlijke diensten valt niets bijzonders te melden. Voor de adsistent-residentie Billiton bestaat nog geene door de liegering vastgestelde regeling van het onderwerp. De door de bevolking tot dusver gepraesteerde heerendiousten bepaalden, zich uitsluitend tot het onderhond der groote en binnenwegen, het daarsteilen, herstellen en on
(i) Omtrent deze afwijking van het verbod van verpligte levering woadt inlichting- van den Gouverneur-Generaal gevraagd.
(2) Over bedeelingen uit dit fonds zie men hooidstuk K. afd. IV.
derhouden van kleine bruggen en duikers van inlandse!1
maaksel en het overbrengen van dienstbrieven. Ook voor de residentie Zuider- en Ooster-afdeeling va» Borneo ontbreekt nog eene algemeene verordening hoii' dende regeling der persoonlijke diensten. Volgens mede' deeling van den resident bedroeg, met uitzondering van 0a
afdeelingen Koetei en Sampit, waarvan zulks niet ro"' juistheid was op te geven, het aantal werkbare manne" in dit gewest 101 994. De bevolking praesteerde dagelijk9
gemiddeld 4291 dagdiensten, waarvan 105 betaalde e" 4186 onbetaalde, of in het geheele jaar 1566 215 dag' diensten; zoodat ieder dienstpligtige dooreengenomen slecht' eens om de 24 dagen had behoeven uit te komen. De betaalde diensten bepaalden zich uitsluitend tot he' transporteren van gouvernementsreizigers en goederen e" het doen van koeliediensten bij de geniewerken. De onbetaalde bestonden hoofdzakelijk in het houden va" wacht in de kampongs, het doen van diensten bij de io' landsche hoofden en de zorg voor het onderhoud der brug' gen en wegen. In het vorig verslag werd vermeld, welke persoonlijk6
diensten de bevolking in Menado zoowel voor het Gou' vernement als voor hare eigene hoofden jaarlijks te ver rigten heef t ' (Indisch Staatsblad 1870, n°. 85). In den loop van 1870 werden van bestuurswegc maatregelen getroffe» tot verligting van den druk der laatstgemelde diensten in de af deeling Gorontalo. Tegen misbruiken van de zijd« der hoofden bij het vorderen van heerendiensten werd zooveel mogelijk gewaakt. Even als im de residentien Riouw, Westerafdeeling va« Borneo en Timor, mogen ook in de residentie Ternat« van de inboorlingen onder 's Gouvernements regtstreeksc» gezag geene persoonlijke diensten , beloond of onbeloond worden gevorderd dan in het geval zulks tot wering va» rampen van hooger hand, dan wel tot afwending va» algemeen gevaar tijdelijk mögt noodig zijn (Indisch Staats' blad 1866 , n°. 41). De omstandigheid dat de overige inboor' lingen der laatstgenoemde residentie, krachtens de in der tij» door de Regering met de sultans van Ternate , Tidore e» Batjan gesloten contracten, nog tot leveringen en dienste» ten behoeve van het Gouvernement gehouden waren , b!) voorbeeld voor burgerlijke en militaire bouwwerken , voo' het laden en lossen van gouvernementsgoederen, voor be' manning van vaartuigen enz., gaf der Regering, bij d« uitvaardiging van genoemd Staatsblad, aanleiding o»» nopens de afschaffing dier contractueel bedongen die»' sten en leveringen met bedoelde vorsten in overleg te doe» treden. Het denkbeeld der afschaffing heeft echter, zo° als gebleken is, bij de sultans geen steun gevonden. H"9
gaarne zich overigens aan het verlangen der Regerio« onderwerpende, verzochten zij om in den bestaanden toe' stand geene verandering te brengen. Ten einde de goede gezindheid der regerende sultafl8
niet in de waagschaal te stellen heeft de Indische Rege' ring van eene verwezenlijking van het geopperde denkbeeld voor 's hands afgezien, echter met opdragt aan den reside*1
om niet dan in den hoogsten nood de tusschenkomst de» vorsten in te roepen ter verkrijging van werkvolk en va» materialen, maar om in die behoeften zooveel mogelijk of andere wijze te doen voorzien. De diensten bij 's lands algemeene producten- en ander» pakhuizen in de verschillende buitenbezittingen werdeD' in overeenstemming met Indisch Staatsblad 1867 n*. 105' weder gedeeltelijk door dwangarbeiders en gedeeltelijk doe' vrijwillige koolies verrigt, welke laatsten over het algemee» zonder tusschenkomst van het Europeesch of inlandse'' bestuur werden verkregen. Alleen bij de binnenlandse»' pakhuizen in de residentie Menado werden, krachte»' speciale magtiging der Regering, nogheerendienstpligtigel>
gebezigd. De loonen, voor zoover deswege uit sommige gewest opgaaf is gedaan, hebben per koelie bedragen : te Mena 40, te Padang, Macassar en op Billiton 50, en te PaleO5' bang 60 à 70 cent daags. Alleen te Macassar en op Bima'(Celebes) is, doch tfl ongunstig gevolg, eene uitbesteding dor voorziening in ' pakhuisdiensten beproefd. Elders heeft men zich weg8"' de verwachte ongunstige resultaten, van zoodanige pog1*" onthouden.
67
III. LANDELIJKE ISKOMSTER, BEDRIJFSBELASTING.
§ L Landelijke inkomsten.
J a v a en M a d u r a .
_ Landrente, enz. Met de algemeene strekking der Indische voorstellen tot (voorloopige) verbetering van den aanslag en de invordering der landrente (zie het vorig v-erslag bladz. 52) heeft het Opperbestuur, den Raad van State gehoord, zich in den aanvang van 1871 vereenigd, behoudens enkele wijzigingen of aanvullingen, waarop bij de vaststelling der betrekkelijke ordonnantie door den Gouverneur-Generaal zal moeten worden achtgeslagen. Ten einde de verbetering spoedig en zoo mogelijk reeds toet 1 Januarij 1872 kunne in werking treden, is de GouVerneur-Generaal, dadelijk na 's Konings beslissing, in staat gesteld om de voorbereidende werkzaamheden een aanvang te doen nemen. De ontworpen verbetering, waarmede gelijktijdig zal gepaard gaan de invoering van het landrente-stelsel in
Banjoewangi, beoogt voornamelijk het aannemen van een vasten maatstaf voor den tot, dusver willekeurigen aanslag en het verschaffen van waarborgen tegen onregelmatigheden in de heffing en verantwoording: een en ander zonder inbreuk te maken op de later aan te nemen definitive grondslagen voor den aanslag, bedoeld bij art. 59, 2de lid , Regeringsreglement, waarvoor nog geene toereikende gegevens aanwezig zijn, dewijl de statistische opneming op Java nog niet genoeg gevorderd is, en men ten aanzien van verschillende aangelegenheden, die op de vaststelling dier grondslagen invloed moeten hebben, in een tijdperk van overgang verkeert. Een goed deel der verwachte meerdere opbrengst voor den lande zal te danken zijn aan de betere waarborgen voor de behoorlijke verantwoording der door de hoofden geïnde belasting. De reeds in de laatste jaren stijgende opbrengst van het middel kan blijken uit onderstaand vijfjarig overzigt van den aanslag der zoogenaamde landelijke inkomsten op Java en in de afdeeling Pamakassan (Madura) in het algemeen.
Jaren.
Landrente.
Aanslag. Onder ultimo December achterstallig.
Tuinen en
nipabosschen.
Vischvijvers. AANMERKINGEN,
1866
1867
1868
1869
'870
f 11 062 700
11 301 eoo
12 078 500
12 648 900
13 188 900
f 91600
81 100
119 800
282 900
304 100
28 300
26 700
25 600
24 800
25 300
f 245 600
230 500
244 800
249 700
253 400
Blijkens het vorenstaand overzigt was de achterstand ^er landrente in 1870 weder hooger dan in de voorafgaande Jaren. De redenen daarvoor zijn dezelfde als die welke l'eeds in het vorig verslag zijn medegedeeld. Het grootste aandeel in dien achterstand had Bezoeki, hetgeen daaraan *ioet worden toegeschreven, dat onder ultimo 1870 aan 'e suiker rietplar, ten de bevolking het surplus plantloon nog "iet was uitbetaald. Gewestelijke opgaven nopens den aanslag der landrente forden aangetroffen in de jaarlijksche algemeene statistiek van den eigen landbouw der bevolking van Java en Madura, °Ver 1870 hierachter te vinden in bijlage B B. Eene bouwsgewijze berekening van dien aanslag, tevens ^antoonende de verhouding van dit bedrag tot de vermoedelijke waarde van een bouw padi in elk gewest, ^ordt ten vervolge op vroegere overzigten van dien aard ^angetroffen in bijlage L. Deze berekening doet zien dat '1 1870 do betaling per bouw het hoogste was in PasoeJoean , Probolinggo en Bezoeki, waar respectively k f 10,495, 9,24» en f 9,01 per bouwr werd opgebragt, terwijl zij het 'aagste was in Madura, Rembang en Krawang, waar resWctivelijk slechts f 2,65 f 3,71 en f 3,78 per bouw betaald verd. In verhouding tot de (veronderstelde) waarde der geoogste jjadi was de aanslag het hoogst in Bantam, Japara en gawang, namelijk 17.84, 17.43 en 14.33 pet. Daarentegen .as de verhouding het laagst in Madioen, Pasoeroean en ^adoe, waar de aanslag 4.35, 5.14 en 5.75 pet. beliep an de geschatte geldswaarde van één bouw padi.
(a) Ten aanzien van de cijfers der vier laatste jaren valt eenig verschil op te merken met de betrekkelijke opgaven in de aantooningen van de uitkomsten der rijstcultuur. Te dezer plaatse is namelijk mede opgenomen de landrente van het buurland Simbang (geregeld 'sjaars f 3083,34), zoomede de belasting op de zoutwellen in Samarang, in 1867 f 5198, 1868 f 5353, 1869 f 5339 en 1870 f 5378.
(b) Zie voor eene gewestelijke splitsing der belasting: op vischvijvers hoofdstuk ©, afdeeling V hierachter.
Omtrent het sedert 1867 op het domein Bloeboer (Batavia) werkende stelsel van landrente met individuelen aanslag, welke aanslag, zoo als reeds in 't vorig verslag werd aangeteekend, voor 1870 op omstreeks f16 000 werd vastgesteld, zijn geene bijzonderheden gemeld. Intusschen is in Mei_ j L omtrent de werking der proef met deze nieuwe wijze van aanslag, een omstandig berîgt van de Indische Regering ontboden, en tevens aangedrongen op het tot stand komen eener verordening tot (wettelijke) invoering dezer belasting. Sedert is gebleken dat door den directeur van binnenlandsch bestuur ter zake voorstellen zijn gedaan, »de strekking hebbendo om het land Bloeboer. op te lossen en inmiddels het niet te beschouwen als een particulier land in den zin van het reglement op de particuliere landerijen bewesten de Tjimanok". Een der hoofdgrondslagen van de wijziging van het zoogenaamd Preanger stelsel, waarover in afd. I van dit hoofdstuk, was de afschaffing van het aan de regenten tot dusver gelaten regt van belastingheffing in geld, in producten en in arbeid, tegen toekenning aan hen en aan de (in dienst blijvende) mindere hoofden en beambten, van inkomsten en voor zooveel noodig schadeloosstelling uit 's lands kas_, dit laatste ook ten einde do regenten in staat te stellen in het onderhoud van het uitvallend personeel te blijven voorzien. Ook aan da oneigenaardige stelling der geestelijkheid in do Preanger regentschappen, in zoover zij belast was met het toezigt op de rijstcultuur en alles wat daarmede in verband staat, en van dit wereldlijk gezag gebruik maakte om de opbrengsten bekend onder
68
den naam van ndzakat" en »pitrah" in strijd met den Koran als regelmatige belastingen aan te slaan en in te vorderen (1), kwam door de Preanger hervorming een einde. Terwijl deze den priesters de uitoefening van wereldlijke magt ontzegde, werd gelijktijdig den regenten opgedragen te zorgen, dat de opbrengsten aan de geestelijkheid hlijven binnen de grenzen door hunne godsdienstleer voorgeschreven , en dat de inning daarvan geschiede buiten eenigo tusschenkomst of inmenging van hetinlandsch bestuur. De voornaamste door de regenten geheven belasting was die op het rijstgewas ten bedrage van 1/10 van den oogst, tot welk bedrag ook do dzakatheffing door of van wege de priesters werd ingevorderd. Bij de beslissing omtrent de vraag welke belasting, na de afschaffing der tienden aan de regenten, daarvoor van Staatswege zou behooren te worden in de plaats gesteld, werd de voorkeur gegeven — immers zoolang omtrent de elders werkende landrente nog geen verbeterde definitive grondslagen waren aan te nemen — aan het behoud der belasting op het product, welke de Preanger bevolking gewoon was op te brengen, met dit onderscheid evenwel dat zij niet in natura maar in geld zou behooren te worden voldaan. Omtrent het bedrag dor heffing dat de Indische Regering voorstelde op V5 te bepalen, werd door het Opperbestuur geen vast cijfer aangegeven , maar aan den GouverneurGeneraal overgelaten te beslissen , in hoever het in het belang der geestelijkheid noodig zou zijn voor 's hands de heffing ten behoeve van den Staat beneden het voorgestelde bedrag te beperken. De opbrengst der belasting naar den grondslag eener gemiddelde jaarlijksche padi-productie van 4 000 000 pikols, ter waarde van f 2 per pikol, werd in het Indisch voorstel berekend op f 1600 000 's j aars. Aan den wensch van het Opperbestuur nopens beperking van het quantum der heffing , ten einde aan de bevolking gelegenheid te laten tot betaling aan de priesters wat zij gewoon was — hetgeen naar de eigen opgaaf dezer laatsten aan dzakat en pitrah jaarlijks bedroeg f 366 300, — achtte de Indische Regering met het oog op de opgegeven cijfers genoegzaam voldaan, wanneer de voorgenomen heffing van I/5 wierd teruggebragt op 3/ 2o, waardoor de geraamde aanslag met f 400 0U0 zou verminderen. In den hiervoren geschetsten zin is de zaak geregeld bij de ordonnantien van 10 September 1870 (Indisch Staatsblad 11°. 122) en 13 April lte7l (Indisch Staatsblad n°. 46), de eerste houdende bepaling, dat in de residentie Preanger regentschappen , » behalve de thans voor rekening van den Staat werkende belastingen" onder andere wordt geheven eene belasting »op de rijstcultuur", waarvan het bedrag en de wijze van aanslag en invordering afzonderlijk te regelen; de laatste houdende vaststelling van evenbedoelde regeling. Bij de behandeling dezer laatste verordening werd gestuit op eene leemte in de vroegere voorstellen, hierin bestaande, dat bij de heffing eener belasting enkel van het rijstgewas, het product van gronden , met andere voortbrengselen als eerste gewas beplant, onbelast zou blijven. Om in deze leemte, waardoor zonder eenige billijke reden, eene premie ten nadeele der rijstcultuur zou gesteld worden , te voorzien , werd bij de ordonnantie van gelijke dagteekening [Indisch Staatsblad 1871 , n°. 47) , onder nadere goedkeuring des Konings (2),\aan de belasting op de rijstcultuur medo onderworpen het product van gronden in de Preanger regentschappen met andere gewassen dan padi, als eerste gewas, beplant. Ofschoon vroeger van alle eerste gewassen zonder onderscheid door de regenten tjoeké werd geheven, waren de regenten in latere j aren er op gewezen, dat zij volgens de bepalingen van 1809 van geen ander product tjoeké mogten heffen dan van de padi. Zonder stil te staan bij de vraag of die vingerwijzing door de regenten wel steeds was opgevolgd , of dat zij zich schadeloos gesteld hadden door de bevolking zooveel mogelijk te nopen als eerste gewas niet
(1) Zie óver het vrijwillig karakter dat aan de dzakatheffing behoort te -worden toegekend, 'de aanschrijving opgenomen in het BijMad op het laiisch Staatsblad n". 180-2. waarop ook gedoeld werd in het verslag van 1868, bladz. 137.
(2) In Augustus jl. is die goedkeuring verleend,
dan padi te planten , oordeelde de Indische Regering dat geene termen bestonden om andere producten dan padi als eerste gewas verbouwd van belasting vrij te stellen, zoowel met het oog op de later in te voeren landrente, waaraan bedoelde gronden toch zouden onderworpen worden, als ook uit aanmerking dat de opbrengst van den aanplant van vele dier voortbrengselen eene veel grootere waarde vertegenwoordigt dan de' teelt van padi. Vermits de belasting op n de rijstcultuur" en de evenbedoelde uitbreiding daaraan gegeven, slechts een karakter van overgang bezit, sluiten de voorschriften der ordonnantien van 13 April 1871 (Indisch Staatsblad n°. 46 en 47) zich zooveel mogelijk aan èn aan de tot dusver bestaande gebruiken bij de heffing van tjoeké door de Preanger regenten, èn aan de ontworpen verbeterde grondslagen voor den aanslag en de inning der elders op Java werkende landrente. «De belasting", zoo werd bepaald, n bedraagt vooreerst 3/20, o m later geleidelijk te worden opgevoerd tot I/5 van de geschatte waarde der opbrengt van de met padi" (of met andere producten als eerste gewas) » beplante grondenVrijgesteld is alleen het product : a. van nieuw ontgonnen natte rijstvelden (sawahs) die nog geen drie jaren in gebruik zijn geweest; b. van gronden die minder opbrengen dan 5 pikols padi per bouw, of (bij andere gewassen) wier opbrengst geen hooger waarde heeft dan f 10 per bouw, en c. van gronden in gebruik bij de bevolking en hoofden der zoogenaamde perdikan-dessa's, alsmede van die dessa's, uitsluitend bestemd tot bewaking van de graven van voorouders van vorsten, regenten en andere inlandsche grooten of van tempels en andere in de oogen der bevolking heilige plaatsen. De opbrengst wordt geschat naar de vooruitzigten van het te veld staande gewas, wat padi betreft in verband met den gemiddelden oogst van de dri<< laatste jaren, wat andere gewassen betreft, in verhouding tot vroeger verkregen uitkomsten waar die bekend zijn. Indien de belastingschuldige met de schatting geen genoegen neemt, wordt de werkelijke opbrengst geconstateerd en tot grondslag genomen. Van de alzoo bepaalde gemiddeld of werkelijk verkregen hoeveelheid natte padi wordt 20 ten honderd voor indrooging afgetrokken en de belasting berekend over de overblijvende 80 ten honderd. Voorts wordt, waar het padi-aanplant geldt, ook deze uitzondering gemaakt, dat het constateren en tot gronslag nemen van de werkelijke opbrengst steeds plaats vindt wanneer de vooruitzigten van het gewas een meerderen of minderen oogst beloven van meer dan 20 ten honderd boven of beneden den gemiddelden oogst dor drie laatste jaren.
De belasting wordt opgebragt in geld en tot dat einde de waarde van het product berekend naar den gemiddelden marktprijs, voor elke dessa of voor elk onderdistrict of district, wanneer de daarin liggende dessa's in nagenoeg gelijke omstandigheden verkeeren, door den resident jaarlijks aan te wijzen. Even als tot dusver de tjoeké individueel werd aangeslagen, is die wijze van aanslag voor de heffing van Staatswege gehandhaafd. De voorloopige aanslag die door commission van ambtenaren en hoofden geschiedt, wordt zonder verwijl ter kennis van de belastingschuldigen gebragt en nadat dezen gedurende eene maand in de gelegenheid zijn gesteld om hunne bezwaren in te brengen, stelt de resident (die over onopgeloste bezwaren in hoogste ressort beslist) den legger van den aanslag districts- of onderdistrictsgewijze vast, voor het gansche gewest, en wordt uiterlijk binnen ééne maand na die vaststelling, aan eiken belastingschuldig6
een aanslagbiljet uitgereikt. Vóór den 20sten December moet de belasting voldaan zijn. De inning geschiedt dooi' het dessahoofd, tegen eene belooning van 8 ten honderd van de geïnde sommen, gelijk elders voor de landrente wordt te goed gedaan. Eindelijk is aan den Gouverneur-Generaal de bevoegd' heid voorbehouden om in buitengewone gevallen van groot misgewas of bij het bestaan van andere buitengewone eC gewigtige redenen geheele of gedeeltelijke vrijstelling va" belasting te verleenen. Daar de nieuwe belasting ook bestemd is om te werke11
op de voormalig particuliere (door het Gouvernement te' ruggekochte) landen Soekaboemi en Tjipoetri, verviel u'' den aard der zaak de aldaar bestaande padi-levering aa» het Gouvernement. Eene uitdrukkelijke afschaffing der be"
'ekke *aa: »doel eid 1 erde Omi m, i »n h '!ene loede
,yog 'and ]«eek 1 g!
j ' g < l'de ';ittel( fipec Ke.v Mui k 1 Hts Naa |0ml Pgeh . : e i '»dei »mai fia, logri
b,4i 'het Pve %ti Si •»to
> • «
t de Hsv
.
69
dat i als soolarlen, lant irde
•eniter on47) n de re'oor nde
erst van (of Jennen geigen vier uw, :den la's. van sehe vollaar oaeli dri« ling zijn. igen l en ileld ; 20 ting orts idemen neer sren
be
inde Iden :t of îoeg aar' ndirooi'
van wijl adat iteld (die den vijze inen dig" obéi' dooi' derd •ente
egdjroot e eö va«
rkef t te1 iii' aa» I x
!
&kelijke regeling van 1845 vond plaats bij boven aanQaald Indisch Staatsblad 1871, n°. 46. In 1870 werd van joelde landen zuiver aan tjoeké ontvangen eene hoeveel!1<ï van 37 010 pikols padi, die voor f 65 384 verkocht Brden en dus gemiddeld f 1,77 den pikol opbragten. omtrent de welligt noodig gebleken bijzondere schikkin111 in verband met de invoering der belasting te midden ,"> bet jaar , waren op 1 Augustus jl. hier te lande nog •ene bijzonderheden bekend, evenmin als nopens de vergelijke resultaten der heffing over 1871 (1).
Vogelnestgrotten. De exploitatie van dit gedeelte van 'ands domein is slechts in drie residentien van eenige 'i'eekenis, namelijk in Bagelen, waar de grotten of klippan a gouvernementswege geëxploiteerd worden, en in Rem'g en Soerabaija, waar zij aan pachters ter exploitatie | rden afgestaan. De pachtsc'nat voor 1870 beliep in laatst"aeld gewest f 55 608 en in Rembang f 15 120 (voor 1871 f'pectivelijk f 5 2 836 en f 12 120). Voor de vijf andere peäten (Bantam, Probolinggo, Bezoeki, Banjoewangi en Wura), waar de grotten op gelijken voet verpacht worNi bragten deze in 1870 gezamenlijk slechts f 3036 aan Mitschat op, terwijl zij voor 1871 tegen f 3510 zijn afNaan. (Verg. bijl. Z.) | omtrent de uitkomsten der gouvernements-exploitatie in 'agelen, die blijkens het vorig verslag bladz. 49 thans geheel vrijen arbeid moet plaats vinden, zijn geen bij'ïilerheden gemeld. Alleen blijkt, dat het in 1870 (te barang) verkochte product, ten bedrage van 3322 kilo*<n, f 55 889 opbragt, of dooreengenomen f 16,82 polygram. ^aar gelang van 1ste, 2de en 3de soort was die prijs 3M6, f 22,87 en f 10,91. In 1869 golden 2585 kilogram 1 het geheel f 47 708 en gemiddeld per kilogram f 18,45. Overigens ontving het Gouvernement nog f 2750 als reentie wegens vogelnestgrotten in . de Preanger regentaappen aan de zich opgevolgd hebbende regenten van belong ter bewerking afgestaan, en f 205 wegens ver'Ir aan de bevolking van diergelijke grotten in Samarang * Japara.
j') In latere berigten nopens de Preanger hervorming- wordt gezegd , ' de opbreng-st der belasting, zelfs bij matig-en aanslag, zeer zal bevallen."
De voorgenomen uitbesteding der vogelnestklippen in Bagelen, althans van die in het district Karang Bollong, is tegen 1 Augustus jl. aangekondigd. De exploitatie zal gegund worden aan hem die zich verbindt jaarlijks den hoogsten pachtschat te betalen. De duur der te sluiten overeenkomst zal zijn 25 jaren. Bij het eind van 1870 hadden zich reeds onderhands vijf gegadigden, waaronder twee Chinezen, aangemeld, wier aanbiedingen over tijdvakken van 5, 10 à 20 jaren, uiteenliepen van f 12 000 tot f 26 000 'sjaars. Van eene dergelijke aankondiging betreffende de klippen in de Preanger regentschappen, waar de nieuwe bestuursregeling zich tegen verdere exploitatie van wege de regenten verzet, is hier te lande nog niet gebleken. Intusschen zijn de voorwaarden van uitbesteding, bij een besluit van Mei jl., reeds geregeld op gelijken voet als voor Karang Bollong. In September 1870 was van een Europeesch ingezetene van Bandong eene aanvrage ingekomen om onderhandschen afstand » van het regt tot ontginning en productief maken der vogelnestklippen in de afdeeling Bandong", tegen betaling eener jaarlijksche som van f 1000. Echter is een der daar gelegen klippen — trouwens de eenige die werkelijk productief mag genoemd worden, — de Tjihea, reeds sedert lang tegen f 2750 'sjaars aan den regent van Bandong afgestaan. Uit eene opgaaf van den resident blijkt, dat de vijf voornaamste klippen in de afdeelingen Bandong, Tjiandjoer en Soekapoera gedurende de jaren 1867, 1868 en 1869 gemiddeld hebben opgebragt 253 katties, ter waarde (naar een middenprijs van f20 de kattie) van f 5060. Vijf andere minder productive klippen onder Bandong en Soekapoera leverden in genoemde jaren te zamen niet meer dan gemiddeld 13 katties 'sjaars.
B u i t e n b e z i t t i n g e n .
Omtrent de vertienïng en de verdere landelijke inkomsten in het gouvernement van Celebes en onderhoorigheden (waaronder ook de zoogenaamde koffijbelasting in sommige gedeelten der afdeelingen Noorder- en Oosterdistricten), waren in de laatste jaren de opgaven minder volledig. Een nader, voor zooveel noodig verbeterd, overzigt van den onzuiveren en zuiveren aanslag over de jaren 1866-1870 volgt hierachter.
8. 18
^
70
. e *• HD

A SP
~
O OR
OD H
CS CS CK) H
a <o % 6 0 ' O g CS œ •a 'O a S « « M ^3 M o !»
a •~ S g 60 ' O
• a t* ce H 'S a S œ 5 -9 43 60 O * 'o t*
a o ^ 60 ' O g CS !» M cc *3 'O 9 J5 CD CD N 42 tp o !» a -< -2 g . 60 'O .M ? S 'O a g œ S
>
a ca IH 60 ' O
Zuiv«
bedra
olgens
!» a
£ 60 'O t» cS • a ^H CE S "8 a H o S O ^ 'f t»
c4 CD ^ 6 0 ' O 0 es E» « * CO I l M " i a *ri a S j o
O !»
a u _2 g 60 'O > C3 3 'O s S o » o -° -r >
a o SH 60 ' O g es t» H CO •a 'O a S m CD N jS ,60 o t»
a U © g 60 'O •r-* » . r«
Onzu
bedi
olgen:

5 C-|
H 02
< * J a
pp
60 _o3 CE a cS CS
60 es CO a cS cS
60 es ca a es cS
t 60 cS CO a cS cS
6 0 es CE a 03 es
60 C3
CO a cS 03
60 cS CE a 03 es
. &0
p — « to
C3 c3
. fco 03

. 60 03
CC a 03 03
eo 00 of l O co 00 t > i H
«M
eo o t>f c~ H CO O - H
t(H
CO OH .-T
CO
T H
«M
co
• * _ of
.—« ^H CO
CM
ICI t » -*_ o f l O t ~ CO ia ' H
«M
CO oq_ co"
CO o t » r-l
CM
r-1 CR »cf " • # ©
CO ' M
CM
T — 1 © _
1-4 o r H ^H CM
CM
CO CO CO CO
CO -<cH T H
C M
'M 00 c f
©
CO T-t
CM
''S 03 P-l
*a <N -ef* of co T—1 -#
xO CM t > ^H CO •*
ta CO T-H co" o. o CO
»o ' M o " (M T H CO
o © t-f ' H CO -#
O © co T H m
o t>_ of co co CO
o © _ CO" o t CO
lO ia (M t *
©
CO
UO C» CO © CO -*
CD
S
• iH 3 m

6 0 .S "a CD s-. M CD
cj
ci
»o H i c f i—l CO
o "* ccf CO CO
o co_ T H -* o T - t
o o t>f m r H T-H
m CO o_ co" o >c
>o °1 of CO
>n o
^CH"
o ia
o CO
.
a CD a a es
a O N
r-l T H
T - T CT3 CO O l
=
>o o^ »ff o OS
Ä
CO o_ .-T CM co CD
R
CM °1 • * " 03 b00
K
00 CO ^H~ O O »
E
-M •
V3 van he ra) a. ...
a 3 03 +î > S a o°.S « S CO 2 « A IS
CD 60 .SP a 'O 03 o3 H
ci
o o
© © ©_ «> c f -* l O oz co en r-t t »
O © © © o " o co co
o t C3 CN
C c
© 00 . WO 00 ' H 00
© © © co_ C2 ^ j f »O CM co H^ ' H i O
© © © © © © " t C CC
co X
© CM m © ' H CO
© © © CM — o ' of ** ia CM CO C7) rH »CO
O © © © © _ © © © " 00 c o o 00 ia o rH CO
© © Ifï © © _ © _
T H C T t C »CS « s © CO • *
T H CM
© © © © © ia © c f -* CO o t ~ l O CO
c c
' H 0C1
© ia © ia
TH" © " eo ^:
C c
ia co CO CO ' H cM
© © © ia © © , o f © © CM
• ' O a «
- M CD
o o
" * - - * •
60 - ; a S "S c ° 's
1 CD f
•2 ^
ia o î ' H CM

osterdistric
oorderdistrieten. . .
o a - — — ^ — - — v — • • ' ,,— ^.
•S M l CL, CO H O J 55 g' CD ^ H 3 4 3 CD O
Koffl in regent
i a CO ia i > t > • o H © CM
Vc
co CM I > © oa co r H CM
c «
»O © ia co"
rH t>f
H
CM
CO
co" © ' H
CO co T H
CM
ITJ
OS oo CO ©
CO
T H
CM
© 00 of
CM ia 00 T H
CM
i n T H © © oo CO CO © CM
CM
© t > o " ia ia © T H CM
CM
U3 CO ia »T o ©
© T H
CM
CO t > c f -*
i H
CM
'S 03 - M O H
o o M
a <D ^ 1 .° i—H 45 S.
T3 03 OH
T ! M D t» CD
O 60
CD T )
- M CO 61) a CD M 4 2 P H O
CD H3
J4 :CT>
CD ' O CD O a CD t» a
<B U - M CD - 3 •"
-*' co T H
N 1 'C d
^ •
o r • a • > c >
-^= i 03 ' O
a CD
ia eo H
'O cS r - H 4=
CM © CC
CD > C 'O a -I
CD t»
60 a f« CD 43
N CD TS
a CD a o

o
Q
CD >
5 4S
60 a -s e3 -03 4=
CD ISI *S
• * > a CD H
O
2 " C i
71
co
08
03
Ti öS
(M onoc
Volgens mededeeling van den gouverneur had de aanzuivering der opgenoemde belastingen in 1870 geregeld plaats, en was alléén in de Oosterdistricten op ultimo van dat jaar nog een kleine achterstand. De zuivere opbrengst der in natura geheven wordende padi-vertiening in de residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, bekend onder den naam van dzakat-belasting, bedroeg in 1870 f 96 192 tegen f 90 217 in J869, terwijl nog eenige onder andere benamingen bekende kleine heffingen van soortgelijken aard in 1870 f 124 rendeerden tegen f 427 in 1869. In AI aart 1871 werd te Batavia eene hoeveelheid van 3600 pikols door de vorsten van Bima, Soembawa en Dompo geleverd sapanhout verkocht, waarvan het rendement zuiver f 10 735 bedroeg.
§ 2. Bedrij fsbelasting.
Voorstellen tot verbetering dezer belasting zijn in Indie in behandeling. Intusschen is zij, op de .bestaande grondslagen (Indisch Staatsblad 1857, n". 99, 1863, n°. 100 en 1864, n°. 119), sedert 1 Junij jl. ook tot de Preanger regentschappen uitgestrekt, in verband met de hervorming van het daar werkende stelsel van bestuur. Slechts is voor genoemde residentie deze uitzondering gemaakt, dat ook de houders van vischvijvers en tuinen , voor zoo ver zij daarvan hun gewoon bedrijf maken, aan de bedrijfsbelasting zijn onderworpen, als niet vallende in de belasting »op de rijstcultuur", die in de Preanger regentschappen, immers voor alsnog, de elders werkende landrente vervangt (Indisch Staatsblad 1871, n°. 48). Eene beslissing van Junij 1870 betrof het regt verstand
van art. 5 der bepalingen in aangehaald Indisch Staatsblad 1857, n°. 99, bij welk artikel de zamenstelHng der commission van aanslag is geregeld. Alet het oog op de uiteenloopende opvatting ter zake, verklaarde de Indische Begering bij een besluit van 4 Junij 1870 (Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 2360), dat de in het artikel bedoelde toevoeging aan de genoemde commissien, van onzijdige (niet in 's lands dienst zijnde) personen uit de gemeente, waartoe de belastingschuldige behoort, als verpügtend moet worden beschouwd; dat alleen de bepaling van het aantal der bedoelde personen, namelijk of er twee of meer (nimmer minder) zullen zitting nemen, is overgelaten aan het hoofd van gewestelijk bestuur, en dat, aangezien de maatregel kennelijk ten doel heeft om in het belang der belastingschuldigen een tegenwigt daar te stellen tegen de soms, wegens onbekendheid met bijzondere toestanden, welligt te hoog opgevoerde eischen van den fiscus, aan de onzijdige personen niet bloot eene adviserende, maar wel degelijk eene beslissende stem bij de vaststelling van den aanslag moet worden toegekend. Eene gewestelijke aantooning van den aanslag voor 1870, met onderscheiding van den landaard der aangeslagenen, wordt aangetroffen in bijlage M. Hoeveel van dien aanslag bij het eind van dat jaar geind was, kan blijken uit onderstaand vijfjarig overzigt, getuigende van eene geregelde stijging van het middel. Zoo als bekend, werkt de bedrijfsbelasting alleen op Java en Madura, op eerstgemeld eiland alleen in de gouvernements-residentien , Batavia en (althans in 1870 nog) de Preanger regentschappen uitgezonderd, op Madura met uitzondering van de inheemsche bevolking der regentschappen Madura en Sumanap, voor zoo ver zij niet het visschersbedryf uitoefent.
nmiriKiiTT*-—TTTiirnr TninwiinriiT
Jaren.
Aanslag behalve die der visschers.
A.
Aanslag der visschers.
B.
TOTAAL van den aanslag.
Achterstallig op ultimo December
op den aanslag A. op den aanslag B. TE Z AM EN.
1866.
1867.
1868.
1869.
1870.
f 652 200
683 100
710 500
724 200
774 300
f 215 500
214 500
215 900
218 500
228 600
f 807 700
897 600
926 400
942 700
1 002 900
f 21400
27 300
21200
29 300
39 900
f 8 000
13 400
20 600
14 900
8 800
f 29 400
40 700
41800
44 200
48 700
es
>
SC a
05 ê
S ä
o 2
IV. AFSTAND VAN GROND.
Onder dagteekening van 14 September 1870 (Indisch Staatsblad n°. 118) werd in Indie afkondiging gedaan van het Koninklijk besluit van 20 Julij 1870, n°. 15, houdende regeling, in verband met de wet van 9 April 1870 (Nederlandsch Staatsblad n°. 7 1 , Indisch Staatsblad n°. 55), van eenige agrarische aangelegenheden in Nederlandsch Indie. Met het ontwerpen van de verordeningen en voorstellen tot uitvoering van dit Koninklijk besluit in verband met de aan de Indische Regering, onder dagteekening van 25 Julij 1870, door het Opperbestuur verstrekte inlichtingen en aanschrijvingen, (1) werden belast de directeuren van binnenlandsch bestuur en van justitie. Nadat de| hoofdpunten der te maken regelingen door den Gouverneur-Generaal in conferentie met de bedoelde directeuren waren besproken, onder bekendmaking van het bepaald verlangen dat, overeenkomstig de voorschriften van
(1) Zie de bijlagen der Memorie van Antwoord, dd. 7 November 1870. op het Eindverslag der Commissie van Rapporteurs uit de Eerste Kamer der Staten-Generaal, betreffende de wets-ontwerpen tot vaststelling-van de Indische begrooting voor 1871 (Vergadering 1870—1871, n°. 5a).
het Opperbestuur, aan het Koninklijk besluit de meest spoedige en onbekrompen uitvoering wierd verzekerd, werd door de beide directeuren een beknopt schriftelijk overzigt gegeven van de wijze, waarop zij vermeenden de hun opgedragen gewigtige taak te moeten aanvatten, en waarmede de Gouverneur-Generaal zich vereenigde. Bij de mededeeling van een en ander aan het Opperbestuur (October 1870) werd door den Landvoogd de aandacht gevestigd op het bij beide directeuren gerezen en door hem gedeelde bezwaar tegen de door het Opperbestuur verlangde aanwijzing van de districtshoofden als de autoriteit, die belast zou behooren te worden met de afgifte der bij art. 3 van het besluit bedoelde schriftelijke titels tot verzekering van het inlandsch erfelijk individueel gebruiksregt op grond. De moeijelijkheid om in de voorschriften omtrent de wijze van verkrijging der bedoelde titels voldoende voorzorgen op te nemen, welke onontbeerlijk zijn, omdat die titels den grondslag zouden uitmaken, waarop het eigendomsregt overeenkomstig art. 4 van het besluit verkregen zou worden , vorderde noodwendig, volgens de Indische meening, ook met het oog op art. 81 Regeringsreglement, dat niet een regeringsbeambte, maar eene regterlijke autoriteit die titels
à m
72
verstrekte. Meest eigenaardig kwam het voor die taak aan de landraden op te dragen: aan hen wenschte de Indische Redering de uitspraak toe te vertrouwen over de geldigheid van het^bewiis van het individueel erfelijk bezit, en zulks onder zeer vereenvoudigde procesvormen. In de ontvangen voorloopige opgaven werd aanleiding bevonden om bij eene aanschrijving van 25 Januarij 1871, den Gouverneur-Generaal, ter voorkoming van misverstand en belemmering, mede te deelen, dat, ofschoon de Regering in het algemeen de nopens de uitvoering dor wet van 9 April 1870 gegeven bevelen en voorschriften wenscht te handhaven, zij geneigd zal bevonden worden om de bezwaren te vernemen en te onderzoeken , die by het Indische Bestuur tegen de aanschrijving van 25 Julij 1870 of togen het Koninklijk besluit van 20 Julij te voren mogten zijn gerezen , mits zij tijdig en met de noodige toelichting worden voorgedragen Bii voorbaat werd den Gouverneur-Generaal vrijgelaten om de afgifte der titels van gebruiksragt aan anderen dan de districtshoofden op te dragen Tevens werd bij deze gelegenheid verduidelijkt hetgeen in de aanschrijving van 25 Julij 1870 gezegd is omtrent
a r t, 13 van het meerbedoeld Kon.nklijk besluit, te dien effecte dat de Gouverneur-Generaal zich met gebonden behoefde te achten om van gedeelten erfpachtsgrond, die door den erfpachter om niet aan inlanders mogten zijn afgestaan ter beplanting voor eigen gebruik, landrenten te heffen tegen vrijstelling van erfpacht. Zonder ook te dezen aanzien voor alsnog eene beslissing te nemen, werd dezerziids de meening. te kennen gegeven , dat op het punt der belastinc van dergelijke stukken grond, de in erfpacht afgestane landen op ééne lijn behoorden gesteld te worden met de particuliere landen ; en dat derhalve de belasting die van den in erfpacht afgestanen grond geheven wordt, door den erfpachter moet worden opgebragt, en dat zij met, hetzij in den vorm van verponding of van landrente, ten laste van de inlandsche bruikers of onderhuurders kan komen. Later, bii eene aanschrijving van 7 Maart 1871, werd, ten vervolge op die van 25 Julij 1870, eene gedachtenwi«selin- met den Gouverneur-Generaal geopend nopens den regtstoestand waarin, bij de bepaling van de tot iedere inlandsche gemeente in privaat-rogtelijken zin behoorende gronden of"bij het verleenen van titels van eigendom of gebruiksregt lartt. 6, 4 en 3 van 's Konings besluit van 20 Julij 1870) , moeten beschouwd worden te verkeeren de «ouvernements-koffijtuinen bij uitzondering hier en daar aangelegd op gronden der bevolking. De meening werd te kennen leo-even : dat wanneer het Gouvernement de beschikking over die gronden (omtrent welke de Regering zich m de aanschrijving van 25 Julij 1870 bij de uitspraak nopens s Gouvernements eigendomsregt op de koffijtumen met had uitgelaten) wenscht te bestendigen , het Bestuur alsnog krachtens de 3de bepaling der wet van 9 April 1870 schadeloosstelling moet verleenen waar die gevraagd wordt, tenzij het erde voorkeur aan geeft van de koffij cultuur op die gronden af te zien, en ze derhalve aan de bevolking terug te geven krachtens het Indisch besluit van 25 Julij 1866, n°. 24 {Bißlad op het Indisch Staatsblad n°. 1879). Te gelijker tijd werd stilgestaan bij de gevolgen van het Koninklijk besluit van 20 Julij 1870 ten opzigte van de afschrijving van gouvernements-koffijtuinen, speciaal met toepassing op aanplantingen op woeste gronden aangelegd In de omstandigheid dat bij afschrijving van zoodanige aanplantingen de grond, als woeste grond wel is waar tot het domein blijft behooren, maar dat de bevolking haar regt tot ontginning herneemt, werd aanleiding gevonden de Indische Regering indachtig te maken, om°bij de uitvoering van art. 7 van's Konings aangehaald besluit, in den milden geest der aangehaalde Indische beschikking van 25 Julij 1866 , ook regelen te stellen op het regt der inlanders om afgeschreven koffijtuinen te ontginnen voor eigen gebruik. Zoo als hierboven reeds blijkt, was eene der eerste bemoeijenissen van de beide directeuren , aan wie tot bijstand in de uitvoering der hun gedane opdragt een tweetal ambtenaren werden toegevoegd, het ontwerpen van een Koninklijk besluit regelende de vervanging van het inlandsen erfelijk individueel grondbezit door eigendom (al. 4 der wet en artt. 3 en 4 van het uitvoeringsbesluit). Een ontwerp van zoodanig besluit werd in November
1870 ter overweging aan de hoofden van gewestelijk bestuur medegedeeld. In het laatst van Maart 1871 werden hunne adviesen aan den Gouverneur-Generaal aangeboden. "Volgens eene der bepalingen van dit ontwerp , zou de wijze van in- en overschrijving van dien eigendom bij ordonnantie geregeld worden , en werd alzoo tot uitvoering van dat voorschrift eene ontwerp-verordening zamengesteld. Te gelijkertijd kwam eene ontwerp-ordonnantie in gereedheid , houdende regelen omtrent de verhuur van grond door inlanders aan niet-inlanders krachtens al. 5 der wet en in overeenstemming met art. 5 van het uitvoeringsbesluit. Al deze ontwerpen waren in Mei jl. bij den Raad van; Nederlandsch Indie overgebragt. Het ontwerp van een Koninklijk besluit tot uitvoering van art. 4 van het K o ninklijk besluit van 20 Julij Ï870 is terstond door den Raad behandeld en werd door den Gouverneur-Generaal bij missive van 19 Junij jl. aan het Opperbestuur gezonden, bij hetwelk hot nu in overweging is genomen. De bepalingen noodig tot uitvoering van de artt. 9 —18 van het Koninklijk besluit van 20 Julij 1870, handelende over de wijze , voorwaarden enz. van uitgifte van gronden in erfpacht, even als die tot uitvoering van deszelft 6de en 7de artikel betreffende de bepaling van het detsagebied en de te stellen regelen op het regt van ontginning door inlanders buiten dat gebied, waren ontworpen en wachtten in Mei jl. op eene laatste bewerking. Na indiening dezer ontwerpen zal de regeling der agrarische aangelegenheden in de bezittingen buiten Java en Madura in behandeling worden genomen; terwijl verscheidene met de agrarische aangelegenheden zamenhangende onderwerpen , ais: de vervanging van Indisch Staatsblad 1838, n". 50, de toepasselijkverklaring van sommige gedeelten van het Burgerlijk Wetboek op inlanders, regeling van gemeentebestuur en gemeentewezen, enz. zullen afgedaan worden , zoodra omtrent die punten het noodige licht zal z'jn verkregen. Ook zijn overleggingen aanhangig nopens de geschiktste wijze waarop bij de ontoereikendheid van het aanwezige landmeters-ipersoneel aan de te verwachten aanvragen om meetbrieven (tot vervanging van inlandsch erfelijk individueel bezit door eigendom) naar behooren zal kunnen worden voldaan. De mogelijkheid om inlanders als landmeters te bezigen, kwam daarbij ter sprake. Van het denkbeeld om het erfpachtsregt toe te _ passen op de exploitatie door particulieren van de domaniale vogelnestgrotten of holen, waarover zie het vorig verslag bladz. 54, is sedert afgezien. Bij nadere overweging is het namelijk voorgekomen, dat uitgifte in erfpacht van de vogelnestklippen niet zou strooken met art. 12 van het Koninklijk besluit van 20 Julij 1870, waarbij, in overeenstemming met het Burgerlijk "Wetboek, is bepaald, dat de erfpachtsgronden alleen voor landbouw, veeteelt en voor inrigtingen tot bereiding der voortbrengselen gebezigd worden? Men heeft daarom aan eenvoudige uitbesteding der exploitatie voor een bepaald getal jaren de voorkeur gegeven. (Vergelijk blz. 69 hiervoren). Over de exploitatie door particulieren van gouvernenements -sagoebosschen in de residentie Amboina, zie men hoofdstuk ®, afdeeling I, § 2, sub 12°. De bij art. 62, 2de lid Regeringsreglement toegestane verkoop van »kleine stukken gronds, bestemd tot uitbreiding van steden en dorpen en tot het oprigten van inrigtingen van nijverheid", en welke stukken volgens art. 8 van het Koninklijk besluit van 20 Julij 1870 ieder eene oppervlakte van 10 bouws niet mogen te boven gaan, eischt volgens van den Gouverneur-Generaal bekomen berigt geene nadere regeling. De ten deze bestaande verordeningen, voor zoover zij met juistheid worden toegepast, verschaffen toch genoegzamen waarborg zoowel tegen inbreuk op de regten der bevolking als togen afstand van grootere uitgestrektheden dan noodig is voor het doel waarvoor de gronden worden aangevraagd. Geen verzoek om afstand van gronden in eigendom wordt ingewilligd dan na overlegging van een behoorlijken meetbrief en van een proces-verbaal, opgemaakt door eene plaatselijke commissie, krachtens het bepaalde bij Indisch Staatsblad 1866, n°. 25, uit welk stuk blijken moet : a. dat het aangevraagd perceel is gouvernementsgrond, vallende in de termen van art. 62 Regeringsreglement; b. dat het tot geene andere doeleinden door de inlandsche bevolking benoodigd is, bij
73
oorbeeld voor den aanplant van voedingsmiddelen, begraafplaatsen, gemeene weide, enz., en dat er geene » aci Caparatie plaats vindt ; en c. dat, zoo de grond geoccupeerd is, de overige bezitters in den afstand hebben beMlligd en naar hun genoegen zijn schadeloos gesteld. Ofschoon tot hiertoe geen maximum der grootte was vastgesteld, heeft de afstand in eigendom van stukken van eenigzins aanzienlijke uitgestrektheid, bij voorbeeld van 2 *°t 8 bouws, zoowel vroeger als later, zeldzaam plaats 8ehad. De massa der afgestane gronden bepaalde zich in ^ laatste jaren en ook in 1870 tot uitgestrektheden van
minder dan één bouw, zoowel aan Europeanen als aaü inlanders en vreemde Oosterlingen. In 1870 werd wegens dusdanigen verkoop ontvangen f 38 123, tegen f 23 2U0 in 1869. (Omtrent de cijfers van vroegere jaren zie laatstelijk het vorig verslag bladz. 103.) Afstand van grond met regt van opstal op den voet van Indisch Staatsblad 1858, n°. 98 en 1861, n°. 6, vond in 1870 plaats ten behoeve van 38 personen (25 Europeanen, 11 Chinezen en 2 inlanders) en wel tot de navolgende uitgestrektheden (in vierkante meters) :
G E W E S T E N . Europeanen.
Preanger regentschappen
ïagal
"ekalongan
^amarang
*°erabaija •
^ asoeroean
Probolinggo
ßezoeki . . . ,
ßanjoemas
hagelen . . •
Radoe
Kediri
D meters
270 083,50
56 786,39
18 383,00
84 780,16
22 678,38
51 066,46
12 711,62
34 295,00
12 960,00
»
11 851,83
80 748,62
Chinezen.
656 34-4,96
412,00
Inlanders. Totaal.
14 198,00
14 251,33
14 633,33
5 897,37
20 095,37
270 083,50
56 786,39
18 383,00
99 390,16
22 678,38
51 066,46
12 711,62
34 295,00
12 960,00
20 148,70
11851,83
80 748,62
691 103,66
ne jig8 ne U i 6 rit, nan •r>m an en ra56, gd an ire bij
Over de uitgifte van gronden in huur zie men hoofdstuk ° , afdoeling I, § 1, sub 3°. Van de bevolen overbrenging bij het departement van jjinnenlandsch bestuur van al wat den afstand van grond "etreft (tot dus ver gedeeltelijk ook behoorende tot de ^tributen van den directeur van finantien) is reeds melding Smaakt in hoofdstuk 11.
V . AGRARISCHE, STATISTISCHE EN TOPOGRAPHISCHE OPNEMINGEN.
§ 1. Agrarische opnemingen.
, Ten einde de bewerking van het Verslag nopens de uitblusten van het onderzoek naar de regten der bevolking Vatt Java op den grond (1) zooveel mogelijk te bespoedigt* , zijn, behalve de vijf in het vorig verslag bedoelde arûbtenaren, nog eenige andere aan den chef der afdeeling "statistiek" ter algemeene secretarie toegevoegd voor de aamenstelling der gewestelijke resume's. Tot leiddraad is hun gegeven het door bedoelden hoofd^ ^btenaar bewerkte resumé van het onderzoek in de resi|*eQtie Bantam, tot dat einde in druk verschenen (zie ook !letgeen met betrekking tot bedoeld resume' wordt gezegd ln hoofdstuk R , afdeeling I I , § 1 , onder » Soendaneesch"). De bewerking van het algemeene verslag houdt zooveel ï^gelijk met die der gewestelijke overzigten gelijken tred ; h e t kan tegen het laatst van 1871 worden te gemoet gezien. De twee controleurs op Madura, blijkens het vorig ver
,J}) Zie hieromtrent de stukken betreffende de -wet van i April 1870 (Z "ting 1SG8—1863, lï& , n". 4—0).
S°. 8. 2.
slag in Mei 1870 in commissie gesteld om een onderzoek in te stellen naar de regten, welke de bevolking in do regentschappen Madura en Sumanap op den grond uitoefent en naar de daaraan verbonden gebruiken en instellingen , hebben, uit hoofde van veelvuldige andere werkzaamheden, die taak eerst in April jl. kunnen aanvaarden. Het in de gouvernementslanden op Sumatra in te stellen naauwgezet onderzoek naar do regten dor bevolking op de woeste gronden aldaar, zal krachtens een besluit van den Gouverneur-Generaal van 18 Maart jl., worden uitgevoerd door de plaatselijk gezagvoerende' ambtenaren. Den directeur van binnenlandsch bestuur is opgedragen om, na den afloop van dat onderzoek, welke tegen het einde van het loopende jaar kan te gemoet gezien worden , in overleg met zijn ambtgenoot van justitie, de vereischte voorstellen in te dienen, om dat gedeelte der agrarische wet, dat betrekking heeft op de uitgifte van woeste gronden of met de vereischte wijzigingen daarvoor vatbaar wordt bevonden, van toepassing te verklaren voor de gouvernements-landen op Sumatra. In het belang der spoedige verwezenlijking van dit laatste is onlangs (Julij jl.) aan de Indische Regering de wenschelijkheid voorgehouden, dat aan het onderzoek niet meer tijd worde besteed dan volstrekt vereischt wordt.
§ 2. Statistische opneming van Java.
Opneming. In de residentie Bagelen liep de herziening van de uitkomsten , door de vroegere opneming verkregen , in do regentschappen Karang-Anjar, Koboemen en Ambal geheel af, waarmede nu in dit gewest het veldwerk der opneming voltooid is, behoudens eenige welligt noodige kleine hermetingen. Aan do vervaardiging van de klad-dessakaarten en het be* 19
••
74
rekenen van de uitgestrektheid der velden werd volijverig gearbeid, zoodat in het begin van 1871 magtiging kon •worden verleend om do betrokken opnemingssectie naar Madioen te doen overgaan. In de residentie Samarang, waar twee sectien bescheiden zijn, was do opneming werkzaam in de afdeelingen Samarang (districten Singen-lor, Singen-kidoel en Grogol), Kendal (districten Bodja en Kaliwoengoe) en in de afdeeling Grobogan (districten Grobogan, Kradenan, Wirosari en Poerwodadi). Tevens was in 1870 de opneming onderhanden genomen der particuliere dessa's enz. in deze residentie, welker gronden bij de vroegere opmetingen (dat is bij die welke plaats hadden gehad vóór de vereeniging van al de opnemingssectien in Kadoe) waren ter zijde gelaten, omdat toen nog niet beslist was dat de statistische opneming zich ook tot de particuliere landerijen zou uitstrekken. In Maart jjl. is een gedeelte der opnemingssectie van de afdeeling Samarang bestemd geworden voor hermetingen i t het regentschap Demak. De twee laatste volgens het vorig verslag nog niet begonnen districten van Tagal, Brebes en Lossari, alsmede
het toen nog niet geheel voltooide district Boemiajoe werde" in 1870 geheel opgemeten en de uitgestrektheden berekend! de uitkomsten moesten nog aan de bevolking worden voor gelegd, maar waren reeds aan het bestuur opgegeven. ID* dien hierna geene hermetingen noodig blijken, zou de vol' tooijing der opneming in dit gewest binnen zeer korten tij* kunnen worden te gemoet gezien en zou ook deze sectie weldra eene nieuwe bestemming kunnen volgen. In Japara werd de opmeting geleidelijk voortgezet e" was bij het eind van 1870 een groot gedeelte van het re' gentschap Koedoes gereed , zijnde de districten OendakaO en Koedoes geheel, Tjendana gedeeltelijk voltooid. Dijk' breuken en overstroomingen hadden in dit gewest het veld' werk zeer belemmerd en talrijke hermetingen noodig ge' maakt. Ook liggen de bouwvelden der dorpen hier zo" weinig aaneengeschakeld, dat één dessa-gebied soms ui' 80 verspreid liggende stukken bestaat, hetgeen veel op' merkzaamheid en moer dan gewone geoefendheid vereiscW' Een kort overzigt van het in 1870 verrigte wordt ge' geven in den volgenden staat. (Over de hermetingen i" Banjoemas en Gheribon wordt lager onder » Bijhouding' gehandeld).
G E W E S T E N .
Van hoevele dessa's de sawah- en tegalvelden berekend.
Eerste Tweede
halfjaar.
In hoevele dessa's de volkstelling verrigt.
Eerste Tweede
halfjaar.
In hoevele dessa's bijhottdingsregisters ingevoerd.
Eerste Tweede
halfjaar.
Hoeveelheid gemaakte net-dessakaarten op de schaal van 1: 2500.
Eerste Tweede
halfjaar.
Bagelen
Samarang (twee sectien).
Tagal • •
Japara
TOTAAL . .
675
360
142
122
1299
600
599
111
72
Keeds beëindigd. Reeds beëindigd.
62
78
18
1382 158
95
169
44
62
77
18
308 157
95
170
62
327
2681 466 484
30
252
130
10
422
10
205
95
40
350
772
Eene niet onbelangrijke verbetering die met het oog op de bij te houden veranderingen, de langore bruikbaarheid der dessakaarten zal bevorderen, is de bepaling (30 April 1870) dat de verschillende soorten van terrein voortaan, in stede van door kleuren, door teekens zullen worden aangeduid. Om geen aanleiding tot verwarring te doen ontstaan , zullen echter de dessakaarten der reeds in opneming zijnde gewesten nog op de oude wijze worden voortgezet. Het eerst is de nieuwe legenda DU toegepast op de kaarten van Japara. In Januarij 1871 werd besloten ook do vreemde Oosterlingen in de volkstelling op te nemen en in de registers der opneming en bijhouding te boek te stellen. De uitgestrektheid sawah's in de opgemeten districten is door de opneming bevonden meer te bedragen dan bij het bestuur bekend: ïn de residentie Bagelen , in het district Leksono 36 pet. ; in de residentie Samarang, in de districten Singen-lor 13 pet., Singen-koelon 7 pet., Grogol 7 pet., Bodja 33 pet. en Kaliwoengoe 8 pet. ; in de residentie Tagal in de districten Boemiajoe 59 pet. ; Brebes 30 pet. en Lossari 45 pet. In het district Singen-Kidoel (Samarang) werd bij uitzondering door de opneming aan sawah's minder bevonden dan bekend stond, en wel 7 pet. Wat betreft de verschillen tusschen de uitkomsten der
opneming en de cijfers bij het bestuur bekend voor âe
tegalvelden valt op te merken , dat in het reeds genoemd6
district Leksono (Bagelen) slechts 92 bouws tegalveidej1
werden bevonden, terwijl de opgave van het bestuur 32$ bouws bedroeg. Dit belangrijk verschil, ook in de overig" districten van het regentschap Ledok in geen geringe mat6
waargenomen, bevestigt de reeds vroeger opgevatte mee' ning, dat het juiste cijfer der jaarlijks beplante tegal' velden bij het bestuur doorgaans volstrekt onbekend i'' In de residentie Samarang, district Singen-lor, werde" daarentegen bevonden 1291 bouws tegen 18 bouws bij be' bestuur bekend; district Bodja 3486 tegen 677 bouws! district Kaliwoengoe 3824 tegen 1387 bouws.
Bijhouding. Was blijkens het vorig verslag bladz. 56' met toepassing en gedeeltelijke wijziging van de artt. 21
en 28 van het zoogenaamd Inlandsen Reglement, eece
voorziening in 't leven geroepen om de goede werking va" het Indisch besluit van 8 December 1869, n°. 23, betref' fende de verantwoordelijkheid der de?sahoofden voor d" rigtige bijhouding van het dessaregister, speciaal op he
gebied der bevolkingsstatistiek te verzekeren , in het belafr» eener rigtige bijhouding van de overige deelen van 1>8
dessaregister, met name van dat gedeelte betrekking heb' bende op den grond, bleken voor 's hands geene bijzonder* maatregelen noodig of wenschelijk, wanneer slechts de haf''
75
Werd gehouden aan het bepaalde bij Indisch besluit van 31 Maart 1866, nq. 31 {Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 1821), krachtens hetwelk geene veranderingen in de bestemming of het gebruik van den grond in de door de statistische opneming opgenomen en in kaart gebragte districten mogen worden gemaakt, zonder dat daarvan vooraf zij kennis gegeven aan den resident, ten fine van opneming en aanteekening op de dessakaarten en kadastrale registers. Daar intusschen de opvolging van dit voorschrift niet overal met de noodige stiptheid plaats had, werd de zorg Voor eene behoorlijke naleving dezer verpligting, bij eene aanschrijving van April 1870, door den directeur van bin«enlandsch bestuur in de bijzondere aandacht der hoofden Van gewestelijk bestuur aanbevolen, met opdragt om hunnerzijds voor zooveel noodig de dessabestuurders ter zake Van nadere bevelen te voorzien. De invoering van het nieuwe dessaregister, waarvan de bijhouding nu volgens de namen en niet meer door middel van streepjes geschiedt, had geleidelijk plaats, voor het grootste gedeelte nog in het eerste semester 1870. In de meeste gewesten leverde de invoering geene bijzondere ftoeijelijkheden op, omdat reeds sedert korteren of längeren Jijd, nevens het bestaande dessaregister, zoogenaamde onstaten of naamregisters waren aangehouden, zoodat voor de naamsgewyze inschrijving der bevolking geene nieuwe opneming noodig was. Alleen in Pekalongan en Tagal ïnoest zoodanige volksopneming worden bewerkstelligd. Van wege het bestuur werd al het mogelijke gedaan om de^ dessahoofden van het besef hunner verantwoordelijkheid voor de rigtige bijhouding te doordringen, en doorgaans slagen deze pogingen naar wensch. Reeds valt meerdere zorg hunnerzijds niet te miskennen, terwijl hunne Verschijning op de rapportdagen weinig te wenschen overlaat. Wegens de meestal geringe ontwikkeling dezer hoofden gaat intusschen de bijhouding van het register nog vrij algemeen hunne eigene krachten te boven en moeten zij Worden bijgestaan door de districtsmantries der opneming °f door dessaschrijvers. Het aantal kadastraal statistische bureaux werd in Maart 1870 met een achtste vermeerderd, door de oprigting van een zoodanig bureau in de sedert 1869 in opneming zijnde residentie Japara. In de residention Kadoe en Pekalongan Werd, daar al de dessakaarten waren voltooid, respectiVelijk in February en October 1870, uitvoering gegeven aan het hooger bedoelde Indisch besluit van 8 December 1869, door het overbrengen van het kadastraal statistisch bureau onder de onmiddellijke bevelen van den resident. De opgaven krachtens het bepaalde bij Indisch Staatsblad *864 n°. 16, (art. 7, lit, C) door de kadastraal statistische
bureaux, nadat zij eene afdeeling van het residentie-kantoor uitmaken, op het gebied van statistiek aan de algemeene secretarie te Batavia in te dienen, zullen, volgens de beslissing der Regering, zich voor 's hands bepalen tot de bevolkingsstateu en hetgeen verder wetenswaardig is voor eene regeling der heerendiensten en de invoering van een verbeterd belastingstelsel. De vorm en inrigting dier opgaven maakten in Juli) 1870, in eenige daartoo te Samarang belegde vergaderingen, een onderworp van gezamenlijke bespreking uit tusschen den chef der betrokken afdeeling ter algemeene secretarie, den inspecteur der opneming on diens adjunct, zoomede de chefs der kadastraal statistische bureaux in de verschillende residentien. Onder de punten, waaromtrent bij die gelegenheid overeengekomen werd, behoorde onder meer het ontwerpen van een register van de bedrijfs-belastingschuldigen en van een jaarlijkschen opnemingsstaat van de karren en vruchtboomen. In bijlage lit. N wordt een districtsgewijze ingerigt overzigt gegeven van de resultaten der bijhoudingsstatistiek gedurende 1870, voor zooveel betreft de veranderingen in het bevolkingscijfer. Dat overzigt betreft de residentien Kadoe, Bagelen, Pekalongan en Banjoemas in haar geheel en drie andere gewesten gedeeltelijk, namelijk Tagal voor 14 van de 16 districten, Samarang voor 17 van de 24 en Cheribon voor 3 van de 26 districten. Van Japara, waar trouwens de bijhouding (van 1 district) eerst in de laatste maanden van 1870 geregeld in gang kwam, zijn wegens de kortheid des tjjds nog geen voldoende gegevens voorhanden. In Banjoemas en Cheribon had de bijhouding zich tot dusver uitsluitend tot de bevolkingsstatistiek bepaald, in afwachting dor vereischte hei-metingen , waarmede omstreeks medio 1870 een begin is gemaakt door personeol getrokken uit de opnemingssectien van andere gewesten. Ook tor toetsing eenigermate van de vertrouwbaarheid der gegevens door de bijhoudingsstatistiek verkregen , speciaal wat de meerdere geboorten dan sterfgevallen betreft, is in Indie eene vergelijking gemaakt met de overeenkomstige opgaven voor Nederland (over het laatst bekende jaar 1863) en wel — om eenigzins groepen te hebben die de districten op Java nabij komen — met de opgaven omtrent de gemeenten des Rijks die meer dan 10 0Ü0 zielen tellen. Die vergelijking heeft er niet toe geleid om de Indische cijfers volstrekt onverklaarbaar te achten. Terwijl toch in de betrokken 33 gemeenten van Nederland met eene gezamenlijke bevolking (in 1863) van 1055 559 pielen, de gehoorton (ad 38 026) de sterfgevallen (ad 26 909) overtroffen met 11117 s= 29,2 pet., welke pereentsgewijze verhouding voor elke gemeente afzonderlijk afwisselde tusschen 11.7 en 5,34, vertoonden zich de resultaten voor Indie, volgens de statistiek over 1869 (zie bijlage O van het vorig verslag) als volgt: (1)
DISTRICTEN OP JAVA.
Zielen t al
onder
uit. December
1869.
Aantal
geboorten
in
1869.
Aantal
sterf
gevallen in
1869.
MEER GEBOORTEN DAN STERFGEVALLEN.
Totaal.
Percentsgewijze verhouding voor al de diätricten te zamen.
Percentsgewijze verhouding in elk district.
Hoogste
cijfer.
Laagste
cijfer.
*;' districten van Kadoe. . .
a » » Bagelen .
-(2) » » Pekalongan
w n Tagal. . ,
» n Samarang
614 492
1 061 894
403 816
361 271
623 428
25 061
39 439
11 452
10 859
19 354
3 094 901 106 165
15 194
22 115
6 732
5 729
10 252
60 021
9 867
17 324
4 721
5 130
9 102
46 144
39.37
43,92
41,22
47,24
47,02
43,46
49,68
75,03
53,79
57,31
75,36
20,54
12,31
31,00
29,10
19,47
i ' l ) Aroor Nederland leverde 1869 de volgende cijfers: 3i gemeenten j . " e n de '10 000 zielen; gezamenlijke bevolking bij liet eind van 't jaar 40 288; aantal geborenen en overledenen respectivelijk 40 518 en 29 051 ;
o'e«'maat der eersten boven de laatsten 10 807 = 20,8 pet. In de M00 e r ige gemeenten des rijks, met een zielental van 2 511 782, beliep het
aantal geborenen in 1809 89919, dat der overledenen 59550, alzoo meer geborenen 30 369 = 33,7 pet.
(2) Hierbij niet opgenomen het district Pekalongan, waar — bij uitzondering — het aantal geboorten minder was dan de sterfte.
76
Al is dus de voor Java opgegeven verhouding, lettende op do uitkomsten in Nederland, niet zoo onwaarschijnlijk als bij den eersten aanblik wezen mag, er heerschte toch — zegt de directeur van binnenlandsch bestuur — tusschen de cijfers der districten onderling te veel afwijking dan dat zij een merk van innerlijke geloofwaardigheid in zich zouden dragen Zeker is het evenwel — voegt hij er bij —dat de bijhouding eene betere toekomst tegemoet gaat, nu de dorpshoofden verantwoordelijk zijn gesteld voor de opgaven en de veranderingen nominatief en niet meer door middel van streepjes in de registers worden aangeteekend. Het opmeten en op de kaarten overbrengen van do opgegeven of opgespoorde veranderingen in de bestemming of het gebruik der gronden, had geregeld plaats. In Tagal en Pekalongan evenwel moest dit werk eenigon tijd achterliggen voor de volksopneming die, zoo als hooger gezegd, in deze residentien vereischt werd voor de beschrijving van het nieuwe dessaregister. Intusschen werd van de bekend geworden veranderingen voorioopige aanteekening gehouden, waardoor het verwijl op de zaak zelve van geen nadeeligen invloed was. Het getal opgemeten en geïnsereerde grondveranderingen gedurende 1870 bedroeg voor Kadoe 1164, Pekalongan 501, Bagelen 567, Samarang 160 en Tagal 40. In Cheribon en Banjoemas werden bedoelde veranderingen nog niet door het bijhoudingspersoneel geconstateerd. Waar de bevolking genegen blijkt bij het doen der hierbedoelde metingen hare hulp kosteloos te verleenen, wordt hiervan gebruik gemaakt. In het tegenovergestelde geval wordt betaling te goed gedaan. Ten slotte verdient nog aanteekening, dat bij een besluit van Julij 1870 (Bijblad op het Indisch Staatsblad, n°. 2369) de voorwaarden werden goregeld waarop voor particulieren de gelegenheid openstaat tot het nemen van kopijen der op de kadastraal statistische bureaux aanwezige kaarten deistatistische opneming.
§ 3. Civile topographische opneming van Zuid-Celebes.
Werd op grond van vroegere mededeelingen verwacht, dat de hierbedoelde opneming tegen het einde van 1872 zou zijn voltooid, uit een schrijven van den gouverneur van Celebes van September 1870 bleek, dat toen nog eene uitgestrektheid van ruim 700 vierkante palen moest worden opgemeten en in kaart gebragt (de wenschelijk geachte opneming van de bergregentschappen der afdeoling Noorderdistricten daaronder begrepen). Voor dezen arbeid en de latere vervaardiging der netkaarten van de geheele opneming der Oosterdistricten, van Saleijer en de evenbedoelde bergregentschappen werden vier jaren noodig geacht, zoodat de beëindiging der topographie van Zuid-Celebes_ (1) eerst tegen het einde van 1874 kan worden te gemoet gezien. Ten onregte is in de regeringsverslagen sedert 1863 aan de hierbedoelde opneming tevens een statistisch karakter toegekend. Het is althans gebleken dat reeds in genoemd jaar van het statistisch deel voor goed is afgezien, wat de vorstenlanden betreft, om politieke redenen, daar het verzamelen van deze soort van gegevens aldaar in het algemeen eene door de opnemers niet te overwinnen achterdocht opwekte
die het beter was te vermijden, en wat de gouvernementslanden aangaat, ter voorkoming van vertraging in de opneming. Afgescheiden daarvan ware, naar de meeningvan den gouverneur van Celebes, aan de te verkrygen cijfers toch weinig Waarde te hechten, uit hoofde van de gedurige verandering van woon plaits der bevolking, die zoowel in de gouvernements- als in de vorstenlanden al zeer weinig aan haar geboortegrond gehecht is. De opneming werd gedurende 1870 even als in 't voorafgegane jaar, onder oppertoezigt van het hoofd van gewestelijk bestuur, geleid door een controleur der lste klasse te zijner beschikking. Mutatien onder het opnemers-personeel, uit vier personen bestaande, vonden niet plaats. De werkzaamheden bepaalden zich tot het voortzetten der opneming van de afdeeiingon Oosterdistricten en Saleijer op de schaal van 1:10 000 en het voltooijen der opneming van de hoofdplaats Macassar op de schaal van 1: 2000. Bij het eind van 1870 waren van de afdeelingen Oosterdistricten in 't geheel 720 en van de afdeeling Saleijer in 't geheel 122 vierkante palen opgenomen en in kaart gebragt. De opneming van de hoofdplaats Macassar werd in de maand November 1870 voltooid. Na het gereed komen der Eetkaart van die hoofdplaats, hetgeen vermoedelijk nog in het lste quartaal 1871 het geval zou wezen, zou de betrokken opnemer, die middelerwijl bolast was geworden met eenige opmetingen in het belang eener doorgraving van de rivier van Tanette, naar Saleijer worden gezonden, waar dan het werk door twee personen zal kunnen worden voortgezet. Overigens werden in 1870 op de vroeger vervaardigde kaarten de veranderingen en verbeteringen aangebragt dje door den chef van het topographisch bureau te Batavia (vergelijk het vorig verslag blz. 57) waren noodig geacht. Onder andere werd do netkaart van Lamoeroe, waarvan het oorspronkelijk exemplaar niet aan de bestaande voorschriften voldeed, geheel overgeteekend. De arbeid der opnemers wordt zeor geroemd, zoo wat ijver als naauwkeurigheid betreft. Te meer moet dit erkend worden, zegt de gouverneur, wanneer gelet wordt op de vele moeijelijkheden, verbonden aan de opneming van oen gewest als Zuid-Celebes, waar het terrein zeer bergachtig en geaccidenteerd is, alleen de hoofdplaatsen onderling door groote wegon verbonden zijn , en men bovendien va» tijd tot tijd met politieke bezwaren te kampen heeft. Van de f 27 620 's j aars voor deze opneming toegestaan f was verbruikt in 1867 f 18 255, in 1868 f 18 897 en i» 1869 f 19 680.
V I . PoSTWEZEN. *
§ 1. Brieven- en paardenposterij. (2)
Brievenpost. De geringe achteruitgang in het cijfer dei' binnenlandsche brievenbeweging gedurende 1869 maakte i» 1870 plaats voor de niet onbelangrijke toeneming van eire» 5 pet., zoo als blijkt uit het volgend driejarig staatje> waarin eenige der voornaamste opgaven omtrent bedoeld6
brievenbeweging zijn zamengevat.
(!) Noordelijk tot aan de grens van Wadjo (en dus met uitzonderingvan dit rijk) en zuidelijk met uitzondering van Goaen hetrijkje Laijkan (ïorathea-ianden).
(2) Blijkens liet medegedeelde in hoofdstuk II hiérvofen wordt he* helieer der brieven- en paardenposterij met 1 Januari] 1872 overgebrag hij liet departement der burgerlijke openbare werken £ een maatregel o1^ men vertrouwt dat eene gewensehte zomensmelting der post- en tolegraap1 diensten zal bevorderen.
11
JAREN.
!868. .
*869. .
1870.
PORTBETALENDE BRIEVEN.
Aantal.
1 635 974
1 625 489
1 704 526
Porto's.
f 191733
193 659
207 175
Aangeteekende
brieven.
Aantal.
56 442
65 955
75 210
Dienstbrieven.
Aantal.
1 270 014
1277 621
1 378 825
Totaal
der
aan postwissels
overgemaakte
sommen.
f 1807 827
1 865 326
1 999 703
Sedert in de residenten Menado en Amboina voor het _ervoer van postbrieven geene heerendienstpligtigen meer *°rdon gebezigd, geschiedt dit door vaste postloopers of jtoor onderhandsche inhuur van transportmiddelen. In de ^sidentie Amboina zou te dezer zake met een aannemer gorden gecontracteerd voor de jaren 1871—1873. In de 6sidentie Menado geschiedt het overbrengen per as der Postpakketten tusschen Menado en Kema mede bii uitbesteding. J
In de brievenverzending op Java kwam in Junij jl. deze gftreiding, dat voortaan tusschen Batavia en Soerabaija ' a Samarang ook postpakketten over zee worden ver
zonden, op dezelfde voorwaarden als waarop het vervoer over land plaats heeft.
Het buitenlandseh verkeer van brieven en drukwerken gedurende 1870 getuigde van eenige mindere levendigheid in vergelijking met de cijfers van 1869 ; tegenover die van 1868 viel echter toeneming op te merken. De volgende statistiek wijst dit nader aan. In verband met het in 1870 ingevoerde stelsel van begunstigde frankering, is het aantal gefrankeerde en ongefrankeerde brioven, voor zooveel noodig, afzonderlijk aangeduid.
N • 8. 2. 20
78
' O s o
C3 C3 o
SO bu
<D
a o3
• 5
•«S <
H
O
H
œ _ o3 i' s „ â t, œ o a ;- , a rrt o3 O o CC
- o! 03 w
o
03
+a 03 C3
~ a © ^ 3 °- I 2 cc « AS 0) ^L — S Ö 03 — u _2 so a « ' S c « S c 'S-M o Po M e« PS
CD PH
03 a
TS a
PH
B 03
a o bß a 03 > a o
o PH
03 a 03 -«I
o PH
a c3
O PH
a 03
O PH
o
(M
Q0 CO O
00
os CM
l> 0 0 <M

O CO CV (M
CO »o
00
t co CO
CO
c» 00 00 co
( N o !>• Ol (M
CO (M (M
• < *
CO
to o t
O
03 »O
>n CO co t»n
B 03 «1
O .a o
'O B 03 'S CD n3 o ,_;
a a
fcO
<D, PH
o PH
a 03
O
T5 h Cl; o JA
Cl
C<-<
'd
CU SD <» a O ^ (S C!
CO t
cn co CD t CM (M
C M
CO CO
C» »o cn
CS) oo
(M (M
CO CO o
<M
O
-* -*
o o »o o
CD O t CD CO
CO
I M (M
CM
oo <M 00 i H co CM
>ra o m o co
CO
as
00 t »o
CM
• > * CS) o (M CM
CM I> 00 00 00
CO o
CM
CO
co 00
»o OS >n »o
CO 0 0 co >n
C» CTi
o
C» CO
cn
00
CO
CO co CO
00 o o
t-o 00 CO
co oo
o o eo
co (M t > eo co
CM
00 CO
o
CO
CO
co
t '
cn C O eo
V n d ii b J °:
n
o J d P b
P 'V
C5 CO
eo co
CD CO m oo i n
i n oo
O t00
o
oo c
00 oo t> CO
Ir
i n o o
eo o

CO m t00 Ol
CM »n eo
CT5 CO
CO CM
co CO >ra CM CM
m (M oo
CM
en
oo co CD
co CM
eo b CO
P<5 «i
• " 8
S u
•M u »
s h TS S «J
i-< >
es
CO
C5 ( S CO o t» es
es C P es co es O es
79
In de regeling der buïtonlandsclie correspondentie (per Engelsche of Fr ansehe mail) werden sedert het jongste verslag verschillende wijzigingen gebragt deels in verband met definitive regelingen omtrent het gebruikmaken van den nieuwen verzendingsweg over Brindisi (Italie), waarvan in het vorig verslag, bladz. 57, sprake was, deels in verband met den oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland. In Julij jl. is echter de dienst der Fransche pakketbooton weder op den vroeger en vóór den oorlog bestaanden voet hersteld. Eene nieuwe (goedkoope) gelegenheid tot correspondentie met Nederlandsch Indie is in Julij jl. ontstaan door de opening eener directe stoomvaart tusschen Nederland en Java door het Suez-kanaal. De verzending door middel der bewuste stoomschepen, die van zes tot zes weken zal plaats hebben, geschiedt krachtens de bestaande wettelijke bepalingen op het brievenvervoer, tegen het gewone zeeport, bedragende voor brieven 20 cent per enkelen brief van 15 gram en voor gedrukte stukken en monsters van koopwaren, 5 cent voor elke 40 grammen of daarbeneden. Ten einde aan de nieuwe bepalingen omtrent het zeeport
in 't algemeen, gelijk die vervat zijn m de wet van 22 Juli, 1870 (Nederlandsch Staatsblad n°. 138), eene gelijkmatige uitvoering in Indie te verzekeren, waren op 1 Augustus jl. overwegingen aanhangig om de voorschriften van het reglement op de brievenposterij in Nederlandsch Indie (Indisch Staatsblad 1862, n°. 103 a) in overeenstemming daarmede te wiizi^en (1). Het getal zeebrieven is trouwens zeer onbeduidend; het beliep in 1870 149, in 1869 130. Van plaatsen in Indie, die in regtstreeksche stoomverbinding staan met Singapoer, zooals Macassar, Soerabaija, Samarang en Riouw, geschiedt de verzending, wanneer dit door de afzenders verlangd wordt, buiten tusschenkomst van het kantoor Batavia en dus buiten do gesloten brievenmalen. Deze stuksgewijze expeditie door tusschenkomst van het postkantoor te Singapoer, tot dusver krachtens huishoudelijke regeling in werking, werd gewettigd bij gouvernementsbesluit van 11 October 1870, n\ 8. Ten vervolge op vroegere opgaven van dien aard volgt hieronder een driejarig overzigt van de geldelijke uitkomsten der brievenposterij in Nederlandsch Indie.
JAREN.
1868
1869
1870
Porto's en regt van 1 per cent op geldartikelen.
Gedebi
teerde
postzegels.
f 398 297
395 175
351339
f 46 790
47 003
114 922
Te zamen.
Tractementen van het personeel.
bij de postkantoren.
f 445 087
442 178
466 261
bij hot brievenvervoer
Fourrage voor de paarden en buffels.
f 156 586
170 891
169 934
f 183 893
184 964
183 808
f 203 914
196 958
200 548
Diverse
andere
uitgaven.
f 193 288
192 207
159 370
Internationale correspondentie.
f 33 439
30 050
34 689
Te zamen.
f 771120
775 070
748 349
Paardenposterij. Het verkeer van de gouvernementspaardenposterij gaf in 1870, in vergelijking met de twee
voorafgegane jaren, de navolgende uitkomsten :
JAREN.
1868 .
1869 .
1870 .
O N T V A N G S T E N .
Particuliere reizigers.
Aantal verstrekkingen.
527
722
571
Bedrag.
f 34 240
34 896
28 689
Dienstreizigers.
Aantal verstrekkingen.
3763
3737
3642
Bedrag
(fictief).
f 166 046
157 531
154 862
Te zamen.
Aantal verstrekkingen.
4290
4459
4213
Bedrag.
f 200 286
192 427
183 551
U I T G A V E N .
Trac
tementen.
Fourrage voor de paarden en buffels.
f 51472
52 296
51436
f 132 876
126 956
127 580
Diverse
andere uit
gaven.
f 47 481
48 488
71810
Te zametii!
f 231 829
227 740
250 826
In het vervoer (van dienstreizigers) tusschen Soerabaija, Pasoeroean, Probolinggo en Malang en op do binnenwegen der regentschappen Pasoeroean en Bangil wordt voortdurend door een aannemer voorzien. Ook werd in 1870 eene overeenkomst gesloten voor den overvoer van zieken van Samarang naar Weliri, zijnde de laatste post op de grens Samarang—Pekalongan. Door overeenkomst met een particulier te Soerabaija werd de proef genomen om eene gesubsidieerde diligence-dienst in het_ leven te roepen van Soerabaija via Modjokerto naar Kediri. Op het eiland Madura wordt in de regentschappen Madura en Sumanap de paardenposterij onderhouden door de •heide panembahans. Behalve de gouvernements-paardenposterij langs de wegen Waa Soerakarta naar Samarang en Djokjokarta, bestaan in
de Vorstenlanden langs de wegen van Soerakarta naar Ngawi en van Djokjokarta naar Magelang nog paardenposterijen, die door den soesoehoenan en den sultan worden bekostigd. De te Djokjokarta bestaande particuliere onderneming, die met dergelijke ondernemingen te Magelang en Ambarawa in verband staat, is sedert ingetrokken. Voor zooveel bekend bestonden overigens in 1870 voor den overvoer van personen de navolgende particuliere ondernemingen: twee tusschen Batavia en Buitenzorg, één tusschen Samarang, Oenarang en Ambarawa, één tusschen Sa^marang en Koedoes, één tusschen Salatiga en Bawen,
(1) De -wijziging heeft plaats gehad bij Koninklijk .besluit van .48 Augustus 1871, n°. 13.
80
één (in 1870 opgerigt) tusschen Salatiga en Bringin, (1) één tusschen Ambarawa en Magelang, één (die echter sedert heeft opgehouden) tusschen Salatiga en Soerakarta, en twee tusschen Soerabaija en Pasoeroean.
§ 2. Pakketvaart en andere stoomvaartdiensten.
In de mail- en pakketvaartdienst in den Indischen Archipel , bewerkstelligd door de stoomschepen van de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij ingevolge het met haar aangegaan contract, werd in 1870 geen stoornis ondervonden. De aansluiting met de Fransche maildienst tusschen Marseille en China is tot Augustus 1870 éénmaal, en van af die maand tot 25 November 1870, — toon de aansluiting, ten gevolge van stremming in de communicatiemiddelen in Frankrijk, weder tot éénmaal 'smaands was moeten
worden tcruggebragt, — tweemaal 's maands onderhouden geworden door een stoomer van de Messageries Impériales de France, sedert genaamd »Messageries maritimes de France ". Het aantal stoomschepen der Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij bedroeg op ultimo December 1870,' 12 of 3 minder dan in 1869. Van de 6 door haar van de vroegere maatschappij der heeren BESIER en JONKHEYM overgenomen stoomschepen, werden er drie van de hand gedaan, deMenado, Vice- Admiraal Fabius en Betsy, respectively groot 600, 300 en 150 ton en een vermogen bezittendo van 90, 50 en 40 paardenkracht. Nog in het looponde jaar zal het materieel met twee stoomschepen van groot charter vermeerderd worden, terwijl de Maatschappij een derde stoomschip in aanbouw had gegeven. Eene aantooning van de namen, de tonnemaat en het stoomvermogen dor 12 schepen volgt hieronder :
N A M E N
DER
S T O O M S C H E P E N .
TONNEMAAT.
waarvoor zij bij de Maatschappij te boek staan.
Koning Willem I I I . . .
Koningin Sophia
Baron Sloet van de Beele . .
Minister Fransen van de Putte
Baron Bentinck
Minister van Staat Pochussen .
W. Cores de Vries . . . . . .
Koningin dor Nederlanden . .
Vice-president Prins . . . .
Sunda
Singapore . . . . . . . .
Batavia
naar hetgeen
zij werkelijk
innemen, a.
PAARDENKRACHT.
volgens de
tegenwoordige
opgaaf.
7562
1055
1055
1055
808
808
505
505
480
444
197
350
300
1000
1000
1000
800
800 300
400
500
600
200
260 300
7160
200
200
150
125
125
80
80
120
120
40
150
80
volgens
vroegere
opgaaf.
1470
200
200
150
120
120
80
80
120
120
40
80
80
1390
a. Deze ;opgaaf is ook in 't vorig verslag gevolgd.
Door de stoomschepen werden in het jaar 1870 afgelegd 249 340 Engelsche mijlen, tegen 245 380 Engelsche mijlen in 1869; het aantal overgovoerde passagiers dat in laatstgenoemd jaar bedroeg 48 272, was in 1870 48 296. ; , De ontvangsten der Maatschappij bedroegen, met inbegrip'Van het gouvernementssubsidie ad f 6,97|por geographische mijl, in 1870 per semester f 1 403 060 en f1491486, tegen f 1 379 675 en f 1 396 247 in 1869. Over de eerste zes maanden 1870 werd aan de aandeelhouders een dividend van 3 pet. uitgekeerd. Dat over het tweede semester zal vermoedelijk hetzelfde bedragen. In 1869 werd een dividend van 5 pet. uitgekeerd. Sedert December 1868 wordt tegen betaling van het gewone gouvernementssubsidie per geographische mijl — én dit diene tot verbetering der aanteekening in do noot op bladz. 58 van het vorig verslag — eene maandelijksche dienst onderhouden tusschen Padang en de noordelijke havens van Sumatra's Westkust. Het niet opnemen van die dienst in de door den directeur van binnenlandsch bestuur vastgestelde regeling der pakketvaart, is toe te schrijven aan de omstandigheid, dat die dienstregeling, als geheel
(1) Haar hetgeen van elders is gebleken, moet deze dienst, althans in. 1870. nog- niet in werking zijn gekomen.
van localen aard, steeds geschiedt in overleg met den gouverneur van Sumatra's Westkust. Deze stoomvaartlijn blijft voldoen aan de behoefte en wordt geregeld bodiend. De in Mei 1870 ondernomen proefvaart langs Java's Zuidkust, in verbinding behalve met Batavia en Soerabaija met de plaatsen beoosten Soerabaija, is na het volbrengen der vastgestelde zes maandelijkscho reizen, ongeacht hot weinige voordeel daarbij voor alsnog behaald, gedurende November en December onveranderd ;— en sedert op gewijzigden voet bestendigd. Terwijl in 1870 de dienst bij afwisseling plaats had : do eene maand van uit Batavia via Anjer, Tjilatjap, Patjitan, Banjoewangi, Bezoeki, Probolinggo en Pasoeroean naar Soerabaija, en de andere maand van uit laatstgenoemde plaats langs dezelfde havens terug naar Batavia, is met ingang van 1 January 1871 de lijn in twee op zich zelve staande maandelijksche vice-versa diensten gesplitst: ééno van Batavia via Anjer naar Tjilatjap en terug, slechts om de twee maanden uit to strekken tot Patjitan en terug, en ééno van Soerabaija naar Pasoeroean, Probolinggo, Bezo#ki, Banjoewangi en, met het oog op het meer en meer ontluikend handelsvertier tusschen Bali en Java, ook naar Bali Boelelong en terug. Behalve door het aandoen van Bali beveelt zich doze regoling overigens hierdoor aan, dat Batavia voor Tji
81
latjap het natuurlijk aanrakingspunt op Java's noordkust is, en op eenig beduidend vertier tusschen laatstgenoemde plaats en Soerabaija weinig uitzigt bestaat, terwijl daardoor tevens vermeden wordt de af' te leggen zeeweg tusschen Patjitan en Banjoewangi, het bevaren waarvan door het gemis van handelshavens op dat gedeete der zuidkust, geoordeeld werd , in den eersten tijd althans , geen enkel voordeel te zullen afwerpen. De nieuwe regeling zal aan subsidie kosten , naar den aangenomen maatstaf van f 6.97 per geographische mijl , f 3 0 026,76 'sjaars, terwijl de proefvaart van 1870, over 12 maanden berekend, een subsidie zou vereischen van f 20 575,44. Op beide sommen komen echter in mindering het subsidie voor de in Mei 1870 vooiioopig en sedert definitief ingetrokken tweede maandelijksche lijn tusschen Batavia en Palembang via Muntok (zie het vorig verslag bladz. 59) bedragende voor 12 reizen per jaar f 15 138,84. Bij de bestendiging der bovenbedoelde stoomgemeenschap, van welke krachtens eene in September 1870 verleende magtiging tevens voor het vervoer van militairen beneden den rang van officier mag worden gebruik gemaakt, ook in de gevallen dat zij bestemd worden naar plaatsen in de nabijheid der aan te doene kustplaatsen gelegen (zie het voiïg verslag, bladz. 59), is aan de Stoomvaartmaatschappij alsnog uitgekeerd het haar aankomend subsidie over de proefreizen van 1870, die alleen dan zonder meerdere kosten voor den lande zouden zijn uitgevoerd , voor het geval de proef' door het Opperbestuur niet mögt zijn goedgekeurd. Van het plan om, na afloop van het betrekkelijk .contract, aan de hierbedoelde stoomverbinding ook het transport van zout naar Java's zuidkust vast te knoopen , is moeten worden afgezien. Bij eene vergelijking van de tegenwoordige kosten van dat transport met hetgeen aan de Stoomvaart maatschappij zoude moeten worden betaald, is gebleken , dat het transport met zeilschepen aanmerkelijk goedkooper is. De Maatschappij heeft dan ook van alle concurrentie afgezien en zal bedoeld transport, waarvoor het contract met ultimo 1871 eindigt, in het loopende jaar als gewoonlijk worden uitbesteed. Met het oog op de groote hoeveelheid goederen , die sedert de opening van het Suez-kanaal direct van Europa via Singapoer te Batavia wordt aangebragt, besloot de Maatschappij wekelijks een harer booten tusschen Batavia en Singapoer te doen varen. Dien ten gevolge is sedert September 1870 de stoomcommunicatie met laatstgenoemde plaats verdubbeld en wel door eene ongesubsidieerde dienst. Daarentegen is, ingaande met 1871, wegens de onvoldoende resultaten, ingetrokken de maandelijksche niet gesubsidieerde dienst van Soerabaija naar Bandjermasin, zoodat laatstgemelde plaats thans slechts eenmaal 's maands wordt bezocht. Met het oog op het deswege aangeteekende in het verslag van 1869, bladz. 56, kan gemeld, dat bij een arrest van den Hoogen Raad der' Nederlanden van 25 November 1870, met vernietiging van de uitspraak des eersten regters, werd uitgemaakt, dat met de uitdrukking »passagiers", voorkomende in art. 14 der met de Stoomvaartmaatschappij bestaande overeenkomst (Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 1782) niet kunnen bedoeld zijn expeditionaire troepen, zoodat de Regering verklaard werd die overeenkomst niet te hebben geschonden door voor het vervoer dier troepen (bij gelegenheid der Pasoemah-expeditie) geen gebruik te hebben gemaakt van de booten der Slaat schappij. De eisch tot schadevergoeding is alzoo aan deze laatste ontzegd. Omtrent de voortzetting der pakket vaart in den Indischen Archipel, na het ten einde loopen van het thans werkende contract (ultimo 1875) zijn bij de Indische Regering adressen in behandeling zoowel van den hoofdagent en vertegenwoordiger der Stoomvaartmaatschappij als van de firma DÜMMLER & O . te Batavia.
Buiten de hooger genoemde pakketbooten waren in 1870 voor zooveel noodig met vergunning van de Regering overeenkomstig Indisch Staatsblad 1866, n°. 146, nog de volgende meerendeels kleine stoomschepen, in Indiein de vaart :
de raderstoombooten Tjitarum en Tjiliwong (respectivelijk groot 53 en 29 last), dienende voor het vervoer van per
sonen en het slepen van vaartuigen naar en van de reede van Batavia en nabijgelegen plaatsen', waaronder ook het slepen , naar en van Moeara Gembong, van de ijzeren laadschouwen bestemd tot het afhalen der producten van Tjikao naar Batavia; (de drie aan dezelfde onderneming, het Bataviaasch praauwenveer , behoorende stoompraauwen voor goederenvervoer tusschen den vasten wal en de reede van Batavia — zie het verslag van 1869, bladz. 56 — zijn van hare werktuigen ontdaan geworden en derhalve uit de lijst der stoomvaarUiigen afgevoerd) ;
de schroefstoomsloep Tjidani, groot 10 last, toebehoorende aan het Bataviaasch tjuniaveer en bestemd voor het vervoer van personen en goederen naar de reede, buitenreede en omliggende eilanden van Batavia, als ook voor het slepen van vaartuigen ;
de stoomschepen Javaan en Mareah (vroeger genaamd Samarang) (respectivelijk groot 31 en 25 last), voor diensten op de reede van Samarang en voor het slepen van vaartuigen langs de noordkust van Java ;
de houten raderstoomsleepbooten Ardjoeno en Semeroe (respectivelijk groot 58 en 56 last en elk van 50 paardenkracht), voor het slepen van vaartuigen naar en van de reede van Soerabaija en tot het verleenen van alle zoodanige diensten als de omstandigheden medebrengen;
de raderstoompraauw Soengiet, groot 6 last, voor het personenvervoer tusschen Soerabaija en Grissee;
da schroefstoomboot Onderneming, groot 14 last, voor personenen goederenvervoer tusschen Padang, Priainan en Painan (Sumatra's Westkust) ;
het voor particulier gebruik in dienst zijnde houten raderstoomschip Coquette (groot 26 last) en de ijzeren schroefstoomsloep Melatti, beide in eigendom toebehoorende aan den eigenaar der Pamanoekan- en Tjiassemlanden (Krawaii") ;
deschroefstoomsloep Kentjil, toebehoorende aan eene firma te Batavia, en gebezigd wordende ten dienste eener particuliere houtkap-onderneming op de Lagoendi-eilanden (Lampongsche districten);
de schroefstoomsloep Insulinde, bestemd tot het overbrengen van drinkwater van Anjer naar de voorbijvarende schepen , tot sleepdiensten en tot het overvoeren van dekpassagiers en goederen van Anjer naar de Lampongsbaai en nabij gelegen eilanden vice versa;
het raderstoomschip Eersteling en het schroefstoomschïp Prins Hendrik der Nederlanden, respectivelijk groot 46 en 86 last, toebehoorende aan de Billiton-maatschappij en bestemd voor het vervoer van goederen der maatschappij en van personen in hare dienst;
het schroefstoomschip Menado, groot 295 last, bestemd tot het vervoer van passagiers en goederen en het slepen van vaartuigen in en buiten den Indischen Archipel, voornamelijk dienstdoende tusschen Batavia en Djeddah (Arabie) ;
de stoomer Betsy, groot 39'/2 last, voor de vaart tusschen Pontianak en Singapoer en tusschen Pontianak en Sintang (1);
de stoomboot Henriette, blijkens de in Augustus 1870 aan de agenten dier boot te Batavia verleende vergunning bestemd voor het vervoer van passagiers en goederen en het slepen van vaartuigen ; en
eindelijk het houten schroefstoomvaartuig Ogan Oeloe, dienende tot het vervoeren van goederen langs de rivieren en stroomen der residentie Palembang.
De in 't vorig verslag bedoelde voorstellen der Nederlandsch Indische Stoomvaartmaatschappij tot het in 't leven roepen, met ondersteuning uit's lands kas, eener additionele dienst voor eene meer of minder directe stoomgemeenschap met Nederland (in 't laatst van 1869 door haren hoofdagent te Batavia, den heer A. FEASER, tijdens diens aanwezen
(t) Zoo als hooger blijkt, behoorden de Menado en de JBetsy in 1869 aan de Nederlandsen-Indische Stoomvaartmaatschappij, die echter deze booten, zoomede het stoomschip Vice-admiraal Fabius van de hand had gedaan. Van laatstgemeld stoomschip is geene nieuwe bestemming vermeld gevonden. F . 8. 2. 21

82
hier te lande, voorgedragen) werden door de Regering slechts in overweging genomen voor zooveel de in liet plan beo-repen lijn Batavia-Bombay betrof, waaromtrent den Gouverneur-Generaal een onderzoek werd opgedragen. Sedert is op die voorstellen niet teruggekomen en schijnen de plannen, waarop zij betrekking hadden, te zijn opgegeven weo-ens het uitblijven der in Australie ontworpen maildienst° tusschen Sidney en Singapoer via Torreestraat, waarmede de zaak in verband stond. Vermits het door den heer FRASER destijds geopende uitzigt, dat in deze laatste lijn Java zonder subsidie zou worden opgenomen, volgens latere mededeeling in geen geval verwezenlijkt beloofde te worden , werd door hem in 't laatst van 1870 aan de Indische Regering een plan ontwikkeld betreffende het op andere wijze tot stand brengen van een stoomverkeer tusschen Java en Australie, in zoover dat daarbij geen eigenlijke (snelle) maildienst met Europa, maar eene soort van kustvaart beoogd werd, die eens per maand Singapoer on Nederlandsen Indie (Batavia, TimorKoepang en Soerabaija) in verbinding zou brengen met alle voorname havens van Australie, en waarvoor van de zijde van Nederlandsch Indie gedurende tien jaren een subsidie werd verlangd van minstens f 120 000 en hoogstens f 144 000 's j aars, terwijl van de belanghebbende Australische gouvernementen gezamenlijk een subsidie zou gevorderd worden van minstens f300 000 en hoogstens f360 000 'sjaars. Vol-ens den ontwerper had de Br'itsch-Indische Stoomyaartmaatschapp'y', die de kustvaart in Britsch-Indie exploiteert, voor de ontworpen onderneming drie en des noods vier stcomschepen beschikbaar. Van deze nieuwe door de Indische Regering ondersteunde poging tot verwezenlijking van het sedert 1865 besproken denkbeeld eener geregelde stoomgemeenschap tusschen Java en Australie , werd hier te lande met belangstelling kennis o-enomen. Daar echter de ondernemer nog onderhandelingen met de Australische gouvernementen moest_aanvangen of tot een gewenscht einde brengen, werd in Maart 1871 aan den Gouverneur-Generaal geantwoord, dat de vraao- of het Nederlandsch-Indisch Gouvernement subsidie zou toeleggen, nog niet rijp was te achten voor eene beslissing, en dat het aan den heer FRASER te geven antwoorden dien stand der zaak geene andere strekking ko n hebben dan dat zijne voorstellen , zoolang hij geene meerdere zekerheid voor de uitvoering der bedoelde plannen zou kunnen aanbieden, niet voor eene bepaalde beschikking vatbaar waren. Volgens berigten van Mei jl. had de lieer FRASEER het voornemen in 't laatst dier maand via Ceylon naar Australie te vertrekken , ten einde zich nader met de verschillende gouvernementen over de zaak te verstaan. De te Amsterdam gevestigde stoomvaartmaatschappij » Nederland" (zie het vorig verslag bladz. 59) had, na de ramp op 19 Mei jl., daags na het vertrek uit het Nieuwe Diep, aan het stoomschip Willem III overkomen, op den lsten Augustus nog slechts één stoomer in de vaart, de Prins van Oranje, welke bodem den 29sten Julij jl. deregtstreeksche stoomvaart tusschen Nederland en Java via het Suez-kanaal heeft geopend (1). Het aan boord van de Willem III geëmbarqueerd geweest detachement van 125 militairen is, na gedurende eemge dan-en door de welwillende zorgen der Engelsche autoriteiten te Portsmouth gehuisvest te zijn geweest, via Nederland per gewone schèepsgelegenheid naar Indie vertrokken. Voor den overvoer van gouvernementsgoederen kon, wegens de zeer hooge vrachten, van de booten der Maatschappij slechts gebruik worden gemaakt voor die boDoodigdheden, op welker versnelde overbrenging naar Indie bepaaldelijk prijs was te stellen. Daaronder waren, tijdens het in lading liggen van de Willem III, alleen te rangschikken 126 kisten opium benevens f 200 000 aan specie. Ofschoon in beschadigden toestand, is van de opium een niet onbelangrijk deel, van de specie schier alles later nog uit het wrak°gered en geborgen. . De gouvernementslading- aan boord van de Frins van Oranje bestaat uit f 100 000 specie. Van de door deze stoomvaart verschafte goedkoope gelegenheid tot overbrenging van brieven is reeds gehandeld in°§ 1 dezer afdeeling ; terwijl van eene beslissing aangaande
het afteekenen van certificaten van oorsprong, waardoor de handel in het gebruik maken van schepen als de hierbedoelde wordt geriefd, lager melding wordt gemaakt in hoofdstuk M, afdeeling I , § ib (1). Het verzoek van de Maatschappij om als tijdelijk hulpmiddel, in afwachting van verbetering in den voor groote schepen onvoldoenden toestand van de havens op Java, voor den opslag van steenkolen, waarloos materieel en c. q. ook van vrachtgoederen, gebruik te mogen maken van het eiland Purmerend aan de westkust van de reede van Batavia, is met aanbeveling aan de Indische Regering ter beslissing doorgezonden.
Bi. IBepartement van onderwijs, «eredienst en nijverheid.
I. ONDERWIJS.
§ 1. Voor Europeanen en met dezen gelijkgestelden.
Gymnasium Willem III te Batavia. Het verslag dezer instelling over den cursus 1869/70 (I October—ult°. September) luidt weder zeer bevredigend zoowel wat de afdeeling »hoogere burgerschool" als wat die voor »taal-, land- en volkenkunde" betreft. Het onderwijs bij laatstgenoemde afdeeling, ofschoon door de in 1869 plaats gehad hebbende vervroeging van het zoogenaamd groot ambtenaarsexamen gebaat (zie het vorig verslag bladz. 60), ondervond echter nog eenige stremming, doordien dat examen , in September begonnen, niet eerder dan medio October was afgeloopen, zoodat de cursus eerst na dien tijd kon aanvangen. Bij de afdeeling » hoogere burgerschool" deed zich nog gedurende den geheelen cursus de behoefte o-evoelen. aan eene uitbreiding van het aantal leeraren, vermits de aanstelling der twee nieuwe docenten , ofschoon in Mei 1870 toegestaan, eerst in 'September daaraanvolgende plaats vond, zoodat de gowenschte splitsing deitalrijkst bezochte klasse eerst met den nieuwen cursus 1870/71 is kunnen worden ingevoerd. Omtrent het gedrag der leerlingen en hun ijver voor studie en lectuur blijft het algemeen getuigenis der leeraren gunstig. Door de studenten voor taal-, land- en volkenkunde°(voor welke afdeeling het beginsel van vrije studie in zijn geheelen omvang is aangenomen) werden de collégien zeer geregeld en met vrucht bezocht. Aan het overgangsexamen der hoogere burgerschool namen 77 leerlingen deel, waarvan 1 vóór den afloop van het examen de inrigting verliet. Van de 76 overigen konden , even als in 't vorig jaar (toen het aantal deelnemers 80 beliep), 26 niet tot eene hoogere klasse overgaan, hetgeen nogtans voor do meesten, hun aanleg in aanmerking genomen, niet aan gebrek aan ijver kon geweten wordenVoor de eerste maal werd het eindexamen der hoogere burgerschool afgenomen. De daartoe door den Gouverneur-Generaal benoemde commissie, waarin eenige leden van het collegie van curatoren en de directeur der inrigting zitting hadden, was uitgenoodigd geworden om bij het afnemen van dit examen als leiddraad te nemen de ten behoeve der Nederlandsche commissien voor de eindexamens der hoogere burgerscholen hier te lande gegeven voorschriften , vervat in het Koninklijk besluit van 10 Maar' 1870 [Nederlandsch Staatsblad n». 49). De drie leerlingen van het 5de studiejaar, die aan het examen deelnamen (September 1870), verkregen alle» het diploma. Door 6 anderen van datzelfde studiejaar werd het gedeelte A, door 8 studonten van het^2de studiejaar der afdeeling » taal-, land en volkenkunde " het gedeelte P van het groot ambtenaars-examen met goed gevolg afgelegdHet volgends staatje geeft eene recapitulatie van het aanwezig getal leerlingen en studenten op 1 Octobei 1869, de in den loop van den cursus daarin voorgekomen veranderingen, zoomede van de aanwezige sterkte bij h« begin van den cursus 1870/71.
(1) In de volgende maand zal ook het stoomschip Prins Hendrik in de vaart komen.
(1) Naar diezelfde paragraaph zij ook verwezen voor de onlang-s ' 't belang- der stoomvaart op Indie in 't algemeen, door den Gouverneur Generaal ten behoeve van stoomschepen toegestane afwijkingen van "• bepalingen op het laden en lossen van goederen.
83
Afdeeling >> hoogere burgerschool."
Istestu diejaar,
2de
3de »
4de »
5de »
Toehoorders.
§ A .3° 'B O N O C ^ , f e « o ß > K « ^ =e B OS •—. • I H t o OS DÇoo t o
i ^ ai H « = S< 03 tK 05 _B ^ . B S O
: B > " ** M
Afdeeling "taal-, land en volkenkunde".
Eene splitsing Daar gelang f \an het stu-} ^iejaar is nie tl opgegeven.
33
27
20
14
100
10
t» -B O . œ r* 8<3 S
ß K » 05 g M ' B rH X^~fl 03 , B B
2 &C S ß %* + ^ B &0 " 'u p.5 IB 'B © 'B 03 « B S ß 05 ' S 2-5 § 3 03 03
O
34
27
20
16
104
14
2 M 3 B i-. *^ 3 SO u "S
'B 05 'B 05 ^ ß £ - ° . . 5 05 ' B j H 03 HH
Aanwezig bij het eind van den cursus (September 1870).
16
a 32
e 11
a t*
10
18
10
43
16
29
'B °
05 B - g 05 ,3 |£ 03 3 60 S 03 . S O fi H
g OM 'B O N Z. 05 BCLfe « H a > b c3
S ? 5 HH U O ß O w
AANMERKINGEN.
26
25
16 541
114
72
c l
42
/ 9
d 114
12
a. Van de 32 leerlingen die de afdeeling " hoogere burgerschool " verlieten, geschiedde dit bij 1 wegens ziekte, 2 wegens finantieel onvermogen, 5 wegens vertrek naar Europa, 6 na afgelegd ambtenaars-examen (gedeelte A), 3 na afgelegd eindexamen der afdeeling »hoogere burgerschool," 2 om in gouvernementsdienst te treden,' 1 om tot architect, 1 om in den'handel te worden opgeleid, 2 om elders hunne opleiding te ontvangen , 3 om hunne studiën zelfstandig voort te zetten en 6 met het voornemen om later terug te keeren.
b. Hiervan 4 oudleerlingen en 37 nieuw ingeschrevenen. Aan het toelatingsexamen werd deel genomen door 55 en voldaan door 40 jonge lieden, 3 van de laatsten lieten zich echter niet inschrijven.
. Oudleerling aan wien vergund werd de lessen in het 4de en 5de studiejaar als toehoorder te volgen.
d. Hiervan 61 internen en 53 externen.
Hiervan vertrok 1 om zijne studiën voor het gedeelte A van het ambtenaars-examen voort te zetten, 2 om in Nederland voor gedeelte B van dat examen te gaan studeren, terwijl de 8 overige bedoeld examen B te Batavia met goed gevolg aflegden.
, Hiervan 4 leerlingen der afdeeling »hoogere burgerschool'', die in September 1870 examen A hadden afgelegd en 5 nieuwe leerlingen.
Over eene gelijkstelling van het gymnasium te Batavia •Det eene hoogere burgerschool in Nederland ten opzigte van de regten aan het diploma van goed volbragt eindexamen verbonden, welk diploma voortaan ook in Indie 'e verkrijgen zal zijn door personen die het onderwijs aan Zodanige inrigting niet hebben bijgewoond (1), zijn overwegingen aanhangig. Gedurende het schooljaar 1868/69 bedroegen de uitgaven <W inrigting f 151900 en de ontvangsten f 41560; voor tfen cursus 1869/70 waren deze cijfers respectivelijk f 150108 eQ f 43 810. Aan de huishouding werd in het jongste schooljaar uitgegeven f 45 888, aan tractementen van leerden , opvoeders, administrateur, geneesheer, suppoosten enz. f 104 220. Gerekend over de dienstjaren 1869 en 1870 Waren de cijfers als volgt :
, (!) Vergelijk het medegedeelde in hoofdstuk W, § i, betreffende de "ersiening der verordening van 10 September 1864, omtrent het benoemen van ambtenaren bij de burgerlijke dienst in Indie.
1869.
Uitgaven f 153 515
Ontvangsten. 42 080
1870.
f 158 464
43 365
De in 't vorig verslag bedoelde uitbreiding op grootere schaal van het natuur- en scheikundig kabinet had in 1870 nog niet kunnen plaats vinden. Een eersto gedeelte deiuit Nederland gevraagde toestellen, instrumenten enz. is vóór weinige maanden verzonden. De eerste Koning van Siam stelde, ter herinnering aan het door hem in Maart 1871 aan het gymnasium gebragt bezoek, bij zijn vertrek van Java (zie hoofdstuk C, § 1, hiervoren) eene som van f 10 000 ter beschikking van het collegie van curatoren, met het doel om daarmede eene beurs te vormen, waaruit een zoon van een verdienstelijk landsdienaar bij de instelling zal kunnen worden onderwezen en opgevoed.
Ambacl*tsschool te Soerabaija. Het getal leerlingen ver
84
meerderde met 4. Tegen 22 in December 1869, telde de inrigting er 26 op het einde van 1870, waarvan 2 in de hoogste, 11 in de middelste en 13 in de laagste klasse. Even als in het voorafgegane jaar werd de school achtereenvolgens door 39 leerlingen bezocht. 13 leerlingen verlieten de school: met welke bestemming kon niet worden opgegeven. Aan den lsten onderwijzer werd in het begin van 1871 en sedert ook aan den 2den onderwijzer wegens ziekte verlof naar Nederland verleend. Gemis aan geschikte candidaten deed aanvankelijk moeijelijkheid ondervinden om in deze vacatures te voorzien. De voorziening heeft echter sedert plaats gehad. Omtrent de resultaten en den toestand van het onderwijs kon over het afgeloopen jaar niet gunstiger worden berigt dan vroeger. Aangezien geen der leerlingen genoegzaam gevorderd was om in eene hoogere klasse over te gaan bleef het openbaar examen ditmaal achterwege. De voorstellen betreffende eené hervorming van de ambachtsschool in eene industrieschool (zie het vorig verslag bladz. 60; bleven in Indie nog in behandeling.
Lager onderwijs. De werking der verordeningen op het lager onderwijs voor Europeanen en met dezen gelijkgestelden {Indisch Staatsblad 1868, n°. 81 en 82) liet over het algemeen weinig te wenschen over. Aangaande sommige harer bepalingen had echter de ondervinding de wenschelijkheid eener wijziging aan het licht gebragt. Die wijzigingen betroffen onder andere: het aannemen eener betere verhouding van het getal hulponderwijzers tot dat der leerlingen, wier ontwikkeling, vooral in de laagste klassen, doorgaans zeer veel te wenschen overlaat en wier onderwijs derhalve veel tijd en moeite kost; — het zoo min mogelijk bezigen van kweekelingen , van welk hulppersoneel men slechts zeer weinig diensten ondervond ; — het schenken Tan meerdere vrijheid aan de inspecteurs van het school
wezen omtrent het al dan niet herhalen, meer dan eenmaa' 'sjaars, van het bezoek der scholen in hun ressort;—b e
aannemen eener betere tijdsverdeeling voor het onderwijs def
verschillende klassen; — het stellen van regelen ter bevor
dering eener meer gelijkmatige toepassing van het tartf' van schoolgelden, enz. (1). Wat den toestand van het lager onderwijs geduren«9
1870 betreft, viel ten aanzien van het openbaar onderwijs i in weerwil van de vele in 't vorig verslag (bladz. 62) vet' melde bezwaren die dat onderwijs in Indie in den vt*& staan, eenige vooruitgang niet te miskennen. Werktuig6' lijkheid, waar deze bestond, maakte meer en meer plaat' voor een ontwikkelenden leergang en voor ruimere opvat' ting van het doel van het onderwijs. Ten aanzien der bijzondere scholen getuigen do versla' gen der inspecteurs wel is waar mede van eenigen voor uitgang, doch tevens met de opmerking — enkele gunstig6
uitzonderingen daargelaten — dat veelal nog te wein'ê wordt gestreefd naar ontwikkeling van het verstand. Zul»' wordt voornamelijk toegeschreven aan het maar al te vaa* toegeven door de onderwijzers aan het verlangen van vele
ouders om hunne kinderen , op welke wijze dan ook, z°° ver te brengen, dat zij reeds vroegtijdig aan het middel' baar onderwijs kunnen deel nemen. Het groote meerendeel der scholen werd in het afge' loopen jaar door de drie inspecteurs, ieder in hun ressort' geregeld twee malen, al de overige ééns bezocht. Terwijl eene statistiek van het bijzonder onderwijs laget
hare plaats vindt, volge hier een algemeen overzigt va" het aantal enz. der openbare lagere scholen op het einde va' 1869 en 1870.
(1) De uitvaardiging dezer wijzigingen wacht op de gevraagde mag tiging des Konings. Eene voordragt, strekkende om die magtigö>« voor zooveel vereischt, te verleenen en waarop reeds de Raad van Sta' is gehoord, is op dit oogenblik bij het Departement van Kolonien ' eindbewerking.
85
Si _ •U9}sSaBAiao J9p 5}9JJJB va ' 2ajia99i agd ppppiuioS u9}so;ji
Jaar
lijksche
inkomsten.
Jaar
lijksche
uitgaven.
Aantal leerlingen die in den loop van het jaar de school verlieten.
•U9Î0U9S ngqqgq 9} sftiAjap -UO pU90p{OA J9pn02
•SflAl -jspno ptOOJJOA B^J
•U9SUJJJ9JS00 9pm99JA U9 BJ9pUB]UI
a a) > u <S a
Aantal leerlingen. Aantal onderwijzers in
active dienst. (1)
Aantal
gou vernementsscholen.
•essBiq 9}SSBBJ gp ni
•9SSBJ3[ 9}«S00q 9p UI
•U9UTBZ 9J,
•9pU9|BJ9q !)9Ij£
•gpnaj'Bjgg;
•U9UTBZ 9X
•n9§UJI9^99Ai2I
•sj9z(tM.J9pnodjnjj
•sj9zfiAijepuopjoojj
•TOUTBZ 9J,
•uoSnjwjzgqugjmg;
•BjnpBJÇ U9 BABJ»
Ultimo
December ven
(7)
f 95,62
(7)
f 103 027
(7)
f 488 401
1665
1235
— H * CO t>0» rH
(5)266
(6)193
2347
2060
© »o
CD t >
(3)4223
(4)4030
2047
2001
2176
2029
»o co
rH rH
CO rH T-H i-H
rH TH t> CO
68
(2) 68
00 00 co co
Ci Ci rH rH
Ci Ci TH TH
1870 . . . .
1869 . . . .
a a
& a
B a
O co • * a
m
co
oo »1 a
a 00
co Ci -* a
co
TH T-H a
Od rH B
O
t> ". _
a a
a a
a a
a a
Vermeerdering.
Vermindering .
N". 8. 2.
M i> T3
i r a o
-S m m OJ CJ
a; H 3
m U
* T te o T-I d o >ra -^ 3
O on i-H
C a! > CD 13 a CD
A
C i CO CO T-H
a
n cn Sf a
tu
tu CP f* -M •—< T-H
Ö OJ
O a 0J
w
GLi c3
T i
m o A
« a o
rs W .9
MH O u a> >
o a <P ' d a s s> a ^ tu CP
a
(!) S
f/) o
'O a o 1 t/J c CD a O a u OJ > s o
a a> T3 U CP 'W
M o 1 3
r^ a OJ
OJ X ) C!) OJ t* - M
OJ T l >ra CO
T 0)
Oi OJ
OJ ' O
• * r H
a o;
0J -*-> • r a o fcß _a OJ ^ 3
cp * -M
CO r H
m a 0) > OJ a OJ taoA n
O
» cp WJ
tfl
J4
§ r §
o CO CP 'T}
J3
t o
CP K
n
T-H t ~ a OJ
CP 1 1
CP CD l* H>-»
• • 86
Het getal openbare lagere scholen onderging^ in 1870 geene verandering; dat der leerlingen echter beliep onder ultimo 1870, 193 meer dan het jaar te voren._ (L) De twee nieuwe scholen, tot welker oprigting blijkens het vorig verslag besloten was, te Sitoebondo (Bezoeki) en te Telok-Betong (Lampongsche districten), konden vóór het eind van 1870 nog niet geopend worden. (2) Voor sommige plaatsen, zoo op als buiten Java, is de oprigting van scholen in overweging. In afwijking van het aangenomen beginsel, dat de oprigting van eene school afhankelijk maakt var. de aanwezigheid van minstens 20 kinderen (vergelijk het vorig verslag, bladz. 62), werd aangenomen (Januarij 1871), dat tot het oprigten van scholen in de bezittingen buiten Java en Madura kan worden besloten bij een minimum-getal van 15 kinderen, en tevens bepaald dat dit cijfer voor de hoofdplaatsen der residentien niet behoeft te worden bereikt, indien de behoefte op aannemelijke gronden kan worden aangetoond. In 1870 traden in Indie bij het openbaar lager onderwijs 5 personen in dienst, waarvan 1 als onderwijzer der 2de klasse (welke klasse het bezit van den hoofdonderwijzersaang vordert) en 4 als onderwijzer der 3de_ klasse, voor welke klasse met den rang van hulponderwijzer kan worden volstaan. De 8 hulponderwijzers, die onder ultimo
(1) Zie omtrent de toelating- van inlanders op de Europesche openbare lagere scholen het lager vermelde in § 2 dezer afdeelinç (bladz. 89).
(2) De laatste is sedert Maart 1871 in werking.
1869 nog als waarnemend hoofdonderwijzer werkzaam waren , werden in 1870 allen teruggeplaatst in hun vorigerang of op verzoek eervol uit 's lands dienst ontslagen, zoodat alle scholen thans onder de leiding van eenhoofdn onderwijzer staan. De (respectivelijk voor de jaren 1870 en 1871) uit Nederland aangevraagde 8 hoofd- en 18 hulponderwijzers (onder deze laatsten de 8 in 't vorig verslag bedoeld) zijn allen op één na, die zich vóór zijne uitzending terugtrok, achtereenvolgens ter beschikking van de Indische Regering gesteld, de laatste 14 in Januarij 1871. Van de 17 hulponderwijzers hadden 10 den rang van hoofdonderwijzer. Maatregelen waren genomen om met de te Batavia te openen normaallessen voor hulponderwijzers (zie het vorige verslag bladz. 62) met 1 Julij 1871 een aanvang te maken. De cursus is op twee jaren bepaald en omvat al de vakken van het programma ter verkrijging eener acte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer, bedoeld bij Indisch Staatshlad 1868, n°. 82. Aan de hoofdonderwijzers der openbare lagere en der bijzondere scholen, zoomede aan de hoofden hulponderwijzeressen is het vergund bij de lessen tegenwoordig te zijn. De volgende staat geeft een overzigt van de inrigtingen van bijzonder onderwijs over de jaren 1869 en 1870, wat eerstgemeld jaar betreft, aangevuld met de in 't vorig verslag ontbrekende opgaven van Meester-Cornelis en van Bima. (Van Bandjermasin, waaromtrent in't vorig verslag mede de cijfers ontbraken, is thans in 't geheel geen opgaaf gedaan.)
87
§>
s
C cä «4
•P3B}0X
•sefsiepj
•sneSnof
60 si OJ 'i ss
».g'
c
0 O
.g S
- S o i M es _ SB O CI S c3 o o ^
O h ° PH | § S
C3 t-* j _ . •s ° S ™;3 °
§.2'S
c3 et fcD 03 r a
' S »
g 8>.8 s
S 2
OS 6D M « S O !- ?„ o so R te co P P «
bc.!
CD ä _£ CD . S * — ^ j ^ j bD »s 2 3 CO r^ . £
3 te Ji
CU r~i bc g
c3 > ."S > O P
-rJH - H O l CM oo CM co o 00 "-I co >c »ra (M <M
oo »ra r-1 CO CO
00 i H C
CM
CO i—i CO
OS CD CD CM CD vO O -*
© lx «
a.
•uaAvno.T^
•uganejç
fc
•U9SS9.I -azfiAi..i9pnod|njj
•sjszftjtt..T9puod]nx-l
•n9SS9J9zflAJ8paO -pjooqPAÏjo-pjooH
00 CO
-"f l >
00 CM
1-H CM PH ^ CO "*ƒ<
•g.I9ZftjVi..I9pU0 -pjooq-pA4.jo-pjooji
•U9iot[os jtnirey
'IBBIOJ,
•sgfsigpi
CO CM r-( i - H C O r - I C M C O C D r H r - l -*
• *
o o o o o o a o « * c o c o o o » o c M ^ i r a o c M c o » o c M » r a O * i t > C D * - H CM (M rH CO CO CO rH CO T H I O C N C M T H r H i - H C M CD »ra CO o o CM
0 0 O C 0 0 0 O C 0 C 0 0 0 C M C 0 0 5 * O C M r i a 0 < M O O t > . - # CD C M O T M CO i l C 0 r - ( T H C M ' > - I r - I r - I - * CO CM Ci - I CO
•sugSaof
Si
<X)
d o CO o PH
•n9Avno.iA
•ugunupj
•U9SS9J -9zfiM.i9pnodpaj[
O 00 (M CO -H CM
- ^ CO O O CO C75 »O O l r-l CO O CM ! > 00 oo CD
co CM
•sjgzfiAi.rapuodpjj
•n9SS9J9zftMJ9pno •pjooq-pMjo-pjooH
•SJ9zflAi.J9pU0 -pjooq-pM.jo-pjooH
C l CM
•trajoips jwjiiBy
C 0 C M T - 4 r H ^ H O l - H C M C M Ï > T - ( i H r H r H T - l i H T - l r H T H T - C 1—t
CO . . . . . • 1
O . f l - r » • • * ° a hn • -î-î «• * • • . 9 « „ i ï f , i Ä l « J ï ï . K .a • g s § | § S | ä § i g ^ g . | § ^ * - g g , | i | s ^ i j - s j 8 5 s s I .a i ? 1 ,a I p q S M O P - i ! » ^ a 2 « a ! S P - i P M S P c o W P H S W
OS
CE
Px
es C3 ^-* o H
88
De gelegenheid tot het afleggen van examen ter bekorning van eene acte van bekwaamheid tot het geven van schoolen huisonderwijs, werd in 1870 tweemaal opengesteld te Batavia, Samarang, Soerabaija, Soerakarta, Macassar,
Amboina en Padang. In het geheel hebben zich tot afleggen van examen 58 persoieu aangemeld tegen 67 I 1869. De uitkomsten dier examens kunnen blijken uit ße
volgende staatje.
1870.
Toegelaten
Afgewezen.
1869.
Toegelaten .
Afgewezen. .
Aantal candidaten ter verkrijging eener acte van bekwaamheid als:
'O a o 'O o o w
4
10
14
14
'O a o
t—* 3 Hl
o 'O a o
O O «
'O a o fi« 13 W
u <o ' O • O CQ 'B n
OQ ©
©
ÏÎH»
CD ' O a o CO • FH 3 M
3
2
2
2
• g fm CD ' O n
8 1 f*
'S ° a m O
1)
2
5
1
i 60 O o tu CD •d «'S
§_§ IH»-« £• °
C? M
CD S ' S * O
»
1
»
n
'a
01 'g 00 CD &0
o ' O
d
03 CO S CD
CD S N M :z? o 5 <*>
T" o
a _: .a
£ 5
r—' crt c8 +•»
o
3 'O
2
>
»
j
i a
o 'O a • i-H
S 5 © -^
U CO «'S 'g U) O
3
1
2
))
1 CO • rH
CD ' O
C • FH
( d CD
F 'O
CD a 'S-S o
2
»
1
1
a a CD
1 'H »5 O CD
P Ö . 3 © © 'o a a •*" P CO o CD o CD ^
: = > a 5 CD
CD CD 'O te o
§ 2. Foor inlanders. (1)
Zoo als in 't vorig verslag (bladz. 64) werd medegedeeld, waren tegen den aard en de strekking van het Koninklijk besluit van 30 Mei 1868, n°. 37, regelende de grondslagen voor het onderwijs van gouvernementswege aan de inlandsche bevolking van Nederlandsch Indie te geven, bij de Indische Regering bedenkingen gerezen, die haar de afkondiging hadden doen uitstellen. De punten van verschil betroffen voornamelijk de taal, in welke buiten Java en Madura onderwijs zou gegeven worden , en het oprigten van meerdere kweekscholen indan wel van eene centraal-kweekschool voor de buitenbezittingen. Ofschoon de gemaakte bedenkingen door het Opperbestuur niet van zoodanig gewigt werden bevonden dat zij het uitstel der afkondiging konden regtvaardigen, is echter in de zoowel in Indie als hier te lande over het onderwerp geleverde beschouwingen , nu de afkondiging toch niet had plaats gehad, aanleiding genomen tot eenige nadere voorzieningen , die deels tot verduidelijking strekken, deels zullen medewerken tot de praktische uitvoerbaarheid der aangenomen grondslagen. Zoo is het beginsel omtrent onderwijs in de volkstaal ook voor de buitenbezittingen, alwaar de GouverneurGeneraal het Maleisch in de plaats wilde hebben gesteld, behouden gebleven; maar de bepaling van het besluit van 1868, dat waar de volkstaal voor het onderwijs onbruikbaar is, eene andere taal kan gebezigd worden, die in de streek waar de school gelegen is, mede door de bevolking verstaan wordt, vervangen door het de bedoeling beter uitdrukkende voorschrift, dat in zoodanig geval in het Maleisch wordt onderwezen. Zoo is onder de opsomming
(1) Van het jaarlijks te Batavia verschijnende uitvoerig verslag n o pens den toestand van het inlandsch onderwijs heeft dat over 1867 in het afgeloopen jaar het licht gezien; terwijl dat over 1868 in het eerste semester 1871 ter perse is gegaan. Van het eerste is een exemplaar aan de Staten-Generaal aangeboden bij brief van den Minister van Kolonien van 21 Maart 1871, n°. 13. Over de opleiding van inlanders zoowel tot genees- en verloskundigen als tot veeartsen, wordt gehandeld in afd. V van het tegenwoordig hoofdstuk Omtrent de bestaande gelegenheid voor inlandsche militairen tot het erlangen van schoolonderwijs bij de corpsen, zie men de rubriek » dorpsscholen en inlandsch onderwijs " in hoofdstuk D , g 3 hiervoren.
in het besluit van 1868 der vakken, waarin buiten . schrijven en rekenen, op de gouvernements- inlands'^ school onderrigt kan worden gegeven, ook opgenomen kennis van een of meer inlandsche talen en van de Nedf ( landsche taal. Eene andere nieuwe bepaling heeft de strekKi' om te doen uitkomen, dat de opsomming van verpligte I facultative leervakken (voor de gewone scholen) niet &. sluit het denkbeeld van meer uitgebreid onderwijs V°j inlanders, wanneer daartoe gelegenheid bestaat, be"] in afzonderlijke inrigtingen , hetzij in inrigtingen aan ee". kweekschool voor inlandsche onderwijzers verbonden. 0" is door de nadere bepalingen bevoegdheid geschonken : °\ bij gebreke van hoofdonderwijzers, hulponderwijzers w delijk aan het hoofd eener school te plaatsen ; om den J,( specteur van het inlandsch onderwijs één of meer (inst^ van één) adjuncten toe te voegen, met vermelding te***1
dat het toezigt van den inspecteur en zijne adjuncten oöK contrôle staat van den directeur van onderwijs enz., ^ laatste in het besluit van 1868 niet uitdrukkelijk was \ paald, en eindelijk om , waar geene plaatselijke scb° commissien kunnen worden aangesteld, een punt w«* omtrent het besluit van 1868 geene voorziening bev»'/ tijdelijk op andere wijze in het schooltoezigt te voor«'0, Eene verdere aanvulling, in de laatste plaats , had * de strekking om aan de in dienst zijnde onderwijl', hulponderwijzers en kweekelingen , mits geschikt, het " houd hunner tegenwoordige betrekkingen te waarborg*, doch de regels voor de bevordering dezer hulponderwïj2 | en kweekelingen over te laten aan den Gouverneur-Gener" Liever dan deze verschillende nadere bepalingen op | nemen in een afzonderlijk aanvullings-besluit, te gelijk te kondigen met dat van 30 Mei 1868 , n°. 37, werd voorkeur gegeven aan de zamensmelting tot ééne verof ning. De nieuwe redactie is, met intrekking van het ofy spronkelijk besluit, nedergelegd in het Koninklijk bes' van 3 Mei 1871, n°. 17. (1)
(1) Sedert in Indie afgekondigd bij besluit van den Gouvern6 ,,< Generaal van 22 Julij 1871 {Indisch. Staatsblad n°. 104). De dire°y van onderwijs, eeredienst en nijverheid is uitgenoodigd om met »t u spoed dien het gewigt der zaak gedoogt, de noodige voorstellen té ^ tot verzekering van de werking, uitvoering en toepassing der bepaWj* van het afgekondigd besluit en wel in de eerste plaats omtrent de rigting van nieuwe kweekscholen.
IJ »che kehi de i tine «teil »tul, &ed «elv
'ai u 'igd Dorr 'Int stee I "pv. har non »ch toet dan J «nia 'en kos «eh, ver dee »ad blij nie, der J *ei aar o m ve s til der te »eh §ui Me
00< I au,
«iii Vol »ai on<
«ei ( »0( «n Ua *a,
l i j
"ei
spi
he
Hl: hi: op ve zu ft« ft'H tl)
on
W
Vo, v(J v a «o. lee
89
tot , 67'» uit i«'
45
2*
! leze»;
neu " Ned6
reklsi' •igte L iet «i
i s A he« J' I
• o)»1 tij'
an in. an :ers den * instil tev«;
n o »
vas sen"01
, e v < 3orZ'e
lad ^ vijzelfa; het f8' b o r t * .-wiF,' 3ne.>
elljK verd
Uitgaande van het beginsel, dat bij de oprigting van s<Aolen voor den inlander voornamelijk te letten valt op de •ehoefte der aanzienlijkste standen , waaruit in den regel Jp inlandsche ambtenaren voortkomen , zonder daarom de 'loderen van mindere afkomst van het onderwijs te weren , stelt het bewuste besluit voorop : de opleiding van geschikte onderwijzers in kweekscholen in verschillende gedeelten van Nederlandsch Indie en hunne verdere vorming op de scholen 2elve , terwijl naar gelang van het getal beschikbare onderwijzers door den Gouverneur-Generaal scholen in Nederyidsch Indie worden opgerigt. Uitdrukkelijk is bekrachllgd het reeds in 1865 door de Indische Regering aangeH'mien beginsel {Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 1694), ^ t onder de vakken van onderwijs op de kweekscholen steeds wordt opgenomen de kennis der Nederlandsche taal.
Ten einde de bevolking geen verkeerde denkwijze te doen Jpvatten aangaande het doel dat de Regering bij het van harentwege gegeven onderwijs beoogt, is de bepaling opge"oraen , dat alle godsdienstig onderwijs zoowel op de kweekscholen als op de overige inlandsche scholen is verboden, "Bet bevoegdheid nogtans om de schoollocalen voor zoonig onderwijs beschikbaar te stellen buiten de schooluren. Met betrekking tot de kosten van het gouvernements l nlandsch onderwijs verklaart het besluit dat deze komen !en laste van den lande. Ter tegemoetkoming in deze bosten wordt op alle scholen , behalve op de kweekscholen , Schoolgeld geheven. Hiervan zijn uitgezonderd •— zoo luidt verder het betrekkelijk artikel — de scholen in die gebelten van Nederlandsch Indie, waar tot dus verre gratis pderwijs werd gegeven, mits de bevolking aldaar zich "lijve belasten met het oprigten, onderhouden en vernieuwen der schoolgebouwen, behoudens medewerking en ondersteuning van regeringswege waar die gevorderd worden. Een eerste vereischte om de verordening eene vruchtbare Werking te verzekeren, is de zorg voor een genoegzaam a*ntal onderwijzers. T e dien einde is magtiging verleend Ooa het aantal kweekelingen aan elk der twee op J a v a gematigde kweekscholen in 1872 te brengen van 30 op 50, *n is de Gouverneur-Generaal, met vrijlating in de keuze ^er plaatsen, aangeschreven ten spoedigste voorstellen in ' e dienen omtrent de oprigting van drie nieuwe kweekscholen op gelijke schaal als de twee op J a v a en wel: op ^Umatra's Westkust, in de Molukken en in de residentie Menado, zonder daarom voorstellen tot oprigting van anders Boodig geachte kweekscholen achterwege te laten. in het belang der verkrijging van genoegzame stof'voor i n s t a a n d onderwijzerspersoneel is de Indische Regering Ojiderhouden over het ontwerpen eener herziening, in nag g i n g van het reeds voor Menado verordende (zie lager), ^'àr\ de velerlei bepalingen, die de bezoldigingen van het °nderwijzend personeel in de overige buitenbezittingen r egelen, welks inkomsten voor het meerendeel zóó gering 'lJo , dat daarin weinig aanmoediging tot het kiezen van ' e n onderwijzersstand kan gelegen zijn. omtrent de behoefte aan een of meer inrigtingen van °ortgezet lager of middelbaar onderwijs voor inlanders
j n de beste wijze van voorziening daarin, is reeds in 't a&tst van 1870 een overleg uitgelokt tusschen de directeuren
eror' iet oo, besi*
S S * at »t
n te'
t de °P
*" binnenlandsch bestuur, van onderwijs, eeredienst en ?\1 verheid en van justitie (met laatstgenoemde voor zooveel eti'eft de vroeger ter sprake gebragte wenschelijkheid eener .Peeiale opleiding voor aanstaande inlandsche officieren van •justitie). Aanleiding hiertoe vond de Indische Regering in fet onder de inlandsche ambtenaren zoo van den eersten ?js van minderen rang, opgemerkte streven om aan hunne '"deren en enkele hunner familiebetrekkingen eene betere °P'eiding te geven dan hun de gewone inlandsche school Vei'schaft. Bij het ontwerpen van voorstellen ter zake **1 , in' verband met 's Konings besluit van 3 Mei 1871, • 17, tevens moeten worden overwogen, of het bewuste . eer uitgebreid onderwijs zal behooren gegeven te worden 11 afzonderlijke inrigtingen dan wel in inrigtingen aan nderwijzers-kweekscholen verbonden. , tiet denkbeeld eener opleiding in Nederland van inat>dsche jongelieden tot onderwijzers speciaal bestemd °or de kweekscholen of voor de evenbedoelde scholen °°i' meer uitgebreid lager onderwijs, maakt nog een punt a n behandeling uit. Omtrent het nemen eener proef'met .°°danige opleiding, waarvoor eenige der uitstekendste eei'lingen van de kweekscholen zouden moeten in aanN°. 8 . 2.
merking komen, is de Gouverneur-Generaal verzocht zijn gevoelen te doen kennen. Ten aanzien der toelating van inlanders op de scholen voor Europeanen (Indisch Staatsblad 1868, n°. 135) is aan de Indische Regering onlangs in overweging gegeven om van eerstgenoemden eene zekere mate van kennis te vorderen, genoeg om hen zonder bezwaar met de laagste klasse te kunnen doen beginnen. Die voorwaarde zal geenszins het karakter eener beperking moeten d r a g e n , maar alleen moeten strekken als maatregel in het belang van het onderwijs zelf.
In afwachting der besproken eindbeslissing omtrent de grondregeling van het inlandsch onderwijs, bepaalde zich inmiddels de Indische Regering, even als blijkens het jongste verslag, bladz. 64 en 6 5 , weder tot zoodanige regelingen als, zonder inbreuk te maken op de aan te nemen grondslagen, voor eene dadelijke behandeling vatbaar werden geacht. Werd in het aangehaald verslag als zoodanig onder andere gewezen op de bepalingen omtrent de kostelooze verstrekking van leermiddelen en schrijfbehoeften aan de leerlingen der gouvernements inlandsche scholen op J a v a en M a d u r a en in de residentie Menado (1) (wat laatstbedoelde scholen betreft tegen invoering met 1 Januarij 1871 der aldaar nog niet bestaande heffing van schoolgeld), sedert werd ook eene regeling getroffen , wat de gouvernementsscholen op J a v a en Madura a a n g a a t , omtrent de uitreiking ten laste van 's lands kas van prijzen bij gelegenheid der jaarlijksche examens, en wat bedoelde scholen in de Minahassa en Gorontalo betreft, o m trent de geldelijke belangen van de onderwijzers en van het hun ter zijde staande (tot dus ver onbezoldigd) hulppersoneel (Indisch Staatsblad 1871, n°. 44).
Vermelding verdient ook eene aanschrijving van den Gouverneur-Generaal aan de hoofden van gewestelijk bestuur op J a v a en M a d u r a , van Julij 1870, waarbij de belangen van het inlandsch onderwijs aan hunne naauwo-ezette zorg werden aanbevolen , met uitnoodiging om alles aan te wenden en te doen aanwenden wat tot een beteren toestand van dat onderwijs zou kunnen bijdragen, daarbij inzonderheid in het oog houdende, dat geen degelijk onderwijs mogelijk is zonder bekwame onderwijzers. Met betrekking tot de hulpmiddelen voor het inlandsch onderwijs kan gezegd, dat onlangs besloten is tot het uitschrijven , met toepassing van de regelen in n°. 2289 van het Bijblad op het Indisch Staatsblad (zie het vorig verslag, bladz. 70), van prijsvragen voor het vervaardigen in het Maleisch, Javaansch of Soendaneesch, dan wel in het Nederlandsch van de volgende voor den inlander geschikte leer- en leesboeken, als: 1°. eene beschrijving van het heelal, ook geschikt als handboek voor het elementair onderwijs; 2°. eene handleiding voor de beginselen der physica, beide werken voor zooveel noodig opgehelderd door eenvoudige afbeeldingen tusschen den tekst ; en 3°. een populair leesboek over de staathuishoudkunde, met toepassing op Indische toestanden en op het dagelijksch leven van den inlander.
Gedurende 1870 werden aan vijf personen voor het vervaardigen van nuttige werkjes ten dienste van het inlandsch onderwijs of'ter verspreiding van kennis in 't algemeen, belooningen uitgereikt tot een bedrag van f 2275, namelijk voor 2 werkjes in het Javaansch, 1 in het Maleisch en 1 in het Mandhelingsch, zoomede voor het vervaardigen van teekenvoorbeelden (waarover lager). Eerepenningen werden in 1870 niet toegekend. De v r a a g , in hoever de medewerking der Maatschappij » tot N u t van den J a v a a n " in het uitgeven van schoolboeken voor het inlandsch onderwijs wenschelijk voorkomt (zie het vorig verslag, bladz. 64) is door de Indische Regering in September 1870 beantwoord met de mededeeling , dat met belangstelling van de door de Maatschappij aangeboden bescheiden was kennis genomen, doch dat daarin voor 's hands geen aanleiding was gevonden tot dadelijke beschikkingen. Het aantal plaatsen, waar voor den inlander bestemde
(t) Daaronder niet begrepen de scholen op de Sangir- en Talauteilanden, tot verbetering van wier toestand voor het oogenblik niets anders te doen stond dan eene aanschaffing van betere leermiddelen en schoolbehoeften. Daartoe is in Maart jl. voorloopig eerie som van f 100O beschikbaar gesteld. 23
90
boeken van regeringswege zijn verkrijgbaar gesteld, werd niet vermeerderd, hetgeen ook bij de kostelooze verstrekking aan de gouvernements inlandsche scholen van leermiddelen en van ter landsdrukkerij uitgegeven boekwerken , hoe langer hoe minder noodig zal worden. Bedoelde instelling leverde aan leer- en leesboeken voor den inlander af:
JAREN.
-IRB8. . . _ . .
1870.
Aantal exemplaren.
Java en Madura.
13 587
14 362
14 185
15 344
Buiten
bezittingen.
12 640
3 276
10 750
5 000
Eene lijst van de boeken, welker uitgave van regeringswege is bevolen ten behoeve van den inlander, zich aansluitende en door bijvoeging der titels of bestemming der boeken in de Nederlandsche taal, aanvullende die bij het vorig verslag als bijlage lit. P overgelegd , wordt thans onder lit. O bijgevoegd. Er blijkt tevens uit , dat ook de aanschaffing plaats had van eenige voor bijzondere rekening uitgegeven inlandsche werken. De omstandigheid dat de landsdrukkerij in den loop van 1870 verbouwd en de stoommachine , waarmede de persen gedreven worden, was afgebroken, is oorzaak geweest, dat bij het velerlei werk , dat geene vertraging duldde, het drukken of herdrukken van inlandsche boekjes slechts uiterst langzaam vorderde. Echter zijn sedert maatregelen genomen om den achterstand op te ruimen. Ter voorziening in de behoefte aan teekenvoorbeelden op de inlandsche scholen op Java en Madura ten behoeve van eenigzins meer gevorderden zijn een 24tal goede afbeeldingen van voorwerpen uit de dagelijksche omgevingvan den inlander (voornamelijk van den Soendanees) van regeringswege aangekocht , die hier te lande zullen worden op steen gebragt. Ook zijn eenige gelden en photographische afbeeldingen ter beschikking gesteld van den heer K. F. HOLLE voor het verzamelen van gegevens tot zamenstelling van voor de inlandsche jöugd geschikte schoolprenten. Zoo als bekend, is in de laatste jaren van regeringswege ook gezorgd voor hulpmiddelen bij het onderwijs in het metriek stelsel van maten en gewigten op de inlandsche scholen. Nevens handleidingen ten gebruike bij dat onderwijs zoowel in het Javaansch als in het Soendaneesch zijn ook volledige stellen van maten en gewigten aan een aantal scholen verstrekt , terwijl eenige proefbladen van een zoogenaamd schooltableau van maten en gewigten volgens het metriek stelsel, uit Nederland werden ontvangen , ten einde, bij bevonden bruikbaarheid, door bijvoeging van Javaansche en Maleische opschriften als anderzins, voorde inlandsche scholen te worden geschikt gemaakt. Onlangs is uit Indie berigt geworden , dat over de doelmatigheid van zoodanig tableau (welks aanvulling met eene legenda in inlandsche talen bovendien bezwaar inheeft, omdat zelfs het Maleisch of Javaansch nog geen uitdrukkingen bezitten voor de technische benamingen van het metriek stelsel), geen bepaald oordeel kon worden uitgesproken, zoolang niet omtrent de wijze waarop dit stelsel bij algemeenen maatregel in Indie zal worden ingevoerd , meerdere zekerheid zal zijn verkregen. Volgens den inspecteur van het inlandsch onderwijs is dan ook het uitblijven der werkelijke invoering in Nederlandsch Indie van het bewuste stelsel oorzaak, dat het onderwijs daarin van den inlander, als missende alle praktisch nut, over het algemeen slecht gegeven en nog slechter aangehoord wordt. Naar aanleiding van een en ander heeft de Gouverneur-Generaal in den aan
vang van 1871 den betrokken directeur aan de weusOM lijkheid herinnerd om de indiening van voorstellen betrei' fende de invoering van het metriek stelsel te bespoedig611
(verg. hoofdstuk 09, afdeeling V hieronder). Eene opgaaf der in de laatste drie jaren (1868—L8'"l geauthoriseerde uitgaven ter voorziening in sehoollocal611
ten dienste van den inlander, zoo op als buiten JaV>' doet zien, dat magtiging werd verleend: voor 6 plaatse11
tot het oprigten voor 's lands rekening van nieuwe schoo1' gebouwen en voor tien plaatsen tot herstellingen en vef' bouwingen van de bestaande schoollocalon, waaronder " kweekscholen te Ïanah-Batoe en te Bandong, een en ande^ tot eene (geraamde) uitgaaf van in 't geheel f 22 815. B°' vendien was gedurende genoemde jaren achtereenvolge" ten dienste van 7 scholen de inhuur van localen toegeswa" tegen prijzen van f 7,50 tot f 50 's maands.
J a v a en M a d u r a .
Kweekscholen. De 9 kweekelingen der kweekschool te
Soerakarta, die volgens het vorig verslag bij het eind van 1869 op eenen werkkring wachtten , werden sedert all6" geplaatst. Die kweekschool leverde verder drie kweekelingen, g6' schikt om tot onderwijzer benoemd te worden , welke me® zoodanige benoeming deelachtig werden, namelijk te Karang' Anjar, te Magelang en te Magettan (de twee laatsten te
vervanging van ontslagen onderwijzers), zoodat bij d« j aanvang van 1871 geen geëxamineerden van deze schooi beschikbaar waren. In de kweekschool te Bandong wachtten bij het beg10
van 1871 8 kweekelingen op het aanwezig zijn der localeO' waarin zij als onderwijzer zouden optreden (1). Onder & kweekelingen bevindt zich sedert 1866 een Balinees (verg' het verslag van 1868 bladz. 79), terwijl in den aanvaoë van lö71 een Maleische jongeling, afkomstig van De' (Sumatra's Oostkust) op de school zou worden geplaatst' Eerstbedoelde, wiens studiën ten gevolge van herhaald ziekte veel vertraging hadden ondervonden, zou in 18' als onderwijzer kunnen optreden. De Bandongsche kweekschool voldeed zeer goed a»11
hare bestemming, vooral wanneer men in aanmerking nee*1' dat haar onderwijzers-personeel bij het einde van 18' nog niet voltallig was. Beide kweekscholen gaan echter gebukt onder de moeij6' lijkheden, verbonden aan het vinden van geschikte Eui'°. pesche onderwijzers, moeijelijkheden, die van dien aaf zijn, dat men er toe is moeten overgaan de betrekking6
van tweeden en van derden onderwijzer aan de SolosC" kweekschool, bij wijze van voorloopige waarneming, op' dragen aan personen, die nimmer bij het onderwijs war6
werkzaam geweest en wier vorige loopbaan met paedagog1
op geene wijze in verband stond. Tot derden Europeschen onderwijzer te Bandong, wel"^ betrekking eerst in April 1871 is kunnen worden ver' vuld, is echter iemand benoemd die, in het bezit *1 den hulponderwijzersrang, met vrucht bij het particule onderwijs werkzaam was geweest. De bij de kweekscholen geplaatste inlandsche ond^ wijzers (die van de algemeene tractements-verhooging, " doeld bij Indisch Staatsblad 1867, n". 125, waren uitgeslpt* gebleven) zullen de toen aan hunne ambtgenooten bij gewone inlandsche scholen toegelegde verbetering van J' komsten, krachtens eene onlangs genomen beslissing, a' nog in 1872 erlangen. . Over de bevolen uitbreiding in 1872 van 30 tot 50 v*/ het bij elk der twee inrigtingen toe te laten aantal kw* , kelingen is reeds hooger gehandeld, even als over f denkbeeld eener verdere opleiding in Nederland van een1» der meest uitstekenden onder hen.
Volksschulen. Een onderzoek is ingesteld naar het ond6
wijs, dat uit den boezem der inlandsche bevolking . voortgekomen. Hoezeer dat onderzoek nog niet is * geloopen, blijkt toch dat bedoeld onderwijs, voor z°°* zulks openbaar en min of meer klassikaal wordt gegeV" ! van godsdienstigen aard is, en met behulp van een gr°
(1) Sedert zijn, voor zoover gebleken, 4 dezer kweekelingen bes geworden voor scholen in de Preanger regentschappen.
te»"
91
aantal Arabische boeken door meestal zeer onkundige priesters van minderen rang, hadji's of ouden van dagen hoogst gebrekkig wordt gegeven. Op Java bedraagt het aantal dezer priesterscholen (langars en pesantrens) eenige duizenden, welke door tienduizenden leerlingen (jongens en meisjes, mannen en vrouwen) gewoonlijk zeer ongeregeld worden bezocht. De statistieke gegevens nopens deze scholen zijn te onvolkomen om voor alsnog in meerdere opgaven te treden dan die, welke sedert 1863 (zie het verslag over dat jaar bladz. 1) geregeld worden ingediend onder de aantooningen betreffende de bevolkings-statistiek en voor 1870 te vinden zijn in bijlage A, n°. 8, hierachter. Er wordt inmiddels naar gestreefd, afzonderlijke opgaven te verkrijgen van de leerlingen , die de bedoelde scholen bezoeken met het doel om van de oudst bestaande gelegenheid voor lager onderwijs gebruik te maken , afgescheiden van hen, die bepaald godsdienstig onderwijs verlangen, zoo als op de pesantrens wordt gegeven. Scholen voor werkelijk lager onderwijs zijn hoogst zelden eigener beweging als middel van bestaan, door inlanders opgerigt. Een paar voorbeelden daarvan vindt men in de residentie Bagelen. Tal van scholen van dien aard zijn echter op Java door inlanders op aanraden en met hulp van eenig hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur of van den plaatselijken controleur (1) opgerigt, maar het onderwijs, dat in die scholen gegeven wordt, kan niet gezegd worden uitsluitend uit den boezem der inlandsche bevolking te zijn voortgekomen. Van dien aard waren vroeger de districtsscholen, aldus genaamd in tegenoverstelling van de instellingen op de hoofdplaatsen der regentschappen, aan wier hoofd door het Gouvernement bezoldigde onderwijzers staan. Die naam is nu niet meer passend, daar ook op vele hoofdplaatsen van districten gouvernementsscholen zijn, aan wier hoofd waarnemende onderwijzers staan, of wel van de kweekscholen afkomstige onderwijzers worden geplaatst, naar mate ze daarvoor beschikbaar komen. In verband ook met het hiervoren bedoeld beginsel der verordening van 3 Mei 1871 (zie de onderstaande noot) schijnt het beter deze zoogenaamde districtsscholen voortaan eenvoudig particuliere scholen te heeten , als hoedanig zij dan ook in de lager volgende tabellen zijn opgenomen. In de Preanger regentschappen waren in den laatsten
(1) Het door de grondslagen voor het (gouvernements) inlandsen 30 Mei 1868 onderwijs van bekrachtigd beginsel, dat tot oprigting van 3 Mei 1871 inlandsche scholen slechts moet worden overgegaan, naarmate men behoorlijk opgeleide onderwijzers daarbij kan aanstellen, laat voor eene medewerking als de hierbedoelde geen plaats meer.
tijd, nog met medewerking der Europesche ambtenaren, een aantal dergelijke scholen tot stand gekomen , waarop onderwijs wordt gegeven door personen, gekozen uit de uitstekendste leerlingen der gouvernementsscholen in dat gewest. De regenten verzekerden aan deze onderwijzers eene bezoldiging deels uit de schoolgelden, deels uit de belastingen, welke door de bevolking aan de regenten en priesters worden opgebragt. Vermits nu bij de invoering der reorganisatie van het stelsel van bestuur in genoemde residentie (vergelijk hoofdstuk J , afdeeling I, § 1 hiervoren) op die bijdragen uit de belastingen niet moer kon worden gerekend, en het der Indische Regering gebleken was, dat het onderwijs op schier al deze scholen gegeven (in 1871 ten getale van 44) goede vruchten droeg, achtte de GouverneurGeneraal het oorbaar maatregelen te nemen om het te niet gaan dezer inrigtingen te verhoeden, tot dat ze achtereenvolgens door gouvernementsscholen met goed gevormde onderwijzers aan het hoofd vervangen kunnen worden. Dien ten gevolge is bij een besluit van 30 Mei jl., als eene voorloopige regeling, ter beschikking van den resident der Preanger regentschappen gesteld eene som van f 6840's jaars , teneinde daaruit aan de zoodanige dezer districtsscholen die daarvoor om het gehalte van het onderwijs in aanmerking kwamen, ten getale van 38, subsidien te verleenen tot een gemiddeld bedrag van f 15 's maands per school.
Ofschoon een gewigtig bezwaar tegen een subsidie als het toegezegde gelegen was in de omstandigheid , dat de onderwijzers der bedoelde scholen niet zijn voortgekomen uit eene gouvernementskweekschod, en die onderwijzers niet genoeg geschikt zijn, om ingevolge de slotbepaling van het Koninklijk besluit van 3 Mei 1871, n°. 17 in 's lands dienst te kunnen overgaan (waardoor hunne scholen tot gouvernementsinstellingen zouden worden verheven), is echter aan de beschikking der Indische Kegering, in haar uitdrukkelijk karakter van overgangsmaatregel, de goedkeuring van het Opperbestuur niet onthouden. Door de verheffing van eene particuliere school tot gouvernementsinstelling, waar kosteloos leermiddelen verstrekt worden en de onderwijzer van gouvernementswoge wordt bezoldigd, wordt de inrigting dier school en de aard van het onderwijs, daarin gegeven, dermate gewijzigd, dat die maatregel wat uitbreiding van het onderwijs aangaat, geheel met het oprigten eener nieuwe school gelijk staat, hetgeen men niet uit het oog moet verliezen, zegt de directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid , wanneer men onder het 23tal scholen, tot welker oprigting alleen op Java en Madura de Indische Regering gedurende 1869 en 1870 besloot (gedeeltelijk reeds in 't vorig verslag vermeld), slechts 11 werkelijk nieuwe scholen telt. De bedoelde 23 scholen zijn de volgende:
Volgens beschikkingen van :
1869. December.
1870.
Maart.
Julij.
Augustus.
Idem.
_.
Nieuw op te rigten gouvernementsscholen.
Gewesten.
Samarang,
Madioen,
Kadoe,
Batavia,
idem,
idem,
idem,
Preanger regent- x/ schappen,
Idem,
Idem,
Idem,
Plaatsen.
Kendal,
Pangool,
Tjandiroto,
Batavia,
Idem,
B uit en zorg,
Tangerang,
Soekaboemi, '-^
Tjitjalengka, v/"
Tasik-Malaija, \/
Mangoen-Redjo,
Volgens beschikkingen van :
1869. December.
1870.
Maart.
Idem.
Idem.
Idem.
Augustus.
September.
Tot gouvernements-instellingen verklaarde particuliere scholen.
Gewesten.
Bagelen ,
Idem,
Cheribon,
Idem, t
Idem,
Soerabaija,
Pekalongan,
Banjoemas,
Idem,
Idem,
Batavia,
Banjoemas'
Plaatsen.
Koetoardjo,
Karang- Anjar,
Koeningan,
Madjalengka,
Galoe,
Modjokerto,
Batang ,
Kertanegara,
Adjibarang,
Karangkobar,
Toegoe,
Djamboe,
92
Weîkts van de 11 van onderwijzers of men is niet gemeld, stellen tot oprigting Bekassi (zie het vori gevolg was kunnen onderwijzers (1). Ten vervolge op volgt hieronder een
nieuwe scholen door beschikbaarheid localen sedert zijn in werking gekoAlleen is gebleken dat aan de voorvan scholen te Meester-Cornelis en g verslag bladz. 65), tot dusver geen worden gegeven bij ontstentenis van
de aantooning in 't vorig verslag, gewestelijk overzigt over 1869 van
(1) Onlangs is berigt ontvangen dat bij de vier opgegeven nieuwe scholen in de Preanger regentschappen in J ulij jl. onderwijzers zijn geplaatst geworden, afkomstig van de Bandongsche kweekschool. In de behoefte aan localen was bereids op voorloopigen voet voorzien.
het aanwezig getal inlandsche scholen op Java en Madura, verdeeld in gouvernements- en particuliere scholen, en van het aantal leerlingen door welke die scholen, »in dat jaar" bezocht werden. Tot nog toe is het, volgens ontvangen berigt, onmogelijk bevonden om de statistiek van het inlandsch onderwijs gelijken tred te doen houden met de mededeelingen , die op elk ander gebied in het Koloniaal verslag worden aangetroffen. De reden daarvan is, dat de gegevens, zelfs uit de verst afgelegen streken, met welke de gemeenschap zeer ongeregeld is, moeten worden ontvangen en de hoofden van gewestelijk bestuur voor het opmaken van het verslag omtrent sommige particuliere scholen geheel afhankelijk zijn van de welwillendheid vanpersonen, die niet onder hunne bevelen staan.
P L A A T S E N .
Bantam
Batavia
Krawang '
Preanger regentschappen.
Cheribon
Tagal
Pekalongan
Samarang . . . • •
Japara
Rembang . . . . . .
Soerabaija
Pasoeroean
Probolinggo
Bezoeki
Banjoewangi
Banjoemas
Bagelen
Kadoe
Djokjokarta . . . .
Soerakarta
Madioen
Kediri
Totaal in
in 1869
Madura
1869
( 1868
meer .
minder
in 1869
( in 1868
minder in 1869 .
AANTAL SCHOLEN.
a o ©"3 > CG
O
9 5
P-i
1
2
1
5
2
3
1
5
4
4
2
3
1
1
1
5
6
3
»
1
7
6
64
62
d. 2
»
a. 1
4
8
14
2
2
6
2
3
1
13
70
64
-f, O
1
3
5
13
10
3
15
7
6
4
4
3
1
1
1
11
8
6
1
14
7
10
AANTAL LEERLINGEN.
134
126
8
»
3
3
a o
O
p s . ta a O o •S -a u o 03 cß PH
20 108
45
321
172
211
83
421
277
354
78 135
66
58
57
462
1086
361
»
124
783
671
» 54
54
464
b. 455 »
881
149
31
»
6. 208 »
»
»
))
350
312
248
49
220 »
58
5893
5555
338
»
215
229
14
3533
3584
»
51
O
Aanmerkingen.
20
162
99
785
627
211
964
570
308
354
286
135
66
58
57
812
1398
609
49
344
783
729
9426
9139
287
215
229
a. Vermoedelijk is dit cijfer niet volledig.
b. Bij gemis aan opgaven over 1869 is verondersteld dat er in het getal der leerlingen sedert 1868 geene verandering was gekomen.
c. Externen-school bij de kweekschool.
d. Dit zijn de vroegere particuliere scholen te Karang-Anjar en Koetoardjo (Bagelen), in 1869 tot gouvernements-instellingen verklaard. Beide scholen tellen nog als particuliere inrigtingen in het achter de recapitulatie over 1868 uitgetrokken getal van 64.
e. De vermeerdering bedraagt eigenlijk 8, zijnde van de voor 1868 opgegeven 64 scholen, 2 overgegaan tot de gouvernementsscholen (zie de voorgaande noot). De 8 nieuwe particuliere scholen in 1869 bijgekomen, zijn de volgende: 1 in Batavia, 5 in de Preangfer regentschappen en 2 m Bagelen.
14
93
In den ouderdom der leerlingen van de gouvernements inlandsche scholen en in den duur van hun leertijd kwam in 1869 geene noemenswaardige verandering. Onder de onderwijzers werden aangetroffen :
SOORT
VAN
SCHOLEN.
JAVA.
Gouvernements.
Particuliere . . . .
MADURA.
Gouvernements. . .
In eene kweekschool
opgeleid.
1868.
45
2
3
50
1869.
47
2
2
51
niet opgeleid.
1868.
19
59 a
78
1869.
17
68 b
1
86
a. Onder welke 10 Europeanen.
b. Onder welke 9 Europeanen.
Omtrent de zamenstelling en sterkte van het hulppersoneel zijn geene opgaven ontvangen.
B u i t e n b e z i t t i n g e n .
De moeijelijkheid, waarop reeds hiervoren gewezen werd om namelijk op het gebied van het inlandsch onderwijs steeds geregeld de uitkomsten van het jongst verloopen jaar mede te deelen, geldt uit den aard der zaak inzonderheid de buitenbezittingen. Uit dien hoofde betreffen de ondervolgende mededeelingen voor het meerendeel nog het jaar 1869.
Kweekscholen. Hooger is reeds gemeld, dat eene vermeerdering van het aantal kweekscholen wordt voorbereid, waarvan aanvankelijk één op te rigten ter Sumatra's West
kust, één in de Molukken en één in de residentie Menadö. Tot dusver zijn de eenige gouvernements-kweekscholen, buiten die op Java, de inrigtingen te Fort de Koek en te Tanah-Batoe, beide ter Sumatra's Westkust. De eerste zal wegens hare geringe waarde slechts behouden blijven tot dat de. nieuwe grootere kweekschool op Sumatra in werking komt. De andere echter, die te Tanah-Batoe, welke meer uitsluitend is ingerigt ten behoeve van het onderwijs in de Battaklanden en onder de leiding staat van een in Nederland opgeleiden zeer ontwikkelden inlander uit die streken, zal zoo mogelijk uitgebreid en verbeterd worden. Overigens bestaat nog eene kweekschool van het Nederlandsch Zendeling-genootschap te Rotterdam, namelijk die te Tanawangko in de residentie Menado. Deze inrigting, die vroeger ook onderwijzers leverde aan de gouvernementsscholen aldaar, was echter in den jongsten tijd, uithoofde van 's genootschaps beperkte geldmiddelen zeer moeten* worden ingekrompen, zoodat zij zelfs niet meer in staat was in de behoefte der genootschapsscholen te voorzien. Gedurende 1869 leverde de inrigting te Fort de Koek slechts 1 kweekeling geschikt om tot onderwijzer te worden benoemd, tegen 4 in 1868; die te Tanah-Batoe in elk dier jaren 2. Van deze 9 kweekelingen werden in beide jaren in 't geheel 3 tot onderwijzer aangesteld. Over 1870 zijn ten deze nog geen opgaven ontvangen. Alleen kari worden gezegd dat in dat jaar kweekelingen van Tanah-Batoe werden bestemd voor nieuwe gouvernementsscholon op Sumatra.
Speciale scholen. De verhooging van het kostgeld der internen in de school voor zonen van hoofden, enz. te Tondano (zie 't vorig verslag, bladz. 67) heeft vele leerlingen externen doen worden. (Voor het ontoereikend bedrag van het tot dus ver betaalde kostgeld is de regent van het kosthuis schadeloos gesteld ten laste van 's lands kas.) Op ultimo December 1868 waren in deze school aanwezig 43, op ultimo December 1869 46 leerlingen. Voor de Ambonache burgerschool, waarover zie onder andere het verslag van 1869 bladz. 63, zijn die getallen 128 en 115. De schoolgelden gedurende 1869 geïnd, bedroegen te Tondano f 1097 en te Amboina f 2056. Beide scholen bleven voldoen aan het doel harer oprigting.
Volksscholen. Een overzigt van den aard dezer scholen en van het aantal harer leerlingen in 1868 en 1869 volgt hieronder.
N°. 8. 2. 42
94
E I L A N D .
AANTAL SCHOLEN.
Gouvernementsscholen.
1868. 1869.
Particuliere scholen.
1868. 1869.
Totaal.
1868. 1869
AANTAL LEERLINGEN.
Gouvernementsscholen.
1868. 1869.
Particuliere scholen.
1868. 1869.
Totaal.
1868. 1869.
[ Sumatra's Westkust. .
* \ - ^ i * is } Benkoelen
es J
g J Lampongsche districten
j Palembang
Poeloe Tello
Nias
Banka
Riouw Borneo (Zuider- en Oosterafdeeling
!
gouvernement Ce
lebes . . . .
Menado . . . .
Sangir-eilanden
Talaut-eilanden. . .
Ternate
Halmaheira
Batjan
Ceram
Boeroe
Manipa
Boano
Ambon
Haroekoe
Saparoea
Noesalaut
Banda-eilanden
Ai'oö-uilanden
Zuidwester-eilanden . . .
Nieuw-Guinea
Timor
Eotti
Savoe
Flores
14
8
1
»
»
»
1 »
1
2
16 y
y
1
»
1
11
1
1
1
29
6
12
6
4
4
5 »
9
18 »
))
14
8
1
J) »
»
1
»
1
2
16 y y
1
»
11
29
6
12
6
4
4 y
»
9
18
1
»
15
1
»
1
1
1 »
1
5
»
(a) 144 y y
»
1
»
» »
il
»
»
»
»
n
»
»
»
1
(e) 1
15 »
(<?) 1
15
»
» y
»
1
» y
6
»
136 y
y
»
1
»
» »
»
n
n
»
»
»
»
»
» ?
4
15
«
»
29
9
1
1
1
1
1
1
6
2
160 y
y
11
29
6
12
6
4
4
5
1
'10
33 »
1
29
8
1 y
»
1
1
?
7
2
152 ? ?
1
1
1
11 1
1
1
29
6
12
6
4
4 ? ?
13
33
1
1
604
405
24
43
46
37
2 489
?
?
100
n
?
1214
41
15
112
2 684
826
2 284
826
100
?
± 1 5 0
?
518
2 038
691
476
31
»
H
»
54 »
75
45
2 383
? ?
112 »
19 ?
32 17
115 ? y y
y
110 y ?
»
489
2 003
40
»
485
24
n y
5 y
n y
y
n
(c) 10 242 y y
» y
» »
»
»
»
»
M
M
H
ÎJ
»
M y
y
939
U ?
460
{d) 9 662
y
y
»
»
H
I!
II
1]
U
II
II
y
82
901
»
62
1089
429
24 y
5
y
43
37
12 731
y
y
100
y
y
1214
41
15
112
2 684
826
2 284
826
100 y
± 1 5 0
y
W? 2 977
1151
476
31
?
54
12
45
045
y
y
112
y
19
y
32
17
115
y
y
y
y
110
y
y
y
571
904
40
62
(a) Dit aantal bestaat uit 23 negorij- en 121 genootschapsscholen. (b) Als voren 24 en 112. (c) Hiervan 1248 leerlingen voor de negorij- en 8994 voor de genootschapsscholen. {d) Als voren 1327 en 8335. (e) Deze school (te Soelamoe) is in het vorig verslag niet vermeld, omdat haar bestaan onbekend was. (/') Het cijfer in het vorig verslag opgegeven (518) kan wegens het niet meetellen van de leerlingen te Soelamoe niet juist zijn. (</) Nopens deze school (Larantoeka) geldt ook de aanmerking bij e.
95
61 k]
Het aantal scholen vermeerderde in 1869 met 1 zende'g-school in de residentie Zuider- en Ooster-afdeeling 3D Boaneo en met 3 andere particuliere scholen (Oejboefoe, eJkabiti en Ajer Koesambi) in de residentie Timor. Heropend werden op Celebes 1 negorij-school in de Jidentie Menado (Masing), en op Savoe 1 gouvernements!l>ool (Sebo). !-Daarentegen was het aantal scholen in 1869 verminderd Se' 2 particuliere scholen (1 in Benkoelen en 1 op Poeloe ,eUo) zoomede met 9 genootschaps-scholen in de residentie 1<3Qado. Voor zoover blijkt, bleef het aantal leerlingen P de verschillende scholen gedurende 1869 nagenoeg sta|°Dair, alleen in laatstgenoemde residentie had eene be'Igrijke vermindering (met omstreeks 700) plaats. In 1870 werd magtiging verleend tot de oprigting van polen te Singkel, Baros en Natal in de residentie *panoli (Sumatra's Westkust), terwijl de particuliere hooi op Timor te Oejboefoe, hiervoren vermeld, in eene °Uvernementsschool werd veranderd. Wegens het betokbaar zijn van onderwijzers en de gelegenheid tot in"ttr van localen, zouden de drie nieuwe scholen op Sua'ra vermoedelijk reeds in den aanvang van 1871 kunnen I Werking treden. Met betrekking tot de oprigting later 111869 , van nieuwe particuliere scholen, is onder andere ,i8 gebleken, dat voor de school, blijkens 't vorig verslag ,;° r den sultan van Deli (Oostkust van Sumatra) op te s'en, in Maart 1870 een onderwijzer was gevonden , °dat die school sedert zal zijn in werking getreden ; dat ' op Billiton (te Tandjong Pandang) in aanbouw zijnde caal voor eene particuliere school sedert was gereed ge^0lQen, doch dat men nog niet geslaagd was in het vinden Pjeen onderwijzer; dat door een der administrateurs van Ij •Billiton-maatschappij , op zijne standplaats in het district r&üggar , in den loop van 1870 eene school was opgerigt, aarop aan een 12tal Chinesche en inlandsche kinderen r^rwijs werd gegeven, en dat op het eiland Savoe door bevolking uit eigen beweging eene kampongschool met . perwijzerswoning werd gebouwd in het regentschap a_sare, terwijl de radja pogingen aanwendde tot het ver1 ygen van een onderwijzer. 'oor de gouvernements- en negorijscholen in de Minassa (Menado) werd met 1 January 1869 eene nieuwe gelijkvormige regeling der schooluren ingevoerd, voorgelijk ten einde het schoolgaan van die kinderen te J°rderen , die door hunne ouders niet voor het landbouwopijf kunnen worden gemist (vergelijk het verslag van J~" bladz. 64). Gedurende den koffij- en rijstpluk is de ftooltijd van 4 op 2 uren daags teruggebragt. Tevens J~ de resident stappen gedaan om die regeling ook bij de a°len van het zendelinggenootschap te zien ingevoerd. afwijzend werd in Julij 1870 door de Indische Kegering . chikt op de toen nog aanhangige reeds vroeger gedane : l'stellen van bedoeld genootschap, om tot betere rege8 van het inlandsch onderwijs in de Minahassa, hetzij lo?-. l genootschap een j aarlijksch subsidie toe te kennen ,
6,ZlJ deszelfs scholen, onder zekere voorwaarden, voor
ö,ening van den lande te nemen. Tegen de gevraagde Sidiëring verzette zich het godsdienstig karakter van | ëeoootschapsonderwijs ; tegen het overnemen der scholen , ;e °ötstentenis van gouvernementsonderwijzers om de plaats ik^.ervangen der. tegenwoordige meesters, die door den ^ hunner opleiding niet wel aan het hoofd van neutrale ' vernementsscholen konden geplaatst worden. Lö de Battaklanden (Sumatra), waar het toezigt over het ij .ornements inlandsch onderwijs bij uitzondering aan
6 §e daar geplaatste zendelingen is opgedragen onder 0t eener toelage, zal hierin uit krachte der verordening ° Mei 1871 verandering komen, en zullen de zendee n niet m e e l. a i s zoodanig met het schooltoezigt belast Gel0611 blijven. Bij wijze van overgang zal echter hunne . age ter zake nog tot en met het jaar 1872 bestendigd
| f Bali (en wel te Boeleleng) zal in 1872 eene eerste . üdsche school verrijzen. Als onderwijzer zal daarbij hi ?den de thans nog bij do kweekschool te Bandong in 2 zijnde Balinees, van wiens plaat g gemaakt in het verslag 8RR ° zÜnde Balinees, van wiens plaatsing aldaar, in ,i "i werd melding gemaakt in het verslag van 1868, 9. Een zevental Balinezen hadden sedert korteren fe. 7
( angeren tijd, onder genot eener toelage van 's landsk i onderwijs genoten aan de gouvernements inlandsche
school te Banjoewangi. Sommigen hunner zijn echter vertrokken of ontslagen. De twee verstgevorderden waren bij het eind van 1869 met verlof naar Bali vertrokken om bij terugkeer over te gaan naar de kweekschool te Soerakarta, doch hadden (volgens berigten van November 1870) sedert niets van zich doen hooren.
II. KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.
§ 1. Taaistudie (1).
Javaansch. Het Javaan sch-Nederlandsch woordenboek van den ambtenaar J. A. WILKENS is in zoover voltooid, dat de letter nga, de laatste van het Javaansche alphabet, is afgewerkt. De schrijver houdt zich thans onledig met het werk in zijn geheel te herzien en te systematiseren, waarvoor hij denkt nog nagenoeg drie jaren noodig te hebben. Intusschen is reeds hier te lande, behalve van de laatstbewerkte letter, achtereenvolgens een afschrift van het manuscript ontvangen (laatstelijk in Maart 1871 van het gedeelte de zeven voorlaatste letters betreffende) en zulks ten dienste van de Rijksinstelling voor onderwijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indie te Leiden, aan welke inrigting ook zijn overgegaan de voorgaande bundels, in der tijd aan de voormalige Koninklijke Akademie te Delft ten gebruike verstrekt geweest. De hier te lande in bewerking zijnde nieuwe vermeerderde uitgaaf van het Javaansch-Nederlandsch handwoordenboek van J. F. C. GEKICKE wordt, behalve door ruime inteekening overeenkomstig de vroeger gedane toezegging (zie het vorig verslag, bladz. 69), in den laatsten tijd meer regtstreeks van regeringswege bevorderd, door de bewilliging, te rekenen van 1°. January 1871, ten behoeve van een hier te lande met verlof aanwezigen onderwijzer aan de kweekschool ter opleiding van inlandsche onderwijzers te Soerakarta, van eene toelage boven zijn verloftractement, ten einde gedurende zijn verloftijd den bewerker, den hoogleeraar dr. T. ROORDA te Leiden, den gewenschten bijstand te verleenen. De eerste der vijf afleveringen, waaruit vermoedelijk het woordenboek zal bestaan, heeft in Junij jl. het licht gezien. Van de vertaling van het door DIPO NEGORO nagelaten manuscript over de Javasche oorlogen, hetwelk fragmentsgewijze aan verschillende personen is opgedragen, onder toezigt van den ambtenaar voor de Javaansche taal- en letterkunde A. B. COHEN STUART, is een gedeelte voltooid.
Maleisch. Van het Maleisch-Nederlandsch woordenboek van den ambtenaar H. VON DE WALL waren, volgens de laatste berigten (April 1871), acht vellen (128 pagina's) afgedrukt en stonden nog zeven vellen (112 pagina's) gezet, waarvan de afdruk wachtte op de toezending uit Europa van eenige aangevraagde geaccentueerde letters. Na de ontvaugst dezer letters (in Mei jl. verzonden) zal met den afdruk van het woordenboek onafgebroken kunnen worden voortgegaan. Het programma der werkzaamheden van genoemden taalvorscher brengt mede, dat hij zich nu nog verder zal hebben te wijden aan het zamenstellen van een Nederlandsch-Maleisch woordenboek en van eene Maleische grammatica. Een onderzoek is ingesteld ter beantwoording van de vraag, in hoever op en buiten Java de Maleische taal en welke soort van Maleisch gebezigd wordt in de briefwisseling tusschen de besturende Europesche ambtenaren en inlanders. Dit onderzoek heeft tot resultaat opgeleverd, dat voor de behandeling van dienstzaken, zoowel schriftelijk als mondeling, in geheel Nederlandsch Indie, met weinig uitzondering uitsluitend het Maleisch wordt gebezigd. Op Java, de Vorstenlanden uitgezonderd , in de Lampongsche districten , in de benedenlanden van Palembang en op de eilanden der residentien Amboina, Ternate en Timor uitsluitend Laag-Maleisch, en wel in verschillende
(1) Zie over het verkrijgen van geschikte leer- en leesboeken, voornamelijk ten dienste van het inlandsch onderwijs, het aangeteekende op bladz. 89.
*
96
schakeringen vermengd met uitheemsche woorden, die den landaard der gebruikers , den Europeschen en Chi:,eschen niet uitgezonderd , kenmerken, met even veel verschil in zinbouw, woordvoeging enz. als de plaatselijke toestanden schijnen mede te brengen : het geschreven Laag-Maleisch met aanwending van Latijnsche k a r a k t e r s , het gesproken Laag-Maleisch met zeer verschillende accenten in de uitspraak. Daarentegen wordt de officiële briefwisseling m zuiver Maleisch gevoerd (met gebruik van Latijnscli en vaak ook van Arabisch schrift) in het gouvernement van S u m a t r a s Westkust en in de adsistent-residentie Benkoelen (in beide gewesten met uitzondering van sommige streken of onderhoorige eilanden , zoo als de Battaklanden , Nias , Engano enz.) , ifl Riouw , zoomede op geheel Borneo , voor zoover dit eiland onder Nederlandsen gebied staat. W e l is waar zijn op Borneo de meeste Dajaksche hoofden geheel onbekend met de schrijfkunst, maar in den regel heeft ieder hunner een beschaafd Maleijer van Bandjermasin als schrijver te zijner beschikking. Geheele uitsluiting van het Maleisch in de ambtelijke briefwisseling met inlanders treft men alleen aan in het gouvernement van Celebes en onderhoorigheden , waar nog altijd het Macassaarsch of Boegineesch daarvoor in de
plaats treedt. . , , ' • » » In de residentie Menado wordt het Maleisch der M o lukken voor de behandeling van dienstzaken algemeen gebezigd ; alleen volgt men een middenweg door het Maleisch (in de briefwisseling met de radja's op de noord-oostkust van Celebes en in de bogt van Tomini) te doen vergezeld gaan van eene Boeginesche of Macassaarsche vertaling. Evenzoo geschiedt zulks in de Vorstenlanden op J a v a , door aanwending van Nederlandsen met Javaanschc vertaling en van Javaansch met Maleische vertaling. Ka in het Palembangsche door het Maleisch te doen vergezeld gaan van eene vertaling in het Redjangsch of in het .. Oeloesch".
Soendaneesch. Omtrent de afwerking van het onvoltooid gebleven woordenboek van wijlen dr. D . KOORDERS is nog geen definitive beslissing genomen. ° Zoo als in het vorig verslag reeds is medegedeeld , is dr. H . N E U B R O N N E R VAN DEK T U D K als de geschiktste persoon daartoe aanbevolen , en is het Gouvernement met dezen afgevaardigde van het Nederlandsch Bijbelgenootschap in onderhandeling om hem aan 's lands dienst te verbinden, ten einde van zijne talenten als Oosterseri taalgeleerde, in het algemeen partij te trekken en hem in de eerste plaats te belasten met de voortzetting van den arbeid van wijlen dr. KOORDERS. (1) Laatstelijk hield dr. VAN DER T U U K zich met de studie der Balische taal onledig. De in bewerking zijnde bescheiden omtrent de uitkomsten van het onderzoek naar de regten van den inlander op den grond (waarover zie hoofdstuk J , afdeeling V , § 1 hiervoren) zullen ook uit oen taalkundig oogpunt waarde hebben. Althans ten aanzien van het resumé der uitkomsten in B a n t a m , welk stuk het eerst het licht zal zien , heeft een bevoegd taaikenner , de heer K. F . H O L L E , op zich genomen de Soendanesche woorden toe te lichten en zullen die woorden met hunne toelichting in eene alphabetische lijst worden verzameld, bestemd om aan het r e sumé als bijlage te worden toegevoegd.
Lampongsch. De in het vorig verslag bedoelde verhandeling over het Lampongsch en zijne tongvallen en de negentien piagems door dr. VAN DEK T U U K der Regering aangeboden, zagen het licht in het X I X d e deel van het tijdschrift van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. De door denzelfden taalgeleerde ingezonden « d r i e L a m pongsche vertellingen" konden nog niet worden g e d r u k t , bij gemis aan de daarvoor noodige druktypen. Voor de aanschaffing daarvan , volgens de door dr. VAN DER T U U K verstrekte gegevens , wordt hier te lande het noodige verrigt.
(1) Over het denkbeeld om door middel eener tijdelijke voorziening, bijv. van drie jaren, voorloopig op de minst kostbare wijze hulpmiddelen voor de studie der Soendanesche taal te doen vervaardigen, is in Augustus jl. met den Gouverneur-Generaal in overleg getreden.
§ 2. Oudheidkunde.
Aan het instandhouden van de gedenkteekenen der oudheid blijft de Regering zooveel mogelijk hare zorg wijdenNadat in 1868 fondsen waren toegestaan voor het be* waken en onderhouden (in vrijen arbeid) van die monumenten (in de residentien Soerabaija, Bezoeki, Kediri f Pasoeroean , Kadoe en Banjoomas), welke geacht werde» eene meer bijzondere belangstelling te verdienen , werde11
bij een besluit van Julij 1870 de oudheden op Java j» 't algemeen alsnog uitdrukkelijk onder de hoede gestel" der hoofden van gewestelijk bestuur, met uitzondering van die der Vorstenlanden, waar de zaak genoegzai»6
behartiging vond in den eerbied der bevolking of de zorg der inlandsehe hoofden. Met het schoonhouden en bewake* der tempelruïnen van Boro-Boedoer (Kadoe) waren to dusver, tegen vrijstelling van landrente, belast twee nabij' gelegen dessa's. Sedert medio 1870 is hierin op meer rege1' matige wijze voorzien door opdragt van het onderhoud aaD
een Europeesch ingezetene in de nabijheid.
Het groote plaatwerk aan laatstbedoelde bouwvalle» gewijd en op 's lands kosten hier te lande uit te geven« is nog niet in den handel kunnen worden gebragt. Vs
tekorten in het geleverd aantal afdrukken der plate» (zie het vorig verslag bladz. 70), worden door den litb.0* graaph aangevuld, en zal eerlang met het afdrukken va» den tekst kunnen begonnen worden. Even als de eigenlij» afbeeldingen zijn ook de zoogenaamde tekstplaten, dat z i r die welke aan den tekst, tot toelichting van de beschrlj* ving vooral uit oen bouwkundig oogpunt, zullen worde» toegevoegd, bereids afgedrukt. De uitgravingen op het Diëngplateau (Bageïen), waarvä' herhaaldelijk in vorige verslagen sprake w a s , werden voort* gezet en do verslagen deswege door het Bataviaasch O6' nootschap van Kunsten en Wetenschappen geregeld in zij»« Notulen gepubliceerd. Deze uitgravingen hebben onde andere tot de ontdekking geleid van de fundamenten va een en ouden tempel. In het district Tjendono (Japara) op het Moriogebergl is, ter hoopte van 2200 voet, het sedert jaren gezocht* graf van pangeran GADOEN'G , den vader van den soeso«' hoenan van Morio, ontdekt door den regent van Koedo« en den ad si stent-residen t dier afdeeling. Een kort versla» hieromtrent is door genoemden regent gepubliceerd in a
aangehaalde Notulen (deel V I I I , n°. 3 en 4 , 1870).
§ 3. Natuurwetenschappen.
Magnetische en meteorologische waarnemingen. De viUt waarnemingen van den barometerstand, de temperatuflj den vochtigheidstoestand van de lucht, de windrigting, a
hoeveelheid gevallen regen en de declinatie van de ra8« neetnaald werden voortgezet, evenzoo de absolute bepalinge
van het aardmagnetismus. Met de bewerking der waarnemingen werd voortgegaa°j Het drukken der waarnemingen, in October 1869 gestaag omdat de noodige cijfers niet in voldoende hoeveelheid % landsdrukkerij aanwezig waren , werd in Junij 1870 herV» Tegen het einde van het eerste kwartaal lö71 waren x meteorologische waarnemingen van de jaren 1866, 1" en 1868 en de uurwaarnemingen van de declinatie, d„ van 1 Julij 1867 tot ultimo Junij 1868 gedaan zijn, » gedrukt; terwijl een begin was gemaakt met het ter per leggen van de inleiding, welke de uitkomsten bevat die» de waarnemingen zijn afgeleid. , Met de reizen in het belang eener magnetische opnem1 * van J a v a kon nog geen begin worden gemaakt, bij o^, stentenis van een persoon aan wien , gedurende de afwe2'»( heid van den ingenieur, het toezigt over de dienst bij » observatorium zou kunnen worden opgedragen. De meteorologische waarnemingen bij 's lands plant 6^ tuin te Buitenzorg, in 't vorig verslag aangekondig ondervonden eenige vertraging. Met 1 December 1870*8 zij echter geregeld begonnen, zoodat sedert dien tijd e
tweede station voor weerkundige waarnemingen verkregen In het belang van de kennis der natuurverschijnsel hebben de hoofden van gewestelijk bestuur op en bui . J a v a in last, om van de in de gewesten onder hun ben ^ waargenomen berg-uitbarstingen , aardbevingen enz. tel»6
Jij a üd, mi\
Hïng
Ver& »ode
fe
< '
fo z
«Blij
»tab
»ON foor D, jVan foui Nb io m 'jijzc •St] «6t -0 '%h vüo,
^o n «toe 'al c *iim «B , Vet, ich l|ez( G %
•let Mc
V0lT, <4
H\ s hh 'oei \
80o
» :
"aa te foii [oe' Vat K
1 'lit;
%
«p (
] Ha jtiii K
97
•oudïjdeiit beaonU
adii'i, erden orde11
va i» esteld lering rzame
' zorg srake* n to* nabij" regel' daa»
even« t. P e
jlateO lithoT va» olijk0
,t zij° cbrijordeo
a vV3» yoox't' a Ge' i zijn6
ondef n va"
bergt« zocht« oesoo'
3edo^ erslag in de
uut' atutt'?
mag' .linge»
eg»0, •stasia aid tf
di« •fie, in.
die«1'
lerni^ ij °flt'
bij ^
laut«»' mdig.^
j n s « bui^ beh< telkO
JU afzonderlijk schrijven aan de Regering berigt te geven. Ju den aanvang van 1870 is die verpligting aan de gewestelijke huurders voor zooveel noodig in herinnering gebragt. .Van den op 18 September 1869 in de dessa Tjabé (RemnS) gevallen meteoorsteen werden een drietal stukken, ergezeld van eene beschrijving der omstandigheden, waar"nd.er de val heeft plaats gehad, tot scheikundig onderzoek festaan aan den hoogleeraar E. H. VON BA.UMHA.UER te Harlem.
.Natuurkundige en ethnographische reizen en nasporingen. &n de twee togten in 1869 en 1870, telkens gedurende 'e zeven of zes eerste maanden des jaars, naar het noor6'ijk gedeelte van Nieuw-Guinea ondernomen door den '"ibtenaar voor wetenschappelijke nasporingen C H. B. '°N ROSENBERG (zie het vorig verslag bladz. 71), zijn °or dezen nog slechts voorloopige reisverhalen ingediend. De eerste togt, die, gerekend van den dag van vertrek !an Ternate tot dien der terugkomst aldaar, 205 dagen '"Urde, had ten doel de Geelvinksbaai en hare eilanden 6 bezoeken ; de tweede, mede van uit Ternate ondernom e n en die in zijn geheel 161 dagen duurde, werd meer ponder dienstbaar gemaakt aan onderzoekingen in het ?l8trict Andai, behoorende tot het landschap Arfak , en in et meer binnen 's lands gelegene Hattam. .Ofschoon beide togten zich in meerdere of mindere mate ^Bmerkten door een zamenloop van ongunstige omstan'gheden, als: zeeramp, veel regenachtig weder en daaruit "ortgesproton ziekte zoowel van den onderzoeker als van 'Jn onderhebbeud personeel, en op den tweeden togt verkonding van den betrokken ambtenaar (voetwond) en jPeijelijkheid in het verkrijgen van een genoegzaam aanRdragers, waren toch resultaten verkregen , welke volgens 'JIQ verklaring allerbelangrijkst mogten genoemd worden, 11 die, buiten en behalve de ontdekkingen van meerdere ,Tetenschappelijk nog niet bekende dieren , een geheel nieuw 'ctt zullen verspreiden over do géographie en fauna der Pochte gedeelten van Nieuw-Guinea.
, Gedurende den togt van 1869 werden verzameld een "tal zoogdieren, ruim 750 vogels, een 60tal reptilien, !erscheidene vissehen, doch slechts weinig insecten wegens jjet ongunstige jaargetijde; voorts nog enkele zeesterren on '°lotliurien, meerdere vogelnesten en eijeren, een 40tal °gelskeletten en even zoo vele monsters van mineralen. °k op zijne tweede reis slaagde de ambtenaar vos R O SBERG vrij wel in het erlangen van nieuwe of zeldzame "tüurkundige voorwerpen, vooral vogelsoorten, waaronder ,^n 20tal geheel nieuw voor de wetenschap, maar boven.'en ook onderscheidene soorten, wel reeds sedert andera'Ve eeuw bekend naar verminkte, door de inboorlingen °ebereide huiden, doch waarvan nog nimmer complete jPtDplaren door eonig Kuropeesch reiziger, den beroemden ALLACE niet uitgezonderd, waren aanschouwd. De verv^elaar verwachtte dat hierdoor de in 'sRijks Museum te /^den aanwezige collectie papegaaijen , ijs- en paradijsvogels ^ kunnen worden aangevuld tot een geheel, eenig in zijn Vt. Ofschoon de togt naar het landschap Hattam alleen door .e inlandsche jagers was ondernomen, tijdens de ambte^ar YON ROSENBERG door eene voetwond genoodzaakt was i\A.ndai te verblijven, en deze bij herstel geene gelegen,e'd meer had den togt zelf te aanvaarden, was het hem °cn gelukt voldoende berigten in te winnen over een gedeelte ha,Q het binnenland en den daar woonachtigen volksstam. °vendien was het bewijs geleverd, dat het binnenland ei degelijk toegankelijk is. ,,'olgens berigten van den aanvang van 1871 kon een ^gewerkt verslag van de eerste reis weldra worden te *Jetüoet gezien, en was eene voorloopige gedachtenwisseling |6°pend omtrent de streken waarheen de ambtenaar VON °SENBERG zijne nieuwe togten zou uitstrekken. In de rste plaats was daarbij onder anderen het oog gevestigd P de Sangir- en Talaut-eilanden. Over eene door een gouvernements-commissaris met een ^eer algemeen doel te ondernemen nadere zending naar Nieuw Uloea, is reeds gehandeld in hoofdstuk C, § 3 hiervoren. De weinig bekende Battak-landen van Sumatra's Oostkust aakten ook een onderwerp uit, waarop de Rogering hare Indacht gevestigd hield. Op voorstel van den resident van '°U\v werd deze gemagtigd eon tot het doel geschikt
SP. S. 9
ambtenaar bij het binnenlandsch bestuur in zijn gewest aan te wijzen, om eene reis naar de bedoelde streken te maken , ten einde kennis op te doen van land en volk en daarvan eene beschrijving te geven. Aan een photograaph werd vergund dien ambtenaar op zijne togten te vergezellen, en werd hem eene tegemoetkoming van f 1000 toegezegd, waarvoor hij de platen zou leveren, die tot verduidelijking van het verslag zouden dienen. De Indische Archipel werd in het laatst van 1870 met een wetenschappelijk doel bezocht door een Duitsch geleerde, dr. A. B. MEIJER, aan wien de Indische Regering, op zijn verzoek om hem in de somtijds zeer moeijelijk en slechts met veel kosten te bekomen transportmiddelen te gemoet te komen, vergunde om voor trajecten welke door 's lands oorlogs- en gouvernements-stoomschepen werden bevaren, van deze vaartuigen gebruik te maken. De vroeger meermalen genoemde officieren van gezondheid SEMMELINK en WIENECKE bleven hunne belangstelling in 's Rijks musea betoonen door de aanbieding van verschillende voorwerpen.
's Landsplantentuin te Buitenzorg. Ook gedurende 1S70 mögt 's lands plantentuin zich in den gewonen bloei verheugen. Het aantal bezoekers behoefde voor dat van vorige jaren niet onder te doen. Onder de talrijke vreemdelingen bevonden zich ook enkelen , die aan hun bezoek een wetenschappelijk doel verbonden. In het personeel der inrigting kwam geene verandering. Met het herzien der in den catalogus opgenomen botanische namen, het vervaardigen van botanische afbeeldingen en het bestemmen van nog onbekende planten werd onafgebroken voortgegaan. Vele geheel nieuwe vormen kwamen daardoor aan het licht en het wordt hoe langer hoe duidelijker, zegt de directeur der instelling, dat onze kennis van de flora van den Archipel nog lang niet volledig is. Voornamelijk kwam dit feit gterk uit bij het bewerken van het in 18G9 op Banka verzamelde materieel. Ook met betrekking tot de planten-geographie waren deze onderzoekingen van belang. Waarschijnlijk zal men tegen het einde van 1871 of het begin van 1872 het eerste gedeelte van een nieuwen catalogus ter perse kunnen leggen. Herhaaldelijk had de tuin te lijden door zware bandjers in de rivier Tjiiiwong. Zelfs werd een gedeelte plantsoen van den nieuw aangelegden benedentuin weggeslagen. De oppervlakte van den tuin wordt bij de groote aanwinst van planten meer en meer te klein. Onderhandelingen om een nabijgelegen stuk grond te erlangen, hadden nog niet tot het gewonschte resultaat geleid. Do toestand van het museum was even ongunstig als in vorige jaren. Steeds blijft er dringende behoefte aan ruimte bestaan, waarin echter weldra zal worden voorzien. Met het ordenen van een gedeelte van het herbarium wTerd voortgegaan ; reeds zijn al de aanwezige gedroogde planten wetenschappelijk gerangschikt. Met het in orde brengen en uitbreiden der verzameling houtsoorten werd een aanvang gemaakt, even als met het daarstellen van eene wetenschappelijke verzameling vruchtsoorten. In den toestand der bergtuinen kwam, sedert daarvoor een Europeesch tuinman is aangesteld (zie het vorig verslag blz. 71), eene lang, gewenschte verandering. Met het in de eerste plaats in orde brengen van den tuin te ïjibodas was reeds krachtig aangevangen. Ten behoeve van den kolonialen laadbouw werden eenige planten afgestaan. Het nemen van proeven omtrent de waarde der verschillende soorten van koffij in "s lands plantentuin voorhanden , vergeleken met de gewone Java-soorten, werd voorbereid. Daar het niet genoeg is, dat hiertoe alleen te Buitenzorg proeven genomen worden, werd ook eene partij zaden toevertrouwd aan den ambtenaar, belast met de leiding der kinaeultumr. Het aaar Bandong gezonden zaad schijnt echter van minder goede qualiteit te zijn geweest, zoodat het grootste gedeelte mislukt is. In 1871 wordt eene nieuwe hoeveelheid zaad verwacht, terwijl ook proeven op andere berghoogten worden voorbereid. Tot het nemen van proeven met de aankweeking in Indie der Zuid-Amerikaansche braakwortelplant eephaelis Ipecacuanha zijn in 1865, op voorstel der Indische Regering, enkele exemplaren vau dit medicinale gewas, hiar
25
È
98
-te lands van eene bevoegde zijde verkregen, naar Java verzonden. De aanvankelijke pogingen zijn echter, vermoedelijk omdat de exemplaren in kwijnenden toestand ontvangen waren, niet met gewenscl*ten uitslag bekroond. Zoowel de in 's lands plantentuin uitgekweekte plantjes als die welke waren afgestaan aan den ambtenaar belast met de leiding der kinacultuur waren allen gestorven. Laatstelijk is ecl*ter eene tweede proeve voorbereid, waartoe een 25tal plantjes uit Nederland waren ontboden, die in den besten toestand zijn aangebragt. Deze zijn onverwijld naar de kweek-inrigtingen der bergtuinen verzonden, waar zij zicli bij het eind van 1870 reeds goed begonnen te ontwikkelen. Van de cultuur van zonnebloemen , ondernomen met het doel om den gezondheidstoestand op de kustplaatsen te verbeteren, kwamen tot nu toe slechts ongunstige berigten in. Proeven op grootere schaal blijven aanbeveling verdienen en worden voorbereid. Door middel der Javasche Courant (zie het nommer van 13 December 1870) werd eene lijst gepubliceerd van nuttige plantensoorten, waarvan zaden of planten kosteloos voor ieder belanghebbende verkrijgbaar zijn. Reeds aanstonds waren vele aanvragen daarvan het gevolg. Aan den directeur der inrigting werd het doen van kleine botanische reizen opgedragen. Deze reizen bepaalden zich in lö70 tot de residentie Batavia, en door hem werden eene belangrijke hoeveelheid herbarium en eenige houtsoorten verzameld. De inspecteur honorair der cultures J. E. TEYSMAN bragt weder eenige maanden op Banka door, zoowel in het belang der botanie als om den Bankanees het aanleggen van sawahs te leeren en verder den proefaanleg te leiden (verg. bijlage lit. K R hierachter). Genoemde inspecteur is onlangs aangewezen om voor botanisch gedeelte deel uit te maken van de voorgenomen nieuwe zending naar NieuwGuinea, waarover zie de voorgaande rubriek.
Ichthyologie. De ten laste der Indische begrooting gesubsidieerde uitgaaf van den » Atlas ichthyologique des Indes Néerlandaises" van dr. P. BLBEKER vordert thans goregeld. Van de 9 afleveringen blijkens het vorig verslag naar raming nog aan het werk ontbrekende, hebben er 3 sedert het licht gezien, waarvan 2 nog in 1870 en de derde i n Julij jl.
§ 4. Wetenschappelijke genootschappen.
Door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten ea Wetenschappen werden, behalve de vervolg-afieveringen van notulen en tijdschrift, uitgegeven de 34ste en 35ste deelen van zijne verhandelingen. Van gouvernementswege werd ter opneming in de werken des Genootschaps onder andere afgestaan: eene door een der controleurs in de residentie Timor vervaardigde beschrijving van het eiland Soemba, met daarbij behoorende kaart, woordenlijst en zamenspraken ; een rapport vaneen dor controleurs in de residentie Riouw, betreffende eene in Julij en Augustus 1869 door dezen gedane reis naar de bovenlanden van Kota Pinang; zoomede de zich onder berusting van den ambtenaar voor de zamenstelling van een Maleisch woordenboek bevindende verzameling pantoens of epigrammen. Overigens ontving het Genootschap weder het gewone gouvernements-subsidie van f 8000. De Koninklijke Natuurkundige Vereeniging mögt zich evenmin als vroeger in eene groote belangstelling van het publiek verheugen. Het aantal leden nam niet toe en slechts zelden werden bijdragen ontvangen voor het tijdschrift. Niettemin zag daarvan in 1870 het 31ste deel het licht en werd met den druk van het volgende deel een begin gemaakt. Voor de uitbreiding van bibliotheek en museum werd zorg gedragen; beide werden met geschenken verrijkt. Het Gouvernement schonk zijn jaarlijksch subsidie van f 2000; terwijl een gelijk bedrag door vrijwillige bijdragen werd bijeengebragt. Voortaan zal echter van de leden eene vaste contributie worden geïnd (zie het gewijzigde reglement der Vereeniging door den Gouverneur-Generaal goedgekeurd blijkens Indisch Staatsblad 1871, n". 89).
pok de Nedüirlandsch-Indïsohe Maatschappij van Nijverheid en Landbouw ondervond niet in gewenschte mate »e
medewerking van het publiek. _ , De Vereeniging van Landbouw en Nijverheid te Djokjo' knxta, van welker ontbinding reeds is sprake geweestverkeerde in ongunstige omstandigheden. De Soerakartasche Maatschappij van Landbouw in 186D
opgerigt, werd in 1870 opgeheven, doch onmiddellijk vet' vangen door een ander ligchaam onder den naarn^ va" n Indisch Landbouwgenootschap." Daar deze vereenigmÓ eerst kortelings is opgerigt en ook nog geene afdeeling^ heeft, valt van hare werking nog weinig te zeggen. In 187* is zij met de uitgave van een tijdschrift begonnen. De » Vereeniging tot bevordering van geneeskundig6
wetenschappen in Nederlandsen Indie" verzocht 's GoU' vernements goedkeuring op het door haar vastgesteld gf wijzigd reglement. Die goedkeuring werd bij ordon nanti6
van 10 September 1870 [Indisch Staatsblad n°. 120) dol* den Gouverneur-Generaal verleend. Door de nieuwe erkeö' ning kwam voor de Vereeniging te vervallen de voor' waarde bij hare erkenning ten jare 1852 gesteld: » o«" bij de uitgave van het Geneeskundig Tijdschrift voor Nedef landsch Indie, zich te onthouden van gisping der hande' lino-en van-het Bestuur in Nederlandsen. Indie of van W Opperbestuur in Nederland." Aanvangende met 1872 is aan de Vereeniging tot w^ deropzeggens toe een subsidie van f 2000 's jaars^ toege' kend tot goedmaking der kosten van het opnemon in ha» tijdschrift van door of namens de Regering aan te wijzj rapporten, mededeelingen enz van geneeskundigen aar<J' onder voorwaarde dat zij een zeker aantal exemplar«0
van dat tijdschrift aan de Regering afievere. Aanteekening verdient nog dat de chef van het dopsr' tement van oorlog in het afgeloopen jaar de belaugen de^ verschillende in Indie gevestigde instellingen van wete»' schappelijken aard in de medewerking der officieren va' het leger aanbeval, met aansporing, voor zooveel noodjg' om door het leveren van bijdragen, hetzij schriftelij^ hetzij in natura, op het door de bedoelde instellingen bfl' hartigd gebied, ook hunnerzijds, in navolging van het do" sommigen reeds gegeven loffelijk voorbeeld, een aande« te leveren in het verspreiden van nuttige kennis omtre» Nederlandsch Indie,
§ 5. Tijdschriften en nieuwsbladen.
In 1870 werd door het Bataviaasch- en het Nieuw BaW vidasch Handelsblad het getal verschijndagen 's weoks vjj meerderd; van de Soerabaija-Courant verscheen in àn
jaar eene Zondags-editie. Daarentegen is de uitgave v» het in November 1869 te Soerabaija verschenen dagbl»' Insulinde, in Junij jl. gestaakt. _ Sedert 1*. Januarij 1871 ziet een tijdschrift van het Indis"' Landbouwgenootschap te Soerakarta het licht. Met betrekking tot de bladen in inlandsche talen kan word^ medegedeeld, dat de uitgave van de te Batavia verschijnen' Maleische courant Mata Harie in 1870 werd gestaakt. In het belang van 's Lands onzijdigheid in denjongst^ oorlog in Europa, werd in Augustus 1870 aan de red»'' teuren der in Indie verschijnende nieuwsbladen, van B geringswege de uitnoodiging gerigt, om zooveel mogeUJ te vermijden, dat op eenigerlei wijze blijk wierd gegev6
van voor- of tegeningenomenheid ten aanzien van de o» logvoerende Mogendheden, de betrokken Vorsten, nati° naliteiten of staatsdienaren.
§ 6. Landsdrukkerij.
Deze inrigting beantwoordt voortdurend aan hare V stemming. De onvoldoende en ongeschikte loealen werd6
in April 1871 verlaten en de landsdrukkerij overgebrf» naar een daartoe opgerigt nieuw gebouw. Tot opruim1^ van den door die verplaatsing en het tijdelijk gemis v» het stoomwerktuig ontstanen achterstand in het afdruk* van werkjes ten dienste van het inlandsch onderwijs,
(1) Met 1 Julij 1871 ook de uitgave van de Bintang Sarat, e Maleisch blad dat sedert April 1809 ter hoofdplaats het licht zag.
m
onlangs , voorloopig voor den tijd van zes maanden, het aantal inlandscbe zetters en boekbinders met 30 vermeerderd. Door het betrekken der nieuwe localen is gelegenheid ontstaan om het getal snelpersen, welke door da aanwezige stoommachine kunnen worden in beweging gebragt, te vermeerderen en daardoor het materieel op zoodanigen voet te brengen, dat aan alle eischen van de dienst naar behooren kan worden voldaan. Reeds zijn twee nieuwe persen uit Nederland ontboden. De verzameling Chinesche druktypen, in 1862 ten behoeve der inrigting aangeschaft (zie het verslag over dat jaar bladz. 150), wordt geregeld aangevuld met nieuw bijkomende letters. In J ulij jl. is een nieuw supplement verzonden, hier te lande weder in gereedheid gebragt onder het opzigt van dr. J. J. HOFFMANN te Leiden. D e kosten der inrigting over 1870 bedroegen t' 104 498 en de werkelijke ontvangsten f 2S 567. De drukkerij heeft gratis geleverd ten behoeve van de verschillende bureaux on administration niet minder dan 7 650 252 exemplaren van 6889 modellen van imprimés, welke volgens tarief eene golds waai de aan druk- en zetloonen vertegenwoordigden van f' 187 3 7 3 , zoodat, wanneer deze in rekening mogten worden gebragt, de drukkerij een voordeelig saldo zou aanwijzen van f 111 442. Blijkens Indisch Staatsblad 1871, n°. 4 3 , zal'echter, in te gaan met 1 Januarij 1872, in navolging van hetgeen in Nederland plaats vindt, elk departement,, collegie of administratie bezwaard worden met de kosten van hetgeen te zijnen of haren behoeve ter landsdrukkerij wordt gedrukt, en wel wat de zet-, druk- en bindloonen betreft volgens het herziene (tot het minimum der kosten verlaagd) tarief {Indisch Staatsblad 1871,n°. 14), en wat het papier betreft, dat voortaan door de landsdrukkerij zal moeten worden geleverd, volgens den prijs van uitbesteding verhoogd met 10 pet. voor spillage als anderzins. Alleen ten aanzien van de levering van »circulaires" zal do bestaande regeling behouden blijven en dus het zetten eu drukken kosteloos geschieden met levering van het benoodigd papier door don lastgever. Het gebruik van de landsdrukkerij zal overigens voor de autoriteiten alleen verpügtend zijn voor zooveel aangaat de imprimés te rangschikken onder de zoogenaamde Standmodellen (modellen uit do bundels »periodieke stukken" en »kasbeheer"). Bij eene verlangde levering van andere imprimés door de landsdrukkerij moet in het noodige papier door den lastgever worden voorzien.
I I I . E E K E D I E N S T .
§ 1. Christelijke.
a. Protestantsche.
Kerkbestuur. Het door do Regering aanhangig gemaakt onderzoek naar de punten, ten opzigte waarvan de Staat in zijne betrekking tot de Protestantsche Kerk in Nederlandsch I n d i e , afstand zou kunnen doen van zijne inmenging of bemoeijing, gaf het betrokken kerkbestuur te Batavia aanleiding de verschillende kerkeraden in Indie te raadplegen, nopens het denkbeeld om, na aanvulling van het bestuur mot twee leden, op zijne voordragt dooide Redering te benoemen, het aldus uitgebreide kerkbestuur te magtigen, om als vertegenwoordiger van de I n dische Protestantsche Kerk op te treden en mitsdien bevoegd te doen verklaren om te beschikken in zaken van kerkelijken aard, waaromtrent de beschikking tot nog toe aan de Regering is voorbehouden. Inmiddels werd aan eene commissie uit het bestuur opgedragen een algemeen reglement te ontwerpen, waarbij werd uitgegaan van het beginsel eener vertegenwoordiging der Kerk door het kerkbestuur, ton einde wanneer de kerkeraden verklaarden zich met dit beginsel te veroonigen het ontwerp-reglemen t al dadolijk aan hunne booordeeling te kunnen onderwerpen. Hiertoe zou volgens berigten van April jl. weldra worden overgegaan , daar reods de meeste kerkeraden hadden te kennen gegeven de aanneming van gezegd beginsel in het belang der Indische Protestantsche Kerk noodzakelijk te achten. Inmiddels heeft de Regering hier te lande van hare
gezindheid doen blijken om met meer doortasting dan in de aanvankelijke aanschrijving lag opgesloten, te geraken tot eene zoo volledig mogelijke losmaking der betrekkingen tot het kerkgenootschap. I n Mei jl. is namelijk de Gouverneur-Generaal uitgenoodigd aan het Protestantsch kerkbestuur het voornemen der Regering mede te deelen, dat deze zich op een nader te bepalen tijdstip geheel aan de bemoeijing met kerkelijke zaken wil onttrekken, en dat hot aan het kerkgenootschap zelf overgelaten moot worden voor zijne belangen hier te lande zorg te dragen, waartoe het zich regtstreeks in betrekking zou kunnen stellen met de te 's Gravenhage gevestigde Commissie tot de zaken der Protestantsche Kerken in Nederlandsch Oost- en West-Indie. Wierd deze al dadelijk van de noodige volmagt voorzien tot de benoeming en het ontslag van predikanten, de Regering zou dan aan de benoemden de bezoldigingen en verdere voordeelen uitbetalen, welke aan de bedoelde leeraars van Staatswege worden toegekend.
I n verband tot deze beginselen worden t h a n s , door tu3schenkomst van den Gouverneur-Generaal, van het kerkbestuur voorstellen te gemoet gezien omtront de wijze waarop do hier te lande aanwezige Commissie zal kunnen worden aangevuld of geheel op nieuw benoemd, opdat met het oog op art. 122 van het Regeringsregloment dit onderwerp in gemeen overleg met de Regering kunne behandeld worden. Volledigheidshalve verdient nog vermelding het Koninklijk besluit van 29 October 1870 [Nederlandsch Staatsblad n°. 173), waarbij, ter definitive opruiming van de overblijfselen der Departementen van Eeredienst hier te lande, de nog bestaande bemoeijingen der Regering met kerkelijke zaken, werden overgebragt bij andere ministeriele departementen , eu als gevolg daarvan met opzigt tot de koloniën bepaald , met wijziging in zoo ver van het Koninklijk besluit van 7 December 1820, n°. 113 (1), dat de meorbodoeldc Commissie voor de zaken der Protestantsche Kerken, enz. voortaan (d. i. tot zoolang het status quo zou voortduren) in regtstreeksche betrekking zal staan tot het Departement van Kolonien.
Predikanten, enz. In April 1870 on Januarij 1871 werd achtereenvolgens aan twee der in Indie dienstdoende predikanten eervol ontslag en pensioen verleend, hetgeen de uitzending van een tweetal leeraars uit Nederland noodzakelijk maakte, waarvan de één , reods in 't vorig verslag bedoeld, in Mei 1871 is vertrokken, terwijl de ander, in Julij jl. benoemd, weldra volgen zal. Van de 5 plaatselijke vacatures die blijkens het vorig verslag, na de aanstelling (in Maart en April 1870) van een vijftal nieuw aangekomen predikanten , nog waren overgebleven, werden in November en December daaraanvolgende die te Amboina en te Pamakassan vervuld door de beide predikanten in Mei 1870 in Nederland benoemd. Daarentegen vertrok in Maart 1871 de predikant te Madioen met verlof naar Nederland en moest ook deze plaats voorloopig onvervuld blijven, vermits de oenige sedert het vorig verslag van verlof teruggekeerde predikant de plaats van den jongst gepensioneerden (te Samarang) had ingenomen. Op 1 April 1871 bestonden derhalve vacatures te Salatiga, Fort de Koek , Banda en Madioen , en waren van het organiek bepaalde aantal van 35 predikanten, 29 in werkelijke dienst (daaronder de 2 zendelingleeraren, waarnemend predikanten te Ternate en te Menado), 3 in het genot van buitenlandsch verlof en 1 (de gewezen predikant bij de Evangelische gemeente te Batavia, van wien in 't vorig verslag sprake was) nog niet in activiteit hersteld.
Do twee veldpredikers waren bij voortduring werkzaam in de gemeenten van Weltevreden en Moester-Cornelis on van Salatiga en Ambarawa. Aan don hulppredikor bij de Protestantsche gemeente te Bonthain werd wegens ziekte verlof naar Nederland verleend. Die to Benkoelon on Timor-Koepang bleven aldaar werkzaam. I n het verkrijgen van geschikte hulppredikers voor de inlandsche Christengemeenten op den voet van het K o ninklijk besluit van 22 December 1867, n°. 4 (Nederlandsch
(I) Gedrukt. bij de stukken der Staatsbegrooting- voor 1862 (Zitting'1801—186-2 , I I . n°. -139Ä).
100
Staatsblad n°. 154, Indisch Staatsblad 1870, n°. 71), wordt in Indie bezwaar gezien wegens het gemis van aanspraak •op pensioen en op bnitenlandscli verlof. De aanstelling van bedoeld personeel, dat men in do eerste plaats uit de zendelingen dacht te trekken, is dan ook tot nog toe achterwege moeten blijven. Voorzieningen om hieraan te gemoet te komen zijn in behandeling. Intusschen zijn bij ordonnantie van 10 September 1870 {Indisch Staatsblad ii°. 125) de aard en omvang der aan het ambt verbonden werkzaamheden en bij een besluit van gelijke dagteekening de standplaatsen der vooreerst aan te stellen tien titularissen geregeld. Als zoodanig zijn aangewezen: Waai, Hutumurij , Allang, Saparoea, Haroekoe, Ameth, Kamai'ian en Letty, benevens twee later aan te wijzen standplaatsen , waarvan één op Timor en één op Rotti. De bepalingen omtrent den werkkring der hierbedoelde hulppredikers zijn nedergelegd in een bij de aangehaalde ordonnantie van 10 September 1870 vastgesteld reglement op het hulppredikerschap en het inlandsch leeraarsambt bij de inlandsche Christengemeenten in Nederlandseh Indie. Behalve het uitoefenen van het leeraarsambt en het bezoeken der gemeenten in hun ressort, is den hulppredikers daarbij opgedragen de opleiding tot godsdienst-voorganger van inlandsche jongelieden, tot welk ambt, tijdens het bestaan te Amboina eerier kweekschool van het Nederlandsche Zendelinggenootschap te Rotterdam, tot vorming van inlandsche onderwijzers, gelijktijdig de aanstaande onderwijzers werden opgeleid, doch waartoe aan de van gouvernementswege in de Molukken op te rigten onderwijzerskweekschool do gelegenheid zal ontbreken , wegens de volstrekte uitsluiting van elk godsdienstig onderwijs aldaar.
Ieder der hulppredikers zal hoogstens vier leerlingen te gelijk onder zich kunnen hebben, voor wier verpleging, kleeding en leermiddelen van 's landswego f 20 's maands per hoofd wordt te goed gedaan. Eene commissie bestaande uit de hulppredikers in hetzelfde gewest, voorgezeten door den oudst in dienst zijnden predikant binnen hetzelfde ressort of door dengene die hem vervangt, neemt de examens af en wijst de standplaatsen aan der inlandsche leeraars, wier bezoldiging op f'25 's maands is bepaald. Bij den aanvang van elk jaar wordt zoowel het getal aan te nemen leerlingen als dat der aan te stellen inlandsche leeraars bepaald door het kerkbestuur te Batavia , in overleg met den betrokken directeur van algemeen bestuur. Van bedoeld kerkbestuur zouden ook de noodige bepalingen moeten uitgaan betreffende de opleiding, den werkkring en de verpligtingen der inlandsche leeraars. Het toozigt op de kerkelijke aangelegenheden der inlandsche Christengemeenten is opgedragen aan de hulppredikers, ieder voor zooveel zijn ressort aangaat.
Kerkelijke dienstreizen. De dienstreizen naar plaatsen die een eigen predikant missen, werden overeenkomstig de vastgestelde regeling zooveel mogelijk verrigt. De op het eiland Billiton aanwezige Protestanten gaven het verlangen te kennen , om geregeld door eenen predikant te worden bezocht. Ten einde aan dit verlangen te gemoet te komen r werd eene wijziging gebragt in het dienstwerk van den predikant te Pontianak (Wester-afdeeling van Borneo) en aan dezen opgedragen de gemeente op Billiton 2 malen 's jaars te bezoeken ; terwijl zijne dienstreizen naar Sambas , Montrado en Sintang van vier tot drie malen 'sjaars werden teruggebragt [Indisch Staatsblad 1870, n°. 115). De hulpprediker te Koepang (Timor) vergezelde den resident in September 1870 onder andere op eene reis naar Savoe. Vele inlanders, waaronder 40 van de eersten des lands, meldden zich bij die gelegenheid ten doop aan. Ten opzigte van hen die blijken gaven van die plegtigheid een juist begrip te hebben, werd aan dit verlangen voldaan.
Godsdienstig/ onderwijs, enz. In sommige kleine gemeenten , waar geen predikant bescheiden is, werden even als vroeger aan door den kerkeraad voorgedragen personen (meest onderwijzers bij de openbare lagere scholen) tijdelijke toelagen uit 's lands kas verleend voor het houden van godsdienstige voorlezingen en het geven van onderwijs buiten de schooluren in de Bijbelsche geschiedenis en de Christelijke aedeleer aan de Protestantsche jeugd. Ook voor de belangen der openbare eeredienst werd aan
sommige kerkoraden ter bezoldiging van kosters, voorlezers , organisten, enz. van regeringswege ondersteuning verleend. Het denkbeeld nopens het doen vervallen dezer verschillende toelagen, waar zulks zou blijken uitvoerbaar te zijn, ook afgescheiden van de quaestie der betrekking van de Kerk tot den Staat, heeft in den loop van 1870 een onderwerp van overleg met het Indisch Bestuur uitgemaakt. Bij die gelegenheid is gebleken, dat de toelagen voor de bekostiging van het genoemde kerkelijk personeel niet worden verleend dan uit hoofde van ongenoegzaamheid der gemeentemiddelen en telkens slechts voor den duur van één jaar, ten einde steeds na te gaan of de ongenoegzaamheid der gezegde middelen al dan niet voldoende is aangetoond. (In 1870 werden aan 13 gemeenten zoodanige toelagen verstrekt.) Ook de toelagen voor catechetisch onderwijs (in 1870 voor 7 plaatsen beschikbaar gesteld) worden onder gelijke voorwaarden op tijdelijken voet verleend en slechts daar waar de minvermogendeu anders geheel van dat onderwijs verstoken zouden zijn. Ten opzigte van het verder verleenen der bedoelde regerings-ondersteuning is daarop bij eene aanschrijving van September 1870 aan de Indische Regering, even als vroeger in de zaak der kerkgebouwen (zie het vorig verslag , bladz. 74), het beginsel aanbevolen van onthouding zooveel mogelijk. Tevens zijn wenken gegeven omtrent eene geleidelijke beperking der toelagen zelve.
Kerkgebouwen. Aan den kerkeraad der Protestantsche gemeente te Bandjerraasin werd voor 1870 alsnog eene toelage verleond van f 100 's maands voor de inhuur van een voor kerkgebouw geschikt woonhuis, onder de uitdrukkelijke voorwaarde evenwel, dat die toelage in volgende jaren niet meer zou worden toegekend. Aan den kerkeraad te Banda werd magtiging verleend om tot het oprigten van een nieuw kerkgebouw uit de kerkefondsen dier gemeente te beschikken over eene som van f 14 925. Tot herstel van het kerkgebouw der Protestantsche gemeente te Samarang werd bij de Indische begrooting voor 1871, bij wijze van voorschot uit 's lands kas, toegestaan eene som van f 10 000, of zooveel minder als de opbrengst zou bedragen eener door den kerkeraad inmiddels beproefd wordende inschrijving in geheol Nederlandseh Indie, dit laatste ter voldoening aan de voorschriften, blijkens het vorig verslag, bladz. 74, van het Opperbestuur uitgegaan omtrent de beginselen, voortaan bij de beoordoeling der gepastheid van gouvernementshulp in deze in acht te nemen. Van de benoodigde f 20 0 '0 was door de gemeente voor omstreeks f 10 000 ingeschreven, eene som die reeds de uiterste grenzen der eigen bijdragen had bereikt, en waarvan de inning zelfs zeer traag ging. Wegens den bouwvalligeii staat van het kerkgebouw was de gemeente reeds sedert vrij geruimen tijd verpligt geweest voor de openbare eeredienst gebruik te maken van een particulier huis, daartoe kosteloos door den eigenaar, een Chinees, afgestaan. Voor verbetering en vernieuwing van het kerkgebouw der Protestantsche gemeente te Menado is, mede na toetsing der aanvrage aan de bovenbedoelde voorschriften, bij de ontwerp-begrooting voor 1872 gerekend op een subsidie van f 3000. Een beroep op de liefdadigheid van geloofsgenooten in Indie was vruchteloos gebleven, terwijl de gemeente, die reeds voor reparation aau het kerkgebouw in de jaren 1863—1865 haar fonds bezwaard had met een nadeelig saldo van f 6 256, tot geene verdere offers in staat bleek. Eenige dringend noodzakelijke herstellingen aan het bouwvallige kerklocaal te Serang (Bantam) vorderden eene uitgaaf vas ruim f 1 800. Nadat bij gemis aan kerkefondsen» de helft der benoodigde som was bijeengebragt door een beroep op de algemeene liefdadigheid, ook buiten de residentie Bantam, is vrijheid gevonden om de ontbrekendef 900 als subsidie uit 's lands kas toe te zeggen , mits na de vaststelling der Indische begrooting voor 1872, waarbij; op bedoelde som is gerekend. Met opzigt tot deze gemeente en die te Menado bleek afwijking noodzakelijk van den regel om de geldelijke ondersteuning in den vorm van voorschot te verleenen. Daar ook in andere gevallen eene terugvordering wel kon geacht worden vruchteloos te zullen blijven en de overi
101
Eens bestaande regelen omtrent het verleenen van 's lands gelden voor het onderhoud enz. van kerkgebouwen voldoende waarborgen tegen misbruik aanboden, maakte het een punt van overweging uit om voortaan het denkbeeld van voorschot in deze geheel los te laten. (1) Met betrekking tot de kerkgebouwen der inlandsche ^hristeugemeenten in de residentie Menado werd bij de Oltvaardiging der provisionele voorschriften van Juiij 1870 omtrent de verpligte persoonlijke diensten van de inboorlingen der Minahassa (Indisch Staatsblad 1870, n°. 85) den Resident opgemerkt, dat hij zich voor den vervolge zou Oefiooren te onthouden van elke tusschenkomst of bejûoeijenis aangaande het opbouwen en onderhouden van kerken en het als een ernstigen pligt zou hebben aan te berken, de bevolking wel te doen beseffen dat zij volkomen vrij is te dezen aanzien te werk te gaan , zoodanig als zij zelve zou vermeenen te behooren.
Statistiek. Even als vroeger ontbreekt het aan gegevens voor eene genoegzaam volledige statistiek van het aantal zielen, lidmaten, gedoopten, enz. der verschillende gebeenten.
Zendelingen. Blijkens het vorig verslag beliep het getal indelingen op ultimo Februari) 1870 op Java 14 en in ^e buitenbezittingen 54. Sedert werd dit getal vermeerderd met 1 zendeling in de Preanger regentschappen, 2 lt> Cheribon, 1 in Kediri, 1 in Soerabaija en 3 op Sumatra's Westkust. Overleden was 1 zendeling te Ternate, 'erwijl 4 zendelingen naar Nederland vertrokken , als : 2 van Menado, 1 van Timor en 1 van Sumatra's Westkust. Voorts heeft 1 zendeling van Menado zich tijdelijk in het gouvernement van Celebes gevestigd; terwijl twee anderen hun dienstwerk in de niet onder Europeesch bestuur 8taande Battaklanden, wegens gemis aan resultaten hadden gestaakt en zich sedert te Sipirok (Sumatra's Westkust) °phielden. Over de genomen beslissing om de zendelingen in de ^attaklanden niet meer als zoodanig met het toezigt over ?e gouvernements inlandsche scholen belast te doen blijven , J8 reeds gehandeld in § 2 der Iste afdeeling van dit Wdstuk. Aan berigten omtrent Nieuw-Guinea wordt het volgende PjHleend niet betrekking tot den zendingsarbeid aldaar, ^ijdens een bezoek , in Junij 1870 door den resident van ternate aan dat eiland gebragt, werd op Meoswar in de ^»eelvinksbaai eene conferentie gehouden met de gezamenlijke zendelingen aan en in die baai gevestigd. "Volgens •Jünne verklaring bejegende de bevolking hen welwillend. ^P veel bevredigends , zigtbare vruchten van hun arbeid , ^as echter nog niet te wijzen. Vergeleken met de bevinding bij het laatste dienstbezoek Jjo 1868) aan die verwijderde streken gebragt, was er , naar ^ meening van den resident, zelfs achteruitgang in de °ütwikkeling van het zendingswerk , want van de school ^P Meoswar , destijds 25 à 30 zeer geregeld opkomende hinderen tellende , bestond niets meer. De resident haakte van deze gelegenheid gebruik om aan de aanwezige hoofden en verdere omstanders andermaal het p t van het onderwijs voor oogen te houden en hen aan ,® sporen dat onderwijs voortaan meer geregeld door de anderen te doen bijwonen. De zendelingen gaven de hoop te kennen dat het, door J*e ophanden komst van meerdere door het Utrechtsche Zendinggenootschap naar Nieuw-Guinea bestemde evanS^liepredikers (2), misschien al spoedig mogelijk zou wezen , ?at een of meer hunner het ondernamen om zich onder 6 Wandammers en Wandessiers te vestigen, stammen aö wier roof- en zwerftogten de in de omgeving der
j(l) Over eene daartoe betrekkelijke voordragt aan den Koning van J ugustus jl., tevens strekkende om het hooger bedoelde voorschot aan J ê"«meente te Samarang niet meer als zoodanig maar als subsidie te j en aanmerken. is dezer dagen het advies van den Baad van State Sekomen. Eene beslissing kan dus weldra worden verwacht.
Ij-'*.) In Maart 1871 zijn een tweetal zendelingleeraars en een zendej^JJ-Werkman door genoemd genootschap uitgezonden, te Ternate aanj* «omen, aan wie de gevraagde toelating voor Nieuw-Guinea, voorty°PU? en in afwachting dat hun welligt eene andere bestemming zou °rden aangewezen, bij een besluit van 2 Julij jl. door den GouverUr-Generaal is rerleencL
tf'. 8 . 2.
zendelingen aanwezige negorijen nu en dan overlast hadden Volgens berigten van den ambtenaar VON BOSENBEKG (zie §3 der voorgaande afdeeling) viel echter ook over de bevolking van Doren en Mansinam, waar de zendelingen het langst werkzaam zijn, weinig te roemen wegens haar roofzucht, gehechtheid aan overgeërfde bijgeloovigheden en losbandige levenswijze. Omtrent den zendingsarbeid op Galela (Ternataansch Halmaheira) waar sedert vijf jaren twee zendelingen en een zendeling-werkman gevestigd zijn, wordt door den resident berigt dat ook zij tot dus ver, evenmin als hunne broeders op Nieuw-Guinea, op eenig resultaat kunnen wijzen. Aan een der in de residentie Amboina gevestigde zendelingen werd in Junij 1870 door den Gouverneur-Generaal een binnenlandsch verlof (naar Java) verleend wegens ziekte, met toekenning van overtogt voor rekening van den lande. De vraag rees, of hierdoor geen inbreuk zou worden gemaakt op het in 1869 aangenomen beginsel, dat geen vrije overtogt aan zendelingen of hunne gezinnen van gouvernementswege wordt verleend noch van Nederland naar Indie, noch in den Indischen Archipel. De Gouverneur-Generaal echter besliste, dat dit beginsel kennelijk alleen betrekking had op zendelingen die zendingswerk verrigten op het terrein der zending , en dus niet van toepassing was te beschouwen voor de van 's lands wege bezoldigde zendelingen op Amboina en onderhoorigheden, die geacht moesten worden op het terrein der gevestigdo kerk van Staatswege werkzaam te zijn.
b. Koomsch-katholijke.
Geestelijken. Bij het eind van het jaar 1870 telde het Apostolisch vicariaat van Batavia 15 van 's lands wege bezoldigde geestelijken. Van die 15 waren echter 3 niet verlof buiten Indie, waaronder het hoofd der missie, die, een eenjarig verlof naar Europa buiten bezwaar van den lande bekomen hebbende, tot bijwoning van het oekumenisch concilie te Bome, in het begin van 1871 in Indie terugkeerde. De 12 geestelijken in werkelijke dienst waren verdeeld als volgt: te Batavia 3, Samarang 2, Ambarawa 1, Djokjokarta 1, Soerabaija 2 en Larantoeka 3. De statiën Padang (Sumatra's Westkust) en Soengeislan (Banka) bleven vacant. In December 1870 zijn twee geestelijken voor de dienst van het Apostolisch vicariaat naar Indie vertrokken, waarvan een — tot zoo lang hij in Indie tot vervulling eener vacature zou kunnen optreden — buiten bezwaar van 's lands schatkist (1); zoodat daardoor het vastgestelde organiek getal van 16 (de verlofgangers er onder begrepen) thans voltallig zal zijn. In verband met hunne aankomst zijn in Mei 1871 de vacatures te Padang en Soengeislan vervuld. Een der met verlof hier te lande aanwezige geestelijken zou weldra naar Indie terugkeeren.
Kerkelijke dienstreizen. Op Java werden de verschillende plaatsen, waar geen geestelijken gevestigd zijn, kerkelijk bezocht overeenkomstig de bestaande regeling. Kerkelijke dienstreizen in de buitenbezittingen vonden, buiten die in het ressort van den pastoor van Larantoeka (Flores), alleen plaats naar de in 1870 vacante statiën Padang (Sumatra's Westkust) en Soengeislan (Banka).
Catechetisch onderwijs, openbare godsdienstoefeningen, enz. Hetgeen in 't vorig verslag omtrent deze onderwerpen is aangeteekend, is ook voor 1870 toepasselijk. Alleen wordt thans nog gemeld, dat door een der geestelijken van Batavia des Zondags om de veertien dagen godsdienstoefening wordt gehouden in de militaire school te MeesterCornelis voor de Katholijke militairen van het garnizoen, terwijl een der geestelijken te Soerabaija om den anderen Zondag dienst verrigt in de kerk bij het marine-etablissem*nt, ten behoeve van het aldaar werkzaam personeel.
(1) Eerstdaags zal weder een geestelijke naar Indie vertrekken boven de formatie. De Gouverneur-Generaal is gemagtigd tot zijne erkenning als geestelijke van den 2den rang en om hem, bij vacature in het organiek bepaalde getal, te stellen in het genot der gewone voordeelen uit 's lands kas.
26
102
In het geheel telt men in het vicariaat 19 kerken, waarTan 9 alleen in de statie Larantoeka, en 14 kapellen, waarvan insgelijks 9 in voornoemde statie. Vier dier kapellen zijn in den laatsten tijd van hout opgetrokken. Overigens telt men in de verschillende statiën van het vicariaat eenige particuliere bedehuizen. De kerken van Batavia en Soerabaija hebben in den loop van 1870 belangrijke reparatien ondergaan. Daartoe ontving Soerabaija van gouvernementswege ter aanvulling van het door de ingezetenen ingeteekende, een subsidie van f 581. Zoowel te Djokjokarta als te Samarang is eene kerk in aanbouw. Aan laatstgenoemde gemeente is daarvoor in der tijd een subsidie uit 's lands kas toegezegd van hoogstens f 50 000. Eeeds is daarvan (in twee termijnen) f 32 000 uitgekeerd. Aan de uitbetaling van een nieuwen
§ 2. Mohammedaansche.
Met uitzondering van het voorgevallene in de residentien Pekalongan en Banjoemas, waarover zie hoofdstuk C § 2 hiervoren, vielen er sedert het jongste verslag in Nederlandsch Indie op Mohammedaansch godsdienstig gebied geene bewegingen van eenige beteekenis voor. Daar vooral, waar de bevolking als ligtgeloovig bekend staat, wordt door het bestuur met klem gewaakt, dat de geestdrijverij niet leide tot verstoring der openbare orde. Zoo wordt bijv. in Rembang en Madioen in den laatsten tijd een waakzaam toezigt gehouden op de handelingen van zekeren Javaan, verkondiger van eene zoogenaamde nieuwe leer; terwijl van Batjan werd verwijderd een niet ter inwoning toegelaten Arabier, die aldaar eene godsdienstige beweging trachtte uit te lokken.
termijn is echter weder de voorwaarde verbonden, dat voor af ten genoege der Kegering moet zijn aangetoond • dat door nadere publieke inschrijving voor vrijwillige bijdragen als anderzins, van de zijde van het kerkbestuur al het mogelijke is gedaan ter verkrijging der verder be' noodigde gelden. (1) Overigens werd aan drie gemeenten (die teAmbarawfti Djokjokarta en Soerabaija) voor het jaar 1870 een maan' delijksch subsidie toegelegd ter bezoldiging van kerkelijke beambten (koster of organist). Voor Padang werd de toe' lage ingehouden zoolang daar geen pastoor zou gevestigd zijn*
Statistiek. Over het jaar 1870 zijn de volgende opgaven ontvangen.
Voor gewestelijke opgaven nopens het aantal santries o' leerlingen der priesterscholen op en buiten Java, zij^vef wezen naar bijlage A nc. 8 van dit verslag. Hieronder volgt als gewoonlijk eene aantooning van he' aantal gedurende de laatste vijf jaren naar Mekka ver' trokken en van daar teruggekeerde bedevaartgangers' Daaruit blijkt dat het aantal der van Java en Madura ver' trokkenen, althans in vergelijking met 1869, gedurende 1870 niet onbelangrijk was toegenomen. Vooral echter ,J
het cijfer van Sumatra's Westkust gestegen, zelfs in ver gelijking met de opgaaf over 1868, welke reeds hoog6' was dan in eenig jaar te voren.
(1) In 't laatst van Junij jl. is door den Gouverneur-Generaal m&S' tiging verleend tot uitkeering van den laatsten termijn ad f 18 000.
S T A T I Ë N .
lste statie, standplaats Batavia.
2de statie, standplaats Samarang.
3de statie, standplaats Ambarawa.
4de statie, standplaats Djokjokarta.
ode statie , standplaats Soerabaija.
6de statie, standplaats Padang.
7de statie, ! standplaats Soengeislan.
8 ste statie, standplaats Larantoeka.
Molukken en Celebes.
A A N T A L Z I E L E N .
3640, waaronder 1289 militairen.
1559,
2250,
1417,
450
1460
549
2500, » 668 »
Aantal
communicanten.
1049, 651 »
869, » 409 Chinezen en 270 militairen.
11277 (alleen inlanders).
800, waaronder 428 militairen.
2384
1128
1540
635
1362
600
480
1288
Aantal
gedoopten.
170
175
144
91
159
46
25
284
Aantal
huwelijken
kerkelijk
ingezegend.
30
19
103
V E R T R O K K E N V A N :
Java en Madura
Sumatra's Westkust
Benkoelen
Bampongsche districten
Palembang
Banka
Billiton .
Riouw
Wester-afdeeiing van Borneo . . . .
Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo
Celebes en onderhoorigheden . . . .
/ Amboina Amboina . . \
( Banda
Ternate
Menado
Timor
Java en Madura . . . Te zamen . . \ Buitenbezittingen. . .
T E R U G G E K E E R D N A A R :
Java en Madura
Sumatra's Westkust
Benkoelen
Bampongsche districten
•Palembang
Banka
Billiton
Biouw
Wester-afdeeiing van Borneo . . . .
Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo
Celebes en onderhoorigheden . . . .
f Amboina •amboina . . J
( Banda
Ternate
^tenado
Timor
,p t Java en Madura . . . *o zamen . . \ Buitenbezittingen . . .
1 S 6 6 .
1404
350
1
53
149
3
geen
geen
81
136
25
5
geen
5
geen
geen
1404
808
1375
148
37
136
12
geen
geen
17
108
2
geen
geen
14
geen
geen
1375
474
18617.
1504
1 8 6 8 .
1986
404
7
31
82
geen
geen
4
55
335
10
8
niet opgegeven
5
geen
geen
1504
941
1302
121
1
39
151
niet opgegeven
niet opgegeven
geen
61
163
5
geen
niet opgegeven
geen
geen
Igeen
1302
541
734
7
64
153
geen
4
geen
48
232
47
10
niet opgegeven
geen
geen
geen
1986
1299
2067
172
4
45
82
geen'
geen
geen
21
269
10
3
niet opgegeven
6
geen
geen
2067
612
1 8 6 » .
1291
693
8
40
215
49
3
geen
46
445
47
18
geen
geen
geen
geen
1291
1564
1712
395
8
49
167
geen
6
geen
41
203
5
geen
geen
1
geen
geen
1 8 7 0 .
1749
926
niet opgegeven
32
131
niet opgegeven
1
geen
82
302
20
14
1
geen
geen
1749
1509
1677
1712
.875
416
niet opgegeven
20
212
niet opgegeven
2
11
20
371
16
geen
geen
1
geen
geen
1677
1072
104
Ia verband met bijzonderheden ter kennis van de Indische Regering gekomen omtrent de behandeling van Nederlandsch-Indische bedevaartgangers te Singapoer, werd bij eene circulaire van Maart 1870 {Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 2305) aan de hoofden van gewestelijk bestuur op en buiten Java de uitnoodiging gerigt, om aan de regenten en hoofden op te dragen de ter bedevaart naar Mekka vertrekkende personen bij de afgifte aan hen der vereischte passen, bekend te maken met de kwade praktijken die zij ter eerstgenoemde plaatse kunnen ondervinden en hun mede te deelen dat zij van de autoriteiten aldaar steeds beschermiug kunnen verwachten, wanneer zij die slechts inroepen. Tevens zouden de Mekkagangers moeten worden aangemaand om getrouwelijk op te geven welke gelden en goederen door hen worden medegenomen, ten einde daarvan in de uit te reiken passen melding te maken en om die passen bij aankomst te Singapoer, behalve aan het Nederlandsch consulaat, ook aan de politie aldaar te vertoonen, die daardoor in staat zal zijn gesteld om bij verduistering van gelden of go«deren meer krachtdadig op te treden. Tot bescherming der bedevaartgangers uit Nederlandsch Indie zal vooral strekken de voorgenomen vestiging van een Nederlandsch consulaat te Djeddah (Arabie) waarover reeds op bladz. 2 hiervoren. Eene regeling van het toezigt op hunne huisvesting enz., aan boord i bij vertrek uit Nederlandsch Indie;(zie het yorig verslag bladz. 76), is nog in behandeling. In Mei jl. is bij het Indisch Bestuur op eene bespoedigde afdoening aangedrongen (vergelijk bladz. 106 van dit verslag). (1)
I V . INSTELLINGEN VAN LIEFDADIGHEID.
(1) Onlangs is het gevoelen der Nederlandsche Kegering gevraagd nopens een voorstel van de te Konstantinopel werkzame gemengde commissie voor de herziening van het sanitair tarief in de Boode Zee, om van de Mekkagangers een hoofdgeld van 10 piasters'(ongeveer f 1,10) te heffen als bijdrage ter bestrijding van de onkosten der sanitaire dienst. De Regering heeft verklaard tegen dat voornemen geen bezwaar te maken.
vang van 1871, op elk dier plaatsen eene belangrijke som (respectivelijk f 10 000 en f 8600) beschikbaar gesteld ter verdeeling onder de aldaar aanwezige liefdadigheidsgestichten. en armen. Eerstgenoemde som is door den resident van Batavia verdeeld aldus: f 1100 aan elk der vijf volgende instellingen : Parapattan-weezengesticht, Christelijke ambachtsschool, Rehobôth-asyl, Vincentius-asyl en Djatigesticht ; f 500 aan elk der drie volgende : Ursulinenklooster, Kleine klooster en Roomsch-katholijk armbestuur; f 1000 aan het collegie van diakenen der Evangelische gemeente en eindelijk f 2000 aan de commissie tot ondersteuning van behoeftige Christenen.
Parapattan-weezengesticht te Batavia. Het aantal kinderen bedroeg op ultimo 1870 83, waarvan 41 jongens en 42 meisjes, tegen 88 op ultimo 1869. Het gesticht werd door 7 kinderen verlaten, terwijl 4 werden opgenomen. De gezondheidstoestand was minder goed dan in 1869. In het begin van 1870 heerschten de mazelen in sterke mate, doch geen der kinderen overleed daaraan. Een jongen en een meisje stierven ten gevolge van andere ziekten. Het kapitaal bedroeg op uitimo 1870 f 38 831, waaronder eene som van f 10 980 in contanten ontvangen na de scheiding des boedels van wijlen den heer W. MAYOR, over wiens nalatenschap zie het verslag over 1863 bladz. 90 en dat van 1869 bladz. 77. Behalve deze som komt uit dien boedel aan de inrigting nog te goed de helft in eene tweede hypotheek op zeker land, aflosbaar op 31 December 1871, welke helft bedraagt f 25 000 en omtrent welker behoorlijke aflossing geen twijfel werd gekoesterd. Overigens werd ook in 1870 het jaarlijksch gouvernementssubsidie van f 6000 aan het gesticht uitgekeerd.
Diakonie-armenhuis op Molenvliet {Batavia). Op ultimo December 1870 bedroeg het getal verpleegden 33, namelijk 1 man, 17 vrouwen, 4 jongens en 11 meisjes. De kinderen genoten even als vroeger onderwijs in eene der gouvernements lagere scholen. De gezondheidstoestand was bevredigend.
Stadsverband te Batavia. Gedurende 1870 zijn in dit gesticht verpleegd geweest 3508 lijders, waarvan 3017 mannen, 479 vrouwen en 12 kinderen. Het sterftecijfer bedroeg 228 of 6,5 percent. Deze ongekend gunstige verhouding wordt toegeschreven eensdeels aan de genomen voorzorgsmaatregelen tegen onzuivere lucht, en ten andere aan het evacueren van 300 berri-berri-lijders naar Buitenzorg. In 1869 bedroeg het getal verpleegden 3650 en de sterfteverhouding 11,5 percent.
Chineesch hospitaal te Batavia. Het aantal verpleegden bedroeg in 1870 511 tegen 443 in 1869, waarvan overleden in 1870 122 en in 1869 100. De verhouding der sterfgevallen tot het aantal verpleegden was de gewone, gedurende vele jaren waargenomen, namelijk p. m. 1,1.
Djatigesticht te Batavia. In den loop van 1870 werd één kind in het gesticht opgenomen , terwijl vier hetzelve verlieten , zoodat het getal verpleegden daalde van 46 tot 43. De gezondheidstoestand liet even als in 1869 niets te wenschen over. De geldmiddelen stonden op ultimo 1870 gunstiger dan het jaar te voren; vooral in het laatst van 1870 werden vele bijdragen ontvangen.
Christelijke ambachtschool te Batavia. Het laatste verslag over deze inrigting loopt van 1 Julij 1869 tot uit. Junij 1870. Op eerstgenoemd tijdstip bedroeg het aantal kinderen 31 > waarvan 14 jongens en 17 meisjes. Hierbij kwamen sedert 8 kinderen, terwijl 4 het gesticht verlieten , zoodat op uit. Junij 1870 aanwezig waren 16 jongens en 19 meisjes i te zamen 35. De ontvangsten bedroegen gedurende 1869/70 f 11 064 en de uitgaven f 9812. Onder de uitgaven is begrepen eene som van f 500, afbetaald in mindering van een vroeger genoten renteloos voorschot van het Gouvernement, groot f 10 000. De gezondheidstoestand was naar wensch.
Omtrent de verschillende in Nederlandsch Indie bestaande instellingen van dezen aard worden eenige bijzonderheden over 1870, voor zooveel noodig plaatsgewijze, hieronder opgenomen. Afzonderlijke vermelding verdient de oprigting te Batavia in October 1870 van een comité der vereeniging van het » Roode Kruis" tot het verleenen van hulp aan zieke en gewonde krijgslieden in tijd van oorlog, waarover reeds meer uitvoerig in hoofdstuk D , § 3 hiervoren; zoomede de openbaarmaking {Javasche courant van 30 December 1870), van een verslag, loopende van 1 September 1864 tot ultimo Augustus 1870, van de permanente commissie voor het beheer der fondsen, overgebleven van de voor den watersnood op Midden-Java in 1861 zoowel in Indie als in Nederland bijeengebragte liefdegiften. De afgelegde rekening doet zien dat het zoogenaamde » watersnoodfonds ", hetwelk blijkens het regeringsverslag van 1861, bladz. 6, omstreeks medio 1862 een saldo aanwees van f 49 517,175, onder ultimo Augustus 1870, voornamelijk ten gevolge van gekweekte rente, geklommen was tot f 59 359,57s en zulks niettegenstaande daaruit in 1865 en 1867 beschikt was over een bedrag van f 13 053 als tegemoetkoming aan door natuur-onheilen noodlijdend geworden personen, die opgeene andere wijze in hunne dadelijke behoefte konden voorzien. Uit den aard zijner instelling mag het fonds in den regel alleen dienstbaar gemaakt worden aan de leniging van belangrijke rampen, veroorzaakt door watersnood, vulkanische uitbarstingen,- aard- en zeebevingen en andere natuurverschijnselen. Volgens latere berigten is uit het fonds nog verstrekt f 30':0 aan noodlijdenden door eene overstrooming in het district Plaboean (Preanger regentschappen) en f 10 000 aan eenige door brand geteisterde dessa's in Demak (Samarang). Ook zou eene tegemoetkoming uit hetzelve worden verleend aan de bevolking der door eene vulkanische uitbarsting en daarmede gepaard gaande zeebeving verwoeste kampong Tagoelandang (Sangir-eilanden). Door den eersten Koning van Siam werd, bij gelegenheid van diens bezoek aan Batavia en Samarang in den aan
105
Vincentiusgesticht voor verlaten Christenländeren te Weltevreden [Batavia). Op ultimo 1870 werden verpleegd 26 meisjes, Wier opvoeding bleef toevertrouwd aan de geestelijke zusters Orsulinen. De gezondheidstoestand der kinderen, waarvan e'én overleed , was naar wensch. De inrigting verleende ook onderstand aan 14 bejaarde en gebrekkige lieden. De inkomsten Helden gelijken tred met die van het Voorafgegane jaar. Het saldo in kas bedroeg op ultimo December 1870 f 55.
Rehobôth-asyl te Meester- Cornells. Het getal kinderen Was op ultimo 1870 12 jongens en 10 meisjes. Een dezer jongens heeft met goed gevolg het zoogenaamd klein ambtenaarsexamen afgelegd. Het geregeld onderwijs leed wegens het gemis van eenen onderwijzer. De geldmiddelen waren voldoende.
Protestantsch wees- en arrnhuis te Samarang. Behalve de gewone som voor de verpleging der kinderen, werd in 1870 aan dit weeshuis een subsidie verleend van f 4 500 Voor den aankoop van kleedingstukken , waartoe niet werd overgegaan dan nadat overtuigend was gebleken dat het bestuur der inrigting op geene andere wijze in deze behoefte konde voorzien. Echter werd bij de toekenning het beding gemaakt, dat de gelden geheel of gedeeltelijk zouden moeten worden terugbetaald uit de opbrengsten van een door het bestuur der inrigting nader te doen beroep °p de algemeene liefdadigheid in Nederlandsch Indie. Het getal verpleegde kinderen beliep 227. De uitgaven bedroegen in 1870 f 24812 en de ontvangsten f 26 533.
Roomsch-katholijk weeshuis te Samarang. Ook dit gesticht bekwam van gouvernementswege, boven de gewone fondsen voor het onderhoud der kinderen, een subsidie voor «en aankoop van kleedingstukken, en wel ten bedrage Van f 5500, insgelijks met de verpligting tot latere gebeele of gedeeltelijke terugbetaling zoo mogelijk. Het getal verpleegde kinderen beliep 245. In den loop'van 1870 zijn eenige geestelijke zustors in dit gesticht werkzaam gesteld , welke zich vooral met het °aderwijs en de opvoeding der vrouwelijke weezen belasten pn zich daarin bijzonder onderscheiden. De orde en tucht 'Q het gesticht worden door dit toezigt beter gehandhaafd. Gedurende 1870 beliepen de ontvangsten, met inbegrip van het saldo onder ultimo 1869 ad f 196, f 30 514, de uitgaven f 30 278. In Maart 1871 brak in het gesticht eene besmettelijke ?ogziekte uit, waardoor al spoedig omstreeks 150 kinderen 'Q meer of minderen graad werden aangetast. Door eene «oo geregeld en zorgvuldig mogelijke behandeling, waarde een officier van gezondheid aan de plaatselijke civile Seneeskundige dienst ter adsistentie werd toegevoegd. °opte men de epidemie weldra te stuiten en de aangelaten te genezen.
Oudema/menhuis te Samarang. Aantal verpleegden onder "Itinio 1870, 75 tegen 73 het jaar te voren.
Chineesch hospitaal te Samarang. Als voren , respectivelijk a° en 83.
. Bedelaarsgesticht te Samarang. Als voren, respectivelijk i§0 en 149.
, Jongens weezeninrigting te Soerabaija. Het getal weezen, a t op ultimo December 1869 31 bedroeg, verminderde et 6, waarvan 5 de inrigting verlieten om zelven in hun ûderhoud te voorzien, terwijl de zesde, als leerling van 6 ambachtschool nog op gouvernementskosten (zie 't vorig 6l'slag bladz. 60), naar Nederland werd gezonden om °h verder in een ambacht te bekwamen. •"e gezondheidstoestand was over het algemeen gunstig.
, "rotestantscli weeshuis te Soerabaija. Het aantal weezen, e t^eïk op 1 Januarij 1870 22 (20 jongens en 2 meisjes) N°. 8. 2.
bedroeg , werd met 3 meisjes vermeerderd, zoodat op ultimo 1870 verpleegd werden 25 kinderen. De inkomsten bedroegen f 7381 en de uitgaven f 7127. Het saldo in kas was op ultimo December 1870 f 2072, terwijl de kapitaalrekening bedroeg f 36 574, waarvan f 3324 toebehoorende aan de weezen.
Gesticht voor gebrekkige inlanders ie Djokjokarta. Meerdere bijzonderheden dan die in 't vorig verslag opgenomen, zijn niet gemeld.
Gesticht voor oude en gebrekkige Chinezen te Muntok [Banka). Aantal verpleegden onder ultimo 1870 35, tegen 21 in 1869.
Roomsch-katholijke weeshuizen te Blinjoe en Soengeislan [Banka). Deze gestichten zijn opgerigt door den laatstelijk op Banka geplaatsten pastoor en worden door de Roomschkatholijke Chinezen aldaar onderhouden. Sedert het vertrek van dien geestelijke naar Nederland, die eerst in Mei 1871 kon worden vervangen, waren deze gestichten echter in verval.
Protestantsch weeshuis te Amboina. Geene mededeelingen ontvangen.
Als voren te Temate. Hier waren gedurende 1870 7 verpleegden, waarvan echter 2 vóór het einde des jaars het weeshuis verlieten.
Leprozengestichten. Op Java worden in drie residentien zoodanige gestichten aangetroffen en wel te Soerabaija, te Beton (Soerakarta) en te Kandangan (Djokjokarta). Te Poorwakarta (Krawang) bestaat een gesticht onder den naam van leprozengesticht, hetwelk echter uitsluitend gebezigd wordt ter opneming van andere lijders. Buiten Java en Madura bestaan thans nog in vijf residentien leprozengestichten, namelijk nabij Benkoelen, nabij Palembang, te Tandjong Pinang (Riouw), te Soengei-Boentoe (Banka) en te Temoempah en te Modelemo (beide in de residentie Monado). De andere in vorige jaren bestaan hebbende, en wel te Pontianak ( Westerafdeeling van Borneo), te Molano onder Saparoea en te Pisang onder Banda (beide in de residentie Amboina) en te Castella (Temate), zijn achtervolgelijk opgeheven. Nadat was uitgemaakt dat de lepra niet onder de besmettelijke ziekten was te rangschikken en dien ten gevolge lepra-lijders niet meer verpligt werden zich in gestichten te doen verplegen, zijn de bedoelde vier inrigtingen langzamerhand ontvolkt en eindelijk geheel ledig gebleven, zoodat tot hare opheffing kon worden overgegaan. De nog aanwezige gestichten worden meorendeels bekostigd door het Gouvernement. Nieuwe lijders worden daarin niet meer opgenomen, zoodat ook deze gestichten van lieverlede zullen worden opgeheven. Des noodig zullen leprozen voortaan, even als andere lijders, in de hospitalen kunnen worden opgenomen. Slechts van de volgende gestichten is het aantal lijders op ultimo December 1870 opgegeven: Soerakarta 57, Benkoelen 20, Palembang 45, Tandjong Pinang 24, Banka 17, Temoempah 9 en Modelemo 13.
Instellingen van bedeeling. Te Batavia werd door de Protestantsche diakonie maandelijks eene som van f 218 aan bedeelingen uitbetaald, daaronder begrepen de bedeeling aan de armen der Evangelische gemeente te Toegoe (afdeeling Meester-Cornelis). Door het Roomsch-katholijke kerk- en armbestuur te Batavia werden gedurende 1870 13 huisgezinnen bedeeld. De Protestantsche diakonie en het Roomsch-katholijke kerk- en armbestuur te Samarang bedeelden in 1870 respectivelijk 87 en 5 personen. Omtrent de bedeelden te Soerabaija zijn geene opgaven ontvangen. Slechts is vermeld gevonden de oprigting aldaar in 1870 eener vereeniging onder den naam van »Caritas", die zich de ondersteuning van behoeftige Christenen ten doel stelt. Onder ultimo 1870 had zij aan contribution geind f 406 en uitgegeven f 356.
27
106
De Protestantsche diakonie te Pekalongan bedeelde onder ultimo 1870 insgelijks 5 en die te Pasoeroean 12 personen. De van regeringswege op de drie hoofdplaatsen van Java ingestelde commissien tot ondersteuning van behoeftige Christenen bedeelden bij het einde van 1870 te Batavia 101, te Samarang 82 en te Soerabaija 65 personen. In 1869 waren die cijfers 98, 78 en 64. De uitgaven aan bedeelingen gedurende het geheele jaar zijn slechts opgegeven door de commissien te Samarang en Soerabaija en wel tot een bedrag van respectivelijk f 4800 en f 4900. De Vincentius-vereeniging te Soerabaija (van die te Batavia is hooger melding gemaakt en van die te Samarang is geen opgaaf ontvangen), keerde in 1870 aan bedeeling en onderstand van anderen aard uit een bedrag van f 1564. De ontvangsten bedroegen, met inbegrip van het saldo in
kas onder ultimo 1869 en van de opbrengst eener buitengewone kerkcollecte f2742. Door de armbesturen te Padang en elders ter Sumatra's Westkust werden gedurende 1870 te zamen 220 personen bedeeld. Het diakonie-fonds te Macassar (Celebes) bezat op ultimo December 1870 f 32 875, het kerkfonds f 4463. Te Palembang ontvingen gedurende 1870 uit het stedelijk fonds aldaar 88 personen bedeeling. Door de Protestantsehe diakonie te Ternate werden in genoemd jaar 15 behoeftigen gealimenteerd.
Spaarbanken, Omtrent de werking der spaarbanken op de drie hoofdplaatsen van Java zijn over 1870 de volgende opgaven ontvangen:
En terug genomen . . .
Aan rente en dividend voor de inleggers gedurende 1870. . . .
Batavia.
f 816 497,11
419 667,995
f 1236 165,105
322 786,15
f 913 378,955
33 726,75
f 947 105,705
37 029,715
Samarang.
f (1)677 999,98
303 113,775
f 981113,755
350 534,06
f 630 579,69 s
37 184,69 '
f 667 764,39
24 193,335
Soerabaija.
f 788 015,37
355 853,99
f 1 143 869,36
352 497,76s
f 791371,59*
38 777,55
(2)
f 20 655,35
(1) Verbeterde opgave.
(2) Daar niet blijkt of het rentebedrag al of niet is begrepen onder de ingebragte gelden, is totalisering achterwege gelaten.
V . BURGERLIJKE GENEESKUNDIGE EN VEE ARTSENIJ-DIENST.
§ 1. Burgerlijke geneeskundige dienst.
De voorstellen in 't vorig verslag bedoeld betreffende eene betere organisatie der burgerlijke geneeskundige dienst in haren geheelen omvang zijn hier te lande nog niet ontvangen. Verschillende omstandigheden, waaronder de optreding van eenen nieuwen chef over de geneeskundige dienst en de verplaatsing van den dirigerend officier van gezondheid die den directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid in den hierbedoelden arbeid ter zijde stond, hebben tot dusver de afdoening in Indie vertraagd. Intusschen is in Junij jl. bij de Indische Regering aangedrongen om het spoedig tot stand komen van de reorganisatie harerzijds met kracht te bevorderen, maar tevens om in afwachting daarvan, niet terug te blijven in het nemen of voordragen van maatregelen, waardoor in bestaande behoeften kan worden voorzien zonder op de definitive regeling vooruit te loopen. Tot verbetering van den toestand op zoodanige wijze als met of zonder de reorganisatie al dadelijk noodig en mogelijk zal blijken, is bij de ingediende ontwerpbegroting voor 1872 een crediet van f 50 000 uitgetrokken. Eene onlangs voor de hoofdplaats Batavia verordende verbetering bestaat in de aanwijzing van twee particuliere geneesheeren voor de behandeling der behoeftigen en der verder in de gouvernements-praktijk begrepen lijders gevestigd in de buurten buiten de stad, welke tot dat einde in twee wijken zijn verdeeld. De stadsgeneesheeren ter plaatse, wier taak, ten gevolge van de toeneming der Europesche bevolking, te veel omvattend was geworden om die naar eisch vervuld (e zien, zullen nu uitsluitend belast zyn met
de dienst in de ziekengestichten en met de behandeling der behoeftigen enz. binnen de stad. In afwachting van de hooger bedoelde algemeene reorganisatie heeft de onderwerpelijke, bij Indisch besluit van 5 Junij jl. vastgestelde regeling het karakter van een tijdelijken maatregel. Op het gebied van gezondheidspolitie verdient gewag gemaakt van de in Mei jl. aan de Indische Regering verleende magtiging tot uitvaardiging van » algemeene bepalingen , ter voorkoming van het overbrengen in Nederlandsch Indie van (de algemeene gezondheid bedreigende) besmettelijke ziekten, enz." Reeds is bij die gelegenheid eene ontwerpverordening van die strekking, oorspronkelijk geleverd door eene commissie ad hoc te Batavia, door het Opperbestuur in beginsel goedgekeurd, behoudens eene aanbevolen wijziging of uitbreiding op enkele punten , waaromtrent echter de beslissing aan den Gouverneur-Generaal is gelaten. Tevens is aangedrongen op het spoedig tot stand komen eener regeling van het toezigt op vertrekkende schepen, vooral met het oog op het vervoer van Mekkagangers (verg. o. a. het verslag van 1869, blz. 72). (1) De ontworpen algemeene bepalingen hierboven bedoeld, die meer het karakter hebben van algemeene hygienische maatregelen dan van strenge quarantaine-voorschriften kenmerken zich door eenvoudigheid en door het streven i om zoo min mogelijk aanleiding te geven tot belemmering of bemoeijelijking van handel en scheepvaart. Ter verzekering intusschen van de behoorlijke handhaving der in 1870 verordende voorloopige quarantaine-bepalingen voor schepen die suppletietroepen aanbrengen (zie
(1) Ia Julii jl. zijn de betrokken autoriteiten aan de vroeger terzaks ontvangen opdragt door den G-ouverneur-G-eneraal herinnerd.
107
het vorig verslag bladz. 19/20), in welker opvolging, van de zijde der gezagvoerders niet altijd genoegzame medewerking werd ondervonden, zijn in den aanvang van 1871, door aanvulling der contracten van overvoer , hier te lande de noodige voorzieningen genomen.
Betreffende den algemeenen gezondheidstoestand over 1870 zijn door den chef over de geneeskundige dienst de volgende bijzonderheden medegedeeld. Ofschoon de verhouding van de overledenen tot de behandelden, inzonderheid voor de buitenbezittingen, zich minder gunstig dan in 1869 vertoont, zoo was toch de gezondheidstoestand in algemeenen zin bevredigend te noemen. Uit den aard der zaak geven de rapporten der plaatselijke geneesheeren (zie de als bijlagen P , n°. 1 en 2, hierbij overgelegde »summiere ziekenrapporten") (1), als alleen betreffende de geneeskundig behandelden, het werkelijk ziektecijfer slechts hoogst onvoldoende terug. Blijkens de medegedeelde cijfers speelden koortsen en pokken de belangrijkste rol. Aan die ziekten werden op Java en Madura respectivelijk 44 en 32 per cent van het totaal behandeld ; in de buitenbezittingen respectivelijk 23 en 51 per cent. Op sommige plaatsen duurde de reeds in 1869 begonnen pokken-epidemie dan?ook in de eerste maanden van 1870 nog hevig voort, inzonderheid ter Sumatra's Westkust, waar van de in 1870 behandelden slechts 131 personen stierven aan koortsen,. buikziekten enz., doch niet minder dan 3391 aan pokken. Hetzelfde gold, maar in engeren zin, voor Celebes. In Mei 1870 kon echter de
(1) Deze bijlagen, wier hoofdinhoud toch in het Regeringsverslag Zelf wordt opgenomen, schijnen zonder bezwaar voortaan achterwege te kunnen blijven. Zij zijn ditmaal nog, even als vroeger, ter griffie Bedergelegd ter inzage voor de leden der Kamer.
epidemie, althans op Java en Madura, als geëindigd worden beschouwd. De hoofdplaatsen van Java muntten in 1870 uit door betere gezondheidsverhouding. Zij bleven geheel vrij van groote epïdemïen. Moeraskoortsen kwamen voornamelijk voor in de residenten Bezoeki en Japara, waarschijnlijk ten gevolge van de vele regens en het lage moerassige kustland. De koortsepidemie te Cheribon scheen voor goed geweken. Van cholera kwamen slechts enkele gevallen nu en dan sporadisch voor. Beri-beri vertoonde zich weder bijna uitsluitend te Batavia. De verplaatsing dezer lijders naar Buitenzorg kwam op groote schaal tot stand ; van de 530 aangetasten ter hoofdplaats werden 300 geëvacueerd. Tegen het einde van het jaar begon beri-beri zich epidemisch te Banda te ontwikkelen. De syphilis bleek zich meer en meer uit te breiden. Maatregelen tot tegengang waren bij de betrokken autoriteiten in overweging (vergelijk het aangeteekende in hoofdstuk D , § 2, ten slotte). Langzamerhand begint de Europesche geneeskunde ingang te vinden onder de inlandsche bevolking. Op Java althans, zegt de chef over de geneeskundige dienst, is dit duidelijk. Volgens berigten van medio 1871 was de gezondheidstoestand zoo op als buiten Java over het algemeen zeer voldoende.
Overzigt der behandelde lijders. Voor het nosologisch overzigt der behandelde lijders en de plaatselijke cijfers der behandelden en overledenen wordt verwezen naar de hierachter overgelegde staten (bijlagen lit. Q en B). Een vijfjarig overzigt der totalen, met afzonderlijke vermelding der epidemielijders, volgt hieronder.
108
J
1
i-H
02 « W p
1-3 M
K
M g
p M Pi W
1
•Stnpnoi •a •no
Verouding
• r t

1 B w J «i l i O fr<
•uoqj.t'Ba'Bq -raaspSBBjç
•§Up[ -O^SjnO 5[B} -dftd^uonq;
i r* n . ° o a z
d CD i—i co
C3 S
i a> 0 0 "K O -2
d D Al -M O PH
Beri
beri
o3 u CD o « a
© s » B CD CO >> p
C o CO
h O O M
t.IOA95JJ0|g -0 raopopoAQ 'Ç pppiTBUog; •»
§ i 1 - J 3 fe 'S ^ ^ 33 ° œ a
•w ,a
i e'
JH a> a, a t> CD O 'S f - H
a CD *8 (D 'O a 03 r d CD W
1? S « ^
l-S
( N
t M
K O O
• * -*
to
r - l
hC 2 C i
CO H
-* ( N t
i->
1—1 00
J
<M 0 0 \ o
CO m
on •«ti e»
CO
w t >
T H
r-uo OU t ^ o 1—1
O l CO co -* i H
i c i t>
i - l
t - l co CD
<M CO
CO ou t
0 0
CO T - l
I > .. T H
R R * R
CJ3
O co o © (M « _ r i CM T H
CO
• * CO o 0 0 ( M CO en
I Q O
CO
C i CO (M
C i IM
' CD
C3 CO O
co
oo CM GO
1 ^ O J ȣ3
O r^ 0 0 on - H
o t CO
CO —H (N
3
00
© (M CO
lO oo oo oo
^ i (M co*~
Tfl CO
<M e n O
t ^ GM
i—i t -* CO
r^ r^
>o © t o i—!
i H CO CM
i—l
r^ CO
i-H
© CT3 CO
CO -*
C i © ©
CO
-*, • * r - l
CO CO
• * CO
o CO ©
1 ^
CM i—< o î \n
oc
(M
CO
tM
CM co co
© "
©
©
CD © (M
CO
CO CO oo CO
en
co
(M CO »co ©
© (M ©
CO
CM t »
• *
ire
00 en © «0 ©
co co
co CO ©
ts e » N
i » «S OD H
OEI « «CI PI
« » OD N e « t « PI
CO
R c«
c3 - M c3 a
PH «
(D O -*»
O
O ••g o a o o
a o a CD
CD
%i <L> r» O
n CD a CD T l
CD ' O H CS
CD ^ 2
CD 'O
a CD 'S o
'O
a
a CD P H CD bn CD A J
Ö : a *
T J
O
' O
CD ' O a o
CD
O
CD P
r H
CD b() a es > a o c « 03 c3 te Ui o a CÛ
b t l
o > ca cä p
©
co
a C3 >
CD
T !
CD
l a r=5
Ä
a o
• I H —"]
W
c3
03
•f5s
O O
-H
•^3 a o
Q • r - l M
CN
S CD bD
«S
-f* e O
c «
S bn D H o a CD CJ bD
C CS t >
—i C3 C3 t*
03
C3 OH S
1-5
CD
03 : - ^ s
AO C8 Sn
O
o '-o5
03 O r d 'O O!
e c«
CO
CA
CD 'O
T ) a
rial CD
CD bc a O
CO
cS
3 ' O 03 g
C C3
CO « 03 S
(J-l
Cl CD
bfi a 03 AO a
CD PA
o o b l ) CD a o ''C? o
a 03 A O
H
bn a 03 le 03 h «
d «i r »
CD 'O C CD h O 1>
<i
•«Jl
d
"öS bn « pq
o ^ 2 O CO O d o £ a
o o bo CD d o 'O 5
o - J
d 03 A O
O H
03
03 t-H cS h i
bo a 03 le 03
d 03
r > cb 'O
d CD
o >
<
i O
p o bo CD d o 'C? W
d CJ
bn a 03 |S 03
PH
d 03 > CD 'O
d
o i>
CO <!
CO
PO
" •
o b U CD d o "-o5
o W
* • d cS ^ CD O
a o . o
CD
U
bD d o ' O d 03 FS ^ o o •-=? d 03
• r — 5 H
«r-l <u 0 w
i f-i
02
a?
d
t» S 'O d O K o r >
00 r - J -9j
t j .
109
c3 M o3 S cS PH
a ©
M o '•g o
o OJ C O "r? O W
0 tS -O © O H
.d O
so d o 'T) B 03
o f? s
d o O
S 'd d © u o k
z .65
H* H O H
r-4
02 M W Q
l-S M 1-5
1 H
M S w (-) M
PH w
•agqjj^iîîi -UI.IBpS'BBJC
•Snjsj -Q^sjao ^B} -dfid^qoti/j
è £ o ° Q -S
a o "3 09 §
i © &o +i O r « O .2
a © M 3 o fc
• i .-H
© ©
o -d O
T H l > O CO o 0 5
ia
tM t ^ tM 00 rH
O co 00 (N
00 h»
r H
O CC • ^ «o CO
-* I N "* CO
t o ta
i H
05 ' N m r-o«
CO CO 00 -«« «o „ r es i-i co ° 2 <» ^ CM •• OS >ft rH °<
»t»
a © 03 k» P
13 m m "S O O
§aipnoqj9A9yj9!jg -o •neuapapsAQ 'q •ugpjgpntfqgcj •»
» e „ a 2 § i .S ^ i g ' 0
»'w « P § .2 "» > S § o ^ 'S •^ o S -M r d 9 u » » a t» » O 'o D
N8
» ' O »-H » 'd
03 I
>"5
2.
2L
8
•S •s
8
3
CO
r H
O •5(1 ( N O

00
co 00
co
(M
CO 05
8
CO C5~
=
o ( N 00 r H

co ( N ( N CO
O
CM
»O
=
CO
_
ia
rH
ia
r H
ta_ co"
r H
O
ia o o ta
*
CO
=
1-4 CO »n co
-* • # ( N
CD CO
e
r H
ia r H
K
05 00
E
05 O
Ä
rH CO 00
o -4 r H
ia o. r H
' O
&
I N
CO >a
r H
R
ta •e'
rH

r H -*"
r-1
e» of
i-i
ta ia CM
r H
U
CO o
CO
E
00
05
O
CO
00
O ta <N I N
CO 00 o r H I N
B
CO co"
( N
<N
R
OS • * r H
O ' H
ia o CO
I N CO
CO CO . 05
rO
CO
r H
&
05 ta
r H
of
1-4
oo^
CO
r H
CM
rH
C5

E
00 OS CO ( N
O »o r H
TH OS • *
00
s
CO o o" !N

CM I N CD
OS
SM r H
ta CM CM r H
' O
~
<s
ia 00 co
7-t
-*
r H
O
-*
r-*
O
00
y-4
O o CM
•* OJ
Ä
S
CM CO l > CM
CM r H
CD
=
CO r^
S
CM 00
ta
N . CM
05
=
R
O 05 05
s
CO
=

' O
CO co CM
rH
TH t»
r H
•<)< -* O r H
r H
=
Ä
CO
ia
r-i
r H
S
r H C0_
CM
r H
C5
CO a » CM B
'o
a »
• d
> o a »
» IH "3 a C«
r d
rO
O 'd a
© "S
O
©
'd .S
© ' d
03 2 » ' O a oS C3 E? O O
© ' O
0 » CJJ c 03 >
P O
0Q
=r<
W) R H O
» © b d a OS > rH 03 03 *
"S3
03
©
' d
r d » eu a i r d 03 h 03 » O
a ©
'a © "© o rM

© a o
a 03 (*
O0 a • FH "© » S 03 1 U »
O O a © i u » ' O •M B N
'u o a H
S3 » O "S 03 U a H5 a o
© o P H © O P H
o Fl • F4 H
03
© O H*
03 u S3
a © » o P H
O
o » a o B a 03 > bn a »—i — < © » fd
03 1 tH ©
^
O ' O S3 U
— » a o
' a . o
CO ' N ta
0 0
CO U3
O t» t»
CO CO o CM
0 0 00 CO
CM ( N CO t »

CM
t» OS O 05 -c»
co
ta
t» ta co co ta
a © P H © Sn ©
O o J 3
© 'd a o
9 CD
I» » (D (O e
P H O
0Û a "r3 tH © a a 03 S3 ©
a o
W 'd a ©
© tH © a O
© B
&D a o '-o5
a
S3 H a S3
© na
' d a © -M ©
© 6 0
os t a
60 a
© PH
a 03 >
O >
©
© •© O
3D a S3 t»
© ''d a © tH O >
" r2
B e8 ' O B 03 PH
6 0 a o 'O» B
03 H
B S3 >
tH O r>
HH
28
É
110
Europesche geneeskundigen. De stedelijke en plaatselijke geneeskundige dienst werd in 1870 op Java en Madura op 28 plaatsen uitgeoefend door burgerlijke en op 25 plaatsen door militaire geneeskundigen ; in de buitenbezittingen schier uitsluitend door officieren van gezondheid (op 53 van de 56 plaatsen). ;
De in 't vorig verslag reeds aangekondigde plaatsing van een gouvernements-geneesheer in de af deelingen Soekapoera en Limbangan (Preanger regentschappen) zou in 1871 plaats hebben, evenzeer als de aanstelling van een civiel geneesheer te Gorontalo (Menado), noodzakelijk geworden door de intrekking in het tweede semester 1870 van het garnizoen aldaar. Over eene verbetering der stedelijk geneeskundige dienst te Batavia, waartoe in Junij jl. besloten werd , is reeds gehandeld in den aanhef dezer afdeeling. Uitsluitend particuliere praktijk werd krachtens acte van toelating uitgeoefend door 64 geneesheeren, allen op Java. Omtrent de beëediging van geneeskundigen werden in Mei 1871 (Indisch Staatsblad n°. 74), met wijziging der voorschriften van 1829 (Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 315), nieuwe vereenvoudigde bepalingen vastgesteld, ten gevolge waarvan onder andere die beëediging niet meer uitsluitend voor den betrokken raad van justitie, maar op plaatsen buiten den zetel van zoodanig collegie, in handen van het hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur zal plaats hebben.
Inlandsche genees- en verloskundigen. Het aantal doctorsdjawa voor Java en de buitenbezittingen bedroeg 94, terwijl op ultimo December 1870 32 élèves voor die bestemming te Weltevreden in opleiding waren. De gewone promotie onder hen had niet plaats , omdat geen der candidaten kans van slagen had. De cursus van het laatste jaar werd daarom tot 1871 verlengd. Niettegenstaande de groote zorg, aan hunne opleiding besteed, missen de -doctors-djawa de geschiktheid om met vrucht zelfstandig als geneesheer werkzaam te zijn. Onder deskundige Europesche leiding kunnen echter van hon goede diensten worden verwacht. De tijdelijke plaatsing van een doctor-djawa te Boeleleng op Bali (zie het verslag van 1869 , bladz. 77) werd ook voor 1870 bestendigd. Een van Bali afkomstig jongeling, in 1869 tot doctor-djawa bevorderd, is in het belang zijner verdere praktische bekwaming tijdelijk geplaatst bij de civile ziekeninrigtingen te Soerabaija, om aldaar onder het toezigt der stadsgeneesheeren werkzaam te zijn. Het aantal vroedvrouwen bedroeg 146. De lust om als zoodanig te worden opgeleid aan het verloskundig gesticht te Weltevreden wordt van lieverlede minder, slechts 4 élèves namen aan de lessen deel. In het tweede semester van 1870 werd aan een paar Europesche vrouwen het bijwonen der lessen vergund.
Ziekengestichten enz. Te Buitenzorg werden twee groote bamboezen loodsen opgerigt tot opneming van de beri-berilijders uit het stadsverband te Batavia, terwijl voor een tweetal kampongs ter hoofdplaats Soerabaija de bouw van localen bevolen werd tot uitoefening van het geneeskundig toezigt op prostituées. Ter verkrijging van meerdere kennis omtrent de geneeskracht der warme bronnen in de residentie Bantam is aldaar vóór eenigen tijd van regeringswege de gelegenheid geopend tot verpleging, onder toezigt van een doctor-djawa, van eenige inlandsche lijders. In 't laatst van 1870 zijn maatregelen genomen, ook door de bestemming van een tweeden inlandschen geneesheer, speciaal voor de bronnen in de afdeeling Lebak, om tot meer zekerheid aangaande den uitslag dier proeven te geraken. Door den eigenaar van het gezondheids-etablissem*nt te Sindanglaija was vóór eenige jaren op nabij gelegen gouvernementsgrond een hospitaal voor behoeftige inlanders opgerigt, met verzuim evenwel om voor het in gebruik genomen terrein regt van opstal te vragen. In 1870 is dit verzuim hersteld. De Regering heeft echter aan den afstand der bedoelde gronden de voorwaarde verbonden, dat het bewuste hospitaal de gelegenheid aanbiede tot kostelooze opneming en geneeskundige behandeling van een vijftal behoeftige lijders. In verband met de nieuwe bestuursinrigting in de resi
dentie Preanger regentschappen zijn in Mei jl. maatregelen genomen tot instandhouding der aldaar bestaande inlandsche hospitalen te Bandong, Tjiandjoer, Soemedang en Manondjaija, waarvan de kosten, behoudens de bezoldiging der daarbij van landswege geplaatste doctors-djawa, tot dusver werden bestreden uit de ten behoeve der geestelijkheid geheven dzakatbelasting. Vermits echter deze padiopbrengst door de tot stand gekomen hervorming even als elders een geheel vrijwillig karakter heeft verkregen, en dien ten gevolge het voortbestaan der bedoelde nuttige inrigtingen niet behoorlijk verzekerd was te achten, besloot de Indische Kegering ze voortaan geheel voor 's lands rekening te nemen. Bedoelde etablissem*nten zullen , even als vroeger, in de eerste plaats bestemd zijn tot verpleging van syphilitische publieke vrouwen, en voorts, voor zooveel de localiteit zulks toelaat, ook van zieke gevangenen, pradjoerits en andere inlanders die krachtens de bestaande bepalingen regt hebben om in dergelijke zieken-inrigtingen te worden opgenomen.
Krankzinnigen-verpleging. Met de ontworpen verbeteringen aan de op de drie hoofplaatsen van Java bestaande inrigtingen voor krankzinnigen wordt een begin gemaakt. In April jl. is namelijk magtiging verleend om in de eerste plaats te verbeteren de inrigting te Samarang, die aldaar eene afdeeling van het groot militair hospitaal uitmaakt. De kosten van dit werk zijn geraamd op omstreeks f31000.(1) De plannen voor het nieuwe, te Buitenzorg te bouwen centraal-gesticht zullen, wegens de groote kostbaarheid hunner uitvoering, geheel moeten worden omgewerkt, zoowel wat den aanleg betreft, als.welligt ook met betrekking tot zijne bestemming voor de verpleging van gemengde landaarden. Eerlang zullen de twee speciaal voor het krankzinnigenwezen in Indie in dienst zijnde geneesheeren, die zich tot dusver met opnemingen en voorbereidende regelingen onledig hielden, te Batavia en Samarang met de dadelijke behandeling van lijders belast worden. Eene door hen verzamelde statistiek toonde voor Java en Madura en de buitenbezittingen onder de inlandsche en met deze gelijkgestelde bevolking het aanzienlijk cijfer van 7468 (2) krankzinnigen aan, waaronder 1395 als gevaarlijk werden opgegeven. Onder het aantal op Java (4589) kwamen er 446 en onder die in de buitenbezittingen (2879) 127 voor, die minder dan een jaar krankzinnig waren en dus bij doelmatige verpleging voor een goed deel voor genezing vatbaar waren te achten. De verhouding tot het bevolkingscijfer van Java en Madura gaf één krankzinnige op de 3000 inlanders. Meerdere gegevens kunnen blijken uit het volgend overzigt:
KRANKZINNIGEN
IN NEDERLANDSCH INDIE,
(behalve die van Europeschen en daarmede gelijkgestelden landaard).
Landaard.
Java
en
Madura.
4479
100
10
Buitenbe
zittingen.
2836
38
5
(1) In Junij jl. is ook magtiging verleend om verbeteringen en bij— bouwingen te doen aan de krankzmnigen-afdeeling van het Chineesch hospitaal te Batavia, waarvan de kosten zijn geraamd op ruim f 37 000. Voor Soerabaija moet de verbetering van het daar ter plaatse aanwezige krankzinnigengesticht, wegens deszelfs ligging in de nabijheid van het groot militair hospitaal, in verband gebragt worden met eene door het departement van oorlog aanbevolen verbouwing ook van laatstbedoelde inrigting. Definitive plannen voor het krankzinnigengesticht zijn nu in behandeling. (2) Ongerekend 197 verpleegden in de hospitalen te Samarang en Soerabaija. /
I l l
KRANKZINNIGEN
IN NEDERLANDSCH INDIE,
(behalve die van Europeschen en daarmede gelijkgestelden landaard).
Geslacht.
Pannen
•Vouwen
Ouderdom,
beneden de 10 jaren .
V i 10 tot 20 » .
» 20 » 30 » .
» 30 » 40 .. .
» 40 » 60 » .
"oven de 60 jaren. .
Maatschappelijke stand.
tegoed
^rm ' . .
Vorm der krankzinnigheid,
aanhoudend krankzinnig. . .
"ij tusschenpozen id. . . .
^Pgewekt, druk en luidruchtig
treurig en afgetrokken . . .
S'il en suf
^iotisme
^vaarlijk.
"iet gevaarlijk
Verpleging en verzorging.
uoor en bij familie of vrienden .
"oor het dessahoofd of eenig ander bestuur (1)
*» hospitalen (2)
Java
en
Madura.
U eigen onderhoud voorziende
^eheel onverzorgd gelaten . .
Duur der krankzinnigheid.
^lnder dan 3 maanden . . .
att 3 maanden tot 1 jaar.
" 1 tot 3 jaren. . . .
" 3 » 10 » . . . .
» 10 » 20 » . . . .
^öger dan 20 » . . . .
2520
2069
7
272
1200
1535
1407
168
708
3881
2915
1674
1783
848
1941
17
663
3926
4093
Buitenbe
zittingen.
1879
1000
7
167
727
984
839
155
785
2094
1675
1204
1155
356
1321
47
732
2147
2706
127
158
110
101
177
269
907
497
022
717
12
13
114
34
41
86
406
1116
760
470
v U) Hieronder ook de hier en daar in de gevangenissen Veegden.
.(2) Hiervan 138 in de residentie Batavia. De verpleegden j. Samarang en Soerabaija zijn in de onderwerpelijke sta..shek niet begrepen ; hun aantal bedroeg te Samarang * het militaire en Chinesche hospitaal, zöomede in het ^ v e r b a n d ) 183, te Soerabaija 14.
Het in 't vorig verslag bedoelde ontwerp eener regeling van de wijze van opneming en ontslag van krankzinnigen in de daartoe bestemde gestichten, was bij de Indische Begering in behandeling.
Vaccine. Het getal der in de laatste vijfjaren op Java en Madura gedane inentingen en hare verhouding tot de sterkte der bevolking kunnen blijken uit onderstaande opgaaf.
03 I-S
<o
c3 o o 03 t>

03 S O
03 t> M
c O) S 03
© H
VERHOUDING VAN HET GETAL
vaccination revaccinatien
tot de sterkte deibevolking.
1866
1867
1868
1869
1870
516 934
538462
572 976
596 298
561860
113502
143 594
453 272
387 243
722 938
630 436
682 056
1026 248
983 541
1284798
1 : 27,19
1 : 27,02
1 : 26,69
1 : 26,00
1: 28,89
1 : 123,84
1: 101,34
1 : 33,74
1: 40,04
1 : 22,45
Ofschoon over het algemeen de verhouding der vaccinatien vrij stationair blijft, zoo valt, volgens den chef der geneeskundige dienst, niet te ontkennen, dat het vertrouwen der bevolking in de vaccine sterker wordt, blijkende daaruit, dat in landstreken alwaar men vroeger met den hoogsten onwil in deze van de zijde der bevolking te kampen had, bedoelde kunstbewerking thans zeer gewild is. Dat eene vergelijking der uitkomsten van 1870 met die over het voorafgegane jaar een nadeelig verschil van 34 438 vaccinatien oplevert, kan alzoo van geen overwegend bezwaar zijn. De aanzienlijke toeneming van het aantal revaccinatien in 1870 is te beschouwen als een gevolg der laatstelijk geheerscht hebbende pokkenepidemie en der dien ten gevolge gegeven voorschriften. Beduidende stijging van het aantal vaccinatien werd waargenomen in de residentien Batavia, Tagal, Madioen , Bezoeki en Banjoewangi, terwijl een aanmerkelijke achteruitgang viel op te merken in de residentien Samarang, Banjoemas, Bagelen, Djokjokarta, Rembang, Soerabaija, Madura en Pasoeroean, en onder deze laatsten viel hoofdzakelijk de residentie Madura in het oog, als hebbende voor bijna de helft tot het nadeelig verschil bijgedragen. De opgaven der in de bezittingen buiten Java en Madura verrigte inentingen wijzen voôr de laatste vijf jaren de navolgende totalen aan. Het gouvernement van Sumatra's Westkust, benevens de gewesten Berikoelen, Palembang, Westerafdeeling van Borneo, Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo en Celebes hebben daarin het grootste aandeel.
<x>
i-s
1866
1867
1868
1869
1870
03 .5 à o S
03 - ^ >
88 524
76 640
71782
86 809
108 782
'3 à
« p
35 290
21798
15 436
28 324
78 980
B a
H
123 814
98 438
87 218
115 133
187 762
Aanmerkingen.
De algemeene verhouding der vaccinatien en revaccinatien tot het bevolkingscijfer is niet opgegeven, vermoedelijk wegens onzekerheid nopens het zielental dat daarvoor in sommige gewesten, waar de vaccine niet algemeen werkt, totgrondslag zou moeten worden genomen.
De sedert 1869 beproefde verbetering der Indische vaccine-lymphe door geregelden aanvoer uit Nederland, zoo
112
van oorspronkelijke als van gehumaniseerde koepokstof, kan beschouwd worden als voor Java te zijn gelukt en wel met gehumaniseerde koepokstof. Voor zoover betreft de bezittingen buiten Java kan een gelijk resultaat slechts van Celebes gemeld worden. De vaccineregeling op Java gaf op zich zelve geen stof tot bemerking, doch het opzigt over de vaccine in sommige residentien, waar dit aan officieren van gezondheid moet worden opgedragen, laat te wenschen over, omdat hunne reeds overigens zeer drukke dienstbetrekking hun niet veroorlooft zich voor zoodanigen tijd van hunne standplaats te verwijderen, als eene inspectiereis in 't belang der vaccine vereischt. Ten opzigte van den stand der vaccine in de bezittingen buiten Java kan gezegd worden, dat er steeds enkele gewesten waren, waar de zaak nog met tegenstand van de zijde der bevolking te strijden had. Een verblijdende vooruitgang ten deze is hoofdzakelijk van Sumatra's Westkust te vermelden, immers werden aldaar in 1870 39 997 vaccination en 43 850 revaccinatien verrigt tegen 22 832 en 8873 in het voorafgegane jaar. Op Celebes werd het getal vaccinateurs met 3, in de residentie Palembang met 2 vermeerderd. Van deze laatsten is één bestemd voor Djambi (waar de vaccine, in 1867 ingevoerd, meer bijval beloofde te vinden wanneer zij, in plaats van door den officier van gezondheid ter hoofdplaats , door een inlandsch deskundige geschiedde) en de ander voor de Pasoemahlanden, waar de tegenstand tegen de kunstbewerking allengs afnam. In 't laatst van 1870 verkreeg de kunstbewerking ook ingang in het rijk van Koetei (Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo), en betoonde men aldaar zooveel ingenomenheid met de zaak, dat zelfs de sultan en zijne rijksgrooten als vaccinateurs optraden. Op Halmaheira, waar vroeger de bevolking tegen de vaccine was ingenomen, werkt zij thans met goed gevolg. In 1872 zal het aantal vaccinateurs aldaar met 2 worden vermeerderd, ten einde werkzaam te zijn op Ternataansch Halmaheira. Voor Tidoreesch Halmaheira werd een dergelijke maatregel reeds in 1863 genomen. In Maart 1871 (Indisch Staatsblad n°. 24) zijn ook voor de residentie Timor, waar tot dusver slechts twee vaccinateurs werkzaam waren (één naby Koepang en één op Savoe), de middelen tot eene betere vaccineregeling verschaft. Magtiging werd namelijk verleend om 5 vaccinateurs meer in dienst te stellen en om ook de 2 doctorsdjawa, respeclivelijk gevestigd te Koepang en op Rotti, mede niet de vaccine te belasten. Voor die gedeelten van Timor en Rotti, welke niet door deze laatsten kunnen worden bezocht, zullen dien ten gevolge 2 vaccinateurs beschikbaar zijn, en voorts één voor de eilanden aan de Solorstraat en één voor elk der eilanden Savoe, Semaoe, Soemba en Flores. Intusschen waren reeds in 't laatst van 1869, in verband met het heersenen der jongste pokkenepidemie in den Timor-Archipel, op Rotti, Soemba en de Soloreilanden door tusschenkomst der plaatselijke ambtenaren , en op Flores met medewerking van den Roomschkatholijken geestelijke te Larantoeka, maatregelen genomen tot invoering der vaccine aldaar, die reeds aanvankelijk niet zonder vrucht waren gebleven. Op Soemba werden door de twee aldaar aanwezige controleurs van November 1869 tot November 1870 niet minder dan 18 500 personen - gevaccineerd, zoowel tot het strand- als tot het bergvolk behoorende. De vaccinateur op Savoe verrigtte van October 1869 tot ult°. Februarij 1870 omstreeks een gelijk getal (19 000) inentingen. Vooral op laatstgemeld eiland was de pokziekte zeer hevig geweest. Volgens de ontvangen opgaven zouden van het geheele zielental ad 30 000, tijdens den geheelen duur der epidemie niet minder dan 12 300 personen daaraan overleden zijn.
Door de plaatsing van een tweeden vaccinateur op Timor en van één op Semaoe hoopt men langzamerhand de vaccine ook tot de onafhankelijke bergvolkeren op Timor te doen doordringen. Over het gehalte der vaccinateurs luiden de berigten in het algemeen bevredigend. De vaccinateurs, zegt de chef over de geneeskundige dienst, zijn, mits aanhoudend gecontroleerd, doorgaans geschikte personen, met het technische hunner werkzaamheden goed bekend en zorgvuldig in hetgeen tot hunne dienst behoort.
§ 2. Veeartsenij dienst.
De bijzonderheden omtrent dezen tak van dienst, welke tot dusver eene plaats vonden onder de rubriek » Veeteelt" in hoofdstuk ©, worden thans, naar het voorkomt meer eigenaardig, hier opgenomen. De gezondheidstoestand onder den veestapel in Indie gedurende 1870 kon over het algemeen bevredigend genoemd worden. Van Sumatra's Westkust werden geene verdere berigten omtrent veeziekte ontvangen, terwijl het miltvuur, eene naar het schijnt in Indie inheemsche ziekte, slechts in de volgende gewesten van eenige, ofschoon doorgaans niet van groote boteekenis was, te weten : in de Preanger regentschappen, Japara, Rembang, Cheribon, Samarang, Pekalongan, Banjoemas, Soerakarta, Kediri' en Celebes. Bovendien werd het zoogenaamde ongansch (cachexia verminosa) onder de buffels op de houtaankaponderneming te Blitar (Kediri) waargenomen. Waar de ziekten een ernstig karakter vertoonden, werd > door den betrokken gouvernements-veearts plaatselijk het noodige voorgeschreven of verrigt, terwijl naar plaatsen, • i waar geïsoleerde gevallen voorkwamen, medicijnen met gebruiksaanwijzing werden verzonden. Volgens onlangs ontvangen berigten was in een der districten van Gorontalo (Menado) de hart- en longziekte, welke in vroegere jaren den karbouwenstapel aldaar zwaai' geteisterd had, op nieuw uitgebroken, doch verzuimde het bestuur geene middelen om de ziekte te stuiten. •In de laatste maanden (Februarij—Junij 1871) heef t ook eene veeziekte geheerscht in de af deeling Sampit der residentie Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo, waar dien ten gevolge de kleine veestapel zoo goed als geheel vernietigd was geworden. Tegen de in 't vorig verslag bedoelde ordonnantie van 27 December 1869 (Indisch Staatsblad n°. 122), houdende bepalingen tot wering van veeziekten in Nederlandsen Indie, rees het bezwaar, dat zij van toepassing was op iedere besmettelijke veeziekte, niettegenstaande de maatregelen tegen verschillende veeziekten geenszins dezelfde zijn. Om hieraan te gemoet te komen werden bij ordonnantie van 8 Maart 1871 (Indisch Staatsblad n°. 28) de voorgeschreven voorzieningen alleen op den veetyphus van toepassing verklaard, zoolang daaromtrent geen nadere bepalingen zullen zijn afgekondigd. Te gelijk werd vastgesteld, ter mededeeling aan de hoofden van ] gewestelijk bestuur op en buiten Java, eene » handleiding voor de kennis der kenteekenen van runderpest of veetyphus." De behoefte aan afzonderlijke voorzieningen tot wering van andere besmettelijke veeziekten, tot vaststelling van welke voorzieningen, zoo noodig, de Gouverneur-Generaal reeds magtiging bezit, maakt een punt van onderzoek in Indie uit. Door de aankomst achtervolgelijk in Augustus 1870 ett April 1871, van een veearts uit Nederland is het bepaalde vijftal dezer ambtenaren voltallig geworden , waarvan thanS geplaatst zijn : 2 te Batavia, 1 te Samarang, 1 te Soerabaij* en 1 te Padang. De werkkring van laatstbedoelde omvat Sumatra's Westkust, Palembang, Benkoelen en deLampong' sehe districten. De tweede veearts te Batavia is meer bij' zonder aangewezen om beschikbaar te zijn voor de dienst in streken waarvoor geen veearts bescheiden is. Twee aan' staande gouvernements-veeartsen zijn sedert het laatst va* 1870 voor rekening van het Departement van Koloniën i" opleiding aan 's Rijks veeartsenijschool te Utrecht. Een der twee inlanders van Timor, die blijkens het vorig verslag, blz. 141, bij den gouvernements-veearts te Soerabaij* voor het vak in opleiding zijn, werd in den aanvang va° 1871 voldoende bekwaam geacht om examen af te legge0' Beiden worden gezegd veel aanleg tot leeren te bezitte" en reeds genoegzaam de Nederlandsche taal te zijn magtig geworden om zich van in die taal geschreven boeken t6
bedienen.
L. Departement der burgerlijke openbare werken,
I. OPENBARE WERKEN IN HET ALGEMEEN.
Véór weinige maanden (Mei jl.) is de Indische Regering' ten vervolge op vroegere aanschrijvingen breedvoerig onder* houden over den min bevredigenden toestand die seder*
113
jaren valt waar te nemen met betrekking tot het beheer en de uitvoering der burgerlijke openbare werken in Indie, en over de noodzakelijkheid dat met vasten wil eene duurzame verbetering worde voorbereid, allereerst door het ontwerpen van een wel overlegd algemeen plan der uit te voeren werken, om tot grondslag te dienon voor eene stelselmatige bepaling der behoeften, die, al naar mate van de belangen daarbij betrokken, hetzij zonder uitstel, hetzij geleidelijk hare vervulling kunnen en behooren te vinden. Eerst na de vaststelling van zoodanig operatieplan zal te beoordeelen zijn, of en in hoever, tijdelijk (tot bijwerking van achterstand) dan wel op den duur, meerdere werkkrachten vereischt en, in verband met de eigenaardige bezwaren aan de uitvoering van werken in Indie verbonden , met vrucht zullen kunnen aangewend worden.
Technisch personeel. In de zamenstelling van het technisch personeel kwam geene verandering. Volgens berigten van April jl waren in Indie voorstellen tot uitbreiding en tot eene geheele reorganisatio van het waterstaatspersoneel in overweging, waarbij ook zou worden gelet op het in het vorig verslag (blz. 83) besproken denkbeeld der instelling eener rivierdienst, tevens waterschapsbestuur in eenig gedeelte van Java. Tevens waren voorstellen aanhangig gemaakt omtrent de toepasselijk-verklaring voor Indie van de bepalingen der wet van 2 Mei 1863 [Nederlandech Staatsblad n°. 50) wat betreft de examina voor civiel ingenieur, ten einde aan het ingenieurs-examen in Indie gelijke waarborgen van deugdelijkheid te geven als in Nederland. Het thans in Indie afgenomen wordende examen (volgens het programma, vastgesteld bij Indisch Staatsblad 1864, n°. 139 en gehandhaafd bij Indisch Staatsblad 1865, n°. 30) zou derhalve komen te vervallen. Dit zoogenaamd verligt examen werd in 1870 door twee candidaten met gunstig gevolg afgelegd, die met één uit Nederland gezonden candidaat, in den loop van dat jaar tot adspirant-ingenieur werden benoemd. Intusschen hebben de benoemingen van in Indie geëxamineerde ingenieurs alleen plaats bij gelegenheid van vacatures, voor welker vervulling geene uit Nederland gezonden candidaten aanwezig of te verwachten zijn. (1)
Voor 1869 en 1870 waren geene adspiranten uit Nederland aangevraagd (1) met het oog op het genoegzaam aantal ingenieurs dat van verlof werd terugverwacht. Voor 1871 zijn er drie ter beschikking van den Gouverneur-Generaal gesteld en in de eerste maanden van dat jaar vertrokken. Voor 1872 is de beschikbaarstelling gevraagd van vier candidaten voor de betrekking van adspirant-ingenieur (2), en van drie voor die van opzigter. Het getal dergenen die het opzigters-examen volgens het programma in Indisch Staatsblad 1857, n". 101, in Indie afleggen , begon gaandeweg te verminderen. In 1870 voldeden slechts twee personen aan dat examen. Zij konden echter nog niet in datzelfde jaar tot opzigters 3de klasse benoemd worden , omdat die benoeming moest ten deel vallen aan vier anderen, die vroeger voldoend examen hadden afgelegd. Tegen twee waterstaatsambtenaren, een adspirantingenieur en een opzigter, moest wegens malversation eene geregtelijke vervolging worden ingesteld.
Uitgevoerde werken. Eene opsomming der gedurende 1870 onderhanden geweest zijnde werken, met uitzondering van die van militairen aard en van die in het belang der kustverlichting en bebakening, wordt aangetroffen in bijl. litt. S. Terwijl voor nadere bijzonderheden omtrent sommige dier werken verwezen wordt naar afdeeling II van dit hoofdstuk, volgt hier, bij gemis voor alsnog van opgaven nopens de verwerkte sommen , eene aantooning van hetgeen voor de in 1870 uit te voeren werken , ten laste van het bij de begrootingswet toegestane crediet van f 5 500 000 door den Gouverneur-Generaal werd beschikbaar gesteld (het geldswaardig bedrag aan materialen is onder de opgegeven sommen begrepen.) Hoedanig de splitsing van evenvermeld crediet door den Gouverneur-Generaal werd vastgesteld , kan blijken uit de achtjr elke rubriek uitgetrokken ramingssommen.
(1) Zie omtrent den maatstaf in 't algemeen gevolgd voor de aanvraag van personeel uit Nederland, hoofdstuk N, § 1, onder »Benoembaarheid".
(1) De candidaat van wiens benoeming hiervoren sprake is, was ter beschikking van den Gouverneur-Q-eneraal gesteld krachtens art. 14, 2de lid, der verordening van 10 September 1804 (Indisch Staatsblad n°. 194).
(2) Bij. buitengewone aanvraag is het aantal op vijf gebragt. In mindering daarvan is reeds dezer dagen een civiel ingenieur ter beschikking gesteld, die per mail zal vertrekken.
Woningen van burgerlijk personeel Bureaux en andere gebouwen voor de algemeene dienst, waaronder de algemeene pakhuizen. . Gevangenissen Kazernes voor gewapende corpsen onder burgerlijk beheer Gebouwen voor koffij n voor suiker » voor andere cultures Bevloeijingswerken Gebouwen voor posterijen » en werken voor het.zeewezen . . . » voor zout n voor het mijnwezen Scholen voor Europeanen » voor inlanders Burgerlijke hospitalen Brandspuithuisjes, wachthuizen en mijlpalen . . Bazaarloodsen Bruggen, wegen en waterstaatswerken . . Militaire gebouwen en andere werken, tijdelijk onder civiel beheer
N«. 8. 2.
Voor onderhoud, herstelling en verbetering.
Beschikbaar gesteld. Geraamd.
f 229 901,00 f 228 400,00
100 529,00 38 043,00
15 700,00 53 647,00 12 382,00 7 514,00 31 129,00 10 291,00 96 088,00 91 584.00 1 269,00 9 951,00 4 840,00 2 090,00 8 567,00 5 773,00 728 665,00
1 092,00
f 1449 055,00
93 800,00 82 800,00
18 600,00 40 000,00 3 200,00 1 900,00 191 000,00 21 800,00 49 600,00 78 600,00 1 200,00 16 100,00 4 100,00 7 300,00 17 900,00 5 800,00 991 500,00
2 000,00
Voor vernieuwingen en nieuwe werken.
Beschikbaar
gesteld. Geraamd.
f 1855 600,00
416 056,00
301 752,00 156 250,00
22 479,00 175 882,00
116 077,00 84 633,00 200 667,00 230 730,00 » 29 568,00 15 213,00 77 655,00 13 755,00 3 410,00 1 826 840,00
424,00
296 000,00
182 800,00 262 300,00
18 500,00 94 000,00 4 500,00 » 518 000,00 43 500,00 160 000,00 40 500,00 » 11 000,00 24 500,00 145 200,00 2 100,00 2 500,00 1 839,000,00
f 3 671391,00 f 3 644 400,00
29
114
Stagnatie in de werkzaamheden, ten gevolge van het niet beschikbaar stellen van fondsen zoo als in vorige jaren, had in 1870 bijna niet plaats. De afschaffing van het stelsel van kasgewijze credietopening [Indisch Staatsblad 1870, n°. 18), waardoor de beschikbaarstellingen door de hoofden der departementen van algemeen bestuur niet langer afhankelijk zijn van eene crediet-opening van de zijde van het departement van finantien, oefende in dit opzigt een zeer gunstigen invloed uit. Behalve dat de administratie daardoor vereenvoudigd werd, geraakten de eerstaanwezende ingenieurs ook veel spoediger in het bezit van de noodige gelden tot uitvoering der werken. De voorafgegane statistiek omvat niet, zoo als die in vorige verslagen, de beschikbaarstellingen voor »onderhoud en benoodigdheden van den stoombaggermolen en de modderschouwen," noch ook die wegens materialen enz. voor » diepe grondpeilingen", en evenmin die ter zake van » huishuur-indemniteit en locaalhuur", voor welk een en ander bij de begrooting respectivelijk werd uitgetrokken f 12 500, f 25 000 en f390 468, terwijl beschikbaar gesteld werd respectivelijk f 9 555, f 550 en f506 996, hetgeen met het bovenstaande bedrag van f 5 120 446 een totaal uitmaakt van f 5 637 547, tegen f 4 509 738 in 1869. Het crediet van f 390 468 wegens huishuur-indemniteit en locaalhuur blijkt dus met ruim 1 ton gouds te zijn gesuppleerd. De reden daarvan moet gezocht worden in de stijgende behoefte aan pakhuizen, welke niet dan tegen hooge prijzen konden worden ingehuurd, en in de toeneming van geldelijke schadeloosstellingen aan op vrije huisvesting aanspraak hebbende landsdienaren, in verband met het beginsel om zoo min mogelijk woningen voor de zoodanigen te bouwen, maar hun in de plaats daarvan indemniteit voor huishuur toe te kennen. Vermelding verdient nog eene beslissing van February 1870 [Bijblad op het Indisch Staatsblad, n°. 2292), waarbij werd uitgemaakt, dat niet uit de fondsen van het departement van oorlog, maar uit die van het departement der burgerlijke openbare werken behooren bestreden te worden de kosten vallende op het onderhoud van zoodanige militaire versterkingen, die, hoewel ontruimd en ontwapend, door de zorg van het civiel gezag in zoodanigen staat moeten worden onderhouden dat zij ten allen tijde weder naar eisch kunnen worden bezet en verdedigd.
Wijze van uitvoering der werken. Aan het beginsel van uitbesteding (art. 38 der colnptabiliteitswet) werd in 1870, even als in vorige jaren, streng de hand gehouden. Het was de ernstige wil der Regering dat er naar gestreefd zou worden om de bezwaren die zich tegen eene opvolging van dat beginsel voordeden uit den weg te ruimen. Voor 's hands zou alleen het denkbeeld in overweging mogen komen om min belangrijke herstellingen zonder voorafgaande uitbesteding in daghuur te doen uitvoeren. Het nieuwe reglement op het heuden van aanbestedingen, dd. 23 Maart 1870 [Indisch Staatsblad n°. 39) en de daarbij behoorende ambtelijke voorschriften [Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 2300), droegen ook bij om de vrije concurrentie in de hand te werken en om door vermijding van allen vroegeren omslag eene spoedige beslissing omtrent de al of niet toewijzing der aanneming te bevorderen. De voorschriften en bepalingen voor de uitvoering en het onderhoud bij aanneming van werken, vastgesteld bij eene beschikking van den directeur der burgerlijke openbare werken van 15 February 1870, zijn gebleken herziening te behoeven. In afwachting van die herziening, waaromtrent in overleg getreden werd met den directeur van justitie, ontving eerstgenoemde departements-chef de uitnoodiging om de bedoelde voorschriften, voor zoover ze niet van louter technischen aard waren, voor 's hands niet te blijven toepassen. (1) Men stuit echter nog steeds op het gebrek aan deskundigen, die, kapitaal bezittende, als aannemers zouden kunnen optreden. Enkele residentien uitgezonderd is de particuliere industrie nergens genoegzaam ontwikkeld om aan uitbestedingen kans van welslagen te beloven. Daarom
(1) Sedert zijn nieuwe, beter aan de eischen voldoende voorschriften ontworpen en Dij een besluit van 20 Junij jl. door den GouverneurGeneraal goedgekeurd.
kon ook in 1870 de uitvoering van werken bij aanneming nog in geenen deele regel worden genoemd. De meeste uitbestedingen mislukten. De gewesten die eene gunstige uitzondering maakten, wraren Batavia, Soerabaija en Probolinggo. Maar de klasse van aannemers bestaat aldaar uit twee of drie personen, zoodat — indien er al geene coalitie behoeft te worden gevreesd — de mededinging toch zeer beperkt is. Met de uitbestedingen voor de levering van materialen ten dienste van in daghuur uit te voeren werken was het nog slechter gesteld. Het behoort nog tot de grootste uitzonderingen als eene dergelijke uitbesteding gelukt. Europeanen en Chinezen zien geen voordeel genoeg in de leverantie van materialen. Die leverantien zouden dus voor inlanders zijn weggelegd indien deze slechts eenig kapitaal bezaten en met mondelinge afspraken konden volstaan, want, zoo als reeds in het vorig verslag is gezegd, van contractuele bepalingen omtrent boeten bij wanlevering, borgen, voorloopige afrekening, enz., gelijk uitbesteding medebrengt, hebben zij een eiganaardigen afkeer. Verklaarbaar is daarom het verschijnsel, dat, terwijl voor de levering van materialen uitbesteding mislukte, onder de inlanders daarentegen wel gegadigden werden gevonden tot onderhandsche levering. Ook gebeurde het veelal dat onderdeelen van eenig werk, nadat het geheel vruchteloos was uitbesteed, bij onderhandsche aannemingen werden uitgevoerd. Zoodanige perceelsgewijze uitvoering strekt zeer in het belang eener spoedige voltooijing van die werken, welke ten gevolge van het mislukt;eu der uitbestedingen onder eigen beheer moeten plaats hebben. Het gewoon onderhoud van 's lands werken had gedurende 1870 voor zooveel het niet in heerendienst geschiedde, in daghuur plaats, met onderhandschen inkoop van de benoodigde niet in 's lands voorraad aanwezige materialen, en zal ook in 1871 op dezelfde wijze plaats hebben. Zonder voorafgaande uitbesteding, werden alleen die werken in daghuur uitgevoerd, welke öf te onbeduidend waren öf geen uitstel gedoogden , öf wier aard de uitvoering in daghuur raadzamer maakte, en voorts alle werken in urgente gevallen door de hoofden van gewestelijk bestuur geautoriseerd, krachtens de bevoegdheid hun.toegekend bij art. 16, 5de alin. van Indisch Staatsblad 1866, n°. 149, nader gewijzigd bij Indisch Staatsblad 1870, n°. 18. Van die bevoegdheid werd ruim gebruik gemaakt, daar vooral tijdens den westmoesson vele bruggen , duikers en dijken door bandjirs beschadigd of vernield werden, waarvan het herstel oogenblikkelijke voorziening eischte. De naleving van het voorschrift [Indisch Staatsblad 1868f n°. 56), dat aanschaffing van materialen ten dienste van in daghuur uit te voeren werken, behoort te geschieden door een persoon buiten het departement der burgerlijke openbare werken, leverde vele bezwaren op. Mitsdien werd bij Indisch Staatsblad 1871, n°. 59, voormeld voorschrift ingetrokken en bepaald, dat zoo aanschaffing buiten contract van aanbesteding door den Gouverneur-Generaal is toegestaan, daartoe door het hoofd van het gewestelijk bestuur in overleg met den eerstaanwezend ingenieur een bepaald persoon wordt aangewezen.
Toestand der werken, gebezigde materialen, beschadigingen. De toestand van de openbare werken in het algemeen kon volgens den betrokken directeur, met het oog op het beschikbare personeel en de beperkte contrôle (waarin trouwens de ambtenaren bij het binnenlandsch bestuur en ook de inlandsche bestuurders de behulpzame hand boden), bevredigend genoemd worden. Men bleef echter nog ver af van het doel om de talrijke werken (vooral bruggen) van inlandsch maaksel, welke veel en lastig onderhoud vorderen, door behoorlijk zamengestelde werken te vervangen. De werken uit ligte materialen zamengesteld staan in hooge mate bloot aan beschadiging door witte mieren en vernielende insecten. Het denkbeeld om de woningen van controleurs en adsistent-residenten buiten de gewestelijke hoofdplaatsen te doen zamenstellen van plaatselijk aanwezig hout, heeft dan ook vele bezwaren ontmoet, ook omdat goed wild (niet-djati) hout moeijelijk te verkrijgen is. Alleen Pontianak en Menado maken daarop eene gunstige uitzondering. Gebrek aan djatihout deed zich ook bijna overal gevoelen
115
In verscheidene residenten moest het van elders worden aangevoerd. Intusschen is onlangs (April 1871) bepaald, dat tot zoodanige ontbieding van elders niet mag worden overgegaan dan nadat door den directeur, onder wien het boschbeheer ressorteert, zal zijn verklaard dat in de nabijheid van de plaats van verbruik geen ander hout dat als surrogaat daarvoor dienen kan , op meer gemakkelijke of minder kostbare wijze te verkrijgen is Doorgaans wordt tot nog toe, althans voor werken van geringen omvang, het benoodigde djatihout verkregen door aankap in de niet onder geregeld beheer gebragte djatibosschen op last van het betrokken hoofd van gewestelijk bestuur (art. 34 van het boschreglement in Indisch Staatsblad 1805, n°. 96). Het laat zich evenwel voorzien dat door het gelukken der uitbestedingen van eenige houtperceelen (zie lager hoofdstuk ©, afd. I, onder » Bosch wezen "), sommige residentien in een niet ver verwijderd verschiet over eene genoegzame hoeveelheid goed hout zullen kunnen beschikken Het verkrijgen van metselsteenen , dakpannen en vloersteenen ging ook niet overal even gemakkelijk. Menigwerf ging de waterstaat er toe over om zelf de steenen en pannen te bakken , wanneer de door de bevolking gebakkene van slechte qualiteit of van te ongelijken vorm en afmetingen waren. Uitmuntenden kalk krijgt men in het Cheribonsche en Madioensche. In di: laatste gewest vindt eene geregelde exploitatie der kalksteen-groeven in de afdeelingen Ngawi en Ponorogo en in de kalksteen-bergen langs de zuidkust op vrij groote schaal plaats. Dit gebeurt ook op sommige plaatsen in hot Buitenzorgsche. De koraalkalk van Japara wordt ook in Tagal, Pekalongan en Samarang gebruikt. Inheemsche materialen waren steeds tegen billijke prijzen te verkrijgen. Er werd voor gewaakt, dat de aanschaffing van materialen steeds bij vrijwilligen verkoop door de bevolking plaats had. Vermelding verdient nog de opheffing (in April 1870) Van de steenbakkerijen op Amboina en Rozengain (Banda). Reeds in 1865 bestond daartoe het voornemen. De gebouwen op Amboina waren in verval, en zonder die inrigtingon zou de particuliere industrie wel in de behoefte aan steenen op Amboina en Banda kunnen voorzien. De gebouwen en goederen, met uitzondering van de bruikbare gebakken steenen en materialen, werden publiek verkocht. Van bandjirs hadden de bruggen van inlandsch maaksel en somwijlen ook steenen waterwerken veel te lijden. De kapitale brug te Luwiliang in den weg van Buitenzorg naar Bentan» , werd onder andere door een bandjir weggeslagen. In Bagelen en Banjoemas ontstonden meermalen vreesselijke bandjirs, welke aan die van 1861 herinnerden en Veel schade veroorzaakten. In Kediri maakten ze eveneens laeer dan gewone inspanning noodig tot verdediging der dijken. In Japara eischen de dijken eene algeheele voorziening , daar door een dijkbreuk groote uitgestrektheden Onder water kunnen worden gezet. In de residentie Soerabaija beginnen de dijken over het algemeen in beteren staat te verkeeren dan vroeger het geval was; althans bij de plaats gehad hebbende hooge Waterstanden hebben geene dijkbreuken plaats gehad. Gedurende 1870 werden op eenige van de meest gevaarlijke {•Unten in den Porrongdijk meer afdoende dijkvoorzieningen *angebragt. Eene hulpgevangenis te Probolinggo en eene noodgevanSenis te Tjiandjoer (Preanger regentschappen) werden door "rand vernield. Door aardbevingen hebben 's lands werken niet geleden. Aardstortingen hadden plaats in den plantentuïn te Buitenzorg, door het buiten hare oevers treden van de Ijiliwong en in den transportweg langs den Batang Natal (Sumatra). Tot herstel der schade werd het noodige verrigt. Door een hevigen storm hadden alle gouvernements-ge"ouwen te Menado min of meer geleden. Ook te Banjoewangï woedde in Augustus 1870 zulk een 8^are storm, dat de strook lands tusschen de haven en 8h'aat Bali doorbrak; de ontstane geul werd al breeder e1 dieper en zonder verwijl werden er bevelen gegeven 'la op de bedreigde punten de noodige voorzieningen aan 'e brengen.
Werkvolk. Werkvolk, heerendienstpligtigen zoowel als
vrije arbeiders, waren over het algemeen in voldoende mate voorhanden. Volgens de nieuwo regeling en verdeeling van de persoonlijke diensten der inboorlingen op Java en Madura (waarover reeds in hoofdstuk J , afdeeling II, hiervoren) mogen , even als vroeger, heerendienstpligtigen gebezigd worden voorliet aanleggen en onderhouden van wegen, bruggen, dijken, dammen en waterwerken, bazaarloodsen, wachthuizen , mijlpalen en voorloopig ook nog van pasangrahans, districtsgevangenissen en inlandsche schoollocalen (deze laatste, ingevolge latere beslissing, slechts zooveel daarin van Staatswege geheel kosteloos onderwijs wordt gegeven). Tegemoetkoming voor voeding werd steeds verleend wanneer de arbeid te bezwarend was voor de heerendienstpligtigen. Maatregelen werden genomen ten einde onder alle omstandigheden tot eene juiste beoordeeling te kunnen geraken van het verband dat de uitvoering van werken in heerendienst met de krachten der bevolking houden moet. Aan het plan om veroordeelden tot dwangarbeid bij de werken te bezigen, wordt meer en meer uitvoering gegeven (vergelijk de aanteekeningen deswege in hoofdstuk F, §3). Op lïiouw worden ook Chinezen voor koelies gebezigd. Op Banda hebben gemiddeld vijftig inlandsche Christenen en Mohammedaan sehe burgers nu en dan als ambachtslieden bij het bouwdepartement gewerkt. Ter hoofdplaats Padang wordt door de bevolking algemeen gebruik gemaakt van de vrijheid, haar verleend bij Indisch Staatsblad 1858, n°. 66, om voor de heerendiensten aan de wegen een aequivalent in geld te betalen ten bedrage van f 4 'sjaars. De werking van dien maatregel was allezins bevredigend, de wegen werden goed onderhouden en de bevolking scheen de betaling van het aequivalent minder bezwarend te achten dan het praesteren van persoonlijke diensten (vergelijk ook het vorig verslag bladz. 49).
Verdere medede eling en. In bet onvoldoende der in 1866 (Indisch Staatsblad n°. 155) uitgevaardigde bepalingen omtrent het aanleggen door particulieren van beschoeijingen , kaaimuren of andere werken langs de oevers van vlotbare en bevaarbare stroomen en rivieren, werd voorzien door de vaststelling bij ordonnantie van 9 September 1870 (Indisch Staatsblad n°. 119) van nieuwe voorschriften ter zake. Deze herziening was onder andere daarom noodig, ten einde het oordeel over de uittevoeren werken, tot dusver aan de rooimeesters opgedragen, over te brengen bij de waterstaatsambtenaren, en zulks uit overweging dat de rooimeesters, sedert deze zooveel mogelijk moeten worden gezocht buiten het corps van den waterstaat (zie het verslag van 1868 bladz. 101), in 't algemeen niet langer als bevoegde beoordeelaars in quaestien van waterbouwkunde waren aan te merken. Eene bijzondere voorziening bleek noodig, ten einde werken en gebouwen, ten dienste van spoorwegen waarvoor de Regering concessie verleent, uit te sluiten van de bemoeijingen en het toezigt der rooimeesters. Hiertoe strekte de ordonnantie van 16 Junij 1871 (Indisch Staatsblad n°. 88). In 1870 werd slechts door één persoon het landmetersexamen volgens het programma vastgesteld bij Indisch Staatsblad 1866, n°. 46, met goed gevolg afgelegd. In de meeste gewesten worden de function van landmeter door waterstaats-ambtenaren waargenomen.
II. BIJZONDERHEDEN OMTRENT SOMMIGE WERKEN.
Wegen. De staat der wegen op en buiten Java is volgens de ontvangen opgaven over het algemeen veel verbeterd. Wel is de toestand nog niet overal naar wensch en behoort vooral aan de binnenwegen nog veel gedaan te worden om ze in behoorlijken staat te brengen en te houden, maar waar die minder gunstige toestand voor sommige groote wegen in voorbijgaande oorzaken gezocht moet worden, moet hij, wat de binnenwegen betreft, worden toegeschreven aan hunnen primitief gebrekkigen aanleg. Welke zorg men ook aan het onderhoud van die binnenwegen besteedde, in den regenmoesson werden ze gewoonlijk moeijelijk berijdbaar. Zonder behoorlijke afwatering en verharding niet bestand tegen te druk en zwaar
116
vervoer boderven ze spoedig. Voor die binnenwegen mogen echter, zegt de betrokken directeur, geene eischen gesteld worden gelijk aan die voor den grooten postweg, die bovendien zelfs voor een groot deel niet volgens do regelen der kunst is aangelegd. Anders zou •— zoo gaat hij voort — in de eerste eeuw wel van geene uitbreiding van het wegennet sprake kunnen zijn. Ter bevordering van de afwatering is ter hoofdplaats Pasoeroean eene proef genomen om kleine waterleidingen , riolen enz. door middel van buizen onder de wegen aan te brengen. De proef is slechts gedeeltelijk gelukt, omdat de buizen te kleine opening hadden. Voor 1872 zijn uit Nederland gegoten ijzeren buizen van grootere afmeting aangevraagd. In andere residentien heeft men door het aanleggen van afvoerkanalen en sloten langs de wegen in de afwatering eenige verbetering gebragt. Van de proefneming om de transportwegen in de Mmahassa te doen begroeijen met eene grassoort, teki genaamd , welke de eigenschap zou hebben om tot verharding der wegen te kunnen dienen . moest op grond van in vroegere jaren verkregen ondervinding worden afgezien. Waar de wegen over de geheele breedte voor het karrenvervoer waren opengesteld, nam de bruikbaarheid zeer af, omdat de met rundvee bespannen tweewielige voertuigen steeds ouder gewoon te achter elkan der in hetzelfde spoor rijden. De reden waarom ter hoofdplaats Batavia het gedeelte wegs, dat door de ïramway-maatschappij onderhouden werd, te wenschen overliet, was in het laatste halfjaar 1870 voor een groot deel weggenomen, toen de Maatschappij hare verpligtingen ten aanzien van het onderhoud van dien weg beter nakwam. Maatregelen zijn genomen om den grooten postweg van Meester-Cornelis naar Bekassi en verder naar de grens van Krawang, welke door gedurige nalatigheid van den grintleverancier in slechten toestand verkeert, te verbeteren. Om dezelfde reden en de zware regens was ook de toestand van den grooten postweg in de afdeeling Buitenzorg gedurende geruimen tijd zeer achterlijk. Met de verbetering van den grooten postweg, van de grens van Bantam tot aan post Oender-Andir, welke vooral in den regenmoesson voor het transport van reizigers en goederen nog al groote moeijelijkheden oplevert, zou in de eerste maanden van 1871 een aanvang gemaaktworden. Aan de verbetering van een gedeelte van den weg van Manondjaija naar Ban dj ar in de Preanger regentschappen zal weldra de hand worden gelegd. Van den weg van Pasoeroean naar Malang werd een aanzienlijk gedeelte in behoorlijken staat gebragt. Aan de daar te werk gestelde heerendienstpligtigen werden bij wijze van tegemoetkoming rijst en zout verstrekt. Het verhard en verbeterd gedeelte heeft zich, niettegenstaande de vele regens en het zeer drukke transport, over het algemeen uitmuntend gehouden. Het gedeelte van den postweg tusschen de posten Kloewoet en Tandjong in de residentie ï a g a l , dat in vorige jaren door overstroomingen dikwerf aanleiding gaf tot stremming der communicatie, was sedert de in het laatst van 1869 bewerkstelligde ophooging verbeterd. De wegen ter hoofdplaats Samarang , sedert 1870 onder beheer van den waterstaat gekomen, zijn aanmerkelijk verbeterd. Met vrucht werd daarbij van de diensten van dwangarbeiders gebruik gemaakt. Meer dan een ton gouds is in 1870 aan die verbetering ten koste gelegd. Voor de verharding zijn van Kedoeng-Djati en Tangoeng verschillende grint- en steensoorten aangevoerd, die duurzamer zijn dan Samarangsch grint. De nieuwe weg in dezelfde residentie, van het spoorwegstation Goendik naar Krikil (zie bladz. 5 hiervoren), is met de daarbij behoorende tijdelijke bruggen en duikers gereed, en dus de verbinding der afdeeling Poerwodadi met den spoorweg daargesteld. De opneming voor de verbinding der afdeeling Demak met het spoorwegstation Kedoeng-Djati is onderhanden. De aanleg van den weg van Bezoeki naar Banjoewangi door het bosch Soemberwaroe kan, voor zoover het onder profil brengen en verharden betreft, als voltooid beschouwd worden. Het aanleggen van bruggen en duikers vorderde echter r.og een belangrijken arbeid. Al het daartoe benoodigde moet op de plaats zelve door de dwangarbeiders vervaardigd worden. Arbeidende met ongeveer 500 man (in Mei jl. waren er onder Bezoeki 100 en onder Banjoe
wangi 385 veroordeelden bij het werk geplaatst) wordt de verwachting gekoesterd, dat de weg bij het eind van het loopende jaar geheel zal kunnen voltooid zijn. In de nabijheid van Soemberwaroe hebben zich een twintigtal ontslagen veroordeelden met der woon aan den weg nedergezet, hetgeen , bij navolging door anderen , eene zeer gewenschte zaak is, daar de landstreek waardoor de weg loopt, thans geheel onbewoond is. Met kracht werd aan den nieuwen militairen weg van Buitenzorg naar Tjiandjoer gewerkt. Onder ultimo 1869 was daaraan in het geheel besteed f 200 060 waarvoor verkregen was een gedeelte geheel voltooide weg ter lengte van 21 palen en ruim 19! roeden en eene lengte aarden baan van 1 paal en 71 roeden (respectivelijk 32 372 en 1774 meters). Het gedeelte van dien weg in zuidwestelijke rigting loopende naar de grens der Preanger regentschappen is geheel verhard en wordt door het Gouvernement onderhouden. Kenige kunstwerken in dien weg zij u nog niet voltooid. Het verkeer tusschen de residentien Batavia en Preanger regentschappen langs dien weg, in stede van den vroegeren over den berg Megamendoeng, neemt meer en meer toe. Door de Daijaloeho*rsche districten moet van Bandjar (grens Preanger regentschappen) een groote tevens militaire weg worden geprojecteerd en daargesteld, die , behalve eene verbinding met Tjilatjap, eene aansluiting zal hebben met den zuidelijken militairen weg naar Bagelen. Na afloop van den westmoesson 1870/71 zou meteene naauwkeurige opneming een aanvang worden gemaakt. Een onderzoek naar de beste rigting van den militairen weg in de residentie Bagelen is bevolen. In Kadoe en Madioen konden de terreinopnemingen voor den militairen weg, wegens gebrek aan personeel, niet plaats hebben. De communicatie tusschen Madioen en Kediri en tusschen Ngawi en Solo zou zeer vergemakkelijkt worden door het wegnemen of omtrekken van eenige steile gedeelten der bestaande postwegen. Uitgebreide terreinopnemingen zijn daartoe echter noodig. Het plan bestaat om Poerworedjo, de hoofdplaats der residentie Bagelen , door een goeden communicatie-weg met Djokjokarta te verbinden. Dit is van groot belang voor de residentie Bagelen , die met hare ongenaakbare zuidkust én van alle andere zijden door bergen omgeven ten opzigte van den handel in zeer ongunstige verhouding verkeert. Van alles , wat zij noodig heeft, moet zij zich van Samarang over een zeer moeijelijken bergweg voorzien. Daarin kan eene gelukkige verandering komen als de spoorweg Samarang-Vorstenlanden tot Djokjo voltooid zal zijn en deze plaats met Poerworedjo verbonden wordt. (1) Het trace van den aan te leggen weg is reeds voorgesteld. Te Djokjokarta tracht men met het oog op het thans daarvoor bestemde beperkt terrein en het gaandeweg toenemen der Europesche bevolking, eene nieuwe Europesche wijk te vormen. Fondsen zijn toegestaan om het aangewezen nieuwe terrein met wegen te doorsnijden en van eene goede afwatering te voorzien. Het gedeelte van den weg van Kaijoe-Tanam naar Padang (Sumatra's Westkust), dat vroeger zooveel stof tot klagten opleverde, onderging eene belangrijke verbetering. Ve
maatregel om 300 dwangarbeiders voor den weg beschikbaar te stellen , heeft doel getroffen. Aan den nieuwen weg van Solok naar Padang werd in 1870 weder met kracht gewerkt. De baan die nu, op enkele moeïjelijke plaatsen na, op de bepaalde breedte is gebragt, zou in 1871, n» eene behoorlijke verharding, voor de communicatie per »6
kunnen worden opengesteld. Reeds werd van dien weg door o* bevolking een druk gebruik gemaakt. De directe verbinding van Padang met de Bovenlanden in die rigting^ wordt al' gemeen , zoowel uit een handels- als uit een militair oog/ punt, van het grootste belang geacht. Te bejammeren l9
het dat de transportwegen van Tanah Batoe naar Nata over eene lengte van 40 paal, en van Loemoet naar B»' tang Taro, een afstand van 19 paal, niettegenstaande be daaraan bestede 'onderhoud nog niet kunnen voldoe0
aan de vereischten van gemakkelijke handelswegen. A»" verschillende wegen behoort eene andere rigting te worde»
(1) Over eene onlangs aangevraagde concessie voor den aanleg en exploitatie van een transportkabel tusschen Djokjo en Poerworedjo z lager bladz. 123, noot 2.
*>
117
i *
gegeven. Er zijn er die over den ruim 4000 voet hoogen bergrug aangelegd zijn. Verschillende trajecten leveren groote moeijelijkheden op. Men doet onderzoek naar andere trace's. Te Benkoelen en op de hoofdplaatsen der residen tien Lampongsche districten en Amboina, zoomede op Banda worden voor het onderhoud der wegen dwangarbeiders gebruikt. Die wegen verkeeren in vrij redelijken staat. De in den aanvang van 1870 bepaalde verlegging van den Weg van Kepahiang (Palembang) naar de grens van Benkoelen werd zoo goed als voltooid. Evenzoo werd in 1870 voortgewerkt aan eene wegsverlegging van Mandi-auer naar Tebing-Tinggi. Ook dit werk Was zijne voltooijing nabij. De weg tusschen Moeara-Enim en Lahat werd met zorg aangelegd en onderhouden. In de residentie Wester-afdeeling van Borneo werd aan den onderhanden zijnden weg, die de hoofdplaats Pontianak Verbinden zal met de bloeijende Boeginesche nederzetting Soengei-Kakap aan het zeestrand aldaar , door dwangarbeiders voortgewerkt. Thans zijn daarbij 150 veroordeelden Werkzaam. Een grooter getal zal echter voor dien arbeid Worden aangewezen ten einde den weg, die eene lengte van Ongeveer 12 palen heeft, te spoediger te voltooijen. De wegen ter hoofdplaats Bandjermasin hadden door de buitengewoon hooge waterstanden veel geleden, zoo zelfs, dal zo geruimen tijd een gedeelte van den dag overstroomd Werden : men was in de eerste maanden van 1871 bezig ze aanzienlijk op te hoogen. Buiten Batavia geschiedt het begieten der wegen door de zorg der ingezetenen. Het voorstel van den resident van Soerabaija om die begieting voortaan voor 's lands rekening te doen plaats hebben , werd door de Regering afgewezen.
Bruggen , duikers enz. De toestand der bruggen en duikers Wordt gezegd in vergelijking met vorige jaren aanmerkelijk te zijn vooruitgegaan. Van lieverlede worden de bruggen en duikers van inlandsch maaksel en uit wildhqut zamengesteld , vervangen door onder behoorlijk toezigt aangelegde permanente werken. Zoo verrezeu in 1870 verscheidene steenen bruggen en duikers in plaats van de houten. Groot is echter nog het aantal dezer laatste, waarvan Vele verouderd zijn. Van daar, dat de toestand nog in Vele opzigten verbetering eischt en dat vooral in den westtooesson het wegslaan van bruggen en duikers door bandjirs bijna aan de orde van den dag is. In 1871 zal de aanwending van ijzeren brugmaterieel in Nederland besteld en gedeeltelijk reeds in Indie aangebragt, op ruimer schaal kunnen plaats hebben. De ijzeren brug over de Kediri-rivier, aan den bouw Waarvan circa f 226 000 is uitgegeven, werd van een tweede bouten dek voorzien. In den weg van Soerabaija naar Grrissee werd de eerste brug op ijzeren schroefpalen gebouwd over de rivier Greges. Eene tweede dergelijke brug zal over de Kali-Anak gebouwd worden. Da landhoofden Voor de ijzeren brug over de Tjikao-rivier (zie het verslag Van 1869 bladz. 81) moeten worden verbouwd. De ijzeren bovenbouw is reeds uit Europa aangebragt. Van het denkbeeld om over het ravijn van de Tjikretek in den nieuwen tüilitairen weg van Buitenzorg naar de Preanger regentschappen een viaduct te bouwen, is afgezien en in Maart Jl. magtiging verleend om in dat ravijn een dam of ,dijk te maken, waarvan de kosten, met inbegrip der bijkomende berken, zijn geraamd op f116 826. De in 't vorig verslag bedoelde uitbestedingen voor den ijzeren bovenbouw der bruggen over de rivieren Tjidani, Tjidoeriau en Tjioedjoeng lö de residentien Batavia en Bantam konden geen gevolg deinen , wegens moeijelijkheden met de inschrijvers omtrent bet gestand doen hunner aanbiedingen. In den grooten weg naar Margasari (Tagal) werd eene vrij belangrijke steenen boogbrng van 8 meter opening over de Kali Doekoe-Salam voltooid. Over eene der grootste en snelvlietendste rivieren in de Residentie Bagelen, de Loh-Oeloe, in den grooten weg van foerworedjo naar Banjoemas, zal eene steenen boogbrng ^an 75 strekkende meters met drie openingen worden gebouwd. De kosten bedragen circa f 150 000. Die brug öioet de voornaamste schakel uitmaken van de bruggenreeks in den grooten post- en transportweg van Banjoemas naar Kadoe, welke weg ook voor militaire bewegingen van groot gewigt is.
N°. 8. 2.
In de Vorstenlanden liet de staat der bruggen (tot onderhoud waarvan de vorsten verpligt zijn), sedert jaren te wenschen over. Daar de toestand dringend verbetering eicht, zijn overwegingen aanhansig om met betrekking tot het onderhoud der bruggen in gemelde rijken een beteren toestand in het leven te roepen. Op Celebes wordt de eerste permanente brug, eene Amerikaanscho van 38 meters spanning, gebouwd over de Segiri-rivier in den grooten weg naar Tanette.
Rivierwerken, waterleidingen (1). De buurten Kebon Siri en Gang Scott ter hoofdplaats Batavia werden even als in vorige jaren overstroomd. Het in December 1869 toegestane werk tot ontlasting van het overtollige water in die buurten is in 1871 voltooid. Eene verbetering van den waterafvoer der rivier Tjidoerian in dezelfde residentie, ter voorkoming van overstroomingen in het noordwestelijk gedeelte der afdeeling Tangerang, is nog in overweging. Ook wordt eene verbetering voorbereid van de Mokervaart, eene afleiding uit de Tjidani en zeer noodig voor het handelsverkeer tusschen'Bataviajen Tangerang, doch die, daar zij geene afsluiting heeft, thans vele hindernissen daarstelt. Eene beteugeling der Rambattan-rivier en het brengen van meer water in de Tjimanok (residentie Oheribon) b'eek meer en meer dringend noodzakelijk. In den jongsten westmoesson hadden verscheidene doorbraken plaats en werd Indramaijoe met overstrooming bedreigd. De opnemingen hebben reeds plaatsgehad en de indiening van een ontwerp kon bij den aanvang van 1871 spoedig worden te gemoet gezien. De opnemingen' in 1869 gedaan voor het afleidingskanaal uit de Samarangsche rivier, ten einde de stad te vrijwaren van bandjirs, hebben de indiening van een project ten gevolge gehad Ofschoon dit ontwerp nog omwerking behoefde, zou echter binnen kort het definitief project kunnen worden te gemoet gezien. Een duiker voor de afwatering der benedenstad werd voltooid. Voorstellen zijn gedaan om door middel van sluisjes de bandjirs van de benedenstad af te sluiten. De opneming ten behoeve van de uitbreiding en verbetering der waterleidingen te Samarang zou spoedig worden voortgezet. Dijkversterkingen en beschoeijingen hadden in verschillende gedeelten van Samarang plaats. De kaarten der opneming van een gedeelte van Soorakarta tot het daarstellen van waterleidingen bij hoogen rivierstand werden voltooid. De opnemingen om de hoofdplaats Cheribon van doelmatige tot algemeen gebruik dienende straatgoten te voorzien , moeten nog plaats Rebben. Een goed gotenstelsel, is vooral daarom wensehelijk, omdat de typhusgevallen die zich in de laatste tijden ter genoemde hoofdplaats hadden voorgedaan , voornamelijk aan den zeer vervallen staat der straatgoten worden toegeschreven. De bamboezen waterleiding (ongeveer i palen lang), die Fort de Koek (Padangsche Bovenlanden) van drinkwater voorziet, werd geheel vernieuwd. Op Riouw werden door dwangarbeiders een reservoir en waterleiding gegraven ten dienste van het Chinesche kamp.
Havenwerken. De toestand van het meerondeel der havenwerken laat te wenschen over. De gunstigste uitzondering maakt de haven van Tjilatjap, die met den onveranderlijken zuid-oost passaat gemakkelijk bezeild, en waar men met behulp van eene sleepboot zonder eenig bezwaar de reede binnengebragt wordt. De havenhoofden van het kanaal te Karang Antoe en die van het kanaal te Anjer (residentie Bantam) moeten verlengd worden, de laatste wegens de jaarlijks toenemende verzanding van het havenkanaal. De havenwerken te Batavia verkeeren over het algemeen in goeden staat. De slechte ataat van eenige gedeelten der hoofden is een gevolg van de ontgronding der koraalfundering. Ter voorkoming van herhaling zal bij de te vernieuwen gedeelten de fundering moeten bestaan uit zinkblokken van waalmoppen. Bij eene diepte in het havenkanaal bij zeer lage waterstanden van 2,50 meter blijft het evenwel voor alle vaartuigen bevaarbaar, bedragende de diepgang van de grootste beladene praauw 1,80 meter. De baggermolen doet steeds uitmun
(1) Over werken in het belang van den landbouw zie men hoofdstuk O, afdeeling I, § 1. onder » Rijstcultuur, enz." 30
4
118'
tende diensten. Het steeds toenemend vertier doet meer en meer de behoefte gevoelen aan meerdere ruimte voor aanlegplaats van geladen praauwen in den omtrek van den Kleinen Boom. De ontwerper van het denkbeeld tot daarstelling van een bassin voor de reparatie van schepen aan de oostzijde van het havenkanaal (zie het vorig verslag bladz. 85 en dat van 1869 bladz. 82) kwam op dit plan terug. Aan hem werd in hoofdzaak te kennen gegeven, dat in geen geval gerekend mögt wordon op het daartoe dienstbaar maken van het oosterhavenhoofd te Batavia, als zijnde niet diep genoeg aangelegd "om bestand te zijn tegen de uitdieping, welke bij de ten-uitvoerlegging van zijn denkbeeld aan het buitentalud van dat zeehoofd gevorderd zou worden. De weinige diepte van de haven van Cheribon, vooral bij laag water, levert nog steeds een groot bezwaar voor den handel op In den laatsten tijd had weer eene aanzienlijke opslibbing plaats gehad. Intusschen is met de uitdieping zeer krachtig aangevangen. Vóór de haven bevindt zich eene vrij groote bank, die nu wel gedeeltelijk opgeruimd is, maar zonder andere maatregelen weer spoedig gevormd zal zijn. De gemeenschap van Tagal met de reede is door de weinige diepte in de rivier of haven zeer gebrekkig. Tot uitdieping der haven, herstel der havenhoofden en het maken van een kaaimuur langs den westelijken oever der rivier werd in den aanvang van 1871 magtiging verleend. In de rivier van Pekalongan, die de gemeenschap daar» stelt van de stad met de reede, vertoont zich reeds jaren achtereen bij afwisseling eene zandbank, dan eens aan den oosteroever, dan weder vóór en binnen den bovenmond. Intusschen wordt, hoe moeijelijk ook, de rivier zooveel mogelijk in bevaarbaren toestand gehouden. Het stoomvaartuig met dregtoestel, in 1867 aangeschaft en sedert, tot October 1869, gebezigd voor het uitdiepen van de monding der Kalimas-rivier te Soerabaija , is thans voor goed buiten dienst gesteld. Men is hiertoe overgegaan, nadat twee op verschillende tijdstippen gedane peilingen hadden doen zien, dat in den toestand van den bodem nog nagenoeg geene verandering was gekomen, niettegenstaande de toestel in het tijdsverloop tusschen do beide peilingen voortdurend in werking was geweest Het maakt nog een punt van overweging uit, in hoever het stoomvaartuig, bij ophaling van den dregtoestel, als communicatieboot zou kunnen dienen. Intusschen behoort de monding der Soerabaija-rivier te worden uitgediept, daar het in- en uitkomen van praauwen bij laag tij zeer moeijelijk wordt. Reeds zijn meer doelmatige stoombaggerwerktuigen uit Europa ontboden. Twee der bedoelde molens zijn reeds besteld, zijnde omtrent de inrigting der twee verder aangevraagde nog eene briefwisseling met het Indisch Bestuur aanhangig. Behalve voor Soerabaija, zullen de aangevraagde werktuigen in de eerste plaats bestemd worden voor de uitdieping der havens te Cheribon , Tagal en Probolinggo. De opnemingen die aan eene vorbetering van laatstgenoemde haven moeten voorafgaan (zie het vorig verslag bladz. 85) zijn in gang. Aan het verbeteren van de haven van Bszoeki is niet te denken, dan door het daarstellen van zeer belangrijke werken, wier geldelijk bedrag zeer hoog zal klimmen. De toestand van het landhoofd te Panaroekan, in dezelfde residentie, is van dien aard, dat het meer en meer wenschelijk wordt een nieuw hoofd te bouwen. Pasoeroean heeft eene veilige opene reede, die in communicatie staat met de Gembong-rivier. Doordien de rivier veel te breed is voor het weinige van boven komende water, slibt zij sterk aan en wordt die slib eens in het jaar zooveel mogelijk opgeruimd. De haven van Wijnkoopsbaai (Preanger regentschappen) is slechts eene door de natuur gevormde baai zonder kunstwerken. Plannen zijn in overweging ter verzekering der gemeenschap van Padang met de reede. De in 1869 plaats gehad hebbende aardstorting in de rivier van Padang, is de voornaamste oorzaak van haar bederf. Daar de Telok-rivier (Benkoelen) door de aan hare monding liggende zandbanken bij lagen waterstand onbe
vaarbaar was, werd door kettinggangers eene temporaire bamboezen laadbrug van ongeveer 500 meters lengte in zee uitgebouwd- Met het leggen van een zeehoofd van koraalsteen, mede door kettinggangers, was men bij den aanvang van 1871 reeds vrij ver gevorderd. De herbesteding voor de daarstelling van een ijzeren schroefpalenhoofd te Muntok (Banka) was gelukt, zoodat met de uitvoering weldra een aanvang zou worden gemaakt. Het zeehoofd te Tontoli (Celebes) was door zeeworm en witte mieren vernield , en zou daarom door een nieuwvervangen moeten worden. De zware reparatie aan het zeehoofd te Menado is voltooid. De zeeworm blijft steeds schade aanrigten aan de zeehoofden te Menado, Kema en Gorontalo. Omtrent de havenwerken te Samarang kunnen de volgende bijzonderheden worden medegedeeld. Even als in het voorafgegane jaar werden ook in 1870 de werkzaamheden ijverig voortgezet, doch eene belangrijke wijziging aan het primitive denkbeeld van uitvoering gegeven, en dat eene vereeniging van het havenkanaal met de Samarangsche rivier, door middel eener schutsluis , ten doel had, bragt in de uitvoering der onderhanden werken eene onvermijdelijke vertraging te weeg. üe quaestie kwa;a echter nog vóór het einde des jaars tot beslissing en de uitvoering der schutsluis kon reeds bij het begin van 1871 volgen. Bestond er bij den aanvang van 1870 (zie het vorig verslag bladz. 86) , gegronde hoop dat de eindoplevering nog tegen het einde van dat jaar zou kunnen plaats vinden, ten gevolge der evenbedoelde uitbreiding van werkzaamheden is nu die algeheele voltooijing eerst bij het einde van 1872 te verwachten. De steenstortingen voor de tiavendammen werden in het afgeloopen jaar tot de maand Maart krachtig voortgezet, toen tot October slechts voor het bijwerken der zettingen even aan den gang gehouden en daarna gestaakt-, de dammen aan eigen zetting overlatende tot dat het nader onder eindprofil brengen met succes kan worden ondernomen. De beide stoombaggermolens uit Europa aangebragt, ^•holpen door de kleinere, die op het werk waren aangemaakt, bragten en hielden de voorhaven tot aan den spoorwegdam op volle diepte; verder opwaarts in het havenkanaal konden zij door het bestaan van dien dam voor alsnog niet komen en bestond trouwens aan de verdieping van dit gedeelte nog geene- dadelijke behoefte. Als gevolg van het uitbrengen der havendammen wordt meer en meer de buiten verwachting snelle aanslibbing der regts en links gevormde hoeken benevens de neiging van toenadering dier slibben voor den mond ondervonden. Hoewel dus binnen de dammen de volle diepte aanwezig is, heeft men vóór den mond aanmerkelijk in diepte verloren, zoodàt reeds een der baggermolens buiten de dammen is moeten worden te werk gesteld. Verlenging der havendammen, tot vergrooting dor hoeken, die als natuurlijke slibvangers werken en het opzoeken van een meer krachtigen vloeden eb-stroom, behooren dus hier, even als elders op Java en in Europa, tot de te nemen maatregelen. Voorstellen dienaangaande waren in behandeling. De opgebaggerde specie wordt met goed gevolg gebezigd tot het dempen van moerassen in den omtrek. Alle metselwerken, het afdekken der muren met hardsteen en de aanleg van trappen daaronder begrepen, zijn voltooid. Als bijzonderheid kan nog worden vermeld, dat bij de steenexploitatie onder Tangoeng, eene mijn met 1600 kilogram buskruid werd geladen. Bij hare uitwerking leverde zij de meest gunstige resultaten op. Met het oog op de ligging van alle pakhuizen langs den ouden waterweg is de nieuwe voor handelsgoederen nog weinig in gebruik en zal eerst dan verre de voorkeur verdienen, indien door don bouw der schutsluis de vereeniging van beide is verkregen. Als vlugthaven in den westmoesson bewijst de nieuwe haven echter voortreffelijke diensten. Het personenverkeer vindt bijna uitsluitend lang'9 den nieuwen waterweg plaats en wordt geregeld met een particulier stoomboot j e onderhouden. De oude geul vóór de Samarangsche rivier werd als bestaande gemeenschap met de reede, even als in 1869 t
119
zooveel mogelijk op diepte gehouden, in afwachting van de voltooijing van den nieuwen waterweg. Zij bleef echter uiterst gebrekkig.
III. SPOORWEGEN EN ANDERE VERBETERDE MIDDELEN VAN VERVOER TE LAND.
Herhaaldelijk verzocht de Gouverneur-Generaal om, uit aanmerking van het groote belang dat voor Java in den verderen aanleg van spoorwegen op dat eiland gelegen is, en in verband met concessie-aanvragen, te worden bekend gemaakt met de inzigten van het Opperbestuur aangaande dit aangelegen onderwerp. Eenige wenken werden hierop gegeven , ook omtrent het verband der verschillende middelen van vervoer, maar daar nog geenerlei vast plan was aangenomen, konden die niet anders dan van zeer algemeenen aard zijn. Intusschen was reeds een algemeen plan voor spoorwegen op Java geschetst in het bekende rapport (zie het vorig verslag bladz. 86), door de heeren KOOL en HENKET uitgebragt, nopens de vraag welke spoorwijdte voor de behoefte van dat eiland het meest aanbeveling verdiende. Bij de overweging van hetgeen der Regering tot bevordering van de zaak te doen stond, werd het nuttig geacht het door genoemde heeren aangegeven tracé aan een nader onderzoek te onderwerpen. Te dien einde werd bij Koninklijk besluit van 22 Februari) 1871, n°. 12, eene commissie van deskundigen benoemd , aan welke eenige bepaalde vraagpunten werden voorgelegd , terwijl tevens haar advies gevraagd werd over het door de Regering opgevatte voornemen nopens de uitvoering van het plan tot aanleg van een spoorweg over de lengte van Java. Van een en ander werd mededeeling gedaan aan den Gouverneur-Generaal, met verzoek om over de aan do commissie onderworpen vraagpunten en denkbeelden, voorloopig ook zijn oordeel te doen kennen. Op 1 Augustus jl. was de commissie (te wior beschikking ook waren gesteld de voorhanden rapporten en bescheiden , uitmakende het archief der in 1864 ontbondene commissie voor de vervoermiddelen op Java) met haren arbeid zoo goed als gereed, terwijl weinige dagen te voren ook werden ontvangen de adviesen van den GouverneurGeneraal en van de door hem geraadpleegde autoriteiten (1). De wenschelijkheid van den aanleg van spoorwegen in een gedeelte van Sumatra, waarvan reeds met een enkel woord in 't vorig verslag gewag werd gemaakt, heeft nieuwen steun gevonden in de ontdekking van rijke steenkolenmijnen in de Padangsche Bovenlanden , waarover zie hoofdstuk O, afd. II. Eenige voorbereidende onderzoekingen waren reeds vroeger gelast, omtrent de wijze van Uitvoering van welke in Mei jl. een overleg hangende was tusschen den directeur der burgerlijke openbare werken en dien van onderwijs, eeredienst en nijverheid. Onlangs Js bij bedoelde directeuren aangedrongen op eene bespoedigde 'ndiening hunner voorstellen.
§ 1. Stoomspoorwegen.
Het algemeen reglement voor de spoorwegdiensten in Nederlandsch Indie (Indisch Staatsblad 1866, n°. 132) onderging geene nadere veranderingen. De beschouwingen van de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij omtrent dat reglement en meer bepaaldelijk °mtrent de bezwaren welke het oplevert met het oog op ^en spoorweg Batavia-Buitenzorg, waarvan in het vorig verslag melding gemaakt is, worden benuttigd bij de overweging van de wijzigingen, welke het reglement in andere opzigten eischt.
Ten aanzien van de belastings-proeven voor bruggen van Sroote spanning is , uit overweging, dat ook in Nederlandsch Indie kan worden volstaan met wat in Nederland ten op2igte der door particuliere ondernemingen aangelegde spoor
, (1) Omstreeks medio Augustus jl. heeft de commissie rapport uitge"'agt. De vrucht van een en ander is geweest het ia gereedheid brengen *3n een wees-ontwerp tot aanleg van spoorwegen op Java, 't welk dezer ^agen bij den Raad van State is aanhangig gemaakt. De bedoelde c°mmissie is intusschen bij Koninklijk besluit van H September 1871, tt • 17, ontbonden.
wegen plaats vindt, bij besluit van 6 Augustus 1870, n°. 9, met wijziging in zooverre van dat van 11 Augustus 1869, n°. 30, door den Gouverneur-Generaal bepaald, dat de proeven onder toezigt van regeringswege zullen worden genomen, nadat de bruggen in den weg zijn opgesteld; terwijl de bruggen van kleine spanning, indien er geene bijzondere aanleiding bestaat waardoor een meer opzettelijk onderzoek wenscheiijk schijnt, niet anders dan met overtrekkende treinen zullen worden onderzocht, wordende het oordeel te dezer zake overgelaten aan de commissie met de opneming van het betrokken spoorweggedeelte belast.
Omtrent de in aanleg zijnde spoorweglijnen SamarangVorstenlanden en Batavia-Buitenzorg valt in de eerste plaats het volgende aan te teekenen De berigten zijn deels ontleend aan opgaven van den directeur der burgerlijke openbare werken, deels aan rapporten van den regeringscommissaris bij de Nedeilandsch-,Indische Spoorwegmaatschappij hier te lande.
1°: Samarang-Vorstenlanden.
Blijkens het vorig verslag bladz. 86. was na de staking der spoorwegwerken in de laatste dagen van April 1870 door den Gouverneur-Generaal, bijeen besluit van 21 Mei daaraanvolgende , aan de Spoorwegmaatschappij een voorschot van f 175 000 verleend, zoo tot het voltooijen van de nog vereischte werken op de reeds in exploitatie zijnde 1ste en 2de sectie, als tot onderhoud (tot medio November 1870) van het aanwezige op de 3de en 4de sectie, en was hier te lande (den 30sten Augustus 1870) eene overeenkomst met de Maatschappij gesloten, ten einde haar in staat te stellen tot voortzetting der werken. Het eerste gedeelte dier overeenkomst wees aan , onder welke voorwaarden , indien de Maatschappij buiten hulp van den Staat zich de middelen verschafte om den weg te voleindigen , door de Kegering voor de algeheele oplevering van den spoorweg, het inmiddels gevraagde uitstel van twee jaren (en alzoo tot 26 September 1873) wierd verleend, terwijl op grond dat de Maatschappij op het toenmalig oogenblik , in verband met dun oorlog, buiten staat was de vereisohte som van 2 millioen te negotieren, bij het tweede gedeelte de wijze geregeld werd , hoe zij door den Staat zou worden te gemoet gekomen zoo noodig tot den fatalen termijn van 26 September 1871, als wanneer de Regering vrij zou zijn te beslissen over verlenging van den opleveringstermijn of vervallen-verklaring der concessie.
De Gouverneur-Generaal werd wijders uitgenoodigd om, in afwachting der wettelijke bekrachtiging van het tweede gedeelte der overeenkomst, daaraan reeds terstond gevolg te geven, wanneer door voortzetting der werken nog tijdens het goede saizoen, dat is vóór het invallen der zware regens, een toestand kon worden verkregen die van dadelijken invloed was op de ontvangsten, door het bereiken bijv. van punten, tot welke de exploitatie (zij het ook voor 's hands slechts voor goederen-vervoer) met voordeel aanstonds kon worden uitgebreid. Nog vóór dat van deze opdragt door den GouverneurGeneraal was gebruikgemaakt, ontving deze de aanschrijving (dd. 12 November 1870) om, in afwachting van de wettelijke bekrachtiging der overeenkomst van 30 Augustus te voren , het verstrekken van 's lands gelden ter voortzetting van de spoorwegwerken te doen staken, onder opmerking dat de vroegere opdragt reeds een einde had genomen, vermits het tijdstip der zware regens gewoonlijk in December invalt. Intusschen waren door de Maatschappij , overeenkomstig de bepalingen der overeenkomst, de werken dadelijk hervat geworden, terwijl door inhouding hier te lande van het aan aandeelhouders overblijvend gedeelte in het dooiden Staat gewaarborgde rentebedrag , op 1 Januarij 1871 een bedrag van f 135 000 op het voorschot van f 175 000 was aangezuiverd. Terwijl de bevoegdheid der Indische Regering om voorschotten te verleenen door de aanschrijving van 12 November 1870 was ingetrokken, zou de spoorlegging op de 3de sectie hebben moeten gestaakt worden , zoo de landhuurders van Solo door het geven van een voorschot van ongeveer f 60 000, te verrekenen met de te verdienen transportkosten, niet waren tusschenbeide gekomen. Met
120
dat voorschot en de baten der exploitatie konden ds onderhanden genomen -werkzaamheden worden voortgezet, terwijl de Gouverneur-Generaal door te vergunnen dat het nog beschikbare gedeelte der als voorschot toegestane som van f 1 7 5 000, welk gedeelte aanvankelijk slechts voor zekere werken der Jste en 2de sectie bestemd was, ook voor de 3de sectie zou mogen worden aangewend, daarbij eveneens te hulp kwam. Desniettemin raakten de middelen ten einde en reeds had het comité van bestuur besloten de werkzaamheden in Maart 1871 te doen staken, toen door een op magtiging uit Nederland door den Gouverneur-Generaal verleend nieuw voorschot (thans ten bedrage van f 200 000 en tegen 6 per cent rente 'sjaars) tot het voortwerken weder gelegenheid werd gegeven. Een ander voorschot door de landhuurders uit de Vorsten landen ten bedrage van f 34 000 aangeboden, om daarmede het spoorleggen tot Klatten te voleindigen, behoefde dien ten gevolge niet te worden aangenomen. Het eerste voorschot door de landhuurders verstrekt, was reeds verrekend met de vrachtloonen op vervoerde producten. De onderhandelingen over het sluiten eener leening waren in verband met de verbeterde tijdsomstandigheden door de Maatschappij inmiddels hervat geworden en met een goeden uitslag bekroond. Den 4den April jl, werd de leening definitief gesloten en nadat de Regering rich overtuigd had dat daardoor de Maatschappij over f 2 000 000 effectief tot het voleindigen van den spoorweg kon beschikken, is haar in Mei jl. te kennen gegeven , dat het eerste gedeelte der overeenkomst van 30 Augustus 1870, dat is het tweejarig uitstel van oplevering des spoorwegs,' in werking kon treden en dat het tweede gedeelte zou komen te vervallen, nadat het bedrag van de verleende gouvernementsvoorschotten met de daarop verloopen renten zou zijn terugbetaald. Volgens een bij de Maatschappij ontvangen berigt van het Indisch comité van bestuur dd. 11 Julij jl., had die terugbetaling toen plaats gehad, behalve nog wat betreft de rente. Eeno onlangs, krachtens 'sKonings besluit van-30 Junij 1871, n\ 36, tot stand gekomen wijziging in de concessie (overeenkomst van 28 Julij jl.) had ten doel, het verband te herstellen tusschen den termijn met opzigt tot de bestemming van de baten der gedeeltelijke exploitatie genoemd in art. 78, 3de lid, en art. 84; een verband dat anders door de latere ©plevering van den spoorweg dan bij het verstrijken van de acht jaren in art. 23 vermeld (26 September 1871) zou verbroken, worden. Ter wille eener regelmatige verrekening (bij geheele maanden) is voorts aan de Maatschappij, op haar verzoek, magtiging verleend om den termijn van uitvoering voor art. 78, 3de alinea, te stellen op ultimo September en voor art. 84 op 1°. October 1871.
a. Aanleg.
\ste en 2de sectie. Met de fondsen krachtens hethooger vermelde besluit van 21 Mei 1870 door den GouverneurGeneraal voorgeschoten, en met een bedrag van f 14 500 per maand uit de baten der exploitatie werd in Junij 1870 een begin gemaakt om de 1ste en 2de sectie af te werken en de werkzaamheden te volbrengen, die in het vorig verSlag zijn opgegeven. Op het ballasten na, dat vertraging ondervond door de vele regens, waren al die werken in den aanvang van 1871 ten einde gebragt. Omtrent de werking der in Januarij 1870 verleende gedeeltelijke vrijstelling van afsluiting der spoorbaan (zie het vorig verslag bladz. 86) wordt berigt, dat gedurende 1870 meermalen dieren op den weg werden aangetroffen, die echter bij de nadering van den trein den weg verlieten. Slechts in één geval had het ontmoeten van dieren tot eene kleine vertraging van aankomst aanleiding gegeven.
3de en 4de sectie. Met de baten uit de exploitatie voortspruitende boven het voor de 1ste en 2de sectie daaruit aangewende bedrag van f 1 4 500 's maands en met het hooger bedoelde voorschot der landhuurders werd het spoorleggen volbragt tot Delangoe (14 650 meters van Soerakarta) den 12den Augustus 1870 en tot ïjepper (6350 meters voorbij Delangoe) op 14 December daaraanvolgende; terwijl op de 4de sectie het spoorleggen op 24 Augustus 1870
gereed kwam tot Bringin (20 300 meters verder dan Kedoeng Djati). Ook werden deze baanvakken, ter gezamenlijke lengte van 41300 meters, met dezelfde middelen voor de exploitatie gereed gemaakt. In November 1870 verzocht het comité aan de Regering de opneming van de gedeelten SoloDelaugoe en Kedoeng Djati-Bringin en in Januarij 1871 van het gedeelte Delangoe-Tjepper. In Februarij had die opneming plaats, waarna onder dagteekening van 2 s Maart daaraanvolgende vergunning tot exploitatie werd verleend. Vier dagen later nam deze op de drie gedeelten een aanvang. Omtrent het vak Kedoeng Djati-Bringin op de 4de sectie wordt door de commissie van opneming in haar verslag o. a. gezegd : » het geheele gedeelte is fraai zoowel uit een aesthetisch als uit een bouwkundig oogpunt en belangrijk om de stoutheid der hellingen en krommingen, terwijl door eene naauwkeiirige studie van het terrein het tracé zoodanig gekozen is, dat groote kunstwerken als tunnels en viaducten vermeden zijn". Op het verdere gedeelte der 4de sectie Bringin-Willem I werd nog altijd niet voortgewerkt, doch er werden opnemingen gedaan naar eene betere rigting. Aanvankelijk waren de uitkomsten niet bemoedigend en later is het onderzoek vertraagd door ziekte van den daarmede belasten ingenieur. Men dacht echter vóór den eerstkomemien regenmoesson daarmede gereed te zullen zijn. Vrij zeker wordt het geacht, dat het maken van den kostbaren viaduct zal kunnen worden vermeden. Blijkens het vorig verslag was de termijn van oplevering der 4de sectie laatstelijk tot (26) September 1870 verlengd. In afwachting der in Nederland te nemen beslissing aangaande het lot der Spoorwegmaatschappij werd het bij de naderende verstrijking van dien termijn door de Indische Regering niet raadzaam geacht om door onthouding harerzijds een vervallen van de regten der Maatschappij te doen intreden. Bij Indisch besluit van 22 September 1870 werd daarom door haar eene nieuwe termijnsopening toegestaan voor den tijd van ééne maand, welk uitstel sedert van maand tot maand is verlengd. (1) Wat het gedeelte der 3de sectie voorbij Tjepper betreft, daaraan werd sedert de mededeelingen in het vorig verslag slechts gewerkt naar gelang de middelen het, toelieten. Wel werd, behalve aan het spoorleggen van ïjepper naar Klatten, ook begonnen aan het opwerpen der aardenbaan tusschen Klatten en Djokjokarta, doch de in't laatst van. 1870 verwachte geldelijke ondersteuuing uit 's lands kas niet verkregen zijnde (zie hooger), werden de aard- en kunstwerken voorbij Klatten in de eerste drie maanden van 1871 gestaakt Het in Februarij 1871 verleende regeringsvoorschot mögt namelijk tot geen ander doel worden gebruikt dan tot het gereedmaken van den spoorweg tot Klatten en tot onderhoud van het aanwezige tusschen Klatten-Djokjo en tusschen Bringin-Willem I. Nadat echter in de maand April jl. wederom fondsen voor den aanleg zijn kunnen worden beschikbaar gesteld, is de voltooijing der derde sectie hervat. Er werd echter belemmering ondervonden door gebrek aan werklieden die gedurende den stilstand verloopen waren en niet zoo spoedig weder waren bijeen te krijgen. Tot Klatten , ruim 30 kilometers van Solo, was het spoorleggen sedert gereed gekomen en de opneming van den weg tegen het einde van Mei, op 21 April jl. aangevraagd. De opneming heeft plaats gehad in Junij en de opening voor het publiek verkeer op 9 Julij jl. De Maatschappij heeft aan hare ingenieurs en opzieners aanzienlijke premien uitgeloofd, indien zij den weg tot Djokjokarta, voldoende berijdbaar, tegen ultimo Februarij 1872 gereed krijgen. Volgens de ontvangen berigten bestond er hoop dat dit zou kunnen geschieden.
De op de 3de sectie ondervonden tegenspoeden bestonden o. a. in het bezwijken ten gevolge van hooge waterstanden van tweelandhoofden , één van de brug over de kali Tjepper in December 1870 en één van de brug over de kali Brambang. Over elke dezer rivieren is eene noodbrug gelegd en zouden de openingen vergroot worden.
(1) Laatstelijk bij g-ouvernements-besluit van 21 Julij 1871, n°. 6' Het uitstel van twee jaren bedoeld bij de overeenkomst van 30 Augustus 1870 en van kracht gewojden door het sluiten der leening v&° f 2 millioen in April jl., was toen in Indie nog niet in werking gekomen.
121
Van do '200 kilometers die de spoorweg lang is, waren derhalve in Julij jl. 158 in exploitatie, 28 in aanleg en 14 in onderzoek. Onder deze cijfers is niet begrepen het zijtakje van Solo naar de Solorivier ter lengte van 4214 meters. Even als voor de 1ste en 2de sectie heeft de GouverneurGeneraal ook voor de 3de en 4de sectie er in bewilligd, •dat slechts daar afsluitingen van de baan zouden gevorderd worden, waar dit voor de publieke veiligheid eenbepaald vereischte is.
b. Exploitatie.
Tot 18 Februari]' 1870 had de exploitatie plaats over 35 kilometers, maar op dien dag het verkeer langs de tweede sectie, dat is tot Solo geopend zijnde, had de exploitatie plaats over 109 kilometers. Sedert 27 Maart 1871 toen het geregeld verkeer tot Tjepper op de 3de ectie en tot Bringin op de 4de sectie geopend werd, waren 150 en sedert 9 Julij jl. toen de lijn Tjepper-Klatten voor het verkeer werd opbiigesteld, 158 kilometers in exploitatie. Het vervoer van goederen had echter op meerdere deelen reeds vroeger plaats, en begon den lsten Julij 1870 van Poerwodadi, den 20sten Augustus van Delangoe en den 22sten December van Tjepper, allen op de lijn Solo-Djokjokarta gelegen, den 17den Julij 1870 van Gogodalem en den 5den September van Bringin , beide op de lijn Kedoeng Djati-Willem I. De wegen die naar den spoorweg leiden laten nog veel te wenschen over. Een nieuwe rijweg van Passai- Krikii naar het statiën Goendih, in heerendienst aangelogd, kwam in November 1870 voor het verkeer gereed. Overwegingen waren aanhangig om Goeboek met het station Kedoeng Djati door een karreweg in verbinding te brengen. De Tveg die van de dessa Delangoe naar het station van dien naam voert, is als behoorende aan particulieren niet voor het publiek opengesteld. Te Samarang en Solo bestaat eene omnibusdienst. Met 1 December 1870 zou eene postwagendienst van Salatiga en Ambarawa (Willem I) op Bringin worden geopend ; men is daartoe echter niet overgegaan, waarschijnlijk omdat op dat tijdstip de sectie Bringin-Kedoeng Djati nog niet voor het verkeer van reizigers was opengesteld. Wijders had men het voornemen opgevat om ook tusschen Goendih en Poerwodadi eene postwagendienst op te rigten.
Weg en werken. Nog gedurig kwamen kleinere en grootere afschuivingen voor, die zich even als in 1869 meerendeels bepaalden tot het tweede gedeelte der eerste sectie (Tangoeng-Kedoeng Djati). De meest beduidende werking van den grond was die in den dam bij mijlpaal 29 (gat van Dumas). Door onafgebroken arbeid, het aanbrengen van zware draineringen van steenen, gelukte het echter den dam in rust te brengen. Ook aan de kunstwerken werd door zware regens en de kracht der bandjirs eenige schade te weeg gebragt. Door spoedige en doelmatige voorziening werd de dienstbelemmering tot het minst mogelijke beperkt. Het voornaamste ongeval had plaats met de brug nabij Padas, de 3de halte voorbij Samarang. Door een hoogen bandjir stortte in September 1870 de pijler in. Tot voorziening werd een der viaduct-bruggen bestemd voor de 4de sectie tusschen Bringin en Willem I, die vooreerst niet in gebruik was, in de plaats gelegd en de pijler weggebroken. Het afballasten van den weg ging geregeld voort en werd Voor een goed onderhoud van den bovenbouw gezorgd. Het gruis uit de steengroeven bij Tangoeng werd met goed gevolg voor ballast gebruikt.
Materieel. Bij het einde van 1870 waren voor de exploitatie-dienst beschikbaar 16 locomotiven, waarvan echter een gedeelte bij den aanleg dienst doet, terwijl het wagenpark bestond uit 36 rijtuigen en 208 bagage-, vee-, goederen- en andere wagens', van welke laatste 75 stuks bij den aanleg in gebruik waren.
Exploitatie. De exploitatie gaf bevredigende uitkomsten. Gedurende 1870 werd ontvangen, blijkens de maandelijksche N«. 8. 2.
specificatie hierachter opgenomen in bijlage lit. T, f 656 070, terwijl de kosten der exploitatie bedroegen , uitgezonderd de renten van de gelden tot aanleg van den weg gebruikt, f 4 5 1 7 5 2 , hetgeen eene winst opleverde van f 204 318. Berekend over eene gemiddelde exploitatie-lengte van 99 kilometers, ware de ontvangsten per dag en per kilometer f 18,16, de uitgaven f 12,50 of omstreeks 69 per cent van de ontvangsten. Hierbij valt op te merken , dat door het instorten van de brug over de rivier Mongot in het begin van January 1870 de opening van den spoorweg tot Solo en dus over eene lengte van 109 kilometers tot 18 February daaraanvolgende vertraagd werd , en vermits daartoe reeds alles in gereedheid was gebragt , hebben de uitgaven reeds van 1 January. 1870 af gedeeltelijk over de volle 109 mijlen geloopenNog zouden de uitgaven verminderd moeten worden met die welke gedaan zijn ten behoeve van het vervoer op niet geopende lijnen , waarvan het bedrag echter niet afzonderlijk is opgegeven. Laat men de twee eerste maanden van het jaar, toen nog slechts 35 kilometers in exploitatie waren , buiten rekening , dan verkrijgt men voor de ontvangsten f 615 338, voor de uitgaven f 396 228, alzoo winst f 219 110. Naar dien maatstaf bedroegen de uitgaven f 11,88 en de ontvangsten f 18,45 per dag kilometer.
De uitgaven waren zeer hoog ; zij overtroffen de raming met ongeveer f 1000 per kilometer. De vele verzakkingen en afschuivingen zijn oorzaken van groote uitgaven aan baan en bovenbouw. Aan baan , wegens de vereischte snelle , dat is kostbare herstellingen ; aan bovenbouw , omdat de beschadiging der baan ook steeds den ballast doet verloren gaan, die dan vernieuwd moet worden. De vele uitgaven voor den bovenbouw spruiten gedeeltelijk ook voort uit het spoedig vergaan der dwarsliggers en de spoedige vernieling der spoorstaven op een ongeballasten of niet voldoend geballasten weg. De kosten van onderhoud van den weg worden echter gezegd te zullen verminderen naar mate de zwakke punten meer versterkt zullen zijn , de baan zich zal zetten en inklinken en door de ondervinding de werking der bandjirs op de kunstwerken meer bekend zal zijn. Het getal reizigers beliep gemiddeld 14 400 's maands ; het grootste getal werd vervoerd in Junij , namelijk 23 890; het minste in Maart, toen slechts 13 969 kaartjes werden uitgegeven. De ontvangsten gedurende de laatste 10 maanden van 1870 waren het hoogst in October, namelijk f 90 889 ; het laagst in April, namelijk f 38 957. Gedurende de eerste zes maanden van 1871 wisselde de ontvangst per maand \ af tusschen f 46 489 (in Februarij) en f 75 676 (in April). (1) Het aantal reizigers nam in die maanden zeer toe; gedurende April, Mei en Junij jl. beliep het achtereenvolgens 26 956, 28 956 en 29 616 (vergelijk ten deele de aangehaalde bijlage lit. T). Ten aanzien van de vroeger gerezene quaestie over de spillage, te verleenen bij het transport van onderscheidene producten en goederen, zijn de Maatschappij en de handel het nog niet eens, en wel speciaal ten aanzien van de koffij en suiker, waarop de Maatschappij 2 per cent spillage verlangt, terwijl de handel vermeent dat 1 per cent voldoende is gebleken. Bij wijze van proef zal gedurende 1871 ook voor den afvoer der gouvernements-koffij uit Soerakarta, die tot dus ver |naar Soerabaija werd getransponeerd, van den spoorweg worden gebruik gemaakt, en zulks tegen gewoon vrachttarief.
2°. Batavia-Buitenzorg.
Zoo als bekend, wordt bij dezen spoorweg, zoowel door smalle spoorbreedte als door minder kostbaar materieel, het stelsel van goedkoopen aanleg gevolgd Tusschen Batavia en de voorsteden, zelfs tot MeesterCornelis zal men zeer goedkoope treinen, zoogenaamde omnibussen laten loopen, in navolging van hetgeen in Europa op vele plaatsen ten gerieve van het publiek gedaan wordt. Vooidoopig, en in afwachting dat daaromtrent anders zal worden beslist, zullen alle benoodigde gebouwen tijde
(1) Volgens voorloopige berigten werd in Julij 1871 f 108 000 ontvangen.
31
122
lijk zijn, en in ,het algemeen bestaan uit steenen voetstukken of neuten, ligte houten stijlen, pannen daken en bamboezen wanden. Een en ander is bij een besluit van 13 November 1870 door den Gouverneur-Generaal goedgekeurd, onder voorwaarde, dat deze tijdelijke inrigtingen uiterlijk binnen vijf jaren werden vervangen door permanente gebouwen in den geest van de artikelen XII en XIII der concessie-voorwaarden. De werkzaamheden werden geregeld voortgezet voor zoo ver de afloop der onteigeningsprocessen zulks toeliet. De eindaanwijzing der te onteigenen perceelen, blijkens het vorig verslag bladz. 88, in Junij 1870 voor de afdeehng Stad en voorsteden van Batavia geschied, heeft voor de afdeeling Meester-Cornelis sedert plaats gehad bij gouvernemontsbesluiten van 10 December 1870 en 1 Junij 1871 {Javasche Courant van 13 December en 6 Junij jl.), voor de afdeeling Buitenzorg (waar trouwens de gronden reeds voor een groot gedeelte door minnelijke overeenkomst in het bezit der Maatschappij zijn overgegaan of de overdraft daarvan is toegezegd), bij gouvernementsbesluit van 20 Maart 1871 {Javasche Courant van den 24sten dier maand). De onteigeningsprocessen voor Meester-Cornelis hebben eerst in Maart 1871 een aanvang kunnen nemen. Volgens de berigten over Junij jl. naderde de spoorweg in de stad en voorsteden , dat is van Batavia naar Parapattan, zijne voltooijing. In genoemde maand was de laatste brug in dit baanvak gesteld , waren de spoorstaven tot bij Noordwijk gelegd en de afsluitingshekken gereed, terwijl de gebouwen der stations Batavia, Kleine Boom, Noordwijk en Koningsplein hunne voltooijing nabij waren , zoodat men hoopte spoedig de exploitatie tot het Koningsplein en Parapattan over eene lengte van 9 kilometers te kunnen aanvangen. Daartoe zal uitsluitend ten gerieve van het publiek worden overgegaan, zijnde de exploitatie van dit gedeelte wegens don korten afstand niet dan met verlies
doenlijk. (1) . . . , , . , „ In Mei 1871 kwam de Maatschappij m het bezit van den grond waarop te Meester-Cornelis het station , de werkplaatsen, magazijnen en park voor het rollend materieel moeten opgerigt worden. Onmiddellijk is daarop een aanvang gemaakt met de aardwerken die daar voor deze lijn vrij aanzienlijk ziin Verder werd de baan, voor zoover de grond in het bezit der Maatschappij was, op alle punten afgewerkt. In Junii il. waren in de afdeeling Meester-Cornelis 14 en in de afdeeling Buitenzorg 21V2 kilometers gereed, zoodat in de eerste nog slechts 6 en in de andere 7 kilometers te maken blijven. , Het metselwerk der kunstwerken was nagenoeg gereed. De S e ™ bovenbouw der bruggen en eemge ijzerer.duikers zullen ^plaatst worden zoodra zij per spoor naar de plaats hunner "bestemming kunnen vervoerd worden. De onderlaag ballast was in de afdeelingen Meester-Cornelis en Buitenzorg reeds over 141/2 kilometer uitgespreid. Van de bijgebouwen der stations was alleen de goederenloods te Buitenzorg in aanbouw. _ Behalve een klein deel van het ijzerwerk voor de rijtuigen, is alles, wat voor dezen spoorweg uit Europa gevraaed is, verzonden. Eerst nadat alle gronden in het bezit der Maatschappij zijn , kan met eenige zekerheid gezegd worden .wanneer de lijn gereed en in exploitatie zal zijn. De lengte bedraagt, met inbegrip van de twee zijtakjes naar deKieme Boom en naar Meester-Cornelis, 58 506 meters. 3°. Concessie-aanvragen.
Bii het voornemen van de Regering om den aanleg van spoorwegen op Java van Staatswege te doen plaat* vinden (2) is omtrent de in der tijd door den heer C C . VAÏ. HALL gedane aanvrage om concessie voor den aanleg van een spoorweg van Soerabaija naar Pasoeroean, die blijkens het vorig verslag (blaclz. 88) regt van prioriteit had ten opzigte van de aanvrage der heeren H. DE BRUYN en H. HOPE LOUDON, geene beschikking genomen en evenmin
[11 Volffens ontvangen telegraphisch berigt is op 15 dezer de opening der 'seleTleine Boog m-KonKingVein door den Uouverneur-Generaal ingewijd. (2) Vergelijk het hooger aangeteekende op bladz. 119.
over voorloopige voorstellen van de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij , betreffende eene eventuele concessie voor den aanleg van een spoorweg naar de Preanger regentschappen. De voorloopige concessie bij gouvernementsbesluit van 24 October 1866, n°. 72, aan de firma CHAULAN DEELEMAN en Cu. verleend, tot het vervoeren van producten en personen met locomobilen in de residentie Batavia, was nog niet gevolgd door eene definitive. In Junij 1870 was eene commissie benoemd geworden , om met de locomobilen van genoemde firma eenige proefritten te maken van Batavia naar Buitenzorg en terug, met het doel om te constateren, in hoever die werktuigen aan hunne bestemming zouden voldoen , en of er al dan niet locale of technische bezwaren bestonden, welke het verleenen eener definitive concessie tot exploitatie eener locomobile-dienst zouden in den weg staan. Slechts ée'u proefrit is gehouden, waarbij de locomobile defect »eraakte. De aansporing om nadere proefritten te houden was tot dus verre buiten gevolg gebleven.
§ 2. P aardenspoorwegen [tramway's).
Stad en voorsteden van Batavia. De dienst van den paardenspoorweg Batavia—Meester-Cornelis (welks exploitatie sedert 1 September 1870 door de betrokken Maatschappij voor den tijd van vijfjaren aan twee ondernemers in huur is afgestaan voor f 1250 's maands) had gedurende 1870 geregeld plaats , behoudens de staking omstreeks medio Maart (zie het vorig verslag bladz. 89) van het vervoer op de lijn Harmonie-Tanah-abang, voor welk gedeelte de concessie sedert is vervallen verklaard. Inlanders en vreemde Oosterlingen beginnen zich aan dit nog niet lang geleden voor hen geheel onbekende vervoermiddel , meer en meer te gewennen. Gedurende 1869, toen de dienst op 20 April gedeeltelijken op 4 September geheel geopend was , en dus in een tijdvak van ruim acht maanden werden vervoerd op alle lijnen te zamen 1280 961 passagiers, en werd aan passagegelden ontvangen f 120 495. Het aantal passagiers gedurende geheel 1870 beliep 2 124 374, zijnde gemiddeld per dag 5820, en de opbrengst f' L'33 083, of gemiddeld per dag f 638,58. Het vervoer en de inkomsten gedurende de vijf eerste maanden van 1871 wijzen eenigen teruggang aan; het aantal passagiers bedroeg 5294 en de inkomsten bedroegen f 628,84 gemiddeld daags.. Ten einde na de afschaffing van het stelsel van wagenklassen en de invoering van een uniform-tarief (zie het vorig verslag) indirect tot de afscheiding van Europesche en inlandsche passagiers te geraken, werd in Januarij 1870 een abonnement ingevoerd , waarvoor — doch slechts voor een zeker getal ritten daags — bepaalde wagens werden aangewezen , voor het overige publiek niet toegankelijk. Het aantal dezer abonnés (in 1870 1690 en gedurende de maanden Januarij tot en mot Mei 1871 947) is niet , de opbrengst aan abonnementskaarten (respectivelijk f 17 575 en f9470) wel onder de voorafgegane cijfers opgenomen. De Tramway-maatschappij kwam hare verpligtingen met opzigt tot behoorlijk onderhoud van een gedeelte van den weg langs de railroute , in het laatste halfjaar van 1870 beter na dan in het eerste semester. Het politiereglement op de dienst der onderneming [Indisch Staatsblad 1869, n°. 45) werd behoorlijk gehandhaafd. Ongelukken kwamen in 1870 niet voor.
Concessie-aanvragen. Een concept-reglement houdende voorschriften op het bezigen van beweegbare spoorbanen voor het vervoer van producten van landbouw langs de voor het gewoon vervoer per as bestemde openbare wegen (verg. het vorig verslag bladz. 89), was volgens de laatste berigten in gereedheid gebragt. De beschikking op twee inmiddels ingekomen nieuwe verzoeken van administrateurs van suikerondernemingen (Tandjong Modjo in Japara en Poerwodadi in Madioen) om vergunning tot den aanleg en het gebruik van een tramway naar de suikerrietvelden, was van de vaststelling van bedoeld reglement afhankelijk. Door de heeren SOESMAN , STELLING en ENGELHARD werd der Regering aangeboden een ontwerp der voorwaarden van concessie voor den aanleg en de exploitatie van een
123
straatspoorweg ter verbinding van hot hoofdstation der Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij met de stad Samarang en het Chinesche kamp. Zij zouden echter eerst dan de concessie kunnen verkrijgen indien de Spoorwegmaatschappij afzag van de voorkeur om zelve den straatspoorweg aan te leggen. Bedoelde voorwaarden waren in Mei j l . nog in behandeling bij den resident van Samarang, die tot eene spoedige behandeling is aangespoord. Van de heeren J. W . .JäGER en J. D. HEYNING , aanvragers eener concessie voor het leggen van een t r a m w a y in het belang van een verbeterd transport van producten Van Tengelles (Japara) tot in de stad Samarang, is een ontwerp ontvangen van de voorwaarden waarop zij genegen zijn die concessie te aanvaarden. T o t het uit den^ weg ruimen der daartegen bij de Regering gerezen bedenkingen is een overleg uitgelokt tusschen den resident en de aanvragers, waarvan het resultaat nog niel, gebleken is. Omtrent het gebruik dat gemaakt is van de bij een besluit, dd. 8 Junij 1870, door den Gouverneur-Generaal aan de firma DÜMMLER & O . te Batavia verleende concessie voor den aanleg en de exploitatie van een paardenspoorweg te Soerabaija, zijn geene berigten ontvangen. Volgens art 30 der voorwaarden moest de concessionaris, binnen een jaar Da den dag waarop de concessie verleend was , doen blijken Van beschikbaarheid van het benoodigde kapitaal.
§ 3. Andere vert'rterde middelen van vervoer te land.
Het vervoermiddel bij uitstek voor geaccidenteerde terreinen geschikt, de zoogenaamde » w i r e - t r a m w a y " of »transportkabel" v zie het vorig verslag bladz. 89) deelde ook in de belangstelling der Indische Regering. D e heer J s . S L U I T E R , van wiens voornemen om de eerste toepassing van dit transportmiddel in Indie te ondernemen , Oaeteen enkel woord in het vorig verslag (1) werd melding gemaakt, is sedert op J a v a aangekomen. Hem is tijd gelaten om de vereischte voorwaarden van Concessie te ontwerpen. Uit een voorloopig onderzoek is reeds gebleken, dat eene. afvoerlijn uit de Bandongsche Vlakte zeer goed uitvoerbaar is. (2) Concessien van den hier bedoelden aard zijn inmiddels aangevraagd : door den heer H . J . P O T T E R , voor den tijd van vijfjaren , voor den aanleg van een wire-tranrway tusschen Pasoeroean en Malang;
door de heeren F . W . MONDRIAAN en E . F . L A N S , voor den tijd van 99 j a r e n , voor het daarstellen en exploiteren Van een wire-tram: 1°. langs den grooten weg van Pasoeroean naar Malang; 2«. links en regts uitgaande van den Spoorweg Samarang-Vorstenlanden tot de nabij gelegen Particuliere ondernemingen ;
door den heer R. D. V E R B E E K , voor het aanleggen van i Sen wire-tramway tusschen Padang en de Padansche B o venlanden.
Alvorens op deze aanvragen, die trouwens niet alle van behoorlijk toegelichte projecten waren voorzien, eene eind; beslissing te nemen, oordeelde de Indische Regering het ^enschelijk eenige algemeene voorwaarden betreffende het verleenen van dusdanige concessien vast te stellen. Volgens de jongste berigten waren voorstellen ter zake aanhangig. (3)
(1) Het daar bedoelde verslag; der heeren J. A. KOOL en P. J. SIE»ENBUKG heeft sedert het licht gezien en is in den handel verkrijgbaar gesteld (Rotterdam, NIJGH en VAN DITMAR 1870). Aan de StatenÖeneraal werd daarvan een exemplaar aangeboden bij brief van den Minister van Koloniën, dd 27 December 1870. (2) In de tweede helft van Junij jl. is de heer SLUITER tot het aanjagen eener bepaalde concessie overgegaan en wel voor de verbinding ^oerworedjo—Djokjokarta. (3) Die voorstellen hebben zich opgelost in een besluit van den Q-ouverneur-Generaal van 9 Julij 1871 (Indisch Staatsblad n°. 102), 'oudende - algemeene voorwaarden, waaronder de Kegering genegen zal borden bevonden, het aanleggen en exploiteren in Tiederlandsch Indie Jan transportkabels te vergunnen". Ter nadere aanwijzing van de strekking dier regeling zal het genoeg zijn hier enkele harer voornaamste "«palingen op te nemen: Concessie met uitsluitend regt', zoodanig dat <ie vergunning zou beletten ook aan anderen concessie te geien voor ^zelfde eind- en tusschenplaatsen, wordt niet verleend (art. 3); het bezigt der Regering over den aanleg en de exploitatie van den transPortkabel bepaalt zich tot de zorg voor de algemeene veiligheid en voor
I V . STOOMWEZEN.
Het toezigt der Regering op de beziging van stoomwerktuio-en en toestellen in Nederlandsch Indie werd uitgeoefend in"evol"e de voorschriften van het reglement in het Indisch Staatsblad 1852, n». 20. Doordien sedert het j a a r 1852 op het gebied van het stoomwezen belangrijke verbeteringen en wijzigingen hebben plaats gevonden, deed zich in den laatsten°tijd niet zelden het geval voor, dat vele der in genoemd reglement opgenomen bepalingen omtrent de aan te wenden veiligheidstoestellen bezwaarlijk konden worden toegepast, en had zulks inzonderheid plaats ten opzigte van vervoerbare stoomwerktuigen (locomobiien) en locomotiven. T e r voorziening daarin was het ontwerp van een nieuw reglement bij de Indische Regering in behandeling. Even als in de laatste jaren hebben zich ook gedurende 187(1, bij steeds toenemende aanwending van stoomkracht, o-eene onheilen voorgedaan. Slechts ééne overtreding werd geconstateerd, naar aanleiding waarvan het noodig werd bevonden de in het reglement opgenomen strafbepalingen te doen toepassen. Tegen 20 in 1869 werden in 1870 29 vergunningen uitgereikt tot beziging van voor het eerst in gebruik gestelde stoomwerktuigen en toestellen. De vergunningen voor gewijzigde werktuigen en toestellen (waarvoor de vroegere acten mitsdien kwamen te vervallen) waren, even als in 1869, 4 in getal. V a n de bedoelde 29 vergunningen strekten er onder andere 7 voor werktuigen en toestellen ten dienste der suiker-industrie, 4 voor locomotiven, 5 voor stoomwerktuigen geplaatst in stoomschepen, 4 voor stoomketels, waarvan de bestemming niet is opgegeven , terwijl de overige 9 betrekking hadden op werktuigen tot het drijven van pompen , tot het vervaardigen van kunstijs en tot het drijven van een graanmolen. Voor eene gewestelijke aantooning van het aantal en het vermogen der onder ultimo 1870 in Nederlandsch Indie aanwezige stoomwerktuigen, benevens van het aantal stoomketels zij verwezen naar bijlage lit. U , tevens bevattende eene algemeene opgaaf van de bestemming der aanwezige stoomwerktuigen en stoomtoesteüen (ook van die voor 's lands dienstgebezigd). Gedurende 1870 werden geene examens afgenomen voor het vak van ingenieur van het stoomwezen [Indisch Staatsblad 1864 n°. 123). N a afgelegde praktische proeven van bekwaamheid werden diploma's of certificaten uitgereikt aan 6 personen als machinist en aan 8 als stoker.
V . TELEGRAPHIE. (1)
De aansluiting der lijnen op J a v a aan het telegraaphnet in Azië, Europa en Amerika, w a a r o p , in verband met de aan de » British Australian Telegraph Company" verleende concessie, in 't vorig verslag uitzigt werd gegeven, heeft sedert plaats gehad. De gemeenschap tusschen J a v a en Singapoer werd voor het publiek geopend op 19 November 1870 en die tusschen Singapoer en Penang op 16 December 1870, terwijl de verbindingslijn tusschen Penang en M a d r a s , waardoor de
de openbare orde (art. 0) ; gebouwen of andere zamenstellmgen die geheel of ten deele bestaan uit ligt brandbare materialen, mogen niet worden opgerigt, tenzij met vergunning van het betrokken hoofd van gewestelijk bestuur (art. 7) ; tariven van vervoer behoeven niet de goedkeuring van de Regering of hare ambtenaren, tenzij hulp door de Regering wordt verleend of indien de bepalingen, regelende de onteigening ten algemeenen nutte worden toegepast, in welke gevallen van bedoeld beginsel kan worden afgeweken (art 11); de concessionaris zorgt, buiten benneijenis des bestuurs voor het in gebruik bekomen van het benoodigd terrein en voor het verkrijgen der toestemming van de regthebbenden boven wier grond de kabel wordt gespannen (art. 12); van onteigening ten algemeenen nutte ten behoeve der onderneming kan geen sprake zijn, zoolang de concessionaris met heeft aangetoond, dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het benoodigde terrein in der minne te verkrijgen (art. 13); de verklaring dat het algemeen nut onteigening vordert, wordt niet gegeven, zoolang door den concessionaris geen waarborg-kapitaal is gestort, tot het bedrag door oen G-ouverneur-G-eneraal aan te wijzen, en terug te geven zoodra het vervoer voldoende in werking is (artt. U en 15.
(1) Door de tegen 1 Januarij 1872 bevolen overbrenging bij het departement der burgerlijke openbare werken van de dienst der posterijen (verg. hoofdstuk II 'hiervoren) is de gelegenheid gunstiger geworden voor eene gewenschte zamensmelting der post- en telegraaphdiensten. In Februari] jl. is de Indische Regering over het nul van zoodanige zamensmelting onderhouden.
124
aansluiting volledig werd, tot algemeen gebruik werd opengesteld op 4 Januarij 1871. Overeenkomstig art. 10 der concessie (behalve in de 2V'ederlandsche Staatscourant van 15/16 Mei 1870, in haar geheel ook opgenomen in de Javasche Courant van 28 Junij 1870, zoomede in n°. 2351 van het Bijblad op het Indisch Staatsblad) werden op het buitenlandsch verkeer van Java al dadelijk toegepast de bepalingen van het internationaal telograaphverdrag in 1865 te Parijs gesloten en in 1868 te Weenen gewijzigd. (1) De wisseling van buitenlandsche telegrammen liet niets te wenschen over. Door het broken van den kabel werd den lOden Maart 1871 de gemeenschap tusschen Batavia en Singapoer gestoord, doch was deze den 4den April daaraanvolgende hersteld. Het tarief voor het plaatselijk verkeer tusschen Java en Singapoer, aanvankelijk bepaald op f 13,25 per 20 woorden (gerekend van het aansluitingspunt op Java en dus te verhoogen met het tarief voor de _gouvernements-kantoren aldaar) (2) werd , met ingang van 10 April jl. door de telegraaph-maatschappij, bij wijze van proef, verlaagd tot f 8,90. Het tarief voor Nederland, in den aanvang op f 73,60 en van af 20 April jl. op f 74,50 bepaald, bedraagt sedert 1 Junij jl-, van af het aansluitingspunt en dus mede ongerekend het tarief voor Java, f 73,90. (3) Cijfers omtrent het buitenlandsch verkeer of omtrent de opbrengst daarvan aan den lande zijn voor alsnog niet ontvangen. Voor eene reeds vroeger als noodzakelijk erkende maar met het oog op de buitenlandsche correspondentie dringender geworden uitbreiding van het personeel der gouvernementstelegraphen werd tijdig gezorgd. In September 1870 werd namelijk besloten tot de aanvankelijke indienststelling boven de formatie in Indisch Staatsblad 1864, n°. 173, van 35 telegraphisten , waarvan onder anderen 16 der eerste en 13 der tweede klasse, ten einde te gelijker tijd in de behoefte aan rangsverbetering te voorzien. Ook werden voor plaatsing bij de télégraphie al dadelijk hoogere eischen gesteld , zonder dat zich dien ten gevolge gebrek aan candidaten heeft voorgedaan.
Met opzigt tot Sumatra zal zoowel de doortrekking der landlijnen (van Lahat over Tebing Tinggi en Benkoelen tot Padang) als de verbinding met Java vermoedelijk nog vóór het einde van 1871 zijn tot stand gebragt. De voorbereidende werkzaamheden voor de nieuwe landlijnen (gereedmaking van het tracé, plaatsing der steunpunten, verdeeling van het aanwezig materieel langs het tracé", enz.) zijn reeds in April j 1. afgeloopen, waarna in de daarop volgende maand het noodige personeel van Java naar Benkoelen gezonden is, om van daar zoowel in de rigting naar Padang als in die naar Lahat, te beginnen met het spannen der lijn en het inrigten der kantoren, waarmede men waarschijnlijk in Augustus jl. gereed zou komen. In de geregelde werking der reeds bestaande (schoon voor hot algemeen verkeer nog niet officieel opengestelde) kantoren op Sumatra: Telok-Betong, Menggala, BatoeRadja, Lahat en Palembang, (4) werden in 1870 weder minder storingen ondervonden dan in 1869, namelijk 75 tegen 93 in laatstgemeld jaar. Beschadiging door olifanten kwam in 1869 22 malen voor (alle in de nabijheid van Lahat), in 1870 slechts 16 malen en daarvan geen enkel geval in de Lampongsche districten. Tot het leggen eener gouvernementslijn tusschen Java én Sumatra werd eerst besloten, nadat de kans omtrent het verkrijgen dezer verbinding zonder kosten voor den lande (zie het vorig verslag bladz. 90) als opgegeven moest worden beschouwd, doch genoegzame zekerheid verkregen , was omtrent de medewerking der Britsch-Australische
(1) In Augustus jl. zijnde vereischte stappen gedaan om Nederland ook voor de telegraphen in Nederlandsen Indie tot het bewuste verdrag te doen toetreden. (2) Dit tarief bedraagt per telegram van 20 woorden: voor Batavia en Weltevreden f 0,50, voor Samarang en de plaatsen daar bewesten (waaronder volgens eene onlangs genomen beslissing ook de gouvernements-telegraaphkantoren op Sumatra te begrijpen zijn), f 1,25 en voor de plaatsen beoosten Samarang f 2,50. (3) Zie overigens de tari ven in de Javasche Courant van 7 en 14 April en 23 Mei 1871. (4) De aanleg der lijn Telok B «tong—Palembang (met inbegrip van het riviergedeelte Lorrok—Palembang) ter lengte van 662 kilometers, heeft gekost f 92 032 , waaronder f 32 480 aan materialen.
Telegraaphmaatschappij in het verschaffen — telkens tegen billijke vergoeding — van de vereischte middelen van onderhoud en later welligt noodige horstelling. De levering en het uitlegden van den daartoe benoodigden kabel tusschen Anjer en Telok Betong is opgedragen aan dezelfde leveranciers die den kabel voor ovengenoemde Maatschappij hebben vervaardigd. De kosten van het geheele werk zullen bedragen f 240 000. Volgens het in April jl. gesloten contract moet de kabel, die geheel van dezelfde soort is als die voor het traject Batavia—Singapoer, vóór ultimo November aanstaande in werking zijn (1). Terstond na de sluiting der overeenkomst is het Indisch Bestuur aangeschreven te zorgen, dat de voorbereidende maatregelen tot de verbinding in de telegraaphkantoren te
Anjer en Telok-Betong, de juiste bepaling omtrent het te volgen trace' enz. in tij ds geschieden en de benoodigde toestellen in gereedheid gehouden worden. Tevens zijn velschillende voorzieningen, zoo van directen als van indirecten a a r d , aanbevolen om het gevaar van beschadiging doof scheepsankers zooveel mogelijk te verminderen (2).
Met de voorbereidende werkzaamheden voor de gepro* jecteerde nieuwe lijn over J a v a , in verbinding met den kabel naar Australie (die luidens de aan de Britsch-Australische Telegraaphmaatschappij verleende concessie vóór of' op ultimo December 1871 moet in werking zijn) is in den westmoesson 1870/71 een aanvang gemaakt. Deze directe lijn moet dienen voor de spoedige afwerking, onafhankelijk van het binnenlandsch verkeer, der telegrammen van en naar Australie (3). De bestaande lijnen op J a v a w e r d e n , ten einde minder van storingen afhankelijk te zijn , uitgebreid met eene nieuwe korte verbinding tusschen de lijn langs de noord- en zuidkust, en wel van Bandong (Preanger regentschappen) naai' Soebang (Krawang), aan welke laatste plaats als oveidragingskantoor de voorkeur gegeven werd boven Poerwakarta , van waar men aanvankelijk de directe verbinding met Bandong wilde doen uitgaan. Het kantoor te Soebang werd den lsten November 1870 voor het publiek geopend. De werking van den telegraaph op J a v a kon uitmuntend worden genoemd en de toestand der lijnen was door de in 't vorig verslag bedoelde wijze van onderhoud (in d a g ' huur in stede van door vast personeel) met minder kosten belangrijk verbeterd. In 't geheel deden zich , niettegenstaande de over 't algemeen ruwe weersgesteldheid van 1870 , in dat j a a r slechts 79 storingen in de gemeenschap voor tegen 99 in 1869, Slechts eenmaal, 's avonds, ten gevolge van zwaar weder, was de telegraphische gemeenschap tusschen West- en Oost-Java op beide lijnen geheel gestremd geweest. Het gebruik van den telegraaph door particulieren waS in 1870 meer toegenomen dan in vroegere j a r e n , hetgeen wordt toegeschreven aan de genomen maatregelen ten aanzien van een meer beperkt gebruik van den telegraaph vooï 's lands dienst. Het in 1863 {Indisch Staatsblad n°. 12) vastgestelde regie' ment voor de dienst der gouvernementstelegraphen werd dooi' een nieuw, naar het internationaal telegraaphverdrag herzien, reglement vervangen, dat in de tweede helft van Febr. 1871 {Indisch Staatsblad n°. 19) werd afgekondigd en met ingang van 1 Maart daaraanvolgende in werking g e b r a g t , m°' eene belangrijke verlaging van het tarief voor het binnenlandsch verkeer en de invoering voor dat verkeer van 10 woorden als enkelvoudig telegram. Tegen deze vei" mindering van het maximum woorden, afgescheiden van het verlaagd tarief (de prijs per 10 woorden on per kring werd bepaald op f 0,25 tegen f 0,70 per kring voor het vroegere enkelvoudig berigt van 20 woorden) (4) zijn echter hier te lande bedenkingen geopperd, waarvan het gevolg nog niet bekend is.
(1) Beeds is het stoomschip Investigator, dat den kabel aan boor» heeft, in de tweede helft van Augustus jl. naar Java vertrokken. (2) Bij een besluit van 22 Julij jl. is de directeur der burgerlijk openbare werken gemagtigd zich in het belang der voorbereidende werk' zaamheden, vergezeld van den chef der afdeeling télégraphie of van ee« der ingenieurs van de gouvernements-telegraphen, naar Anjer en Tel0"5 Betong te begeven. (3) In Julij jl. is bepaald dat te gelijk met die nieuwe lijn en hare dwarsverbindingen vijf nieuwe kantoren worden opgerigt (te NgaW' Bodjonegoro, Toeban, G-rissee en Sitoebondo). (4) Het aantal kringen loopt thans tot 5, vroeger tot 6.
125
De in-gebruik-stelling voor de betaling of verrekening van "verseiningskosten van telegraaphzegels (art. 37 van het nieuwe reglement) is, als voor Indie nog ontijdig, mede °ntraden. Van de 32 kantoren op Java, buiten het hulpkantoor le Batavia en het tijdelijk kantoor te Lengkong, werden er,
met ingang van 15 Maart jl., 11 gerangschikt in de klasse van doorloopende dagdienst (7 uur 's morgens tot 6 uur 'snamiddags) (1); de overige 21 hebben alle beperkte dagdienst (8 tot llV-jUur's morgens en 4 Vä tot 6 uur's namiddags) (2). Het verkeer gedurende 1869 en 187>i kan gekend worden uit de volgende cijfers :
Jaren.
Bijzondere berigten.
Totaal derberigten (a). a. handels— en scheepvaartberigten.
b. dagbladberigten
c. berigten van gemengden aard.
Totaal der berigten, tct berigten van 10 woorden herleid.
Gouvernements- en dienstberigten.
1869
1870
a. 40 928 b. Til c. 54 878 96 533
a. 45 642 b. 992 101389 e. 57 755 )
[b)
215 285
Opbrengst.
f 207 903
226 223
Totaal
der
berigten.
Totaal der berigten, tot berigten van 10 woorden herleid.
Opbrengst,
(fictief.)
Totaal-generaal.
Totaal
der
berigten.
Totaal der berigten, tot berigten van 10 woorden herleid.
Opbrengst
8 376
8 354
34 715
35 487
f 38 503
40 397
104 909
112 743
(*)
280 722
f 246 406
266 620
(a) Van de particuliere berigten waren er in de Maleische taal geschreven in 1869 29 472, in 1870 33 546, iu Vreemde talen respectivelijk 313 en 617. (b) Deze herleiding kan over 1869 niet worden gemeld.
De kosten der telegraphische dienst hebben in 1869 (volgens verbeterde opgaven) en in 1870 (volgens de voorloopige cijfers) achtereenvolgens bedragen f 422 588 en f' 398 088, Waarvan respectivelijk f311611 en f 315 723 aan tractementen. Onder deze laatste sommen zijn nog begrepen de kosten van het inlandsch personeel, welke uitgaven echter in den vervolge onder den post voor onderhoud der lijnen zullen borden opgenomen. Wegens voorbereiding en aanles van Dieuwe lijntrajecten op Java werd in 1870 uitgegeven f 9018. Ten einde zich in de behandeling van den HuGHES-toestel te bekwamen, waarvan een vijftal voor de Indische dienst zijn aangeschaft en in Julij jl. naar Java verzonden, Werden achtereenvolgens een drietal telegraphisten met verlof hier te lande, op hun verzoek m de gelegenheid gesteld tot bijwoning te Amsterdam van den cursus daarin voor ambtenaren van den Rijkstelegraaph, Reeds hebben twee dier telegraphisten den cursus met goed gevolg volbragt. De proef betreffende de aanwending van den Indischen goemoeti-vezel als omkleedingsmaterieel voor onderzeesche telegraaphkabels (zie onder andere het verslag over 1864 bladz. 134 en dat van 1869, bladz. 89) werd in Junij 1870 afgeloopen verklaard. Zij had geleerd dat dit middel van omkleeding, wegens de ongelijke dikte van den vezel, en zijne mindere geschiktheid dien ten gevolge voor fabriekmatige bewerking, alleen voor korte trajecten kon worden aanbevolen. Bij het scheikundig laboratorium te Batavia werd een onderzoek ingesteld naar den toestand van- en de vermoedelijke oorzaken van het bederf opgemerkt in de getahpertjah afkomstig van den in 1859 tusschen Batavia en ^ingapoer uitgelegden telegraaphkabel. Wegens de voorname plaats die de bewerking der bedoelde grondstof inde nijverheid inneemt, werden de uitkomsten van het onderzoek belangrijk genoeg geacht om het desbetreffende rapport ûier te lande ter publicering af te staan (3). Het nog voortanden opgehaalde gedeelte van laatstbedoelden kabel zal zoo mogelijk gebruikt worden voor het onderhoud der rivierv'erbinding Lorrok-Palembang.
De overeenkomst met de Britsche Kegering tot regeling der wederzijdsche overmaking van telegrammen tusschen ^ritsch Indie en Java, waarover zie bladz. 2 hiervoren, Werd den 21 sten October 1870 te Londen gesloten (Nederkndsch Staatsblad 1870, n°. 193, Indisch Staatsblad 1871,
(t) Bedoelde kantoren zijn: Bandong, Banjoemas, Buitenzorg, Cheribon, Djokjokarta, Magelang, Pasoeroean, Samarang, Soerabaija, Soerakarta en Weltevreden. (2) Bij een dezer kantoren (Tjiatnies) is sedert 1 Julij jl. doorloopende dagdienst ingevoerd In de verdeeling der beperkte dagdienst van het kantoor Probolinggo is met 1 Augustus jl. eenige verandering gebragt. (3) Zie het tijdschrift der Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering ''an Nijverheid te Haarlem, deel XII, aflevering 3. N°. 8. 2.
nc. 7). Ofschoon door de sedert tot stand gekomen volledige lijnaansluiting de overeenkomst geen dadelijk nut heeft gesticht, behoudt zij toch hare waarde door bij eventuele afbreking der gemeenschap in de behoefte te voorzien.
M. Departement van (inantfen.
I. FlNANTIEN. '
§ 1. Begrooting.
Earning. Sedert de indiening van het jongste verslag zijn vastgesteld de begrootingswetten voor Nederlandseh Indie voor het dienstjaar 1871 en wel die betreffende de uitgaven en middelen in Nederland (hoofdstukken I), onder dagteekening van 13 November 1870 (Nederlandseh Staatsblad n°. 201 en 202) en die betreffende de uitgaven en middelen in Indie (hoofdstukken II), onder dagteekening van 5 April 1871 (Nederlandseh Staatsblad n°. 33 en 34). De afkondiging daarvan te Batavia had achtereenvolgens plaats den 24sten Maart 1871 (Indisch Staatsblad n°. 29 en 30) en den lsten Junij 1871 (Indisch Staatsblad n°. 68 en 69). In afwachting van de vaststelling van hoofdstuk II der uitgaven (uitgaven in Indie) voor 1871 strekte, ingevolge art. 8, laatste lid der comptabiliteitswet (Indisch Staatsblad 1864, n°. 106), de begrooting van 1870 tot grondslag van het beheer. Te dien einde waren, met ingang van 1 Januari) 1871, ter beschikking van de hoofden der departementen van algemeen bestuur gesteld dezelfde bedragen als ten laste van do verschillende artikelen der begrooting voor 1870, die voor onvoorziene uitgaven uitgezonderd, te hunner beschikking waren gesteld. De splitsing der begrootingen van uitgaven in artikelen, overeenkomstig art. 3, laatste lid der comptabiliteitswet, werd vastgesteld, wat de uitgaven in Nederland betreft, bij Koninklijk besluit van 29 December 1870, n°. 21, en voor zooveel die in Indie aangaat, bij Koninklijk besluit van 11 April 1871, n°. 1. In het belang der publieke contrôle werd besloten aan de bedoelde splitsingsbesluiten, ofschoon geen ander karakter bezittende dan dat van ambtelijke voorschriften tot uitvoering der begrooting, nu en voortaan openbaarheid te geven. Voor zooveel op 1 Augustus jl. hier te lande bekend was, is tot die openbaarmaking , voor zooveel betreft het eerst aangehaald besluit, reeds overgegaan blijkens Indisch Staatsblad 1871, n°. 51. Op gelijke wijze zal te zijner tijd worden gehandeld met de wijzigingen die in die splitsingsbesluiten roogten worden gebragt. De bedoelde begrootingswetten en die der twee voorafgegane jaren wijzen in ontvangst en uitgaaf de volgende totalen aan : 32
126
Middelen in Nederland .
Uitgaven in Nederland .
En de sluitpost alzoo . . . .
1 8 6 9 .
Oorspronkelijk bedrag.
f 56 865 410,00
62 168 614,00
f 119 034 024,00
f 19 127 386,00
84 943 907,00
f 104 071293,00
f 14 962 731,00
Gewijzigd bedrag.
»
»
a.
b.
f 19 136 165,29
86 401204,57 5
f' 105 537 369,86 5
f 13 496 654,135
^ ^ * a s
a. Het oorspronkelijk eindcijfer, ad f 19 127 386,00
is verhoogd:
door afschrijving van het hoofdstuk der Uitgaven in Indie : Koninklijke besluiten van 25 Junij 1869 {Nederlandsch Staatsblad n". 108) en 15 December 1870 [Nederlandsch Staatsblad n°. 197), met f 14 000,00
door de wetten van 31 December 1869 [(Nederlandsch Staatsblad n°. 222 en 225), met 116 397,00
(Laatstbedoelde verhooging zou echter grootendeels door meerdere ontvangsten ter zelfder eake worden opgewogen.)
en daarentegen verminderd :
door overschrijving op het hoofdstuk der Uitgaven in Indie : Koninklijke besluiten van 15 Augustus en 31 December 1870 (Nederlandsch Staatsblad n°. 152 en 248), met. . .
130 397,00
121 617,71 8 779,2
Zoodat het eindcijfer klimt tot f 19 136 165,29
De verhoogingen bedoeld bij de wetten van 4 April en 25 December 1870 (Nederlandsch Staatsblad n". 59 en 203), »<* respectivelijk f 300 000 en f 104 965, hebben geen invloed op het eindcijfer gehad, omdat zij gepaard gingen met even' rédige vermindering van andere posten.
b. Op de wijziging van het oorspronkelijk eindcijfer, ad f 84 943 907,00
zijn van invloed geweest :
de door den Gouverneur-Generaal boven de begrooting geopende credieten, bedoeld bij:
4 ordonnantien, bekrachtigd bij de wet van 5 April 1870 (Nederlandsch Staatsblad n°. 65) f 385 882,675
1 ordonnantie, bekrachtigd bij de wet van 21 Julij 1870 (Nederlandsch Staatsblad n°. 135) 75 000,00
9 ordonnantien, bekrachtigd bij de wet van 3 April 1871 (Nederlandsch Staatsblad n°. 29) 1 027 679,86 5
5 ordonnantien, bekrachtigd bij de wet van 25 Julij 1871 (Nederlandsch Staatsblad nc. 93) 322 000,00
f 1810 562,54
Alleen de credieten bedoeld bij de twee eerstgenoemde wetten hebben geene verhooging van het eindcijfer ten gevolge gehad, omdat de bekrachtiging gepaard is kunnen gaan met evenredige vermindering van andere posjen. Bij de twee andere wetten kon, vermits de dienst van 1869 met ultimo 1870 was afgesloten, van zoodanige vermindering (ofschoon anders ruimschoots mogelijk door het te verwachten overschot op de onderafdeelingen »Waterstaat" en »Materieel der zeemagt") geen sprake meer zijn, zoodat door de bedoelde credietopeningen eene verhooging op het papier ontstaat van . . . . f 1349679,865
De af- en overschrijving bij de Koninklijke besluiten van 15 Augustus en 31 December 1870, bedoeld onder a hierboven, gaf bovendien eene verhooging van 121617,71
f 1471297,57 5 doch daarentegen die bij de Koninklijke besluiten van 25 Junij 1869 en 15 December 1870, mede hierboven bedoeld, eene vermindering met 14000,00 1 457 297,5?5
Waardoor het eindcijfer klimt tot f86 401204,575
Er is niet gerekend op de aanvulling met f 320 000, bekrachtigd bij de wet van 4 April 1870 (Nederlandsch Staatsblad n°. 58), omdat het bedrag waarover beschikt, nog vóór het einde van 1869 weder in 's lands kas werd terugontvange°*
d.
c. Wt Hit vc bedr
d. tyjdr
vir yd
27 J
(E*J6va
te zij
de Volge
ter »'. 3 M f Seact
ver m
• ^ *ord feha(
Êli
Si W N* Vt. J87o "tierk ff. op f Hik leQde "inde
127
is?o.
Oorspronkelijk bedrag.
o. f 53 459 109,00
64 134 272,00
f 117 593 381,00
f 19 473 575,00
86 257 295,00
f 105 730 870,00
d. f 11862 511,00
Gewijzigd bedrag.
n
n
»
e.
f
f 19 487 375,00
86 768 495,00
f 106 255 870,00
f 11337 511,00
1 8 7 1 .
Oorspronkelijk bedrag.
f 48 753 348,00
69 553 700,00
f 118 307 04-,00
f 19 513 953,00
88 491 394,00
f 108 005 347,00
g. f 10 301701,00
Gewijzigd bedrag.
»
»
»
n
n
c De middelen worden bij de wet slechts aangewezen, niet het bedrag door den wetgever vastgesteld. Uit dien hoofde «eelt het in de Iweede Kamer geopperde denkbeeld, om de raming der middelen met f 1754 762 te verminderen, geen ««voering erlangd, maar is daarentegen de sluitpost (het voordeelig verschil tusschen ontvangsten en uitgaven) met dit "edrag verminderd, eu deze alzoo vastgesteld op f 10 107 749.
d. In stede van den geheelen sluitpost is bij de Indische begrootingswet voor 1870 slechte f 10 107 749 bestemd als "Ödrage aan de Rijksmiddelen. Vergelijk de voorgaande aanteekening.
e- Het verschil met het oorspronkelijk eindcijfer, a d . f 19 473 575 00
vindt zijne oorzaak in de afschrijving van het hoofdstuk der Uitgaven in Indie en de overschrijving y dat der Uitgaven in Nederland van de sommen bedoeld bij de Koninklijke besluiten van 4 Junij en i' Julij 1870 [Nederlandsch Staatsblad n°. 89 en 146), te zamen ad 13 800 00
"Waardoor het eindcijfer klimt tot f 19 487 375 00
(Eene dergelijke af- en overschrijving moet nog plaats hebben met eene som van f 86 612,12 voor aanschaffing van «Pantsche opium in Indie, terwijl de kosten daarvan behooren op het hoofdstuk der Uitgaven in Nederland) ,-tgaven in Nederland) ^an het door de wet van 21 Julij 1870 [Nederlandsch Staatsblad n°. 133) toegestaan crediet van f 5 863,685 ter vol u°emng eener niet tijdig verevende vordering in Nederland, behoorende tot de di V
-ienst van 1868, behoeft hier geen sprake zijn, omdat het bewuste crediet is aangewezen ten laste der Onvoorziene uitgaven.
f. Op de wijziging van het oorspronkelijk eindcijfer, ad. f 86 257 295 00
is van invloed geweest:
de af- en overschrijving, bedoeld in aanmerking e hiervoren, die namelijk eene vermindering ten ge°lge hoeft gehad van f °13 800,00
terwijl van de 7 ordonnantien (Indisch Staatsblad 1870, n°. 135, 172 en 176, en 1871, • 3, 26, 41 en 58), houdende opening van credieten boven de begrooting, te zamen 11 f 768 804, voor alsnog de vier laatste — nog tor bekrachtiging voor te dragen •— jjeacht moeten worden het eindcijfer slechts tijdelijk te verhoogen, vermits eene bepaalde ^wijzing welke andere posten voor evenredige vermindering vatbaar zijn (hoedanige ^mindering bij de bekrachtiging der 3 eerstbedoelde ordonnantien heeft plaats gehad) ^ Wet van 3 April 1871 (Nederlandsch Staatsblad n°. 30) — nog van de Indische Kegering erdt te gemoet gezien. Tot zoolang zoodanige wettelijke vermindering niet heeft plaats seQad, veroorzaken de bewuste crediet-openingen eene verhooging op het papier ad . . 525 000,00
•Blijft, na aftrek der bovenbedoelde vermindering, dus eene verhooging van . . . '• 511200 00
"Waardoor het eindcijfer klimt tot f 86 768 495,00
.Overigens verdient nog opmerking dat de dienst van 1870 voor régularisation nog openstaat tot ultimo 1871 en dat bij }8 °Pg eg e v e n cijfers buiten sprake zijn gelaten: a. de credieten toegestaan bij de wetten van 5 April en 26 December kt A (Nederlandsch Staatsblad n°. 66 en 215), tor voldoening van in Indie niet tijdig verevende vorderingen, behoorende 1 de dienst van 1867, omdat die credieten zijn aangewezen ten laste der Onvoorziene uitgaven; b. het door den Goufneur-Generaal boven de begrooting geopende crediet van f 175 000 (voorschot aan de Nederlandsch-Indische Spoorwegj aatschappij). omdat daarvan de terugbetaling is bedongen nog vóór de afsluiting van het dienstjaar (Indisch Staatsblad '0, n° ol) en c. de van het hoofdstuk der Uitgaven in Indie nog af te schrijven som van f 86 612,12, bedoeld in aan6rking sub e hiervoren.
S'- De bijdrage aan de Rijksmiddelen is bij de wet, houdende vaststelling der uitgaven in Nederland over 1871, bepaald teï-1 1 0 . 2 " 2 8 7 ' overeenkomende met het verschil tusschen de ontvangsten en uitgaven volgens de begrootings-ontwerpen, fenri Zij' <1-°0r d e T w e e d e . K a m e r d e r Staten-Generaal waren aangenomen. Van die ontwerpen is echter o. a. dat betref«inri - - 0 u i t 8 a v e n , i n I n d i e d o o r d e Eerste Kamer verworpen, en daar het nieuwe sedert tot wet verheven ontwerp in ««cijfer f 2414 lager is dan de afgestemde begrooting, is de sluitpost uit den aard der zaak zooveel hooger geworden.
128
In den loop van 1870 werd door de Indische Regering | het standpunt in beschouwing genomen, dat door den , directeur van finantien, als belast met het algemeen be- I heer van- en toezigt over 's lands geldmiddelen , tegenover zijne ambtgenooten behoort te worden ingenomen bij de jaarlijksche zamenstelling der ontwerp-begrooting Hem werd opgemerkt dat art. 4 van Indisch Maatsblad i860, n° 149 volgens hetwelk de hoofden der departementen de inkomsten ramen en de begrooting van uitcaven opmaken, elk voor zijn departement den directeur van finantien niet ontheft van de bij art. 5 van Indu* Staatsblad 1866 n° 127, hem opgelegde verpligtmg om de a gemeen'e begroeting van Nederlandsch Indie zamen te stellen, en dat gemeld art. 4 evenmin toelaat die zamenstelling op te vatten in den beperkten zin van bijeenvoegmg^oorzending der ontvangen begrotingsstukken. De Kegenng verlanode geene omwerking en algemeene toelichting zij nerS d s der ontwerpen van de overige directeuren maareene voorafgaande zamenwerking, in dier voege, dat bij zijn departement begrotingsstukken zouden worden ontvangen, die in overleg met hem waren samengesteld. Opzigtens de toepassing van het middel van cred.etopeninf boven de begrooting, werd de Indische Regering m Maart 1871 van eenige nadere voorschr.ften voorzien (vergeliik hoofdstuk d, §2 hiervoren). Onder andere werd daarbij de aanbeveling herhaald om te streven naar de grootst mogelijke beperking in het openen van dergelijke credieteii. Als middelen die de noodzakelijkheid daarvan zullen verminderen , werd gewezen op het betrachten van voortvarendheid in het verzamelen der uitkomsten van vroegere dienstjaren, als gelegenheid gevende tot juistere ramingen, en op de zorg dat nieuwe regelingen en organisation, wier invoering van invloed is op de begrooting , zooveel de dienst het maar eenigzins toelaat, niet in werking worden gebrag dan met den aanvang van een nieuw dienstjaar en na het vaststellen,der begrooting voor dat jaar.
Bekening. De aanzuivering van den achterstand in de verantwoording van het geldelijk beheer in In die,, c.vei het tijdvak aan de invoering der comptabiliteitswet voorafgegaan 11863—1866), is sedert het jongste verslag bij het departement van finantien ten einde gebragt. Van de twee laatst afgesloten rekeningen tot dat_ tijdvak behoorende, die over de jaren 1865 en 1866, is tot dusver nog alleen de eerste hier te lande ontvangen. /,ij wordt, aangevuld met de ontvangsten en uitgaven m o e derland, in den vroeger gebruikelijken vorm bij het tegenwoordig verslag als bijlage overgelegd (zie sub lit. V Frachter). Tot eenige, in verband met bovenbedoelde afsluh ng noodig bevonden wijzigingen ir, de begrootten van beide jaren werd overgegaan bij de Indische besluiten van U Julij 1870, n". 8, en 20 Maart 1871, n . I. Omtrent de niet tijdige ontvangst hier te lande (respectivelijk vóór ultimo 1869 en ultimo 1870) der rekeningen
wegens de ontvangsten eu u i t g a f ^Nederlandsdi Indfe over de dienstjaren 1867 en 1868 is, mgevolge£t Uatote lid van art. 80 der comptabiliteitswet, aan de biaten Generaal de verdachte mededeelinggedaan « J * » ^ ^ bij brieven van den Minister van Kolomen dd. 15 December 1869 en 24 Januarij 1871. . ... Sedert het jongste verslag is de Indische Regering bij vernieuwing over deze toenemende wetsovertreding onderhouden geworden. Volgens de in antwoord op che aansporingen ontvangen verzekeringen wordt harerzijds mets onbeproefd gelaten om den arbeid der begrootingsrekenmgen over 1867 en volgende jaren met den meesten spoed te beëindigen. , . i ce7 Met de afsluiting en indiening der rekening y an 1867 werd volons berigten van Mei jl. nog gewacht totdat de bemerkingen der Algemeene Rekenkamer zouden zijn at
geintusscnen blijven de departementen van algemeen bestuur in Indie niet achterwege in het verzamelen der voorloopige opgaven nopens de uitkomsten der reeds verstreken d S j a r è f . Twee overzigten dier voorloopige »Tomate* respectivelijk betreffende de uitgaven op d e , > e n s \ e ^ ö 6 7 r 1869 en de ontvangsten op de diensten l 8 6 7 " 1 8 ™ ' ^ f als bijlagen gevoegd bij de ontwerp-begrooting voor 1872 (2). Met genoegzame zekerheid schijnt te kunnen worden aangenomen , schrijft de directeur van finantien dat de befwarTn, welke tot dus ver de tijdige indiening der begrootLsrekeningen in den weg stonden (uitvloeisel van de invoering der nieuwe comptabilitertsregeling) thans grootendeels zijn overwonnen, zoodat welligt de mdieningsterm5n voor de algemeene rekening van 1871 met zal behoeven te worden ovorschreden. De rekeningen betreffende de ontvangsten en uitgaven der Indische administratie in Nederland zijn tijdig afgesloten, laatstelijk (onder dagteekenmg van 31 December 1870) die van 1869. Op 1 Augustus jl. was deze laatste nog in onderzoek bij de Algemeene Rekenkamer (3). Zij wijzen de navolgende uitkomsten aan:
ril (Inder dasteekening van 6 Julij 1871 berigtte de GouverneurG nlra?i dat degSenkagmer dien arbe'id had volbragt, en dat hijziefa S e i d nader op te geven, wanneer de *g%%Vg™%*%£ <«R7 »nu kunnen worden ingezonden. Het uitzigt aat aaaruooi wei dopend is later echter wedefminder helder geworden, daar eene depêche fanP13 Juli wederom melding maakt van een zeer langdurig uitstel in de afdoening der reWng over de dienstjaren 186« en vroeger verg de noo?op bladz 57 hiervoren). Daar het slot dezer rekening onder de middelen van het dienstjaar 1867 moet opgenomen worden, is het te Meezen dat de afdoening der rekening over dat laatste jaar nieuwe vertraging zal ondervinden.
(2) Zitting 1870—1871, 148, n°. 25 en 31.
(3) Sedert van haar terug ontvangen, gewaarmerkt overeenkomstig art. 78 der comptabiliteitswet.
Ontvangsten.
Geraamd f60 581420,64 5
Ontvangen . . . 65 243 191,96
Meer ontvangen. . . f 4 661771,315
Uitgaven.
Geraamd f33 998 930,995
Verevend 32 269 759,64
Minder uitgegeven f 1729 171,35 5
Ontvangsten.
Geraamd f 58 832 097,00
Ontvangen . . . . 55260867,045
Minder ontvangen . f 3 571229,955
Uitgaven.
Geraamd f32 332 102,99 5
Verevend 30 968 764,10
Minder uitgegeven. . f 1 363 338,89 5
Ontvangsten.
Geraamd f 56 865 410,00
Ontvangen . . . . 53 973 652,95&
Minder ontvangen . f 2 891 757,04
Uitgaven.
Geraamd f34 098 896,2»
Verevend 28 146 866,53
Minder uitgegeven . f 5 952 029,76
129
Van hetgeen bij de begrootingen voor de onderstaande jaren is uitgetrokken wegens bijdragen van Nederlandsen lndie aan de middelen tot dekking van 's Kijks uitgaven zijn tot dusver uitgekeerd de volgende sommen:
Bijdrage
aan de
Rijksmiddelen.
Vastgestelde raj ming.
Uitgekeerd . .
Alzoo nog uit te keeren . . .
1 8 8 ? .
(1) f14856 334,63
Oct. 1868 f 10 000 000,00
Dec. 1868 f 4 856 334,63
11 H^ft T H C\
w
18©?^.
f 11305 869,00
Julij 1869 f 4 200 000,00
Dec. 1869 f 6 571359,39
f 534 509,61
1 8 6 9 .
f14962 731
Mei 1870. f 8 000 000
Aug. 1870. f 2 000 000
10 000 000
f 4 962 731
1 8 * 0 .
f10107 749
Jan. 1871. f 8 000 000
Maart 1871. f 2 107 749
10 107 /49
• 1
(1) Aanvankelijk bepaald op f 16 231 789,63, is dit bedrag bij de wetten van 6 Julij 1867 (Nederlandsch Staatsblad n». 66) en 19 April 1868 [Nederlandsch Staatsblad n*. 61) achtereenvolgens met f 347 455 en f 1 000 000 verminderd.
Het achterstallige op de bijdragen over 1868 en 1869 zal bij latere regularisatiewet nog aan 's Rijks schatkist kunnen worden uitgekeerd. Op de bijdrage over 1871 heeft nog geene uitkeering plaats gehad. Ten laste van het nader bij de wet vast te stellen batig slot van de algemeene rekening wegens ontvangsten en uitgaven van Nederlandsch lndie over de dienst 1867, is ten behoeve van de rijksmiddelen over 1869 en 1870 bereids beschikt over een bedrag van respectivelijk f3 475 000 en f 2 900 000 (wetten van 31 December 1868, Nederlandsch Staatsblad n°. 182, en 31 December 1869, Nederlandsch Staatsblad n°. 212). Onder de middelen en inkomsten van het dienstjaar 1867 Werd bii de wet van 3 April 1871 (Nederlandsch Staatsblad n°. 28) alsnog opgenomen het batig slot der koloniale rémise-rekening van het jaar 1866, ad f 764 517,395, op 1°. Januarij 1868 in 's lands kassen voorhanden. (1)
(1) De op 1°. Januarij 1868 in Nederlandsch lndie aanwezige saldo's behoorende tot dienstjaren aan 1867 voorafgegaan, krachtens art. 98, 2de lid, der comptabiliteitswet aan diezelfde middelen toe te voegen,en blijkens het vorig verslag, met inbegrip van het zoogenaamd admini
Algemeene boeken. De zoogenaamde n algemeene boekhouding" in lndie heeft door de afsluiting (in November 1870) der algemeene boeken van 1861, thans goheel opgehouden. De uitkomsten dezer boekhouding, welke alleen voor de administratie in lndie, althans over het tijdvak aan 1862 voorafgaande, eigenaardige waarde had (vergelijk het verslag van 1869 bladz. 91), zijn niet van genoegzaam belang om ïn het regeringsverslag te worden opgenomen, ook omdat ten aanzien van de bestanddeelen der medegedeelde eindcijfers elke toelichting ontbreekt. Alleen vinde ten vervolge op vroegere soortgelijke aantooningen (zie laatstelijk het verslag over 1860 bladz. 90-92) hieronder eene plaats, hetgeen uit de ontvangen opgaven nopens de laatste vier jaren waarover do algemeene boekhouding nog is voortgezet (1858, 1859, 1860 en 1861), blijkt ten aanzien van de baten en lasten van elke buitenbezitting.
stratief kapitaal van 12i/j millioen gulden, bedragende f 15 205 582.93, zijn, volgens de deswege, onder dagteekening van 22 Julij jl., van den Gouverneur-Generaal ontvangen verbeterde opgaven, nader geconstateerd op een bedrag van f 14 926 052,235.
N J. 8. 2. 33
130
33 w4
®
HS
CR «5 ® IN
•n tu a
c OP
33 CS
+ J ai Ä
ia
• ° 13
' O
o -* — Cn o i-i I S
X co CN ^ H OS m Cn 00 T H m
co co TO »O
co co co
SS Cn uo
GS
O
i a uo co co o en en
en co TO
en c (M i—f O co co
CO
CO en t> CS
ee m al d< h< bi
3 rS a
13 S
2 «
c3
o T ) Ö 0)
c; i-H
+-* K
P
•«ti
i—« en "* r-1
~H r~ rSM i—i (M
TO en co co t» •«tl
CO I > o
CO CO co
CS •«tl en
co >» o co o >o t
co en *# o es t>
00 •«tl t 00 en
co •«tl co t> en
•«ti TO CO t 0 0 CM
00 o
es o
en lO
en co 0 0 oo co
O TO
rt-co TO en
tres 0 0 CO
ca e t m en oo
co en co t
CO
CO
CS oo O
o
es o
«CH es o co CO o
s
s!
CO »o oo
TO t> -* t
ia
a o3 ' O
03 a
13
r i
H M
JZ5
co t -o CM
O CO
•«d CO o es o t
Iren • * (M l > «W
-r* 0 0 en i—i r
t oo o
CO o
o o (M ( N CO
0
t 00 cn TO en en es o t
co t i H C en en
es oo 00 CO
t 0
3
t
a g
02
a cS >
a u o W
a es >
ta a
a o pq a es >
M) n
o O
a o
a
. O
a es J*
O o JA a O PP
o a. a CS
SC a c« rO S o> —-t 03
PM
•3 • i o
03 JA a es PQ # * N
-M
' o a
a CD S O
3 o CS
Ä o
>
03 D3
131
§ 2. Landskassen.
Op het voetspoor van het vorig verslag volgt hieronder eene maandehjksche aantooning van den stand der kassen in Indie ditmaal over 1870. In de opgegeven cijters zijn als naar gewoonte begrepen de gelden onderweg tusschen de verschillende kassen. Daarentegen blijft, even als vroeger, het depot voor de emissie van recepissen (ad f241245) buiten aanmerking. De in 1869 gedane aanbevelingen tot het benuttigen der
in de kassen aanwezige pasmunt, zoowel om daardoor meerdere ruimte aan betaalmiddelen te erlangen, als om, wat het koper betreft, den nog altijd ruimen omloop van het oude kopergeld (duiten) te temperen (zie n°. 2246 van het Bijblad op het Indisch Staatsblad) zijn meermalen herhaald. Dat de aanbevelingen niet zonder gevolg bleven, kan hieruit blijken dat het saldo aan pasmunt, dat onder ultimo January 1870 f6 284 228 bedroeg, onder ultimo Augustus was teruggebragt op f 3 914 330. Tot ultimo December klom het cijfer echter weder tot f4 704 662.
K A S S E N . Zilveren
munt. Bankpapier. Koperen
munt.
31 Januarij.
Op Java en Madura . . .
» de buitenbezittingen ' . .
28 Februari).
Op Java en Madura. . .
» de buitenbezittingen . . .
31 Maart.
Op Java en Madura .
» de buitenbezittingen
30 April.
Op Java en Madura . . .
» de buitenbezittingen . .
31 Mei.
Op Java en Madura .
» de buitenbezittingen
f 10 687 380
3 509 534
f 14198 914
(1) (2 071509)
f 10 262 284
3 259 769
f 13 522 053
(1991094)
13 236 758
2 434 808
f 15 671566
(1801339)
9 785 848
2 198 206
f 11 984 054
(1 690 107)
f 8 472 704
2 251 432
f 10 724 136
(1630 054)
f 3 431100
323 840
3 755 240
3 552 715
297 795
3 850 510
3 771595
322 320
4 093 915
3 379 690
167 060
3 546 750
3 220 165
243 840
3 464 005
f 3 923 304
289 415
4 212 719
3 955 358
290 297
4 245 655
f 3 981 534
139 065
4120 599
3 913 164
136 881
4 050 045
f 3 685 730
139 922
3 825 652
18 042 084
4 122 789
f 22 164 873
f 17 770 357
3 847 861
f 21618 218
f 20 989 887
2 896 193
f 23 886 080
17 078 702
2 502 147
f 19 580 849
f 15 378 599
2 635 194
f 18 013 793
(1) Het cijfer hier en bij de volgende maanden tusschen ( ) vermeld,wijst aan hoeveel onder de opgegeven zilveren ^Unt aan pasmunt begrepen is.
132
K A S S E N .
30 Junij.
Op Java en Madura . . . .
» de buitenbezittingen . . .
31 Julij.
Op Java en Madura . . . .
» de buitenbezittingen. . . .
31 Augustus.
Op Java en Madura . . . .
w de buitenbezittingen . . .
30 September.
Op Java en Madura . . . .
» de buitenbezittingen. . . ,
31 October.
Op Java en Madura . . . .
- » de buitenbezittingen . . .
30 November
Op Java en Madura . . .
» de buitenbezittingen . . ,
Zilveren
munt. Bankpapier. Koperen
munt. TOTAAL.
7 015 747
2 446 793
f 9 462 540
(1083 640)
f 3 392 860
225 270
f 3 618 130
6 249 947
2 490 977
f 8 740 924
(1077 279)
f 2 277 175
249 755
3 197 614
125 278
f 3 322 892
f 2 974 457
158 349
f 2 526 930
6 039 463 f l 450 540
3 112 675 333 065
f 9 152 138
(912 359)
f 6 104 253
2 637 117
f 8 741 370
(1015 448)
f 1 783 605
f 3 132 806
13 606 221
2 797 341
f 16 403 562
f 11501579
2 899 081
f 14 400 660
2 777 521
224 450
f 3 001 971
f 1 586 065
271 790
f 1 857 855
6 201 869
2 556 571
f 8 758 440
(1085 448)
f 7 422 078
2 382 872
f 9 804 950
(1232 004)
f 1754 205
240 820
2 716 965
230 197
f 10 267 524
3 670 190
f 13 937 714
f 10 407 283
3 139 104
f 2 947 162 f 13 516 387
f 2 731 692
164 976
•f 1995 025
f 2 340 185
258 420
f 2 598 605
f 2 896 668
2 920 883
146 781
f 10 687 766
2 962 367
f 13 650 133
f 3 067 664
f 12 683 146
2 788 073
f 15 471219
K A S S E N .
133
Zilveren
munt. Bankpapier. Koperen
munt. TOTAAL.
31 December.
Op Java en Madura . . . .
» de buitenbezittingen . . . 9 521252
2 710 154
f 12 231406
(1451853)
f 3 520 615
284 800
3 805 415
f 3 073 871
178 938
3 252 809
16 115 738
3 173 892
f 19 289 630
De Indische kas werd in de drie laatste jaren door wisseltrekking en specie-aanvoer aangevuld als volgt:
Ij-Nominaal bedrag f6 725 780,135, waarijl voor tegen koersen van 1021/2, 102 en J / 1011/2 per cent verkregen werd:
ê Indisch courant. . .
/Dienst 1867 f 800 000
» 1868 11251220,90
» 1869 100 000
, f 6 584 035,70
12 151 220,90
f18735 256,60
Nominaal bedrag f 6 136 142,28, waar voor tegen koersen van 102, 1013/j, 10H/2 101V4 101, 100V2, 100 en 99I/2 per cent verkregen werd :
Indisch courant. .
Dienst 1869 f 3 900 000
>» 1870 4 800 000
f 6 032 775,64
8 700 000,00
f 14 732 775,64
Nominaal bedrag f9 101381,17, waarvoor tegen koersen van 102, 1013/. ion/ 2, ion/4, 101, 1003/4, looi/,, 100, 993/4, 991/2 en 99 per cent verkregen werd: Indisch courant. . . . f 9 007 072,61
Dienst 1870 f 8 200 000
» 1871 (1) 3 902 000
12 102 000,00
f21109 072,61
, (1) Hiervan f3 800 000 aan rijksdaalders en f 102 000 aan Meiicaansche dollars (volgens den koers van inname bil" 8 lands kassen). J
Aan de Indische Eegering is bevoegdheid gelaten om, b\j gunstigen stand van den wisselkoers, ook in 1871, even *'s reeds in 1870 het geval is geweest, op ruimere schaal dan gewoonlijk in het Indisch tekort te voorzien door middel van wisseltrekking. Zoowel in verband daarmede J's uit aanmerking van den meerderen suiker- en koffijver«pop op Java gedurende het loopende jaar, zijnde specieJ'JtzendiDgen na die welke voor 1870 hebben plaats gehad , t ep bedrage van f 13 millioen, voorloopig bepaald op f 137, ^'Hioen aan rijksdaalders en 200 000 stuks Mexicaansche ?°Hars , waarvan, zoo als hooger blijkt, reeds een gedeelte j 0 1870 is ontvangen en de laatste partijen in de eerste e l f t van Augustus jl. zijn verscheept. Alleen moest toen n°g eene partij van f200 000 worden uitgezonden (1),
(1) Sedert mede afgeladen. N°. g. 2.
ter vervanging van de gouvernements-specie aan boord geweest van het sedert verbrande stoomschip Willem III (zie bladz. 82 hiervoren). De van af Mei 1871 met magtiging van het Opperbestuur ingevoerde verkorting (van 6 tot 3 maanden) (1) van het uso der gouvernements-wissels beloofde aanvankelijk een gunstigen invloed op den te bedingen koers. Tot welke koersen de wissel-inschrijvingen van 1870, en — voor zooveel op 1 Augustus jl. bekend — ook die van 1871 gegund zijn , blijkt uit de volgende aantooningen :
(i) Zie overigens de voorwaarden in n°. 2279 van het Bijblad op het Indisch Staatsblad.
34
134
Afgifte volgens het nominaal bedrag.
1870.
January
Februari) .
Maart . .
April . .
Mei . . .
Junij. . .
Julij . . .
Augustus .
October. .
November .
December .
f 2 337,14
68 288,51
1 891,56
1 010 165,00
185 539,86
1 522 250,08
2 038 216,305
1274 840,885
972 476,69
1 465 268,88
565 106,26
f 9 101 381,17
1871.
Januarij .
Februarij .
Maart . .
April . .
Mei . . .
Junij . .
f 9 624,00
1 007 156,50
1 008 773,445
1 007 510,845
977 782,05
1512 450,05
(1) f5 523 296,89
(1) In Julij 1871 is van het ter inschrijving aangeboden bedra» van f IV2 millioen, tot op den limite-koers van 1011/4 per cent slechts f' 580 363,28 gegund kunnen worden. De inschrijving voor Augustus jl. is op f 2 000 000 bepaald.
Naar de koersen waren bovenvermelde sommen verdeeld als volgt :
1871.
1870.
Nederl. Courant.
f 3 330 909,03 à 102 pet.
202 105,60 » 101 % »
352 767,31 » 101 '/, »
700 787,70 » 101 7 4 »
1278 383,95 » 101 »
202 003,75 » 100 V4 »
25 125,00 » 100 7 2 «
2 341 699,27 ., 100 »
481332,66 .» 99 3/4 »
90108,20 » 99 y, »
96158,70 » 99 »
Ind. Courant.
• 3 265 597,08
198 629,58
347 554,00
692 l'36/O
1 265 726,68
200 500,00
25 000,00
2 341 699,27
482 539,00
90 561,00
97 130,00
Nederl. Courant.
f 37 968,75 à 101 74 pet.
1778 651,00 » 10 L >,
1 201 293,64 » 100 V4 »
1040 005,15 » 100 V3 »
232 575,24 » 100 V4 »
704 219,00 » 100 »
204 187,50 .. 99 3/4 »
263 675,00 » 99 '/, «
16 872 50 « 99 % »
43 549,11 .» 99
Ind. Courant.
= f 37 500,00
— 1 761 010,595
= 1192 351,00
= 1034 830,995
= 231 995,25
= 704 219,00
== 205 000,00
= 265 000,00
= 17 000,00
= 43 989,00
f 5 523 296,89 waarvoor verkregen werd f 5 492 925,84
Van de gelegenheid voor particulieren om in In die gelden boven de f 100 over te maken door middel van wissels op 's lands kassen werd bij voortduring ruim gebruik gemaakt. Voor zooveel die overmakingen gewenscht worden naar andere plaatsen dan Batavia, Samarang en Soerabaija is eene speciale magtiging noodig van den directeur van finantien, aan te vragen door tusschenkomst van het hoofd van bestuur van het gewest alwaar de uitbetaling verlangd wordt {Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 1527). *(l)
§ 3. Consignatie-stelsel.
Veilingen.. In navolging der beide jongste verslagen wordt weder overgelegd (bijlage W) eene uitvoerige zamentrekking van de uitkomsten der gedurende het afgeloopen jaar in Nederland gehouden veilingen van gouvernements-producten. Eenige opgaven nopens elke veiling afzonderlijk, althans wat de drie voorname artikelen koffij, suiker en tin betreft, worden ook voor de zeven eerste maanden van 1871, bij de behandeling van elk dezer onderwerpen lager aangetroffen (hoofdstuk O, afdeeling I en II). Ten gerieve van den handel zijn de veilings-conditien vooi de hier te lande verkocht wordende suiker van af het loopende jaar eenigzins gewijzigd door verlaging der tarra, en de afschaffing van de 1 per cent » ordinaire korting" (voor qualiteits-vermindering), zoodat nu op de rekeningen, even als bij den koffij verkoop, alleen wordt bijberekend 1 per cent voor veilingskosten en afgetrokken 1VS per cent voor contante betaling. Die wijzigingen doen den bruto verkoopsprijs per pikol met ongeveer f 2 dalen. Zij zijn echter op de netto opbrengst van geen invloed, omdat het uitgeleverd gewigt per pikol daardoor met 3 kilo is verhoogd. Met opzigt tot de koffij verdient nog aanteekening, dat zeer onlangs, voor zooveel noodig, het vroeger gegeven voorschrift is herhaald, om het aangebragte product steeds zoodra mogelijk na aanvoer en opslag aan de markt te brengen. Als vervolg op hetgeen in 't vorig verslag (bladz. 97) werd gezegd over administrative en andere ongelegenheden , bij het consigneren van groote koffijoogsten naar Nederland in den Oosthoek van Java ondervonden, diene dat de factorij der Nederlandsche Handelmaatschappij , na in 't laatst van 1870 kennis te hebben bekomen van het belangrijk cijfer der koffijproductie in Pasoeroean over dat jaar, onverwijld de noodige maatregelen trof ter bevordering van den spoedigen afscheep van dien oogst. De uitkomsten der in Indie gehouden veilingen van gouvernements-producten (suiker, koffij, peper en kruidnagelen) vinden lager hare vermelding in het reeds aangehaalde hoofdstuk O , te gelijk met andere tot den plaatselijken verkoop betrekkelijke bijzonderheden.
f 9 101 381,17 waarvoor verkregen werd f 9 007 072,61 (i; Vergelijk ook het verslag van 1861 bladz. 101, en dat van 1864 bladz. 114.
135
Bevrachtingen. Tegen den met 1 Jannarij 1870 in werking getreden maatregel (zie het verslag van 1869 bladz. 96) om hij de uitbesteding van den overvoer herwaarts van gouvernementspro lucten de voorkeur te gunnen aan schepen, Waarvoor bij de inschrijving twee certificaten van expertise borden overgelegd, en eerst wanneer geene genoegzame "uimte aan zoodanige schepen wordt aangeboden, eene euze te doen uit de schepen die slechts één certificaat oeien, werden in de tweede helft van 1870 een paar dressen ontvangen, die echter, in verband ook met de mstandigheid dat de aanbieding van schepen met slechïs én certificaat van zeewaardigheid tot dusver tot de groote îldzaamheden had behoord, geene termen deden vinden
om in de bestaande bepalingen omtreDt de retourbevrachtingen verandering te brengen, ook niet wat betrof de in de bewuste adressen subsidiair gevraagde toelating van andere certificaten dan die van de Fransche vereeniging »Veritas" en van de Nederlandsche Vereeniging van Assuradeuren. (1) Bij de maandelijksche uitbestedingen van scheepsruimte hier en in Indie gedurende 1Ö70 en de eerste maanden van 1871 zijn de volgende vrachten bedongen. Zoo als reeds in 't vorig verslag werd aangekondigd , wordt sedert het hopende jaar van de jaarlijks benoodigde ruimte 3/5 in Nederland en 2/. i n Indie aanbesteed.
IN NEDERLAND.
Maanden.
J870.
January.
February
Maart. .
A-pril. . .
Mei . . .
ü u m j . . .
J«lij . . .
Augustus
"öptember
October .
November
december
1871.
Januarij.
^ehruarij
Maart. .
April . .
Mei . . .
Ji JUnij. July .
Aantal
schepen.
Aantal
lasten.
3
20
13
10
7
7
9
7
3
2
3
2
8
3
9
5
2
Vrachten per last.
1825
7762
5545
4863
4599
4182
4127
3734
1129
893
1089
953
1363
683
3523
2208
5507
2378
1477
f 68,67
75,74
79,94
a 76,98
75,97
74,00
70,99
73,96
74,98
74,74
70,69
73,49
à f 74,99
» 82,68
» 82,99
.. 80,98
>< 77,99
» 75,47
» 75,99
,, 79,95
.. 76,80
» 74,75
» 74,00
» 73,87
74,50 ..
77,45 »
76,24 »
75,40 »
74,89 »
74,45 ..
f 73,90
79,00
78,74
78,93
76,40
77,42
75,00
IN INDIE.
Maanden.
18 ï®.
January. .
February .
Maart,
Aantal
schepen.
Aantal
lasten.
7 b 1 van Menado.
April . . .
Mei . . . .
Junij. . . .
July . . . .
Augustus .
September.
October . .
November.
December .
ISffl.
January. .
February .
Maart. . .
April . . .
Mei . . . .
9
7
6
10
3
1927
»
2327
395
n
n
1866
3143
2714
2780
4942
1359
Vrachten per last.
f 40,95 à f 47,44
»
f 74,89 à f 78,74
f 100,00
»
»
f 90,00
f 74,94 à f 85,00
75,00 ., 79,50
72,40 » • 73,80
74,47 » 79,80
76,39 » 77,49
1809 74,89 à f 80,00
a- In 't vorig verslag abusivelijk f 76,94. b. In 't vorig verslag niet vermeld.
ßij de invoering van het stelsel van uitbesteding deic h t e n (1 January 1868) werd tevens bepaald, dat de Cargadoors-provisie, ad I/4 pet. van de vracht, niet meer , oor 's lands rekening zou worden genomen. Over de 11 1^65—1867 verantwoorde gouvernements-producten was e r zake achtereenvolgens betaald geworden f 16 438, f 12 867 ?D f13 322. Eerst over de in 1870 verantwoorde producten ^eoft die uitgaaf gehoel opgehouden, vermits in de verantwoordingen van 1868 en 1869 nog producten begrepen waren, die, onder het vroeger stelsel afgeladen, uit den ard der zaak nog met bedoelde provisie bezwaard moesten ™°rden. Over 1868 beliep het bedrag f 11829, doch over '869 reeds niet meer dan f 739.
§ 4. Andere bronnen van inkomst.
a. Verpachte middelen.
Opiumpacht. Zoo als reeds in 't vorig verslag werd medegedeeld , heeft de, met 1862 ingevoerde beperking der
(1) Ia Augustus jl. is echter besloten tot toelating' ook van de certificaten van zeewaardigheid. afgegeven door Lloyds. De hooger bedoelde voorkeur aan schepen met twee certificaten zal nu op zoodanige wij ie worden toegepast, dat de aanbieding van een certificaat der Bngelsche Lloyds, met een van Veritas, of met een van de ïfedorlandsche vereeniging, gelijke kracht zal hebben als de aanbieding van een certificaat van Veritas en een van de Nederlandsche vereeniging, gelijk tot hiertoe voorgeschreven. De expertise der drie voormelde inrigtingen is alzoo geheel gelijk gesteld, zonder dat nogtans de overlegging van drie certificaten eenige buitengewone voorkeur verzekert.
J
136
opium-verstrekking op Java en Madura met het einde van 1869 opgehouden en is het zoogenaamde maximumstelsel, omdat het niet doeltreffend was gebleken, met den aanvang van 1870 weder vervangen door het stelsel van tiban-verstrekking tegen hoogen prijs en verstrekking van het meer verlangde (siram) tegen handelsprijs. Het oogmerk der veranderde regeling was om langs wettigen weg verkrijgbaar te stellen hetgeen onder het maximum-stelsel gebleken was door sluikhandel verkregen te worden. Gedurende 1870 hebben de pachters een bijzonder ruim gebruik van de siram-verstrekking gemaakt. Terwijl onder de vroegere werking van het stelsel van verstrekking naar gelang van behoefte, het hoogsto cijfer van het wettig verbruik klom tot 105 537 katties (in 1860), bereikten de verstrekkingen van 1870 een totaal van 129 639 katties, tegen slechts 70 478 katties in 1869, en zulks ondanks de (door den directeur van finantien) veronderstelde aanwezigheid bij het eind van 1869 van eene ruime hoeveelheid vroeger gesmokkelde opium (zie het vorig verslag bladz. 100). Hoeveel van die verstrekkingen bij het eind van het pachfjaar door de pachters is overgehouden en dus aan het
Gouvernement terug geleverd, blijkt alleen ten aanzien va» 1870, toen die hoeveelheden gezamenlijk circa 3311 katties bedroegen. Omtrent de werking der nieuwe pachtvoorwaarden schrijft de directeur van finantien het volgende: »De wederinvoering van het zoogenaamde siram-stelsel heeft, naar vermeend wordt, krachtig medegewerkt tot tegengang van den sluikhandel in opium voor zooveel namelijk betreft den invoer op Java en Madura. In verband met den korten tijd, sedert die wederinvoering verloopen, kan echter te dien aanzien nog geene stellige uitspraak gedaan worden." Eene statistiek der opium-aanhalingen op Java en Madura gedurende 1869 en 1870, ten vervolge op die over 1865—1868 in 't vorig verslag medegedeeld, volgt hieronder. Er blijkt uit, dat in alle gewesten (in 1869 alleen Pekalongan en in 1870 alleen de Preanger regentschappen uitgezonderd) aanhalingen plaats hadden en wel tot eene gezamenlijke hoeveelheid van ruim 34 kisten (à 100 katties). in 1869 en van ruim 25 kisten in 1870. De totalen der vier voorafgegane jaren waren achtereenvolgens ruim 3739, 1028, 1007 en 3691 katties.
RESIDENTIEN.
Bantam
Batavia
Krawang. . . . .
Preanger regentschappen
Cheribon
Tagal
Pekalongan . . . .
Sam arang . . . .
Japara
Rembang
Soerabaija . . . .
Madura
Pasoeroean . . . .
Probolinggo. . . .
Bezoeki
Banjoewangi . . .
Banjoemas : . . .
Bagelen
Kadoe
Djokjokarta. . . .
Soerakarta . . . .
Madioen
Kediri
Totaal . . .
*
1 8 6 9 .
p <B
c3 .S
CD öS r j j ^ a 03 03
4
16
15
7
1
60
»
74
44
106
8
17
7
6
19
11
2
2
1
1
9
21
46
a. 477
02 »
03
3
203 2
1
7
318
»
136
1830
60
15
448
5
1
5
»
»
1
n
1
65 17
283
b. 3411
m "3 H
6
9 2
13
»
14
» 1
6
15
3
3
11
15
14
8
10
15
1
4
1
2
9
11
CQ P
7
5 1
7
»
4
» 9
4 7
1
1
9
»
2
6
5
7
n
»
5
2
6
5
GO ~03 -*» 03
4
5 »
4
»
2
» 2
4 2
6
»
6
»
8
4
7
6 »
»
2 1
9
2
1 8 7 0 .
c
CSD a.S + ^ T—• 0> 03 B ^ a 03 CS
3
1 14
H
. 6
54
49 151
31 110
40
c. 30
19
29
20
9
1
7
17
1
16
116
59
d. 783
OQ <D
03 M
»
24
73
»
11
8
31
98
814
629
607
19
12
6
44
»
»
9
4
1
69
15
24
2508
. OD '3 j a
6
n
3
»
4
12
11 15
3
7
6
11
13
1
14
1
6
10
10
4
14
10
2
9
BÖ F
8
n
i
»
n
1
» 3
7
4
4
7
»
»
8
5
»
5
3
»
» 1
3
7
tn 's +a CO
n
u
2
»
»
3
8 7
6
2
3
1
5
9
8
»
7
5
3
»
» 6
3
8
AANMERKINGEN.
a. Van 16 dezer aanhalingen is de hoeveelheid niet opgegeven. De 12 belangrijkste aanhalingen vertegenwoordigden alleen eene hoeveelheid van te zamen 2587 katties; de grootste daarvan bestond uit 415 katties, de kleinste uit 75. De overige inbeslagnemingen, ten getale van 449, betroffen derhalve 824 katties » dat is gemiddeld circa 2 katties voor elke aanhaling.
b. De (voorloopige) opgaaf van 20 kisten (2000 katties) in 't vorig verslag, blijkt nu zeer onvolledig te zijn geweest.
c. Volgens opgave was in de afdeeling Sumanap geen enkele opiumovertreding ontdekt ; de resident beweert echter, dat de smokkelhandel aldaar zeer groot is ; doch dat het der politie niet gelukt was eenig geval te constateren.
d. Van 60 dezer aanhalingen is de hoeveelheid niet opgegeven. De 11 belangrijkste aanhalingen vertegenwoordigen alleen eene hoeveelheid van te zamen 1848 katties ; de grootste daarvan bestond uit 400 katties; de kleinste uit 72. De overige benaderingen, ten getale van 712. betroffen derhalve 660 katties.
137
Het meerendeel der personen, die in overtreding van het pacl*treglement [Indisch Staatsblad 1869, n°. 81) werden bevonden, bestond uit inlanders; men vermoedt echter, dat in vele gevallen zij slechts de handlangers waren van Chinezen. _ De meeste aangehaalde opium was uit naburige gewesten binnengesmokkeld, wanneer de opium in het eene gewest belerkoop kon worden verkregen dan in het andere , doordien het gemiddeld kostende (tiban en siram met pachtschat), m verband met de benoodigde grootere hoeveelheid siram, lager was. Ter wegneming van eene voorname bron van sluikerij, door de gelegenheid tot bedriegelijke uitklaring, was in der tijd het denkbeeld geopperd tot sluiting van de entrepôts op Java voor de opium door particulieren aangevoerd, met intrekking van Indisch Staatsblad 1854, n°. 94. Etwas intusschen, in verband met de overwegingen nopens eene wijziging van pachtstelsel, nog altijd geene beslissinggevolgd. De terugkeer echter in 1870 tot het stelsel van onbeperkte siramverstrekking tegen den gemiddeld kostenden prijs, waardoor reeds van zelf de prikkel tot sluikschen aanvoer verviel, maakto naar het oordeel der Indische Regering de verwezenlijking van het denkbeeld onnoodig en, als belemmerend voor den handel, niet wenscheiijk, Weshalve daarvan bij een besluit van December 1870 is afgezien. Bepaalde men zich voor 1870 tot de verandering van pachtstelsel waarop zoo even gedoeld werd, te rekenen van af 1871 [Indisch Staatsblad 1870, n°. 154 en 160) werd in een ander opzigt op vroegere proefnemingen tot beperking Van het opium-gebruik teruggekomen, door de intrekking namelijk van die verbodskringen, waar een behoedzaam onderzoek en overleg de overtuiging hadden geschonken van d«) verkeerde werking van het verbod. Het waren de residenten Krawang en Banjoewangi geheel, op Madura het regentschap Pamakassan, in Probolinggo het district Loemadjang ,in Banjoemas de districten Kertanegara en Tjahijana, m Djokjokarta het district Goenoeng Kidoel en in Kediri het regentschap Trengalek, allen verbodskringen dagteekenende van de jaren 1862, 1863 of lö64 , doch die nu, te rekenen van af 1871, weder voor de pacht werden opengesteld , terwijl de betrokken residenten werden aangeschreven om, ter wegneming van onjuiste gevolgtrekkingen, de inlandsche hoofden met de beweegredenen bekend te maken. Deze uitbreiding van pachtgebied, die eene vermeerdering vau het aantal verkoopplaatsen ten gevolge had, waardoor het geheel aanwezig getal klom van 6S1 tot 714, leidde, zoo als trouwens verwacht was, niet tot opdrijving der pachten. Daarentegen was van belangrijken invloed op het eigenlijke pachtcijfer de verhooging zoowel in prijs als hoeveelheid van de vastgestelde tiban-verstrekking. Do Indische Regering achtte het namelijk wenscheiijk om de opbrengst voor den lande voor een grooter deel dan tot dusver uit de winst op tiban te doen bestaan en daardoor de speling in den pachtschat, die van allerlei nevenoorzaken afhangt, te verminderen. Welken invloed deze wijziging op den bedongen pachtschat heeft uitgeoei'end, kan blijken uit de lager voorkomende «antooning van do geldelijke uitkomstender pacht in geheel Nederlandsch Indie. Ook nog in een ander opzigt leverden de pachtvoorWaarden over 1871 verschil op met die voor 1870, en wel door eene afwijkende prijsbepaling voor ïurksche en voor Bengaalsche opium , in verband met de toenmauge rijzing van den marktprijs der eerste en de daling van dien der tweede soort. Terwijl vroeger beide soorten door de pachters betaald werden met f 20 per kattie siram en niet f 100 per kattie tiban, werd voor 1871 do prijs van verstrekking bepaald voor Turksche opium op respectiy,elijk f 25 en f 125 en voor Bengaalsche op respectively 115 en f 115 per kattie. Die gedeelten van Java en Madura waar het verbod van den invoer en het bezit van opium behouden bleef, hetzij °nidat nog geene voldoende grondslagen voor eene beslisSlng aanwezig waren, hetzij omdat niet bleek van een eenigzins beteekenend opiumverbruik binnen het verbodsgebied , waren , behalve de van ouds voor de 'opium gesloten residentie Preanger regentschappen [Indisch StaatsbJad 1824, n°. 44, en 1827, n°. 46], in Bantam doafdeeün»en Pandeglang, Lebak en Tjeringin [Indisch Staatsblad N°. g. 2.
1861, n°. 97); in Batavia de districten Djasinga en Tjibaroassa der afdeeling Buitenzorg [Indisch Staatsblad 1862 , n°. 122, en 1864, n°. 158); in Cheribon de zuidelijke Soendadistricten [Indisch Staatsblad 1858, n°. 131); in Tagal de zoogenaamde bergdisiricten en de districten Pangka, Doekoewringin en Tjomal-Kidoel [Indisch Staatsblad 1861 , n°. 97, en 1863 , n°. 127) ; in Probolinggo het district Tenger en de districten Ranoe-Lamongan en Kandangan [Indisch Staatsblad 1863, n". 127, en 1864, n°. 158); in Banjoemas de .districten Poerwokerto, Bandjar, Djamboe, Adjibarang, Daij aioeho*r, Madjenang en Pegadingan [Indisch Staatsblad 1861, n°. 97, 1862, n°. 122, en 1863, n°. 127); in Bagelen het regentschap Ambal [Indisch Staatsblad 1863 , n°. 127), en eindelijk wat Soerabaija betreft, het tot die residentie bohoorende eiland Bawean [Indisch Staatsblad 1863, n°. 127). De vroeger gebruikelijke opium-verstrekking aan het personeel bij de van 's lands wege bowerkte vogelnestklippen in het district Karang Bollong der afdeeling Ambal (Bagelen) is sedert den aanvang van 1862 (zie het verslag over dat jaar bladz. 133) gedeeltelijk, en sedert den lsten Januari] 1864, te gelijk met het algemeen verbod van invoer en bezit van opium in de afdeeling Ambal, geheel gestaakt. Deze staking wordt gezegd geen nadeeligen invloed te hebben uitgeoefend op den gewonen gang van zaken bij den vogelnestpluk, terwijl de taak van het bestuur om het opiumgebruik onder Ambal te weren daardoor zeer is vergemakkelijkt. In het district Karang Bollong was het verbruik trouwens reeds van oudsher verboden. In het gouvernement van Sumatras Westkust bleek het in 't laatst van 1861 over een uitgestrekt deel van dat gewest, en reeds in 1858 op Nias uitgevaardigd verbod tegen den invoer en het bezit van opium insgelijks oen maatregel te zijn, die, wel verre van aan de beoogde wering van het verbruik te beantwoorden, aanleiding gaf tot een de bevolking demoraliserenden sluikhandel. Van de algemeene magtiging, blijkens het vorig verslag, blauz, 98, door het Opperbestuur verleend , om in zoodanigo omstandigheden tot intrekking van verbodskringen over te gaan , maakte de Indische Regering bij ordonnantie van 9 November 1870 [Indisch Staatsblad n°. 170), nu ook voor Sumatra's Westkust gebruik, ten gevolge waarvan het pachtgebied aldaar, te rekenen van 1 January 1871 is uitgestrekt tot de residentie Padangscho Bovenlanden, de adsistent-residentie Mandholing en Ankola (residentie Tapanoli), de districten Kau, Panti, Loeboe-Sikapping on Ophir-districten (afdeeling Aijer Bannies en Kau), hot zuidelijk gedeelte van de residentie Padangsche Bonedenlanden , zoomede het eiland Nia3. Tegelijker tijd werd in het stelsel dor pacht eene belangrijke verandering gebragt door de intrekking [Indisch Staatsblad 1870, n°. 171) van het n Reglement voor do opiumpacht voor de benedenlanden ter Westkust van Sumatra, van af Indrapoera tot Singkel en daaronder bohoorende eilanden" [Indisch Staatsblad 1854, n°. 70), on zijne vervanging, naar den plaatselijken toestand voor zoovecd noodig gewijzigd, door hot rcgloment voor do opiumpacht op Java en Madura [Indisch Staatsblad 1869, n". 81). Het voornaamste gevolg van dezen maatregel is niet zoozeer dat de strengere strafbepalingen van laatstbedoeld reglement ook op Sumatra's Westkust van toepassing zullen zijn , dan wel dat voortaan aldaar , even als op Java en Madura, de opium van 's lands wege aan de pachters zal worden verstrekt, terwijl dezo tot dusver, zoo als in de meeste overige buitenbezittingen, als daartoe uitsluitend geregtigd , zelven in den aanvoer on inkoop voorzagen. Bij do regeling der wijze en voorwaarden van verpachting, die nu voor het jaar 1871 niet meer door het hoofd van gewestelijk bestuur, maar door den GouverneurGeneraal geschiedde [Indisch Staatsblad 1870, n°. 177), werden dan ook geheel dezelfde beginselen als voor Java en Madura gevolgd. Do geheele tiban-verstrekking voor de drie pachtperceelen (elk hst gebied van eon der drie residenten uitmakende), werd ditmaal op het lage cijfer van 1020 katties, en het aantal verkoopplaatsen op 21 bepaald. Op de Batoo-eilanden (tot het pachtperceel Padangsche Benedenlanden behoorende) zou voorts na 1870 de opiumpacht niet meer zamengaan met die der zoogenaamde kleine middelen aldaar. Do geldelijke uitkomst dezer nieuwe regeling ter Su
35
138
matra's Westkust voor het eerste jaar, wordt zeer bevredigend genoemd , daar de pacht in 't geheel f 63 000 meer opbragt dan in 1870. Gedurende 1870 werden in dit gouvernement 26 opiumaanhalingen geconstateerd, te zamon eene hoeveelheid betreffende van circa 31 katties. Omtrent den aanvoer van opium in entrepôt aldaar, waaromtrent tot dusver bepalingen voorkwamen in do artt. 19—25 van het afgeschafte pachtreglement (Indisch Staatsblad 1854, n". 70), werden bij ordonnantie van 21 December 1870 (Indisch Staatsblad n°. 196) nieuwe voorzieningen uitgevaardigd in den geest der te dien aanzien voor Java en Madura bestaando bepalingen. Voorstellen werden gedaan om in de adsistent-residentie Benkoelen — (waar van af 1863 (Indisch Staatsblad 1862, n°. 110) het verbruik in P/7 gedeelten van het gewest is verboden)— den invoer en verkoop van opium geheel te verbieden , zoomede om in de residentie Zuider- en Oosteratdeeling van Borneo verbodskringen in het leven te roepen. De Indische Regering achtte echter de inwilliging van een en ander niet raadzaam. Uitwijzen s de bijlagen litt. X en Y hierachter, bevattende nevens andere gegevens eene gewestelijke aantooning over 1861), 1870 en 1871 van de geldelijke uitkomsten der pacht, afzonderlijk voor Java en Madura en voor de buitenbezittingen, is het nadeelig verschil der opbrengst van laatstgenoemd jaar hot meest belangrijk wat betrek de rósidentien Bantam en Batavia (met Krawang) , Djokjakarta , Madioen en Riouw , in welke gewesten de pacht voor 1871 ruim f 900 000 minder opbragt dan voor 1870. In de drie eerstgenoemde residentien , bij ordonnantie van 7 December 1870 (Indisch Staatsblad n°, 187) tot e'ën perceel vereenigd , nadat de verpachting voor het perceel Batavia alléén totaal was mislukt, beliep het hoogste bod f 236 040 minder dan de perceelen Bantam, Batavia (zonder Krawang) en Buitenzorg voor 1870 hadden opgebragt. Dit resultaat was het gevolg van eene fusie der partijen ,
welke elkander in de laatste jaren het bezit dier pachtperceelen betwist hadden, waardoor ditmaal nagenoeg geene mededinging bestond. In de residentie Djokjokarta bragt het middel eerst f 25 200 meer op dan voor 1870. Pachter en borgen bleken echter niet solvabel te zijn , zoodat tot eene herveiling moest worden besloten. Door bijkomende omstandigheden kon de herveiling niet dan zeer laat in het jaar (27 December 1870) gehouden worden en bleef, door het zich vereenigen van de solide mededingers , het hoogste bod toen f 232 800 beneden het pachtcijfer van 1870. Tot verhaal, zoo mogelijk, langs geregtelijken weg van het nadeelig verschil van f 258 000 tusschen deze en de vroegere uitkomst, overeenkomstig art. 4 van het verpachtingsreglement (Indisch Staatsblad 1853 , n°. 86), zijn onverwijld de noodige stappen gedaan ; met welken uitslag is voor alsnog niet gebleken. In de residentie Madioen bleef het hoogste bod f 293 400 beneden dat van 1870. Het in laatstgenoemd jaar verkregen pachtcijfer was echter bijzonder hoog, en is het zelfs aantenemen dat de toenmalige pachters hebben schadegeleden. Het voor 1871 verkregen cijfer was intusschen nog hooger dan het gemiddelde der opbrengst in de laatste 15 jaren. In de residentie Riouw bragt de pacht ruim f 138 000 minder op dan voor 1870; te dien aanzien valt echter op te merken, dat de pacht voor 1870 (ruim f 157 000 hooger dan voor 1869), ten gevolge van te hoog gespannen verwachtingen nopens den invloed der met 1 Januarij 1870 plaats gehad hebbende uitbreiding van pachtgebied en deiverstrekte meerdere bestuursmiddelen (zie het vorig verslag bladz. 100), is gebleken te sterk te zijn opgevoerd geweest, zoodat daarop verlies was geleden. Eene recapitulerende opgaaf der opbrengst van het opiummiddel in geheel Nederlandsch Indie, teruggaande tot op 1855, voor Java en Madura tevens aanwijzende de cijfers van wettig verbruik, opslag in en uitvoer uit entrepot, zoomede het aantal verkoopplaatsen, volgt hieronder.
.*
139
'B
« • H E w 'S i* o
et e
N
» I
'B ««i <ti 9
V «! « 8 " i ft
e •s

' S
S!
sa
es
-s
e
c.
« «4
iZ5
«4
O
<!
«3 - a
'g
PH
O a 0)
p Ö
P< o
ce
C3
0 0
l O to CD CO
CO
co
(M »o L'en »o
CO
CO
CO
CO C i
CO ( M
C J
CS
CO - # O GM GM (M >-i CO lO r~i t CO
CO CO t
CO C i
c -r
o
o o t (N CO O
r^ i—i vra C i r^ l O
IM n> c CO C i O»
CO
0 0
o CO
t> Ci
(M CO co C i t
CO CO co
»ra 0 0 o I M CS
co CO CO co
CS
o
- H
CM CO CO N o e» o C » o
t-00 co CO co o o
o ( M T *
0 0
i r a
co -i'
CO c-o
I M
co
C i CO o o
CO CO co oo t»
CO IM i > co CM
00
I M o
t
C i (M o C i
o (M Ci
(M C l
o o CO o co I M co CO oo Ci
o GM o CO CO
Ci
c CO c [ M
CO o
C i
o o » co
co
CO
0 0 •SM CO o CO I M
i O i r a i r a CS
o h . o CO
CO
CO
CO
CO
CO
O Ci -=* o CO C i t ^ CO (M CO E co
CO
I M
CO
o CO
T * o
o o (N
o
a CC
P H o
S a 'Ei o a a >
* B ° i > PH " H 03
<o P H
-3 °
IM r-o o CO
C i (M
O O C i C i
( M
CO
oo o CO CO CO
o
o CO
c o ira O IM co • * - ^ -*ti ira co c i
I M
C i I M o
o
I M
CO
©
o (M C i o o CO
o
o
o CO CM CO CO CO
o 55 ira r> CO ( M
C i
o o
C i C i ira (M
C C0 CO »o o t
o CO t> o IM CO
Q CO T-H e-i O CO
co (M
M O i I M i r a o CO
ira 'M co t-» m co co >o t>. t>. T-i co co
CO r-» 0 0 ( M CM r H T H r - l — I T H
66'« ig o ,—i co C O ' o 60 CO
60
Ç f t O ) O — i O S T f CO C O s O CO CO
(N o
• > * CO t— C i CO T-t
CO GM ( M CO O CO r-< CO T-H T H CO
CO - * CS CO CO C i »n tt*.
—i o o »ra co co
3 8
CO t>" t Oi co t ^
c;
'H O H
C CO r/j § ffi"S
fccg
2 60 a -_•_. S c ^ A -i« • O > f g .s a a ,
" * * YO CO O CM •*)< CM • * r H
( M CO O CM co co
CO . S ' o ^H I M Ä f l N
Sco
( M CO CO
^ 'o CO .2:2 co O -a p, co C0 CMCN ° CM g ^
CM O
CM CO
1 ^
GO
O CO
o o co co co
GM O
^ CO M
T—« »-( t
O o
t> CO
C i o o
00 t »
o
C i CO CO C i I M
GM CO
O co
o o
o t>
CO t -rH O L>
S-3 3 ^ ci ~i o 5 ^ i i
% S S - t. &
c! _ J ^^ > ^ O 3 -a k2 ?>' 3^3 a & S
• 6 § & S S . n ^ H ^ i f t .s ^-î
•N a a v f
o
C i CM
CO CO GO
C i CO C i
CO C O
co i r a o CO
co CO e oo
CO C i O IM CO CO t C i • * M< i O
co C i o
CO >ra t
" * • * ^ t i - * - * - *
(N CO CO •ra
1 8 1 0 es TH
es
03 18 t »
05 10 CO
CO 18 00 v
O CO 05 rH (M
CS 00
M to CO • H "* o CO
18 «O 00 o eo oo
r» co 05
03 «0 S3 m f0 03
O !-• 03 0 3
« r 2 01 ^
0 0 ci ce
-H H CO <» M
0 a O a co a co S ' H c a g
• H CS a _
C M ^
• *
^-v CO "2 co 1 0 CO co 2
0 s
cp " f 00 a UO CO 00 'i>
0 . 2
GM «
l > o \ l
>io S CO =2
CQ
CO CO CO
B
t l * p—1 C O 0 - * t* ira gg ' I s 'o co « —i
CD O "3 U - * CS C O ce co 1 O > CD
' u co ce t>
& c o d) CD no 00 T—(
J>S O l O
c o
3 O
CD 6C
o c3 PH
CD 1 «
IH O O *5 ce ce
ce PH
a ce >
CD ' S .S 'S
ÄS a
CD • • d
o , a
CD
fcb ce
CD 60
60 P
1 3 a
a ce ' O
a CD 6 0 a ^s
6fl
m 6 0 a o
o
S .5 'E. o 1 B 58
' C D 'U
•- a
co GQ
CO CD -"H > CO «1 co -ai u T 3 P-< s * > ^
as § g I eu a « S * = 6 "
a ^ S a Ol o L> U 3 6 0 O O o
a a ce 3 ce «o a o
CD CD § M T O CD a i O ÇQ ffi CD 6 0 F »
F » r S
- 3 a - a w ce s p.. ° 44 a a 4<Î
P . » . 2 I M
> 0 > "
60 ?nJ2 F s o g - s
r*4
Ol CD te

a S o CO
•s ce p*
•n
60 .S 'a 6 0 CD
m ' O _ 6 0 'S
CD 60
CD ' O
a . CD
a 03
P-i O
CD
• a *
' O CD O a
a CD 6 0
o o o
GM O
~ CD
O ~.i
~-^ a
PH r2 • "S 13
CD
_CD CD CD rn ^> 60jq a
a O l & CD —> h CD 60'O
1 +s —J ce
• o * ^ .S o
- " . 6 o 5 3 £ a Ç D C O
», C3 a 'O r2f"3 > o S .5 ^ ri J> â S ß r? =s P o x b') ci Sc. a 1» >a « ïï ^ ,• œ « a t^Mv
CO " W
^ ^ C l a ' o o o
< CD (H
60 P
§.2
CD .P. ' i a :ai •' o
m ' O CD
S ' S. 2 ÏJT? S a a " 3 4 3 t2 ^ ' ^ 3 ^ - s ce S ' a [_, » S « " " ^ ^ M S S ? <n CD P-1 CD o . 2 : c r i - a q o PO m>s« o
140
Omtrent de uitzending van Levantsehe of Tiirksche opium naar Indie (zie vorig verslag bladz. 100), kan worden aangeteekend, dat voor 1870 in 't geheel zijn uitgezonden 650 kisten, voor een massaal bedrag (met inbegrip van allo kosten tot Batavia) van f 1 609 535, zoodat de gemiddelde prijs per kist bedroeg f 2476,20. Bovendien werden 83 kisten voor permanenten voorraad aangeschaft, waarvan de kosten te staan zijn gekomen op f 219 926, dat is gemiddeld f 2649,70 per kist. Van do voor 1871 benoodigde hoeveelheid waren op 1 Augustus jl. naar In die verscheept — met inbegrip van de 126 kisten aan boord geweest van het stoomschip Willem III (zie bladz. 82 niervaren) — 346 kisten, waarvan de kosten beliepen f 705 269, dat is gemiddeld f' 2038,35 per kist.
Andere verpachte (kleine) middelen. Vooral871 hebben ds pachtvoorwaarden van de zoogenaamde kleine middelen op Java en Madura geene wijziging ondergaan. Echter heeft ten opzigte van een dier middelen (de tolbruggen en overvaarten) het pachtgebied uitbreiding verkregen door art. 3 § IV van het Indisch besluit van 7 Junij 1870, n°. 1 [Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 2332), waarbij werd bepaald, dat alle op Java en Madura nog niet verpachte overvaarten op de groote post- en binnenwegen (tot dus ver hetzij in heerendienst bewaakt — en dan zonder heffing van overvaartgelden — hetzij, door gegadigden op eigen risico geëxploiteerd), voortaan, te rekenen van 1871, zouden worden verpacht. Dien ten gevolge zijn thans, in stede van in 7, in 15 gewesten de overvaarten verpacht. In de 8 residentien, waar de bediening en het onderhoud thans voor het eerst door pachters plaats hebben, heeft de pacht gezamenlijk opgebragt f 20 904, terwijl in 4 andere gewesten, waar het getal der to verpachten overvaarten, als gevolg van den maatregel, vermeerderde, voor de bijgekomen overvaarten te zamen geboden werd f' 9846. Wat betreft de pachtvoorwaarden der kleine middelen in de buitenbezittingen, ook deze zijn voor 1871 dezelfde gebleven. Alleen werd, blijkens Indisch Staatsblad 1870, n°. 70, ingaande met 1871, eene wijziging gebragt in de voorwaarden voor de pacht der toptafels te Amboina (Indisch Staatsblad 1857, n». 105), waardoor is komen te vervallen (als vaak aanloiding gevende tot storing der goede orde) de bepaling dat van deelneming aan het spel onder anderen waren uitgesloten de inlanders , niet oorspronkelijk in de residentie Amboina te huis behoorende. Een vijfjarig overzigt van den uitslag der verpachting van 's lands kleine middelen volgt hieronder. Over de drie eerste jaren zijn tusschen ( ) tevens opgegeven de sommen na aftrek der pandjespacht, sedert 1 January 1870 afgeschaft. Gewestelijke cijfers over 1869, 1870 en 1871 voor elk middel in het bijzonder worden ten vervolge van vroegere aantooningen hierachter aangetroffen in bijlagen litt. Z en AA.
tJ^^U-iUUMAM
(1) Zeer onlangs is aan den Gouverneur-Generaal het denkbeeld -van eigen heffing- (door tusschenkomst der dessahoofden) ter overweging aangeprezen, op hoedanigen voet de slagtbelasting thans in de Preanger regentschappen werkt (vergelijk liet lager aangeteekende op bladz. 113).
Jaren. Java en Madura. Buitenbezittingon. Totaal.
1867
1868
1869
1870
1S71
f 1942 392 (1598 280)
1911924 (1 563 084)
1 938 696 (1 614 900)
1734 924
1 733 778
586 057 (553 989)
650 943 (620 198)
576 994 (545 359)
571068
594 204
f 2 528 449 (2 152 269)
2 562 867 (2 183 282)
2 515 690 (2 160 259)
2 305 992
2 327 932
Do meerdere opbrengst over hot loopende jaar, in ver' o-elijking met 1870, ten bedrage van circa f 2 2 000, is alleen In de buitenbezittingen verkregen en wel voornamelijk in het gouvernement Celebes, waar wegens het zich niet vereenigen der gegadigden de mededinging voor 1871 levendiger was dan gewoonlijk. Eene betere regeling van de voorwaarden voor de runden buffelslagt op Java en Madura wordt in Indie voorbereid (1). . Hier te lande zijn voorstellen in behandeling om de pacht der sterke dranken voor Java en Madura te vervangen door eene verbruiksbelasting op in Nederlandsch Indie gestookte sterke dranken.
b. Onverpachto middelen en inkomsten.
Inkomende en uitgaande regten. Nadat in de vier voorafgegane jaren 1866—18G9 (alle onder de werking van het met°l Januarij 1866 ingevoerde nieuwe tarief) de regten' ontvangst op Java en Madura was gedaald van f7 120 313 tot f 5 027 577, werd in 1870 eenige vermeerdering waargenomen, ten bedrage van f 153 676. Daarentegen bleet fn de buitenbezittingen de teruggang in deze inkomsten aanhouden, zoodat —terwijl het jaar 1866 eene opbrengst aanwees van f 880 092, welk bedrag (behoudens eene klem» vermeerdering van ruim f 14 000 in 1868) achtereenvolgens was gedaald tot f 790 051 in 1869 —gedurende 1870 mei meer ontvangen werd dan f 699 549. De oorzaak der vermindering in 1870 is uitsluitend het gevolg van den min' deren uitvoer van koffij ter Sumatra's Westkust. De bestanddeelen der hooger bedoelde ontvangsten blijken uit de volgende vijfjarige aantooning. De reeds bekendo uitkomsten van het loopende jaar getuigen van vermeer' derde ontvangst (2).
(2) Volgens do jongste (na t Augustus jl. hier te lande bekend geworden) opgaven, werd namelijk ontvangen (met inbegrip van het consumtieregt op tabak, waarover zie de volgende rubriek): op Java en Madura van 1 Januarij tot uit". Mei 1871 f 2 263 603, tegen f 1 941 -179 in hetzelfde tijdvak van 1870. De jaren 1869, 1808 en 18b< gaven voor bedoelde vijf maanden respecthelijk f 1802 6.97, f 2 284 599 en
"in de buitenbezittingen van 1 Januarij tot uit". Apiil 1871 f 299 9« van 1870, 1809 en 1808 respectively1» en gedurende diezelfde maanden f 274 834. f 210 710 en f 277 250.
141
:ÏÏ*
FH
câ J*
ns 0 08
• a r» CD
. O
ÏC w w fcs.
w H
c3 C3
3
H
d
-S * 6 0 » <D P 5 S
"5 ö PH 'o
A l o
B 13 r< o > S.
O 6 0
B O s
eu H
3 3 •S
• 1-1 53
cS PH
CD ' O a
60
a o -Ml 60 a> M.
r H CO
O CM 1-H t >
C i © »o o 0 0
CO
r H
CO
i n
CO
t a
o. vo
( M o i r a
CM CO rH C5 00 O O C5 CM
O CO 00 oo co o 00 CO 00
1-1 C i »ra -# O ira O C i CO i t > ÇO
r H
i r a
r-t co CM
0 0 0 0
O 00 ira CO C i C i ira © rH rH O -rX ira t ira
CO eo 0 0 o
o 0 0 r H
CO
C i r H CO
O
i r a HO
C i
c i r a
V O
13
O 00 CO CO C i rH ira ira O - * ( N -** ( N 00 CO CO eo " # ira co - * (M CO t » SM SM rH
m CM eo o CM
O ta CM ^* O
t » o ( M
WO t a © t >
0 0 CM
r H CO CO
CO
( N CO C i t » CO ( M !>.
t a CM C i as 0 0 0 0
eo co r H
O
0 0
© co Ci CM O C i O CO O oo c» ta 00 C i rH 00 tt»
•i
e. eo C i t»n C i
•eW C i o CM -* r H
C i OO r» t ^ o CM
0 0 T-i o SM ^ H SM
t a m i a
r H CO OM

ßq o o eo co o oo eo ta Ci -rH O O ^H - * —< co co rH m eo
i r a o
SM eo
co CC C i
•rH O
CO
o eo
CO CM
CM
- r * O CO
CO
t a
CM
o C i CO CO -rH C i CM
O CO r H
O UO -*
T * CO l O ta t a CO
t>-* r H
CO CO i a
c SM eo m CO T H
eo t a V«* i r a eo
a> 1 3 H O a
- M
3 M
B CD
6 0
U
* H P3 -«1 i-o
CM 0 0 CO
CO CO
CO
0 0 eo CO
r H
C i
i r a
en o o CO »TS •<*
CO o 0 0
-rH O
• *
Ic»
CO
CM CO o -*
o CC CO
CO co •"*
CO CO vO
CO o »o
o ' M c-. CO -rH co
K S 0 0 r^ co
co
CO c~: CN l > -* CO
t » CO co
oo CO oo
c» CO 0 0 o r» 0 0
CC CO 00
CD .3> u o t» a 03 t»
00 Ci o o
a cS
1> O)
o o
a o >
60
60
T3 n
C3
O o >
a B Si
6 0
C5 60
3
r « m 3 J 3 r * Cl &
I B
PC
C o
CO CM
• *
t a
a
t u 01
Cl ' d fl cS 08 60
3 m a a) 6r: a> is
m t ~
5 <
to u
r3 0 H O 44 a
B O 6 0

t )
C6 ci
1.
B
f-11 a es
B o
6 D ' B 3 h 60 -2.2 "S a ci > .2 M l-H
&
J«!
"o
. V O
r H
•rH » O C u
CD Fi eS N
+ j * t » r» r H
C M
S a> r * «* t > ^^ • *
C M
CM
C M
; r j "3 r*
O CD C-, CB CD M e o M
<
CS cS • • - »
-M» CS
O
6 0
U
<x> > o
1 3 B 03 -a B
B O r d o u CO t»
- M l
T I

-M>
CO r B
6 0
to
- M
u CD
O
T 3
CD
CD
^ 3
CD > a 'S
CO oo
a >
M , o
CD Q
H
• i-<
c3 r— Ä c3 g B CD
03
03 •-o
M O O r» O t> 00
B CD
C73 eo CO r H
CD t» O
CO
03
O
B
CD
6 0 CD
H
1 3
- M l
O O
CD 1 3
B ca r
6 0
03
to a
M -^ M g a & e ?
14 5 S "3 g to
' M M J
6 C - M c a 'S a
- M CD 'S, 60 r/j C U
B
N°. 8. 2. 36
É
142
13
03 •a
o &D
-o
a
fcß
o . O I '3 . O CD 13
CD
,
CD 'a '3 N
•ngjS
a
i
P — 1 J5 3
o S
(D -a
Ï5C a o
S 03 KH
m *ç3
03 a B 02
c <D . a es
O H
6 0
*<D
•afde
van
(D
to o O
C O -4-3 s
. 03
03 w
,_3 0) a o M
&o a 03 a o « fin
p -2
'S
H o 'S o r * a o W
m 3 M
a j O te: r~
O tD a
W
•Jtinqsiiiipi'Bj -o 3.1 epatt-aS} [n •? •u9}cOJ epnainoï[nj •»
fe &3 PS < 1^9 i
ia CM CV C l GO CO
C M
O l O CO co
1 " ^
CM
C l eo O l t > T - l
« M
C l * M l > I >
« M
t co t> 1~*. T H
C M
m eo • * co T—1
CM
oc~ t ^ C l
CM CO
C M
00 t
C M
C l C l t>C0
c «
CO T H CM §8 CM
8
o t>. eo
l O oo 0 0 C l
C M
S CD T—1
CM
C» eo O CM -cH
C M
" ~ C N ~ t > (M
O l O T H
C l T H
C M
~TH"~ t » O m
CM » O
T H l O CO
C M
~ ~ T H ~ ~ t ^ TH CM
00 »-H O l
C M
""ôo~~' CO T M
T H 1—i 00 co
C M
~ C N ~ "
O l c i O o CO
C M
C l oo . t > co CO TH
htS
• W W S3 TH
Ä
R
J .
5;
R
s
CO T—(
l ^ CO c; co
o
CM T — l C l O T"H
T H ( M C l t>
O t > t > t > CM
O CO (M t ^ i-H
l O O l TH
CM oo
S
o ~ C l
T M
TH
T H ~ " O O 00 i r a co
«
CO CO r-1 O t 00
t o o M 1—1
I O 05
CM C l c i t ^
~~3o~ CO
» » C
t > CN
CM
CO i-H i-i co CM
~ T H ~ T H 0 0
i r a
o
TH
CO
Iffl
T—1 c i M
R
S
O C l i—i
T H
K
T H t > CO
M
" o
TH CO t» T H co
^>
L'» «0 CO TH
ft

&

s

" o " CO o CO
C3
O 00 •n*
00
co 1-4 o o 1—1
C l ( M r-<
O l CO
o ~ CM oo eo 1-H
K"" ,m co
CO
CO CM
/
-*~ CM T f
CM
CO co TH o CO CM
s
o CM
CO OO
TH
I H I O 00
T?~ eo
r• > * o o »M
" ~ ^ t ^ eo
. H T K r-* & S2.
CM i—1
TfH 1> T h CO t—1
-* m CO TH
T H CD r H
O T H
~ t ^ ~ " O 0 0
CD en T H
CN co tM
oo O
I O
CM
T H co
CO t 1—1
C l CO
~ o O l CM t ^ CM i O
i ^ .
05 Cffl CS -*
e

s
B
r
s
^
CO \a T H
T*1
1 — <
O
•m t » i > CM
i - <
éS" T H 1-1 O
eo co TH CM eo
eo TH TH TH M
T H ~ co «o 00 CO
CO
»o
1 T—i r— t-CM
CO r> o o o CM
ä
eo § o g
O O O l CM
i O CM »-t
CD l « t—1 O r
CO T H
00 co T H (M eo
"~~>a~~
T H »—I C l
C l 1—1
»M t ^ T H I O
CO t >
C l CO
~~co~~ IC3 O
T H
CO C l T H
i-H
CO C l
o CO t > CM
CM CO i—1 O
CO
f ~ CO CO t^. »ra T H
< }
35 CS es T H
"
»
K
R
=
p
C
O l
C l 00 T T
I O T—1
u
CO C D O l CO r H
ST t > o CO MH
~êT o • CO
CD CM
éo~"
T H T H >ra T H
T H CO CO
C l
00 o i a
co~ 16 C l co
i r a L-~ t ^ CO CM CM
CS
e> O l o i r a I - H
CD t > T*
T H
~ ~ o " »-H (M
(M C » i r a eo T—f
T H
r~ o oo CO CM
00 C l r-»
C l eo eo co CM
CO O l CO t >
CO eo CM o ira
C l CO 00
— CN O
1—1
>ra
i t ^ m o T H
~S
[ ^ co 00 _, 00 ira
-N t > C l -H TH CO
< i '
e ** TH
«
£
i
s
s
E
O T H T—(
CO T M
O
co i-H
d) > O •a 'o 0 d
143
De terugbetaalde regten in de buitenbezittingen waren verdeeld als volgt :
G E W E S T E N.
Sumatra's Westkust
Benkoelen
Lampongsche districten
Palembang
Moearah Kompeh
Banka.
Billiton
Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo . .
18G6.
6 582
38
1887.
5 317 f
2
18G8. 1889. 1870.
118
194
2 901
8 761
69
»
991
3 809
87
629
9 833
861
6 180
498
27
f 10319 9 552
13 305
149
H
1 005
34
953
104
f 15 550
Omtrent de vereischte herziening der tariefwet voor Nederlandsen Indie [Nederlandsch Staatsblad 1865, n°. 76, Indisch Staatsblad n°. 99) werden in Mei jl. de adviesen' ' fan den Gouverneur-Generaal en van den Kaad van Indie Ontvangen. Daar een nieuw tarief onmogelijk met 1 Januarij 1872 zou kunnen in werking treden, werd de werking van het bestaande bij de wet van 24 Julij 1871 (Nederlandsch Staatsblad n°. 89) met één jaar en alzoo tot 1 Januarij 1873 verlengd. Met betrekking tot de opvatting van een paar artikelen Jan het Koninklijk besluit van 1 December 1865 (Nederkndsch Staatsblad n°. 131, Indisch Staatsblad 1866, n°. 14), houdende bepalingen omtrent de certificaten van Nederhxndschen oorsprong of bewerking, vereischt voor de betaling van lagere invoerregten in Nederlandsch Indie, werd l« 1871 beslist als volgt:
1°. dat de afteekening der certificaten door de ambtenaren der inkomende en uitgaande regten, welke volgens aït. 12 plaats heeft »bij de inlading ten uitvoer".^niet «erst behoeft te geschieden bij de dadelijke inlading in het Zeeschip maar ook is toegelaten bij de eerste in-of oplading 'o ligters of andere vervoermiddelen, waarmede de goederen Daar het_ zeeschip worden overgebragt; eene beslissing yooral niet zonder belang voor de stoomvaart tusschen Nederland en Java, waarover zie bladz. 82 hiervoren ;
2°. dat er in het algemeen ook geen bezwaar tegen ^staat, dat op de lijst, ingevolge art. 3 jaarlijks in üanuarij door de gemeentebesturen hier te lande op te •^aken van hen die het voornemen hebben te kennen gel d e n , om goederen ter verzending naar Nederlandsch lndie te vervaardigen of te bewerken, alsnog de zoodani§6Q worden geplaatst, die zich later dan in de genoemde maand aanmelden, (i)
Consumtieregt op talak. Behalve de inkomende en uitgaande regten op tabak in het algemeen, wordt op den Javaschen tabak bij eersten uitvoer over zee van een deigewesten op Java en Madura (met uitzondering der resi dentie Batavia), naar een ander op dezelfde eilanden onder den naam van consumtieregt, eene belasting geheven 'van
" «9P61'<7P? V a n 8 p i k 0 l s Vndïsch Staatsblad 1826, n . o4 en /o).
w I n + d e b" i tfn b e z i t t i ngen. nw-t name in de residenten Wester-en Zuider- en poster-afdeeling van Borneo, wordt eene dergelijke belasting, doch tot een hoo-er bédrae geheven op al den daar ingevoerden tabak. Uit het volgende vijfjarig overrfgt blijkt, dat de op?fS^' z o o w e l l n genoemde buitenbezittingen als op Java en Madura, gedurende de drie laatste jaren is toegenomen ofschoon het cijfer van 1867 dat van 1870 no- overtreft '
fcÜz Vermelding- verdient nog de ordonnantie van 5 Junij 1871 {lnf lio 1 ° '"» * * " " " " " ^ ö L*1-' uinuiiiioiltic Vtlll 2i> Ü Ulli J l ö ' / l ( ä t e V .ß n°" 9 5 )' h o u d e n d e vaststelling, onder nadere goedkeur de i'14011111!?3' van- "Bepalingen voor de stoomschepeu ten aanzien van tossing en lading der goederen". De strekking dier ordonnantie is *W v o o r r e g t e n r e e d a s e d e r t jaren , krachtens administrative aanschrijïè« r i-*6? . %?noten doOT d e stooraschepen tot ds pakketvaart m ' indischen Archipel behoorende, uit te strekken tot alle stoomschepeu ;'aBi ,r OOK komende, en wel hij wettelijke verordening, Aan 'Ie ^sTe algemeene voorziening, waarbij zooveel mogelijk gestreefd is naar an lSr™11,? van alle beperkingen en formaliteiten. die de vrije fiewee-inff Hofft Y,erkeer d e r stoomschepen belemmeren, deed zich ten zeerste de «M 8"evofïeP n u t a , s e T en gevolg der opening van het Suez-kanaal, stoomvaart tusschen Java en Europa mag verwacht worden eene
J A E E N.
1866
1867
1868
1869
1870 (1)
Java
en Madura.
f 79159
92 816
80 402
81024
89 410
Buiten
bezittingen.
f 22 580
28 025
18148
21541
24 229
gioote ontwikkeling te gemoet te gaan. Te gelijker tijd zijn de vermischte maatregelen genomen vooreeneuitbreidingvan personeel én localiteit bij de tol-en recherche-dienst te Batavia ( 7 « t ó Staatsblad mi, n\ 96).
(1) De reeds bekende cijfers van 1871 bedragen voor Java en Madura (van 1 Januarij tot uit". Mei) f 37 840, en vooï de residentien Wes'erfno£n f~ e n Uo3teraftleeling van Borneo (van i Januarij tot uit". Acrin an 1870 * r e S p e C t l v e l iJ k f 4 3 8 3 9 e n f 1° m i a dezelfde tijdvakken
144
Andere belastingen en inkomsten. De in het eerste semes- I ter van 1870 in Indie onderhanden genomen arbeid tot verbetering der belastingen, is sedert ijverig voortgezet. De met dien arbeid onder de onmiddellijke leiding van den Gouverneur-Generaal belaste hoofdambtenaar heeft achtereenvolgens ontwerpen gereed gemaakt tot eene betere regeling, behalve van de landrente, de bedrijfsbelasting en°eener belasting op sterke dranken (waarover zie bladz. 67 , 71 en 140 hier voren) ook van de volgende middelen, als : het regt van zegel, dat van successie en overgang onder Europeanen en met dezen gelijkgestelden, de verponding, de belasting op paarden en rijtuigen en het hoofdgeld der Oostersche vreemdelingen (1) (de drie laatste middelen alleen met'.betrekking tot Java en Madura); terwijl ook eene ontwerpordónnantie is aangeboden tot afschaffing der belasting op het verkrijgen van Nederlandsch-Indische zeebneven voor in den vreemde gebouwde schepen (Indisch Staatsblad 1854, n°. 17). Over deze verschillende ontwerpen wordt thans het oordeel der betrokken autoriteiten ingewonnen. Het ontwerp betreffende de landrente heeft reeds tot eene Koninklijke beslissing geleid ; dat betreffende eene belasting op sterke dranken, is thans bij het Opperbestuur in behandeling.
(1 ) Thans op Java alleen bestaande in de residentie Batavia als pacht en in de Vorstenlanden als eigen heffing.
Omtrent de opbrengst van eenige der opgenoemde middelen en van andere tot den werkkring van het departement van finantien behoorende bronnen van inkomst (voor zoover niet reeds hiervoren afzonderlijk behandeld), volgt hieronder een zesjarig overzigt (1) ter vervanging van de vijfjarige statistiek in 't vorig verslag, die op verscheidene punten minder volledig was. Waar zich dan ook bij vergelijking der tegenwoordige cijfers met vroegere opgaven verschillen voordoen, is dit een gevolg van sedert mogelijk bevonden verbeteringen. Later zullen de^ opgegeven ontvangsten van 1870 vermoedelijk nog blijken verandering te hebben ondergaan. In het overzigt is niet meer opgenomen het hoofdgeld van inlanders en vreemde Oosterlingen, ter hoofdplaats Palembang, waarover zie o. a. het verslag van 1869, bladz. 103. De opbrengst dezer belasting toch is geheel van plaatselijken aard en wordt, ingevolge een^gouvernementsbesluit van September 1854, in de daarbij opgerigte stedelijke kas gestort.
(1) In het tegenwoordig overzigt is ook opgenomen de »verkoopvan gronden" als in 1870 nog behoorende onder het departement ;van finantien, doch sedert (vergelijk hoofstuk H) gebragt tot den werkkring van het departement van binnenlandsch. bestuur.
145
(ƒ) 'arpui TjospuBj - j a p a j l a; napBipuB[ na -arjnapisaj ap fiq uassaoojd ajiAto ap do Say}SB[ag;
•(65 \ u '1&8J pvpjstvvfg yasfpuj) ' apuanBA uapuBi aja;rnoi}jBd do '^noq-ivefp U B A doo5[ -J8A uap j o laoAim nap do aiiraSooa^j;
"(LI '„u 'tS8l pvjqnvms H0SW ~uj) uadaqos apA\noqaJ§ apraaaJA uap u i JOOA uaAauqaaz aqasipuT qaspuB[ - i a p a ^ UBA naSfusfjaA ^aq do SmiSBiag
'(SE 'o n '158> Pm -t}W)g yasipuj) -jqoBcljaA utiz ^atu aip JBBAA jBBp : BJnpBjç ua BABf do ria[ads aqosauiqg UBA uajads ^aq JOOA uariuaoirj
•BABf do uapuBiuaiSJOj^ ap
u; uaSui[ja}soo apureajA j a p piaSpjoog;
•BABj" do uafijapuB[ ajaiinoiiJBd jap SJBBZBq ap do Sui^sBiag
bc fl cd bc 3 > o
Ç
CD "iß CG CJ CJ CJ 3 w a ci >
+ 3 bc CP rA
i * 'S ä
<D Ofl CD a
<> t i
O CO n3 o «S °
a" a 0 ) QJ
•»§•01
s as5
P CD H bD
•n c CJ c j •** « S o 2 CD o * SP bc ^ 3 -S
"ia fe ** cd * J a P J
M d d «D 03 CD i > > * *
S .s f § f .£, *c f ' » S bc .-a "£ CJ O 03
M * 2
^ ^. CD CO fl ' S t 3 Ü 2
i zegi
biteer
na afi
lectek
. 3 CJ i—• CJ rr) CO O r-j cj ^ ° M bc bc a — CJ CO N t »
9 *• S co y bc S Ö h fl ça tu o3 & T3 i-itf A' rg O a CD i >
0 J» S
| * J d g S S S 'O J? » a
fl J. s CJ ,-+^ CD .-i S bc 3 s .a m -° •» C« ca g
s
CJ -i d .•e 'S bc 3 S .S w -0 -s • g 3 S S 'S iS * « ., g
s J. g •§ 'S bc ' 3 cp 3 Ä * »
eä g a
^ cj eö
a 1 a
.•a ' N b c a ® a m -° ^
ca g 5 8 1
a 1 a" S +> CD tï "N bD a CD c; s * "
cj g 3 S 8 ^
(•^uaniajifoj-sânuaJcte'a; 59 *^xy) •u9J8i|noT^jBd U^B napuojS UB A doospsA
bb .9 'S ^ a S p . f i CD >
1 a 1 a CD * Ü © « .-S 'S bo-^ S g a n ^ '43
S3 03 Ü
o3 CD ^ 3 Ha »
CD JE a
a u a s J s __ • " f l ' f l O W g . o « ^gg «4 6DcS ^
Ha r 3 bßjaj
a beu a o o3 CD n
"
%
%
»
*
Ï
»
*
*
6
0 1 m CD
CO
e*H
GO » 1 CO t o
S I
a
a
«
*
*
a
0 0 CQ >ra C O
«IH
O O C O
• * ( W 0 3
fe 03 1 cd «i
O 0 CM -*
=*-t
0 0 C O
e»-.
0
0 0 • e
t w 0 0 CO
© 1
«w <o 0 CO
C O
« M
0 0 C O
««H
0 0 O i
CO
K M
0 0
CM
e*H
0 C O © 1
0 1
«4-i
C O 0
C D ^_, «* -** - H
GO
OO
\ © * CO
C O
© »
0 0 C O
C 5 G l
« M
O co
0
C O
C O 0 m 0 0 C D
O O CO O OO
tt-t
C O 0 • *
1 0 m
C*-t
0 0 m -* • H
C O
« M
O O C D
C O
t j - i
• H O •tH
CO CO
C O C O CA
C S O O
» O C O GO *
c?
nfl
, 0
a 'S CÖ
fc
«
»
a
>
*
k
%
*
-* 0 —1
C i
O rG )
O
G l G l
a
*
=
*
^
ft
O CO CO »o co
0 0 0
GO CO OS
bi a
09 fl
C3 <(
0 0
1 0
0 0 C O
0 0 t o
CD G l
0 0
0 C O C D
CO
0 0 C O
0 0 0 1
CO
C O 0 G l
O l
0 0 • *
« H
0 C O CO
G l - n
C O CO 0
0 3
G l G l C O „_«
G l © 1
CO 0 a i
GO G l
O O
" • * G l • 3 1
O O co
C O t
0 0
CO
0 0 - H
i l O m
0 0 C O «* 1.0 C O
0 C O C O
CO
—1 r-co M CO
CD • * 1 —
CO
ai
cû C O CO
bß Cd
1 3 CD
•3 "53 05
*
%
6
»
«
ft
*
*
*
*
i n CO CO
CO
rco 0
CO CO Gl
*
Ä
»
a
Ä
a
O CO t
. 0 CO
0 0 -* o» 1 0 0
bi
' M fl ci -3
0 0
t
O CO
0 0 C O t o
0 0
G l "^
C O 0 C O
C O
C O C O C O
0 0 CO
C O 0 O S ,-H
0 C O c
0 0 t
C O CO * H
CO
eo G l CO cCf» G l
0 C O l-O
C O G l
C O 0
0 *n
C O C O CO
C O r
0 CO
C 5 C O
0 0 CO
C O G l
0 ^
0 0 C D
C O 1/5 r
0 CD CO
*^
0 0 t » CO
1 0 C O
eo m 1 0
0 C O es
r C D CO "^
Öd CS s CD • 0 •0 fl
:co 0
*
*
k
5
*
*
*
*
*
*
0 O S ^, CO
1 0 OS «5J. «* es G l
5
*
»
s

5
C O 0 O S
trC O
0 0
t 0 0
Û
' m a cd <
0 0 CO •<*
0
0 C O 0
0 0
r
co 0
co
0 C O eo
0 C O
CO
0 0 CO
CO
0 C O 0 0
0 C O 0
G l
• * t - ? *
0 0
t 1 0 ^ 1
CO 0 0 G l
O C O CO
G l Gl
O CD C D
CO 0 0
C O 0 E
l O es
0 C O 0 0
t
0 0 es -* CO
ï i
0 0 C O
CO
— CD C j
0 0 t
G l
CD i f S 0 0
CD CO
f * eo « 1 <o 0 0
0 0 C D 0 0 "*
faß CCt
' O
a
• 3 CS
O O O * es
r%
0 C O
a CO
0 0 * s • * *
0 C O C D
* CO
0 CO * -*
C O C O CD %
O O • 4
* G l d
O O C D
* CO
O O
* I r i n
CO CD - « * CO
- F * 0
CO CO
CO 0 0 G l CO C D C O
CO C O t i r G l G l
O O CO
5 G l C O
O 0 1 0
r* G l
O C O T-"
* 0 0 CO
0 0 0
1 0
t a m
c^
1 r
es
* - r * es , — uO C^
O O G l
G l
O G l 0 e s 1 0 « *
0 0 r C O C O
0 - * 0 CO G l ^
O S " * G l O O O
C S CO C O ^ ^
bc cd H
CD bo - 0
03 « -< $
C O CO
* G l
C O m
c C O
5 • *
G l O G l * es
• * • * O D
* CO
es * « *
C S G l G l * ^ <
C O
CO * r
G l C O l O
Ä T H
es • * * O l
* CO
• H t O - * l O • * *
0 0 GO
C S G l CO •*•* 0 0 m
I f t CO 0 0 e o G l 9 1
G l C O O
* C S G l
t — OS
* O *<* G l
e> 0 0 * —> es
0
* C O
-*
0 O S OS
* t • ^ ,
C D t co
% 0 C O ^ - N . 1 0 • ü
eo G l
* OO CO
0 1 t i f S l O ^ < - H
0 0 r CO C O
CO 1 0 • * t 1 0 0
G l CO • * O O O
O r 0 0 '*''
bo 03
TS CD SP -0
• S ' O s s OJ CD < d?
a
CD SO a es > a o
bij CD 60
. O C CD CD 6 0
60 O C
o t> CO
o o o •* (M c«
*ë3 'O 'O "a CD 6 0 a CD 0 C3
Ö CD
C CD O • r-l ' O ci
3 c3
cS -M O
O
a CD 60 O S 8 S CO
o
00
o
6 0 0 S o g o
CD »O
C*H PI
CS ,cS
O " c 5
CD O 3 <M
1 1 1 M
o» 'p
Ç£J CD C O CD -* a S 60
„ «3 CD aa t! ^ O C3 ' O CD P CS c s g
CD p ' O cS
§ra •S'3
wo=. i* «D g» p "-*
00
Pu es ,J3
P CD 6 0 CD
P CD JO CD -P • • A O CL • . J3
es P "S ^3
60 p cS CD
PH
CD 03
P
CS >
CD ^
cn eS
es a p CC
es
CD -a
p CD P CD
O 60
eS
P eS >
O ' O P CD .SP 'S
p CS feta p
-p a
CD > O
P H O
_CD
9 « CS CD a 'S p p ? S
ci 43
603
6 0 P eS
60 CD 60
CD P CD
60 O P
C
CO
o >
o •*
O CD O t ,
'a! eS _, S | 0 g)
CD S
CD
eS P
S
3 T
C*H 60 2 "•^ CS 'O 60 ® cu S o o fe- CD P ' O o
CD CD •fl'5
CD
o 60 A â^ 'o CO re co p ^ s •«
co S e e .2 02 'O „ p ' « Msj
CD ~ 2 fl », CD g CD fe
p OJ CD ' O U +* Cü a o o
o c o m
CD ' O ' O • r-C a CD 60 P CD a
cS N
• o
CD 6 0
cS
O
fl 'O
fl CD
fees 1-3
Cu o
CD
a CD O
' O eS
00
t . cS fl fl CS 1-3
> S
N°. 8. 2. 37
146
•Buroquiy 9T}U9piS9j op n; uesutj -.I9ÏS0Q 9pUI99JA UBA pi9SpjOOJJ
•(pjap -uoza^iin BpuBg Smjaapje ap) Buioqcuy eiiuepTsa.i aap 2up[ -TOAaqftjoSau ap UBA uauujzaS -smq aap ugpjooq ap do 801138193
•(open
- 8W) OJBIUOJOQ gujjaapjB ap ui (jisseq) Supgnjaq asjftiapjoojj
•(opBu - Ö H ) BSSBq«uijç SmjaapjB op ui (jissuq) SurjSBiaq o^ftjgpjoojj
•JBSSBOBJ^ .lapuo uapuBj -ia 9p do SujisBjaq 9i[fH9PJ00jj
\IBSSBOBJ\[ 01 XBlSinjJ
•(aadajSeq japuo -.iBBp BOOTBJJ na goiBiauog; uopuBjjg ap) aafiaiBg Sajjaap -JB ap ui SujisBjaq e^fjiapjoojj
- M b D 0 B M © 2 bD -g a .2 ~
- M fc* — c o " ' O •c„ B 2? § «
•09u.iog; U B A S u i i a a p j B - j a i -SOQ ua -.raping
•gaqe{9Q
(,/) (aisBcujafpuBg;) lipUBOiy Ua fJBjy UBSBUIB.IJ uaddBqospuBi ap .loop sepisau -J9§0A Ua pnoS UBA SaiJQASrj
•UISBUI -iafpUBg; UI ^UBUIBJp UBA U9A - B J S iaq do (uajiueotj) SujisBjag;
H 1 n • S m S
Iden idjer land 1O0; ag vî p).
<B S © - M © btvg 2 ; © a ra P ris i ï h C M CD M rM O S ® S r S ^ M
H« in c masii (Zuii ter-f
•U93Uipai -SOQ apurea-t^.
•S.I9pUB][UJ
•09n.iog; U B A Sui[a9pjB-j9ig9j^ 9p ni uaSui^ -.laisoQ opuiaajA UBA ppSpjoojj
(q) -3JBIS m (imsjqosiA UBA ISSUBA) ftjaqos -siA-ï[ooqao.ii ap do SuiiSBjag;
•9}U9jpUB^ pUIBBU9§ J9AL 5[oo 'SuBqurajBj aiiuepisaj ap ut uauuizaSsjnq ap do àuiisBjag;
CD S) P > ' e 0 • M s 0 B 0 " S N M <g
r - , ' O « 0 f i l M « 5 *«s -a; bu 0 g , J 05 > •* '"B ' B © 2 bb-M S «> ? S soi-;
© O CS
Q
j j .
CD ( N CO
CD H
C M
i n I N - H
( N
C M O
I N
CD CO
C M
CO t > .
• # t '
C M
T X m i-t
O ( N
C M
1 0 ( N i n
I N
C M
=

=
=
TU
T H CT)
C M
CO O CD
r H O r H
C M
CTS
T H CD
CO I N
C M
t ~ CO CT» r H
C M
T * eo
T H co « w .
b D 03
03 <
r H
T H
C M
CD CTJ CM
CO r H
• * CD T U
< N
O t~ •* T H 0 0
0 I N "* t >
O t 0 0 CT)
o - .
CD tCD
T H
C M
d CO t
C M
eo CO CT)

0 0 CT) O »n ( N
C M *X CT) co
c 0 I> CT) CT)
CT) Tt< CD co ( N
-* eo •* I N
l O CO CO
r H
CO
ia t o » r H
S B C3 U ' O <o Xi
a 'S O
E
t > 0 en co ( N
O i~i I N
-*
O t » r H
t co
r H t>CO
CD
CO r H CO CT)
T U >a CT) T ^
E

E
E
O CT) CT)
O O O
t > O
r H 0 0 CO
CO I N
CT) CO r^*
r H T-i
CO CD
,—1 CO co
so oä
02 a es «s
CO "*
I N CO t a
( N ( N
T H r H I N
CO co
r H co \o »n 0 0
ÏTÎ..
t a CT) 0 CT)
CV.
r H I N I >
r H
CD CD t a
CD CTJ CT)
l > CD CT) I N
-*X 0 0 0 0
0 0 0
CO _ ©
CT) 0 0 0
CO I N
W r H r H
CO
O r H
CO
O 0 0 co
CD CD CO r H
SB 03 r» T S 03 rO
' O p '3 O
•«s
-* I N ( N
( N
O 0 0 CT)
t > TjH
O >o CO
0 CT)
0 0 !>. r H
CO
O CO t >
0 0
co t a CO
r H ( N
=
=
s
=
I N r H H
r H
O CO e» r-^ r H
t> —H t a
I N
CT) CT) CT) l O
iC5
CT) CO
.
SD 43 IQ a 03 O
0 0 r H
CT) CT) CO
CO I N
O I N
CO
I N « 5 0 0
t > 0 0
i v .
CT) » O -* 0 0
c v .
>o CT) CO
r H
CD CD co
0 0 i m
0 0 t a CO so CO
I N t > CT)
CO co CM
CO 0
CT) »» t a s" -* t a w t a
t~ 0 0
I N CT) - g " CO
t» CD CO r H
SO 03 M n 3 0 M Î 'o a 1
e
< N 0 0 CO
co
l O y—t
T H
0 0 •*
t a CO CT) CO CT)
O t~ I N
CO
I X O CO CT)
CO
CD
r H I N
K

=
=
CO CO w^
t a I N CD
l > r H
r H r H r H
T d I N
CM l O r H
CO
t~
co CT) CO
t
SP 03
' w a 03 <!
• < * 0 0 co
0 M 0
CO CO
co f>J SM
O CO
I N l > CT) O CT)
CM I N CM CT)
( V .
>o CM I N
CM
t a T H CO
co CM
t >
eo CM CD
- H >o
CD O O
t>r> i >
CO r H
t > CD CT)
CO CM
t >
• * CO
t a
I N m CO co CT) CO
X> CO x> r-i.
S O CS M H S Cj> Ä r0 a 'S O
s
>n CM CT) CM CO
urs CM CD
CO T U
i n co co CD CT)
0 0 m CO
CD
I > CO 0 0
O
. 0 *
0
0
CM CM
~
~
=
=
CM t > r H
eo 0 0 CT) r H
r H "*
CM CM
m 0 0 T J I
CO
co T X < N
CO O
S B CS l-H a 03 <
0 0 CT) CO
_, m
CM CM
CO i n GM
T}l CO
i n t > >n -* CT)
c*-.
0 1 0 CO
0 CM
Cv.
0 0 0 0 • *
CM
O -* CO
0 0 CD CO
I >
O CM O
CM T h
T P CO O
t > 0 0 T U -* i - \
CD CD O
CO ,CM 2. CT) 0 0 CT) i n
0 CM
CO
CO 0 'Ô'TfH
CT) CD 0 0 r H
b û es M ' O ca ^ 3
' O _a "S O
^
0 i n CT) O eo
o •* CO
r H >n
0 CO CO
CO 0 r H '
r H r H m CD
CT) t > Ttl
CM
CO 0 0 I N
0 0 CO
s:
E
K
E
CO CO
1 ^
CD r H TJH 8
I > co CO
CM CM
O m CO
CD
T P
Tt<
CD I N
SB 03 FM CO a 03 -J!
r H CO l >
CD
LT CT) O O
T U _ ^ ( N
t ^ i n t > co m
CV*
0 0 l > CT) 0 0 r H
O . .
Tl< 0 0 1 >
CM S
r H t r H — S
CD O m t>
T d CM
CO CO
0 CO co s
t > CO CM m r H
"^
T^t. O CM
rH
O
CO CO CO
CO CM T *
O t» CO r H
S D 03 M ' O CD r Q
' O C *S O
S D T I a =3 cS cS a CB M O O =? S CS O SD fcT SD c3 a S M SD <B . M
nrs - M ' O O M § a g boS > a CD g
•,ss
tn r* T: e5- « S *
r P P
0) ' O ' O a g a 1 * o
B « S . tD S m > O M o> a °s 5 » « - a bo-Mj CJ M tC CO © r
QD o CM £ CT) 3 CO 03
CD y~* rH j a CO
" S o g U '^ SD N <C c3
§ t r S r P CD a <D a S « f« > T H
bD - ^ ^ * <D 0 CO -O i Sl
CO N g a J5 —
O N
' O bD CS cS >
SD
P CD bo
à.2
S.2 SDS a C3 - M
® "S M © CD ^ 3 ' O CS o a 'O a a) CK © ©• b D ^ 2 • SrS ' O
3.5 a <D
N .—. a CO <D O 'O
. p N cS •o > cS 3 P CD » rM
CT) CD S e
rH O O a t>
03 > a a*! 'SI
•S so rS.5 .8-1 -S. P cS ' r P P £ © F Q SD CS « M t»
• " CS
- M I » CO SD bD a a .
o a a ^ « • s j . l l p
'O CT) CD . 2 00 CD ÖD bD 'O 43 5 B c ® ; K «s es n g O r> t» O CS > g CS bo p • r S f i S S r-, œ ro bD M o CS 0) _ M cä ( • • *
CD sog a :rr> ' O *^ FM 5 e ' * Ä -a _ o S D M ^ ' S 00 2 es : c ? i * _ ; r P —H r M M «n CD © . a « ^ t,' g ^ »-Sjg-F» « ' O « 0 co SD 2 CT) SD B B w rH P CS CS cS > ' O U HH > 'M © -M P -M >. B a O SO M t> © B cS
' O bD. cS c«
C . O a' a S.2
CS * M bD _ °>.F1 o :a» N
© FP " ' O 'S a S D »
OD M f^-i '-Ö o g ©w _ a F « a a es p © <D a
a a< t» s i 03 FFJ © M _ " ^ rf CD s p g © 5 F- S -S J S -g
F 2 © 1° ^ b ro 9 p s»
P -M P :H» <D C3 N g cS
S SPg P P CD ë ^ 6 D « . W F S ^
O N 3 g g rS w N SD M g) o F—« s . M y w © © ; M . H
©
e ' O „ © cS 1 a p " © <-> SD a o • S S O -M P H
g -M P P © ©
2 £ • £ 2 © S g-SgrSf
o.
efi
© S ^1 ^ É B - ' S ' M . ^ S P - 3 ' » ' ^ § — ' c3 0= g'© ' f © g'
B c o ~ " f 7 H » ' O S5 ® M g ^ - o ©.2 rt S)?'*'d
^ S M * P N B Q Î I « S ' S ^ c o - e œ a i o © FP a
^ c d w - H -»-• «j § Mcs.spS'S § . . t . T* CC U U g •§ § « bo a & "3 s I g
3 ^OÄH ^ O ^ "J ^ » <. ca-e'
;
147
Ten aanzien van sommige der in vorenstaande statistiek fooi-komende belastingen valt nog liet volgende te melden.
Verponding en kadaster. (1) Hooger is reeds gemeld, dat «ene nieuwe ordonnantie op het middel der verporiding op Java en Madura onder de onmiddellijke leiding van den gouverneur-Generaal ontworpen is. Volgens berigten van February jl. was bedoelde verordening ten fine van consideration en advies gezonden aan de directeuren van flQantien en justitie. Op Sumatra's Westkust, waar de verponding alleen te hadang werkte, tot in 1864 alleen onder de Europeanen °f hunne afstammelingen en Chinezen en van af 1865 onder de niet-inheemsche inlanders, dat is onder hen die tuet waren Maleijers van Padang, is sedert 1 January 1871 deze belasting uitgestrekt over het geheele gouveräement, tevens zonder verdere uitsluiting van de inheemsche ingezetenen [Indisch Staatsblad 1870, n°. 96). Buiten ^adang zijn echter voor alsnog alleen te Priaman percelen aangetroffen in den aanslag der belasting vallende. Over 1862—1864, vóór dat de niet-inheemsche inlanders jvaren aangeslagen, bedroeg het verpondingscijfer te Padang ' 1 4 536 's jaars, terwijl na hunne opneming in bedoelde belasting het kohier van 1865—1867 werd vastgesteld tot een bedrag van f 15 788 's jaars. Het cijfer van aanslag voor 1868, 1869 en 1870 is door den gouverneur van Sumatra's Westkust voorloopig en door den Gouverneurgeneraal definitief vastgesteld op f 17 968 's jaars. Voor den aanslag over de jaren 1871—1873 zullen gevolgd worden de regelen ter zake voorgeschreven bii ordonnantie van 13 October 1870 [Indisch Staatsblad n°. 149). Er wordt naar middelen omgezien tot het erlangen van Cadastrale gegevens nopens de hoofdplaatsen der verschilfende gewesten. Bij een besluit van 4 Mei jl. zijn namelijk Jû commissie gesteld de directeuren van finantien,justitie, Dinnenlandsch bestuur en der burgerlijke openbare werken, <*e kolonel-directeur der genie en de hoofdingenieur der geographische dienst, ten einde de noodige middelen te oeramen om, in afwachting van de verdere triangulatie van Nederlandsch Indie, te doen wat voor 's hands uitvoerbaar is ter verkrijging van blokkaarten en bijbehoorende registers van bedoelde hoofdplaatsen.
Belasting op paarden en rijtuigen. Volgens art. 17 van Indisch Staatsblad 1851, n°. 63 wordt voor het invullen van de kohieren dezer belasting aan de daarmede belaste Personen (wijkmeesters en dessahoofden) 5 per cent van «e zuivere opbrengst te goed gedaan. De vraag was hier te lande gerezen, of deze belooning niet te ruim was gebeld, en of met de invulling niet waren te belasten de algemeene ontvangers. De overweging echter dat wijkmeesters en dorpshoofden, in den meer beperkten kring waarbinnen zij zich in de uitoefening hunner iunctien bewegen,
Op Java en Madura:
beter dan de algemeene ontvangers in de gelegenheid zijn om na te gaan of de opgaven hun door de ingezetenen gedaan, juist zijn, en dat het geschiktste middel om hen hiertoe aan te sporen was gelegen in de toekenning van een niet te gering aandeel in de perceptie, heeft echterde Indische Regering van de aanbevolen wijzigingen doen afzien. Daarentegen is de aandacht gevallen op de wenschelijkheid van een paar andere voorzieningen tot betere verzekering van de opbrengst der belasting ; vooreerst door het voorschrijven van meerdere volledigheid bij de invulling van het kohier, in dier voege dat de hoofden van gewestelijk bestuur daarin eene aanwijzing kunnen vinden, of zij al dan niet hebben over te gaan tot de huiszoeking bedoeld bij Indisch Staatsblad 1865 , n°. 84; ten andere door de wederinvoering van het in 1853 afgeschafte aanbrenggeld (en wel tot het verhoogd bedrag van 2/3 der beloopen boete) voor de aangifte van overtreding der belasting. Tot voorziening in een en ander, ingaande met 1 January 1871, strekte de ordonnantie van 22 September 1870 [Indisch Staatsblad n°. 136). Eene betere regeling, aanvankelijk voor zooveel Java en Madura betreft, der onderwerpelijke belasting in 't algemeen wordt, gelijk hooger gezegd, voorbereid.
Zegelregt. Dit laatste geldt ook, doch voor geheel Nederlandsch Indie, ten aanzien der bepalingen op het stuk van zegel. Het zegelregt voor de acten van borgtogt, bedoeld bij het reglement op de toelating in Indie van Nederlanders, andere Europeanen en met dezen gelijkgestelden [Indisch Staatsblad 1861, n°. 40), werd bij ordonnantie van 27 December 1869 [Indisch Staatsblad n°. 119), tot herstel eener begane onregelmatigheid , met ingang van 1 January 1870, van f 0.50 verhoogd tot het bij de zegelordonnantie voor acten van borgtogt in 't algemeen aangenomen bedrag van f 1. In de afdeeling Siak en onderhoorigheden (Riouw) werden zegels verkrijgbaar gesteld te Bengkalis, Assahan en Deli en met het debiet belast de civile autoriteit ter plaatse. De sedert 1 January 1870 gevorderde licentien voor het houden van pand- of beleenhuizen (zie het vorig verslag bladz. 39, zoomede bladz. 54 hiervoren) zijn onderworpen aan een zegelregt van f 50. Gedurende 1870 beliep het aantal dier vergunningen 371, en de ontvangst ter zake alzoo f 18 550. Bovendien komt ten bate van den lande de door de houders, voor zoover zij behooren tot de inlandsche en met deze gelijkgestelde bevolking, ter zake van dit beroep te betalen bedrijfsbelasting.
Openbare verkoopingen. De waarde der door tusschenkomst van het vendu-departement verkochte goederen heeft voor zoover de ontvangen verantwoordingen zulks uitwiizen. in 1870 bedragen:
aan gouvernementsgoederen door de lands-vendukantoren f 8 797 628
" » » particuliere vendumeesters (ambtenaren)
" » » » (notarissen)
» particuliere goederen door de lands-vendukantoren
" » » particuliere vendumeesters (ambtenaren).
" " » » » » (notarissen) .
24 037
45 096
6 338 295
952 214
1 248 626 f 17 405 896 In de buitenbezittingen :
aan gouvernementsgoederen f 13g 839
» particuliere goederen *. . m t 1£34.152 1 772 991
, Ofschoon bovenstaande opgaven niet volledig zijn door e' ontbreken van enkele verantwoordingen der circa twee
bre i ü e o m t r e n t h8* denkbeeld om de verponding en het kadaster te W? g e n t o t d e n werkkring van het departement van binnenlandsch "«stuur, hoofdstuk H hiervoren.
Totaal f 19 178 887
honderd vendu-administratien maakt zulks echter geen belangrijk verschil, daar, met uitzondering van Djokjokarta en Serang, geene noemenswaardige kantoren achterlijk zijn gebleven. Over het jaar 1869 ontbraken meer verantwoordingen.
148
Er is dus vooruitgang in de administratie en het laat zich aanzien , zegt de directeur van finantien, dat daarin weldra geen achterstand meer zal bestaan. De omzet op Java en Madura was belangrijker dan in 1869, zijnde in 1870 f 1 750 000 meer verhandeld. De winsten welke het Gouvernement daarvan heeft, kunnen naar dat cijfer echter niet berekend worden, daar die der opgehoudene goederen, waarvan zeer weinig betaald wordt, daaronder begrepen zijn. In de buitenbezittingen is omstreeks f400 000 meer omgezet dan in 1869. Bij het vendukantoor te Batavia is in 1870 in het rendement voor den lande teruggang waargenomen en wel ten bedrage van circa f 50 000. Bijzondere redenen daarvoor kunnen niet worden medegedeeld. De winsten welke de vendukantoren voor het Gouvernement afwerpen , hoezeer uit den aard der zaak van vele omstandigheden afhankelijk, zijn vrij belangrijk en kunnen na aftrek van de tractementen van het personeel enz. der lands-vendukantoren, ad circa f 200 000, en van een geraamd cijfer van f 50 000, zoo voor kleine verliezen, welke het Gouvernement af en toe lijdt op verleende voorschotten aan particuliere vendumeesters, als voor afschrijvingen van hopelooze posten bij de landskantoren, zuiver gesteld worden op f 350 000. Het maakt een punt van onderzoek bij het departement van finantien uit, hoeveel gemiddeld jaarlijks is en wordt verloren op de vendukantoren, en of verandering in de nu bestaande regelingen wenschelijk of noodig is. Nog komen hier in aanmerking de beschikkingen betreffende de verdeeling van vendu-salarissen (Indisch Staatsblad 1870, n°. 72) en betreffende de oprigting van niet voor 's lands rekening loopende, door ambtenaren beheerde vendukantoren te Lahat in de residentie Palembang (Indisch Staatsblad 1870, n°. 129) en op de hoofdplaatsen van een 21tal afdeelingen in de residentie Preanger regentschappen , Cheribon, Tagal, Samarang, Rembang, Soerabaija, Probolinggo, Banjoemas, Bagelen, Kadoe, Madioen en Kediri (Indisch Staatsblad 1871, n°. 5).
Belastingen in de residentie Palembang. Voorstellen van den directeur van finantien tot regeling van de in dit gewest bestaande belasting onder den naam van huistaks en tot invoering van eenige nieuwe belastingen aldaar, zijn bij de Indische Regering in overweging. Intusschen is in den laatsten tijd de huistaks ook ingevoerd in de Pasoemah-landen en in de onder-afdeelingen Redjang en Lebong. (Vergelijk het vorig verslag bladz. 105.)
Tot deze paragraaph behooren nog de twee volgende middelen :
Belasting op het slagten van buffels en runderen in de Preanger regentschappen. Als gevolg van de met 1 Junij jl. in werking getreden hervorming van het stelsel van bestuur in de Preanger regentschappen, waardoor aan de regenten het regt van belastingheffing ontviel, is de hier bedoelde belasting sedert genoemd tijdstip overgegaan in handen van het Gouvernement. Terwijl elders op Java de slagtbelasting aan pachters is afgestaan, is voor de Preanger regentschappen, bij wijze van proef, besloten tot hare regtstreeksche inning door middel der dessahoofden, onder toekenning aan dezen van 8 pet. perceptieloon. De bestaande heffing liep voor de verschillende regentschappen zeer uiteen. Zij bedroeg in Tjiandjoer voor een buffel f 3,20, voor een rund f 3,17; in Bandong f 0.83 en
» » (nieuwe)
Australische sovereigns
Januarij tot Maart.
f 6,25
5,95
f 12,40 à f 12,50
f 2,55
f 12,30 à f 12,40
f 9,80
f 1; in Soemedang f 2, doch bij gelegenheid van feesten slechts f 0,40, en voor zieke dieren niet meer dan f 0,20; in Limbangan f 1 en in Soekapoera f 0,80. Bovendien werden in alle regentschappen de huid en de horens (gemiddeld ter waarde van f 2 à f 3), in Soekapoera ook nog de kop aan den belastingheffer geleverd. Ook werd zeer dikwijls nog gevorderd de tong en een stuk vleesch van het geslagte dier. Volgens de ordonnantie van 13 April 1871 (Indisch Staatsblad n". 49), tevens regelende de wijze van invordering , is nu de belasting beperkt tot f 3 voor een volwassen en tot f 2 of f 1 (naar gelang van ouderdom) voor een niet volwassen buffel of rund; terwijl aan de bevolking langs huishoudelijken weg is bekend gemaakt, dat zij niet meer verpligt is eenig deel van het geslagte dier af te geven. In het overig deel van Java wordt aan de pachters betaald f 2 voor een volwassen en f 1 voor een onvolwassen of verminkt beest. In het belang van een waakzaam toezigt tegen ontduiking der belasting is het belang der dessahoofden regtstreeks verbonden aan de opsporing van overtredingen. Omtrent de opbrengst van het middel zijn uit den aard der zaak nog geene cijfers te leveren (1). De vroeger door de regenten geheven belasting op den verkoop van buffels en paarden en eenige andere reeds in 't vorig verslag, bladz. 105, genoemde heffingen zijn bij de nieuwe organisatie niet van gouvernementswege bestendigd en zijn dus komen te vervallen.
Hoofdelijke belasting in Benkoèlen. Ten aanzien van de in Indie genomen voorbereidende maatregelen tot uitvoering der in 't vorig verslag vermelde Koninklijke magtiging om. als aequivalent voor de in te trekken verpligte koffij- en pepercultures in Benkoèlen, aldaar eene hoofdelijke belasting (in geld) in te voeren, zijn nog geene berigte» ontvangen.
II MUNTSTELSEL, GELDSOMLOOP.
§ 1. Muntwezen.
Muntr eg eling. De nog in een vrij groot aantal geweateO zoo op als buiten Java in omloop zijnde oude koperen m un' (duiten) begon hier en daar te verminderen. Bepaaldelijk wordt zulks berigt uit de afdeelingen Buitenzorg en Tangerang der residentie Batavia en omtrent het gouvernement van Sumatra's Westkust. Met het op ruimere schaal i° omloop brengen van de in 's lands kassen aanwezige koperen en zilveren pasmunt werd voortgegaan (verg. afd. I, § 2. hiervoren.) De opruiming hier te lande eener partij van ruim 30 OOO kilogram koperen duiten, uit zee opgevischt van eene i» 1860 verongelukte lading, geschiedde door verkoop bij i»' schrijving, onder voorwaarde van toezigt van wege het Departement van Kolonien op de versmelting. De gunning had plaats aan den meestbiedende tegen f 68 per lOÖ kilogram.
Negotiepenningen en vreemde munten. Gedurende 1870 werd voor de Nederlandsche gouden negotiepenningen en voof sommige vreemde muntspecien te Batavia betaald als volgt :
(1) In een onlangs ontvangen schrijven van den gouvernements' commissaris voor de invoering; der Preanger hervorming leest men, da' sedert de nieuwe regeling der belasting meer vee op één dag geslag* werd dan vroeger in eene week; wel een bewijs, voegt die hoofdam?' tenaar er bij, dat de bevolking door de tegenwoordige regeling gebaat i*
Gouden dukaten . . .
» » (nieuwe)
Engelsche sovereigns .
Mexicaan sehe dollars .
Australische sovereigns.
Tien-guldenstukken . .
Januarij tot Maart.
f 6,25
5,95
f 12,40 à f 12,50
f 2,55
f 12,30 à f 12,40
f 9,80
October tot December.
f 6,85
6,35
f 12,40 à f 12,50
f 2,68
12,40
9,80
f 6,85
6,35
f 12,40 à f 12,60
f 2,68
12,40
9,80
f 6,85
f 6,30 à f 6,35
12,60 à 12,75
f 2,68
f 12,40 à f 12,9°
f 9,80
149
Wisselkoers. Deze was als volgt :
MAANDEN.
January . . . .
February
Maart .
April .
Mei . .
Junij. .
Julij. .
Augustus
September
October. .
November
December
Te Batavia op Amsterdam.
Guldens Nederl. courant
voor f 100 Indisch eourant.
Gouvernement.
f 100 à f l 0 1 7 4
100 » 101%
100 » 101 v4
lOOVj » 101
ïoo » ïoi%
100 ». 102
100 » 102
100 .. 102
»
99 » 100
99 Vs » 100
99 » 100
Particulieren.
f 102 à f 103
102 % » 102%
101% » 102%
100% »> 101%
101 » 102
101% » 102
102 .. 102 %
98 » 102 Va
98 .. 102%
100 » 102 V,
100% >, 102%
101 » 102%
Te Batavia
op Londen.
Een pond sterling
voor
guldens en centen.
f 11,57% à f 11,72%
11,75 » 11,77%
f 11,72%
11,82%
f 11,77V, à f 11,80
f 11,80
11,75
f 11,75 à f 11,85
12,20. ., 12,00 >
11,85 » 11,90
11,90 » 11,92%
f 11,82%
Te Batavia
op Calcutta.
100
compagnie
ropijen
voor
guldens.
»
»
»
»
n
n
»
n
»
»
»
f 120
Te Batavia
op China.
Een dollar
voor
guldens en
eenten.
f 2,66
2,66
2,65
f 2,65 à f 2,66
f 2,69
2,70
2,71
2,72
f 2,67 à f 2,66
f 2,64
F 2,69 à f 2,72
f 2,64
Te Batavia
op Singapoer.
Een dollar
voor
guldens en
centen.
f 2,68
2,66
2,68
2,70
2,74
2,72
2,73
2,72
f 2,65 à f 2,66
f 2,68
2,70
2,66
§ 2. Javasohe Bank.
De werking der Bank gedurende het met ultimo Maart 1871 geëindigde 43ste boekjaar is, vooral wat disconto's betreft, binnen zeer enge grenzen beperkt geweest. Het al meer meer ontwaakte wantrouwen tegen de koopers van invoerartikelen , die ten gevolge van eene overvoerde markt gaandeweg groote verliezen hebben geleden , gaf aanleiding dat in het algemeen een belangrijk minder bedrag aan promessen ter discontering aangeboden werd. De rentestand te Batavia en bij de agentschappen op Java voor promessen (met uitzondering van vendu-acceptatien) was bijna doorloopend 6 pet., slechts weinige weken 51/2 pet. Het hoogste bedrag der uitgegeven bankbiljetten, met inbegrip der rekening courant saldo's, was f 31 851 656,20; het minimum f 26 557 103,95. Het maximum van de speciekas was f 25 788 945,93, het minimum f 19 284 370,86. De baten der instelling, in het voorafgegane boekjaar f 728 757,37, beliepen gedurende het jongste boekjaar f786 158,73, waaronder wegens renten van discontering en beleening in 1869/70 f 502 664 en in 1870/71 f585 015 en wegens renten van hypotheek respectively k f 85 967 en f 85 399. De onkosten en afschrijvingen bedroegen achtereenvolgens f 276 285,98 en f308 168,63, zoodat eene netto winst overbleef van f 452 471,39 in het voorafgegane en van t 477 990,10 in het jongste boekjaar. Terwijl in 1869/70 schier de geheele winst (namelijk de ronde som van f 450 000) ter uitdeeling onder de aandeelhouders werd bestemd, moest in 1870/71, daar de winst meer dan 6 pet. beliep, als gevolg van het nieuwe octrooi {Indisch Staatsblad 1870, n°. 34) van het boven dat minimum behaalde, bedragende f 117 990,10, 17 pet. (dat is f20 058,31) worden bestemd tot aanleg van een reservefonds, 4 pet. (f 4719,60) uitgekeerd aan het personeel der Bank (met uitsluiting van de leden der directie), 4 pet. (f 4719,60) aan de commissarissen, terwijl de overblijvende 75 pet. (f 88 492,58) als surplus dividend aan de deelhebbers te goed kwamen. Naar reden van f 7,35 per aandeel werd daarvan uitgekeerd f 88 20O en de overschietende som van f 292,58 op het volgend boekjaar overgebragt.
N°. 8 . 2.
De uitkeering beliep alzoo in 't geheel f 37,35 per aandeel van f 500, tegen f 37,50 over 1869/70. Zoo als in 't vorig verslag werd opgemerkt, was bij de vernieuwing van het octrooi, in navolging van hetgeen voor de Nederlandsche Bank bepaald was, niet meer opgenomen de in het afgaloopen octrooi voorkomende vergunning om een deel van het bankkapitaal te boleggen in Staatsschuld of hypotheken. Sedert is echter door de directie de wenschelijkheid betoogd om op de voorgestelde, door. deelhebbers goedgekeurde voorwaarden, tot dergelijke operatien weder bevoegdheid te erlangen. Eene voordragt strekkende om den Gouverneur-Generaal te magtïgen, in het octrooi en reglement der Bank de gewenschte veranderingen te brengen, was op 1 Augustus jl. bij het Opperbestuur in behandeling. (1). Om te gemoet te komen aan de bezwaren, vooral voor de debiteurs verbonden aan eene dadelijke opzegging der hypothecaire vorderingen , was intusschen reeds krachtens eene Koninklijke magtiging van December 1870, bij ordonnantie van 6 Maart 1871 (Indisch Staatsblad n°. 25) voor de geheele intrekking alsnog een termijn van vijfjaren toegestaan geworden, gerekend van 1 April 1870, met dien verstande dat telken jare ten minste een vijfde deel moet worden afgelost. Onder ultimo Maart 1871 beliep het onder hypothecair verband uitgezette kapitaal f 1196 833,34, tegen f 1436 833,34 op ultimo Maart 1870.
af. Personele verordeningen omtrent landsdlenaren.
§ 1. Burgerlijke landsdienaren.
a. Europesche.
Benoembaarheid. Het Koninklijk besluit van 23 Junij 1871, n°. 27 (Nederlandseh Staatsblad n'. 72) behelst eene her
(1) De gevraagde magtiging is, behoudens enkele beperkingen, onder dagteekening van H September jl. door den Koning verleend. 38
150
ziening der verordening van 10 September 1864 {Indisch Staatsblad n°. 194) op het benoemen van ambtenaren bij de burgerlijke dienst in Nederlandsch Indie. De wijzigingen en aanvullingen komen in hoofdzaak op het volgende neder :
1°. gelijkstelling der eischen voor het Indisch ambtenaarsexamen, voor zooveel het eerste, niet tot de eigenlijke vakstudie behoorende gedeelte aangaat, met die welke hier te lande volgens de wet op het middelbaar onderwijs worden gevorderd voor het verkrijgen van een diploma van goed volbragt eindexamen van eene hoogere burgerschool met Sjarigen cursus, landbouw- of polytechnische school, en dienvolgens afschaffing van het in sommige opzigten ligter Indisch ambtenaars examen A (of dat in de vakken a-i van art. 4 der verordening van 10 September 1864) en het voor allen, als voorwaarde van toelating tot het eigenlijk ambtenaars examen, verpligtend stellen van het bezit van bovenbedoeld diploma of van een daarmede overeenstemmend getuigschrift in Nederlandsch Indie _ verkregen en voortaan ook daar te erlangen, onverschillig waar de vermischte bekwaamheden zijn opgedaan (vergelijk hoofdstuk K , afd. I , § 1 onder Gymnasium Willem III);
2°. wijziging van het eigenlijk ambtenaars-examen, tot dus ver bekend als examen B (voortaan het eenige dat van de candidaten voor de gewone burgerlijke dienst zal zijn af te nemen), en wel door opheffing van het facultative wat de keuze van sommige vakken door de candidaten betreft, en het verpligtend stellen van twee dier vakken , namelijk bekendheid met de godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken en met eene tweede Indische taal, zoodat het examen voortaan omvat:
a. de geschiedenis van Nederlandsch Indie;
b. de land- en volkenkunde van Nederlandsch Indie;
c. de godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken van Nederlandsch Indie;
d. de kennis der Staatsinstellingen van Nederlandsch Indie, speciaal ook de wetten en verordeningen betreffende de comptabiliteit, het finantiewezen en het belastingstelsel ;
e. Ie. de Maleische taal; 2°. de Javaansche taal of in hare plaats eene andere in Nederlandsch Indie inheemsche taal, wanneer daarin van gouvernementswege onderwijs wordt gegeven daar waar het examen wordt afgenomen. Kennis van het landmeten en waterpassen (een der vroegere ' facultative vakken), mits blijkende uit het bezit van een in Nederland of Nederlandsch Indie verkregen diploma, strekt tot aanbeveling voor plaatsing bij het binnenlandsch bestuur ;
3°. uitbreiding der kategorien van personen die kunnen worden toegelaten tot het eigenlijk ambtenaars-examen , dat thans het vroeger examen B heeft vervangen, tot hen die het examen als adelborst 1ste klasse of als officier der landmagt, na volbragte opleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine of aan de Koninklijke Militaire Akademie, dan wel het examen van officier van gezondheid of bij de pharmaceutische dienst met voldoenden uitslag hebben af»6le"d , mits voldaan hebbende aan de bestaande of nader vast te stellen bepalingen betreffende hun verpligten _diensttijd ;
4°. beperking uitsluitend tot Indie der afneming van het zoogenaamd klerken- of klein ambtenaars-examen, met vrijstelling daarvan van zoodanige kategorien van personen, wier wetenschappelijke opleiding waarborg oplevert van het bezit der kundigheden voor dat examen vereischt, een en ander met bepaling dat, bij gelijke aanspraken in 'slands dienst verkregen, bij bevordering tot hoogere betrekkingen de voorkeur wordt gegeven aan de ambtenaren, die het zoogenaamd groot ambten aars-examen hebben afgelegd ;
5°. toekenning aan de reeds bij het burgerlijk bestuur in Indie in dienst zijnde ambtenaren op eene bezoldiging van f 150 's maands en daar boven, der vereischten
om toegelaten te worden tot het eigenlijk ambtenaarsexamen (gewijzigd vroeger examen B) ; en zulks in afwijking van de verordening van 10 September 1864, die voor de toen in dienst zijnde ambtenaren der genoemde kategorien de ambten voor welke het groote examen wordt gevorderd, toegankelijk stelde zonder examen ;
6". bepaling dat zij die door den Koning tot organisatie van een of anderen tak van dienst of ter gelegenheid daarvan , in bijzondere commissie naar Indie zijn gezonden, na afloop van die commissie, bij de gewone burgerlijke dienst daar te lande kunnen worden geplaatst zonder aan het examen onderworpen te zijn ;
7'. behoud der oorspronkelijke examens A en B nog gedurende 1871 en 1872 , met dien verstande dat zij die in 1872 of vroeger het examen A zullen hebben afgelegd, later ook worden toegelaten tot het eenig thans voorgeschrevene (gewijzigd vroeger examen B), en dat gedurende beide jaren het oorspronkelijk examen B ook nog zal kunnen worden afgelegd door de personen bedoeld sub 3°. en 5°. hierboven.
Ofschoon voor alsnog niet is overgegaan tot eene aanvulling van de bij het besluit van 10 September 1864 behoorende lijst der ambten , welke alleen voor geëxamïneerden toegankelijk zijn, is echter in het herzieningsbesluit tot zoodanige aanvulling n naarmate der behoefte' de bevoegdheid voorbehouden, zoodat daartoe zonder nadere wijziging der verordening kan worden overgegaan. Ook art. 3 der verordening van 10 September 1864, handelende over de benoembaarheid tot regterlijk ambtenaar in Indie, is bij het Koninklijk besluit van 23 Junij 1871 onveranderd gelaten. Kort geleden zijn eenige voorstellen van den Gouverneur-Generaal met betrekking tot dit artikel ontvangen, welke evenwel als in naauw verband staande met de nog in behandeling zijnde uitvoering van het beginsel van afschaffing van de cumulatie van regterlijke en administrative functien (vergelijk hoofdstuk F , § 1, hiervoren), voor 's hands in advies worden gehouden. Voor het jongste in Indie afgenomen examen B (October 1870), meldden zich 13 candidaten aan, die allen zijn toegelaten. Geen hunner was meester in de regten. Aan het laatstelijk hier te lande gehouden examen B (Junij en Julij jl.), namen deel 62 candidaten, van welke, volgens besluit der examen-commissie, werden toegelaten 44 en daaronder 15 meesters in de regten. Bij de oproeping van adspiranten voor dat examen is beschikbaarstelling slechts toegezegd aan de 20 personen, die bij het examen het meest zouden voldoen , en bovendien — doch alleen met bestemming voor de regterlijke magt — aan de meesters in de regten, die het examen voldoende zouden afleggen, al waren zij niet onder voormeld 20tal begrepen (1). In 't algemeen wordt bij de raming der behoefte aan personeel voor de Indische dienst van den regel uitgegaan, dat daarin voor twee derde gedeelten behoort voorzien te worden door uitzending uit Nederland. De bijzondere voorwaarden van benoembaarheid tot technisch ambtenaar bij het boschwezen [Indisch Staatsblad 1865, n°. 113), zijn gebleken wegens de te hoogo eischen herziening te behoeven. Nadat eene oproeping van gegadigden voor het afleggen in Indie van het voorgeschreven examen vruchteloos was gebleven , heeft eene gelijke oproeping hier te lande, zoo van Nederlanders als vreemdelingen, tot resultaat gehad, dat van het betrekkelijk groot aantal zich aangemeld hebbende personen (allen vreemdelingen), niet één geheel aan de gestelde eischen heeft kunnen voldoen. Daar echter de aanvulling van het personeel bezwaarlijk tot aan het tot stand komen der voorgenomen herziening van het programma der kundigheden kon worden verschoven, is in January 1871 één der candidaten, die bij nader onderzoek daartoe de meeste geschiktheid bleek te hebben (eenige anderen , die mede als deze eene opleiding als boschambtenaar hadden genoten, hadden zich teruggetrokken) , ter beschikking van den Gouverneur-Generaal gesteld, met vrijstelling van de bepalingen van Indisch
(1) De beschikbaarstelling- zal eerstdaags plaats hebben.
151
Staatsblad 1865, n°. 113, welker geheele opvolging ondoenlijk was gebleken (1). Over de wijze van voorziening in het verkrijgen van tolken voor de Chinesche taal is reeds gehandeldan hoofdstuk F , § 9, hier voren. De vaststelling van voorwaarden, waaraan in het verVolg de^ benoembaarheid tot gezworen translateur zou zijn te verbinden, waaromtrent door den directeur van justitie voorstellen waren gedaan, werd door den Gouverneurgeneraal minder noodzakelijk geacht. Aan den directeur vverd geantwoord dat het hem zou zijn overgelaten zich oij elk voorkomend verzoek van de bekwaamheid des adressants voor de door dezen verlangde bediening op de hem directeur meest geschikt voorkomende wijze te overtuigen. Bij 'sKonings besluit van 30 November 1S70, n°. 19 [indisch Staatsblad 1871, n°. 33), werd wijziging gebragt zoowel in het bedrag der gratification voor uitrusting, Voortaan aan de naar Indie vertrekkende onderwijzers (der 2de_en 3de klasse) toe te kennen, als in het bedrag en het tijdstip van ingang van de voorloopige tractementen aan hen toe te leggen, en daardoor eene vrij aanmerketyke verbetering gebragt in de geldelijke voorwaarden, gelijk die waren vastgesteld bij Koninklijk besluit van 22 *ebruarij 1865, n°. 128 (Indisch Staatsblad n°. 52).
Aanvaarding en nederlegging van betrekkingen, berekening »an inkomsten. Het hier te lande geopperde denkbeeld om ten aanzien van het aanvangen en ophouden van inkomsten bij aanvaarding en nederlegging van betrekkingen de regelen van Indisch Staatsblad 1827, n°. 28, en 1Ö28, n°- 60_, welke medebrengen de uitbetaling bij volle maanden , in dier voege te wijzigen, dat de inkomsten voortaan genoten worden tot den dag der nederlegging en van den dag der aanvaarding van liet ambt, is , als geene wezenlijke voordeelen aanbiedende, noch voor 'slands kas, noch Voor de betrokken landsdienaren, in Indie ontraden. Zoovel uit dien hoofde als wegens den meerderen omslag dien ^oodanige nieuwe regeling voor de administratie zou opaveren , is dan ook , even als vroeger (Bijblad op het Indisch staatsblad n°. 1380), van eene wijziging der bewuste bepalingen afgezien.
Periodieke tractementsverhooging. Bij een besluit van 24 ^ei 1870 (Bijblad op het Indisch Staatsblad n". 2324) werd Verklaard, dat de tijd gedurende welken een ambt wordt Waargenomen onder genot van het daaraan verbonden ^oon , zij het ook onder de benaming van toelage of wachtgeld , medetelt voor de toekenning der aan zoodanig ambt Verbonden periodieke tractementsverhooging. In February jl. werd de Gouverneur-Generaal door het ^Pperbestuur gemagtigd om bij bevordering van ambtenaen , dienende bij vakken waaraan periodieke tractementsVerhoogingen zijn verbonden , de aanvankelijk toe te kennen bezoldiging te regelen met dien verstande, dat de bevordering nimmer met verlies van inkomsten gepaard ga. *-ene dergelijke algemeene bepaling werd door de billijkheid gevorderd, omdat zich anders het geval kon voordoen, *&t een ambtenaar in de door hem bekleede betrekking, aaraan behalve het organieke tractement, eene periodieke factementsverhooging is verbonden, hoogere inkomsten genoot dan hem ten deel zouden vallen bij bevordering tot 6ûe hoogere betrekking, waaraan aanvankelijk nog geene Periodieke tractementsverhooging is verbonden. Onlangs (Julij jl.) is door het Opperbestuur magtiging ^fleend tot eene nadere regeling van de aan de land^ eters der statistische opneming toekomende tractements^rhooging, die voortaan in geval van ijverige pligtsbeachting — door den inspecteur der opneming te constata'611 ~ ° m d e v i e r J a r e n z a l W01"den verleend, in stede alR\-blJ' v o l e i n dig i ng der opneming eener residentie, zoo 8 bij Indisch Staatsblad 1864, n°. 166, was voorgeschre«toW d 0 C h W e l k e b eP a l i u£ ' biJ verplaatsing der betrokken t ote n a r e n i gebleken was aanleiding tot moeijelijkheden geven.
tech • ? ï e t t e I a n 8 ' d e r vervulling' eener tweede vacature onder het &eiW- ,° o s c , ,P e r s o n e e l : is in Augustus jl. de G-ouverneur-Generaal *aBvwr-lg' 'S1 i e t v e r l e e n e n e e n e r gelijke vrijstelling aan een in Indie °sSch g e n (Jeskundlë'e> t o t dusver chef van de opneming der djati
Non-activiteit. Ten aanzien van het wachtgeld toe te kennen aan ambtenaren en beambten, wier aanstelling niet van den Gouverneur-Generaal uitgaat, bestaat de bepaling (Bijblad op het Indisch Staatsblad n°. 1497 en 1839), dat het verleenen daarvan geschiedt voor den tijd van eenjaar, en dat_ eene verlenging (c. q. voor den tijd van zes maanden) niet plaats heeft, tenzij blijke dat de betrokken personen door ziekte belet zijn geworden, dan wel vruchtelooze pogingen hebben aangewend om weder in active dienst te worden opgenomen, ook in minder bezoldigde betrekkingen dan die zij laatstelijk bekleedden. Bij een besluit van 23 April 1870 werd die bepaling ook toepasselijk verklaard op de non-activiteits-tractementen, aan zoodanige mindere beambten toe te leggen bij terugkomst van verlof buiten Nederlandsen. Indie. Als middel om het langer dan strikt noodig op non-activiteit of op wachtgeld